Koninklijk Besluit van 19 februari 2013
gepubliceerd op 11 maart 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organism

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2013024072
pub.
11/03/2013
prom.
19/02/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

19 FEBRUARI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer het bijgevoegde ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen ter ondertekening door Uwe Majesteit.

Dit ontwerp brengt enkele wijzigingen aan in het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen.

De artikelen 1 tot en met 3 van het ontwerp beogen de creatie van een aparte categorie voor producenten van hoevepootgoed en de vrijstelling van de verplichte crisisbijdrage voor de kleinste aardappelproducenten. Overeenkomstig het advies van de Raad van State zullen deze artikelen binnen het jaar na publicatie van het besluit en met terugwerkende kracht tot de datum van hun inwerkingtreding bekrachtigd worden door de wetgever om ze om te vormen tot wetskrachtige bepalingen.

De artikelen 4 tot en met 9 van het ontwerp bevatten redactionele aanpassingen op verzoek van de Europese Commissie en om het onderscheid tussen gecertificeerd pootgoed en hoevepootgoed duidelijk te accentueren. Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van State hernemen deze artikelen ook de nog relevante wijzigingen die werden aangebracht bij het koninklijk besluit van 10 november 2005.

Voor deze dringende bepalingen is gekozen voor de door de Raad van State voorgestelde mogelijkheid om ze in dit ontwerp op te nemen en eveneens binnen het jaar na publicatie van het besluit en met terugwerkende kracht tot de datum van hun inwerkingtreding te laten bekrachtigen door de wetgever. Het alternatief van een voorafgaande uitbreiding van de rechtsgrond via een aanvulling van artikel 9 van de wet van 2 april 1971 zou te veel tijd vergen om een snelle en coherente aanpassing van het koninklijk besluit van 5 december 2004 te kunnen doorvoeren.

Via de bekrachtiging door de wetgever van het volledige ontwerp van besluit wordt gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State dat alle betrokken bepalingen moeten worden omgevormd tot wetskrachtige bepalingen.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE

Raad van State afdeling Wetgeving Advies 51.927/3 van 25 september 2012 over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen' Op 1 augustus 2012 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Landbouw en de Minister van Volksgezondheid verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 2 oktober 2012, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen'.

Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 25 september 2012. De kamer was samengesteld uit Jan Smets, staatsraad, voorzitter, Bruno Seutin en Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraden, en Marleen Verschraeghen, toegevoegd griffier.

Het verslag is uitgebracht door Githa Scheppers, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 25 september 2012. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de volgende wijzigingen aan te brengen in het koninklijk besluit van 5 december 2004 'tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen' : - er wordt voorzien in een vrijstelling van het betalen van de tijdelijke crisisbijdragen voor kleine producenten (artikelen 2 en 3); - hoevepootgoed wordt voortaan als een aparte categorie beschouwd, naast de gecertificeerde pootaardappelen (artikelen 1, 2 en 3); - de omschrijving van de te vergoeden waardeverliezen wordt aangepast (artikel 4); - er wordt voorzien in een termijn om een aanvraag om vergoeding en in een termijn voor de uitbetaling van de vergoeding (artikelen 5 en 6); - de berekeningswijze van de vergoedingen wordt op een aantal punten gewijzigd (artikel 9). 3.1. De artikelen 1 tot 3 van het ontworpen besluit vinden rechtsgrond in de artikelen 4, 1° en 5°, en 5, van de wet van 17 maart 1993 'betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten'. Bij deze bepalingen wordt de Koning gemachtigd om, met het oog op de financiering van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, bijdragen op te leggen ten laste van natuurlijke personen en rechtspersonen die planten of plantaardige producten voorbrengen, verhandelen, vervoeren, bewerken, verwerken, invoeren of uitvoeren, om het bedrag en de regels voor de inning te bepalen van die bijdragen en om de gevolgen te bepalen van het niet of laattijdig betalen van die bijdragen. 3.2. De artikelen 4 tot 9 van het ontworpen besluit vinden in beginsel rechtsgrond in artikel 9 van de wet van 2 april 1971 'betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen'. Op grond van deze bepaling kan de Koning het bedrag vaststellen van de vergoeding die wordt toegekend aan eigenaars waarvan de planten, plantaardige producten of roerende goederen op bevel van de bevoegde overheid vernietigd, behandeld of verwerkt worden of waarvan de planten of plantaardige producten onbruikbaar en waardeloos geworden zijn na een tijdelijk officieel verbod op het verplaatsen of het gebruik ervan, om de verspreiding van schadelijke organismen te verhinderen. Tevens wordt de Koning bij deze bepaling gemachtigd om de formaliteiten en de voorwaarden te bepalen waaraan het recht op betaling ervan is onderworpen.

