Koninklijk Besluit van 21 december 2001
gepubliceerd op 12 januari 2002
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten

bron
ministerie van landsverdediging
numac
2002007001
pub.
12/01/2002
prom.
21/12/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

21 DECEMBER 2001. - Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 167, § 1, van de Grondwet;

Gelet op de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren en de reserveofficieren van de krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1960, 26 juli 1962, 23 juni 1964, 6 juli 1967, 27 december 1973, 13 juli 1976, 18 februari 1987, 22 december 1989, 21 december 1990, 28 december 1990, 20 mei 1994, 11 juni 1998, 16 maart 2000, 25 mei 2000 en 22 maart 2001;

Gelet op de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, inzonderheid op artikel 39bis, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 maart 1960 houdende organisatie van een administratief en technisch secretariaat op het Departement van Landsverdediging, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 mei 1963, 8 december 1966 en 5 oktober 1972;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 14 december 2001;

Op de voordracht van Onze Minister van Landsverdediging, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene structuur

Artikel 1.Het Ministerie van Landsverdediging bestaat uit de volgende organen en onderafdelingen : 1° het kabinet van de minister;2° de Hoge Raad voor Defensie;3° het administratief en technisch secretariaat;4° de algemene directie vorming;5° de algemene directie imago en public relations;6° het algemeen commando;7° de vertrouwens- en gelijke-kansendienst. De organen en onderafdelingen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 7°, vormen de krijgsmacht.

Art. 2.Voor de toepassing van de personeelsstatuten, voor de werving en om redenen van vertegenwoordiging in bepaalde organen, behoort het personeel van de krijgsmacht, naar gelang van het geval, tot de landmacht, de luchtmacht, de marine, de medische dienst of het burgerpersoneel.

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder : 1° « de minister » : de Minister van Landsverdediging;2° « het departement » : het Ministerie van Landsverdediging;3° « operaties » : de opdrachten bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden. HOOFDSTUK II. - Het kabinet van de minister, het administratief en technisch secretariaat en de vertrouwens- en gelijke-kansendienst

Art. 4.De organisatie en de bevoegdheden van het kabinet van de minister, van het administratief en technisch secretariaat en van de vertrouwens- en gelijke-kansendienst worden door de Koning bij bijzondere bepalingen vastgelegd. HOOFDSTUK III. - De Hoge Raad voor Defensie

Art. 5.De Hoge Raad voor Defensie is een raadgevend orgaan dat aan de minister advies verstrekt met betrekking tot de uitwerking van het beleid voor het departement, de coördinatie van de beleidsvorming tussen de verschillende stafdepartementen en algemene directies, de evaluatie van het gevoerd beleid, de algemene structuur van de krijgsmacht, de personeelsbehoeften en de belangrijke investeringen, de deelname aan operaties en de hieraan verbonden middelen.

Art. 6.De Hoge Raad voor Defensie bestaat uit : 1° de minister, voorzitter;2° de kabinetschefs en de adjunct-kabinetschefs 3° de chef defensie;4° de vice-chef defensie;5° een adviseur;6° de chef van het administratief en technisch secretariaat 7° de leden die daartoe worden aangeduid door de minister. HOOFSTUK IV. - Het algemeen commando Afdeling 1. - Algemeen

Art. 7.§ 1. Het algemeen commando wordt geleid door de chef defensie, bijgestaan door de vice-chef defensie.

Dit commando omvat : 1° het directiecomité;2° vijf stafdepartementen, elk onder de leiding van een onderstafchef;3° vier algemene directies, elk onder de leiding van een directeur-generaal;4° de diensten van de chef defensie en de vice-chef defensie;5° een territoriale directie onder de leiding van de vice-chef defensie, die over uitvoeringsorganen beschikt. § 2. De stafdepartementen zijn : 1° het stafdepartement operaties en training bestaande uit : a) een staf;b) de interventiemacht bestaande uit : - de landcomponent; - de luchtcomponent; - de marinecomponent; - de medische component; 2° het stafdepartement strategie;3° het stafdepartement evaluatie;4° het stafdepartement inlichtingen en veiligheid;5° het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn. Een stafdepartement kan over uitvoeringsorganen beschikken. § 3. De algemene directies zijn : 1° de algemene directie human resources;2° de algemene directie material resources;3° de algemene directie juridische steun en bemiddeling;4° de algemene directie budget en financiën. Een algemene directie kan over uitvoeringsorganen beschikken. § 4. De territoriale directie omvattende de diensten die op territoriale basis tewerkgesteld zijn en die opdrachten verzekeren in het kader van de hulpverlening ten voordele van de natie. § 5. De chef defensie, de vice-chef defensie, hun diensten, de territoriale directie met uitzondering van haar uitvoeringsorganen, de stafdepartementen en de algemene directies, met uitzondering van hun uitvoeringsorganen bedoeld in § 2, tweede lid en § 3, tweede lid, en de interventiemacht bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, b), vormen de defensiestaf.