Uit wat volgt zal evenwel blijken dat de artikelen 4 tot 9 van het ontworpen besluit vooralsnog geen doorgang kunnen vinden (zie opmerkingen 6.3 tot 6.5).

Vormvereisten 4. Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 'betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling' vloeit voort dat in beginsel elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren. Dergelijk onderzoek heeft met betrekking tot het voorliggende ontwerp blijkbaar nog niet plaatsgevonden en zal bijgevolg in voorkomend geval nog moeten worden verricht. Indien uit dit voorafgaande onderzoek bovendien zou blijken dat een effectbeoordeling in de zin van artikel 19/2 van dezelfde wet noodzakelijk is, en als gevolg van die effectbeoordeling wijzigingen zouden worden aangebracht in de tekst van het ontwerp zoals die thans om advies is voorgelegd, zullen deze wijzigingen eveneens om advies aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. 5. Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de wet van 17 maart 1993 is het advies vereist van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten.Uit het dossier van de adviesaanvraag kan evenwel niet worden opgemaakt of dit advies uiteindelijk effectief werd gegeven, nadat het ontworpen besluit verscheidene malen werd besproken in de werkgroep aardappelen van deze Raad. Het gegeven dat een schriftelijke goedkeuringsprocedure kan worden gevolgd in geval van hoogdringendheid, overeenkomstig het huishoudelijk reglement van deze Raad, neemt niet weg dat geen stuk voorligt waaruit blijkt wat het advies van de Raad nu precies inhield.

Het onderhavige advies wordt onder dit voorbehoud gegeven.

Onderzoek van de tekst Algemene opmerking 6.1. Het koninklijk besluit van 5 december 2004 werd met uitwerking van 24 december 2004 - de datum van zijn inwerkingtreding - bekrachtigd bij artikel 109 van de wet van 20 juli 2005 'houdende diverse bepalingen'. Die bekrachtiging is voorgeschreven bij artikel 5, vierde lid, van de wet van 17 maart 1993, maar enkel wat betreft de artikelen 1 tot 7 van het voormelde koninklijk besluit, die rechtsgrond vinden in artikel 5, eerste lid, van deze wet. In advies 37.461/3 van 6 juli 2004 over een ontwerp dat het koninklijk besluit van 5 december 2004 is geworden, heeft de Raad van State de aandacht van de stellers van dat ontwerp erop gevestigd dat « die bepalingen van het ontworpen besluit door de wetgever bekrachtigd moeten worden, binnen het jaar na de bekendmaking ervan » (zie opmerking 3.1 in fine van dat advies).

Het gegeven dat alle bepalingen van het voormelde koninklijk besluit werden bekrachtigd en niet alleen, zoals de Raad van State had geadviseerd, de artikelen 1 tot 7 ervan, heeft tot gevolg dat alle bepalingen van het genoemde koninklijk besluit kracht van wet hebben gekregen en dat de wetgever zich alle in dat besluit geregelde aangelegenheden opnieuw heeft toegeëigend. Daaruit volgt dat de Koning thans geen wijzigingen meer kan aanbrengen in het koninklijk besluit van 5 december 2004 en dat de door het thans in het ontwerpbesluit beoogde wijzigingen ervan in beginsel enkel door de wetgever kunnen worden doorgevoerd.

Om dezelfde redenen zijn de wijzigingen die inmiddels in het voormelde besluit werden aangebracht bij het koninklijk besluit van 10 november 2005 (1) onwettig en moeten zij voor niet bestaande worden gehouden (zie daarover hierna, opmerking 6.4). 6.2. Weliswaar kan worden aanvaard dat de artikelen 1 tot 3 van het ontworpen besluit, waarvoor de zo-even geschetste verplichting tot wettelijke bekrachtiging bestaat, doorgang kunnen vinden, op voorwaarde dat zij met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding en binnen de bij artikel 5, vierde lid, van de wet van 17 maart 1993 voorgeschreven termijn van een jaar bekrachtigd worden. Aldus vormt de wetgever immers met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het te nemen besluit de betrokken bepalingen om tot wetskrachtige bepalingen, waardoor het sub 6.1 geschetste probleem wegvalt. 6.3. Anders is het voor de artikelen 4 tot 9 van het ontworpen besluit. Het gegeven dat de bekrachtiging van de bepalingen waarvan de wijziging wordt beoogd, niet bij wet was voorgeschreven, doet immers geen afbreuk aan de zo-even gedane vaststelling dat alle bepalingen van het koninklijk besluit van 5 december 2004 effectief zijn bekrachtigd bij de wet 20 juli 2005.

Weliswaar kan ook voor de betrokken bepalingen van het te nemen besluit worden aangenomen dat een bekrachtiging met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding ervan tot gevolg heeft dat die bepalingen worden omgevormd tot wetskrachtige bepalingen, zodat het sub 6.1 geschetste probleem ook voor deze bepalingen wegvalt. Dit zou echter betekenen dat de regeling inzake de vergoeding van verliezen van aardappelproducenten ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen andermaal als een wettelijke regeling wordt bevestigd, terwijl de stellers van het ontwerp er juist van lijken uit te gaan dat de Koning volledig bevoegd moet zijn om deze regeling te wijzigen, aan te vullen, op te heffen en te vervangen.

Dit probleem zou kunnen worden verholpen door artikel 9 van de wet van 2 april 1971 in die zin aan te vullen dat de Koning wordt gemachtigd om de artikelen 8 tot 11 van het koninklijk besluit van 5 december 2004, alsook de bijlage bij dat besluit, te wijzigen, te vervangen of op te heffen. Eerst daarna kunnen de artikelen 4 tot 9 van het ontworpen besluit, onder voorbehoud van opmerkingen 6.4 en 6.5, doorgang vinden. 6.4. Een laatste probleem betreft de wijzigingen die reeds werden aangebracht in het koninklijk besluit van 5 december 2004 bij het niet-bekrachtigde koninklijk besluit van 10 november 2005. Die wijzigingen hebben betrekking op de artikelen 8, 10, 11 en 12 van het koninklijk besluit van 5 december 2004, alsook op de bijlage ervan.

Aangezien die wijzigingen, zoals reeds werd uiteengezet sub 6.1, voor niet-bestaande moeten worden gehouden (2), moeten ze worden hernomen in de ontworpen regeling. Of aan die wijzigingen terugwerkende kracht kan worden verleend tot de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 november 2005, kan binnen het bestek van deze adviesaanvraag niet worden beoordeeld. 6.5. Gelet op het voorgaande ziet de Raad van State af van het verder onderzoek van het ontwerp, althans wat betreft de artikelen 4 tot 9.

Eerst wanneer een nieuwe rechtsgrond is gecreëerd voor deze ontworpen bepalingen, overeenkomstig hetgeen sub 6.3 is gesuggereerd en wanneer de sub 6.4 vermelde wijzigingen in een nieuw ontwerp zijn geïntegreerd, kan dat nieuw ontwerp opnieuw om advies aan de Raad van State worden voorgelegd.

De artikelen 1 tot 3 van het ontworpen besluit kunnen daarentegen wel doorgang vinden. In elk geval moeten de stellers van het ontwerp er over waken dat enkel die artikelen worden bekrachtigd, zoals sub 6.2 werd uiteengezet. Overigens is het mogelijk, en met het oog op de transparantie van de rechtsorde zelfs raadzaam, om de artikelen 1 tot 3 en de artikelen 8 tot 11 van het ontworpen besluit om te vormen tot twee afzonderlijke besluiten, zodat het ene besluit moet worden bekrachtigd en het andere niet. Het gegeven dat de laatstgenoemde ontworpen bepalingen vooralsnog geen doorgang kunnen vinden, kan die suggestie enkel versterken.

Artikel 10 7. Het te nemen besluit treedt overeenkomstig artikel 10 van het ontwerp in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.De gemachtigde verklaarde in dit verband het volgende : « De inwerkingtreding op de dag van publicatie in het Staatsblad is bedoeld om de voorziene wijzigingen (in het belang van de aardappelproducenten) zo snel mogelijk te kunnen toepassen. » Deze verantwoording voor een afwijking van de normale termijn voor de inwerkingtreding van koninklijke besluiten is louter tautologisch en bijgevolg niet overtuigend. Tenzij een meer specifieke reden zou bestaan, dient artikel 10 uit het ontwerp te worden weggelaten.

De griffier, M. VERSCHRAEGHEN. De voorzitter, J. SMETS. _______ Nota's (1) Koninklijk besluit van 10 november 2005 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen'.De Raad van State werd overigens niet om advies gevraagd over het ontwerp dat tot dit besluit heeft geleid. (2) Overigens verdient het aanbeveling om, met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer, dat besluit van 10 november 2005 in te trekken. 19 FEBRUARI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, artikel 9, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 22 december 2008;

Gelet op de wet van 17 maart 1993 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, de artikelen 4 en 5, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen;

Gelet op de adviezen van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, gegeven op 23 maart 2004 en 15 juni 2007;

Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid van 27 mei 2004 en 24 augustus 2007;

Gelet op de adviezen van de inspecteur van Financiën, gegeven op 15 maart 2004 en 13 maart 2012;

Gelet op de akkoordbevindingen van de Minister van Begroting, d.d. 23 april 2004 en 22 mei 2012;

Gelet op het akkoord van de Europese Commissie, gegeven op 7 juni 2010;

Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren, waarbij besloten is dat een effectbeoordeling niet vereist is;

Gelet op advies 51.927/3 van de Raad van State, gegeven op 25 september 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid en de Minister van Landbouw, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt : « 1° « producent van gecertificeerde pootaardappelen » : natuurlijke of rechtspersoon geregistreerd met het oog op de productie op het Belgisch grondgebied van niet-bereide pootaardappelen in de zin van punt 1.2.4 van de bijlage bij het ministerieel besluit van 21 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 21/12/2001 pub. 06/03/2002 numac 2002016003 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen; »; 2° er wordt een bepaling 2° /1 ingevoegd, luidende : « 2° /1 « producent van hoevepootgoed » : natuurlijke of rechtspersoon die voor op het Belgisch grondgebied gelegen percelen een aangifte moet doen in de zin van artikel 13, § 2/1, van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen;».

Art. 2.Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.De producenten van gecertificeerde pootaardappelen moeten aan het Fonds een tijdelijke jaarlijkse crisisbijdrage storten van 20 euro per hectare die in het betreffende kalenderjaar beplant zijn met het oog op de productie van gecertificeerd pootgoed.

De in het eerste lid bedoelde producenten van gecertificeerde pootaardappelen die minder dan 0,25 ha beplant hebben, worden voor het betreffende kalenderjaar vrijgesteld van de betaling van de crisisbijdrage. ».

Art. 3.Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 4.De producenten van consumptieaardappelen en de producenten van hoevepootgoed moeten aan het Fonds een tijdelijke jaarlijkse crisisbijdrage storten van 10 euro per hectare die in het betreffende kalenderjaar beplant zijn met het oog op de productie van consumptieaardappelen of van hoevepootgoed.

De in het eerste lid bedoelde producenten van consumptieaardappelen of van hoevepootgoed die minder dan 0,50 ha beplant hebben, worden voor het betreffende kalenderjaar vrijgesteld van de betaling van de crisisbijdrage. ».

Art. 4.In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « De bijdragen bedoeld in de artikelen 3 en 4 zijn uitsluitend bestemd voor het geheel of gedeeltelijk vergoeden van directe verliezen ten gevolge van de vernietiging van aardappelen, met uitzondering van de winstderving, tengevolge van de door de Dienst opgelegde maatregelen in het kader van de strijd tegen de volgende schadelijke organismen : » worden vervangen door de woorden : « De bijdragen bedoeld in de artikelen 3 en 4 zijn uitsluitend bestemd voor het geheel of gedeeltelijk vergoeden van : - directe waardeverliezen ten gevolge van de vernietiging of denaturatie van aardappelen, met uitzondering van de winstderving en van de kosten voor vernietiging of denaturatie, - directe waardeverliezen ten gevolge van de verwerking onder quarantainevoorwaarden van aardappelen, overeenkomstig het door de Dienst opgestelde lastenboek, tengevolge van de door de Dienst opgelegde maatregelen in het kader van de strijd tegen de volgende schadelijke organismen : »;2° de woorden « Synchytrium endobioticum (Smith) Smith » worden vervangen door de woorden « Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival ».

Art. 5.In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt het vijfde streepje vervangen als volgt : « - uiterlijk twee jaar na het ontstaan van de in artikel 8 bedoelde verliezen een aanvraag om vergoeding ingediend hebben door middel van een door de Dienst vastgesteld formulier. ».

Art. 6.Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 10.§ 1. Het bedrag van de vergoeding wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de bijlage bij dit besluit. § 2. Mits voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 9 en 11 wordt de vergoeding uiterlijk vier jaar na het ontstaan van de verliezen uitbetaald aan de producent. ».

Art. 7.Artikel 12, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De vergoedingen zijn van toepassing op de met ingang van 2002 door de Dienst verplichte vernietigingen, denaturaties of verwerkingen van aardappelen. ».

Art. 8.In de bijlage van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift wordt vervangen als volgt : « Vergoeding voor vernietigde, gedenatureerde of verwerkte aardappelen »;2° onder I.Definities, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt : « 4° Ktotaal = de totale kostprijs voor de productie van de betrokken partijen gecertificeerde pootaardappelen of consumptieaardappelen of hoevepootgoed, waarvoor een vergoeding kan worden toegekend in toepassing van dit besluit; »; 3° onder I.Definities, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt : « 5° Kproductie = de gemiddelde kostprijs voor de productie van gecertificeerde pootaardappelen of consumptieaardappelen of hoevepootgoed; »; 4° onder I.Definities, wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt : « 6° Kgecertificeerd pootgoed = de kostprijs voor de aankoop van gecertificeerd pootgoed; »; 5° punt I.Definities, wordt aangevuld met de bepaling onder 11°, luidende : « 11° R = de restwaarde die de houder ontvangt van derden voor gedenatureerde of onder quarantainevoorwaarden verwerkte aardappelen. »; 6° onder II.Forfaitaire bedragen en refactiecoëfficiënt, wordt in de tabel het woord « Kpootgoed » vervangen door de woorden « Kgecertificeerd pootgoed »; 7° onder II.Forfaitaire bedragen en refactiecoëfficiënt, wordt in de tabel het woord « pootaardappelen » vervangen door de woorden « gecertificeerde pootaardappelen »; 8° onder II.Forfaitaire bedragen en refactiecoëfficiënt, wordt in de tabel het woord « consumptieaardappelen » vervangen door de woorden « consumptieaardappelen of hoevepootgoed »; 9° onder II.Forfaitaire bedragen en refactiecoëfficiënt, wordt in noot (1) van de tabel het woord « pootaardappelen » vervangen door de woorden « gecertificeerde pootaardappelen »; 10° onder II.Forfaitaire bedragen en refactiecoëfficiënt, worden de noten (3) en (4) van de tabel vervangen als volgt : « (3) Te rekenen vanaf de datum van 1 september voorafgaand aan de vernietiging/denaturatie/verwerking, met een maximum van 7 maanden. De maand waarin de aardappelen vernietigd/ gedenatureerd/verwerkt worden, wordt slechts aangerekend wanneer de vernietiging/denaturatie/verwerking na de 15e plaatsvindt. (4) Te rekenen vanaf de datum van 1 november voorafgaand aan de vernietiging/denaturatie/verwerking, met een maximum van 7 maanden.De maand waarin de aardappelen vernietigd/ gedenatureerd/verwerkt worden, wordt slechts aangerekend wanneer de vernietiging/denaturatie/verwerking na de 15e plaatsvindt. »; 11° onder III.Berekening van de vergoeding, worden de woorden « uitgeplant pootgoed » vervangen door de woorden « uitgeplant gecertificeerd pootgoed »; 12° onder III.Berekening van de vergoeding, wordt het woord « Kpootgoed » vervangen door de woorden « Kgecertificeerd pootgoed »; 13 ° onder III. Berekening van de vergoeding, worden de woorden « de berekening gebeurt op basis van de vernietigde hoeveelheid (uitgedrukt in ton) ingeval van vernietiging van reeds gerooide aardappelen » vervangen door de woorden « de berekening gebeurt op basis van de vernietigde of gedenatureerde hoeveelheid (uitgedrukt in ton) ingeval van vernietiging of denaturatie van reeds gerooide aardappelen »; 14° onder III.Berekening van de vergoeding, worden de woorden « Het bedrag van de vergoeding (V) wordt berekend als volgt : V = ( Vbasis x r ) » vervangen door de woorden « Het bedrag van de vergoeding (V) wordt berekend als volgt : V = ( Vbasis x r ) - R »; 15° punt III.Berekening van de vergoeding, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « Het bedrag van de vergoeding (V) kan in geen enkel geval hoger zijn dan 85 % van de marktprijs (M). »; 16° er wordt een punt IV ingevoegd, luidende : « IV.Directe waardeverliezen ten gevolge van de opgelegde quarantainevoorwaarden voor de verwerking : De directe waardeverliezen ten gevolge van de in opdracht van de Dienst verrichte verwerking onder quarantainevoorwaarden van besmette aardappelen worden berekend op basis van de door de Dienst goedgekeurde bewijsstukken, met een maximum van € 38/ton. Het betreft de geleden waardeverliezen ten gevolge van de behandeling van besmette aardappelen en de ontsmetting van transportmiddelen en verwerkingsinstallaties en -uitrustingen, het gescheiden transport naar een installatie voor het wassen van aardappelen onder quarantainevoorwaarden, de vereiste aanpassingen voor het beveiligen van de installaties voor de evacuatie van het waswater, de verwijdering van zuiveringsslib, besmet afval en grond, overeenkomstig het in artikel 8, tweede streepje, bedoelde lastenboek. ».

Art. 9.Het koninklijk besluit van 10 november 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen, wordt ingetrokken.

Art. 10.De minister bevoegd voor Volksgezondheid en de minister bevoegd voor Landbouw zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 19 februari 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^