Art. 8.§ 1. De chef defensie is de hoogste autoriteit die onder de minister ressorteert. Hij is tevens chef van de defensiestaf. § 2. De chef defensie bereidt de elementen voor tot uitwerking van het defensiebeleid. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven en de opdrachten, taken en structuren die daarbij horen; hij stelt de personeelseffectieven, de materiële en budgettaire middelen voor evenals hun verdeling per te bereiken objectief; hij stelt de plannen en de programma's op in alle domeinen, alsook de jaarlijks te verwezenlijken schijven met inbegrip van de bijhorende middelen en legt ze in de hoge raad voor defensie aan de minister voor.

Hij adviseert de minister aangaande geplande en aan de gang zijnde operaties. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven, de opdrachten, de structuren, de inzetregels en de middelen in personeel en materieel die daarbij horen. § 3. Binnen het algemeen commando is de chef defensie verantwoordelijk voor de uitvoering van het door de politieke overheid vastgelegde defensiebeleid.

Daartoe is hij als commandant van de interventiemacht verantwoordelijk voor de training ervan en voor de voorbereiding en uitvoering van de operaties.

Daarenboven is hij verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van het departement en verzekert en controleert hij de uitvoering van de door de minister vastgelegde plannen. Hij bepaalt de grondbeginselen en de richtlijnen betreffende de aanwending van de middelen in functie van de opdrachten en controleert de toepassing van de wettelijke en reglementaire voorschriften.

Art. 9.De vice-chef defensie staat de chef defensie bij en vervangt hem binnen de perken van de bijzondere richtlijnen, die door deze laatste worden vastgelegd. Afdeling 2. - Het directiecomité

Art. 10.Het directiecomité is een raadgevend orgaan dat adviezen verstrekt aan de chef defensie betreffende de dagelijkse leiding van het algemeen commando in uitvoering van het vastgelegd defensiebeleid en betreffende alle gegevens en informatie die aan de hoge raad voor defensie voorgelegd worden.

Art. 11.Het directiecomité bestaat uit de chef defensie, als voorzitter, de vice-chef defensie, de onderstafchefs en de directeurs-generaal van het algemeen commando. Afdeling 3. - De algemene bevoegdheden van de onderstafchefs

en directeurs-generaal van het algemeen commando

Art. 12.§ 1. De onderstafchefs en de directeurs-generaal van het algemeen commando, elk in zijn bevoegdheidsdomein : 1° zijn raadgever van de chef defensie;daartoe voorzien ze hem van gegevens en informatie die hem moeten toelaten een coherent defensiebeleid voor te stellen aan de minister; 2° werken in het kader van het vastgelegd beleid en in samenspraak met de andere onderstafchefs en directeurs-generaal, de planning, de programmering ten behoeve van de paraatstelling en de algemene functioneringsrichtlijnen voor de krijgsmacht uit;3° regelen, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie betreffende de processen die tot hun bevoegdheidsdomein behoren, teneinde voortdurend de doeltreffendheid en de doelmatigheid te verhogen;4° zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, belast met de naleving en het beheer van de door het departement afgesloten akkoorden en de door België afgesloten internationale akkoorden en stellen deze akkoorden op die tot het bevoegdheidsdomein van het departement behoren;5° zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal imago en public relations, belast met de externe relaties;6° leiden, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie, het wetenschappelijk en technologisch opzoekingswerk, inclusief de deelname aan nationale en internationale programma's;7° voorzien de andere onderstafchefs en directeurs-generaal van de gegevens en informatie die hen toelaat hun respectieve bevoegdheden uit te oefenen. § 2. De onderstafchefs en de directeurs-generaal van het algemeen commando, elk in zijn stafdepartement of algemene directie : 1° organiseren, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs en directeurs-generaal, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie;2° formuleren adviezen en aanbevelingen betreffende behoeften en toegekende middelen voor de uitvoering van hun opdracht;3° zijn verantwoordelijk voor de materiële, budgettaire en personeelsmiddelen die hen zijn toegekend;4° zijn belast met de verwezenlijking van de vormingen die de chef defensie hen toewijst, overeenkomstig de vastgestelde eindtermen en onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal human resources en van de directeur-generaal vorming;5° zijn belast met de interne informatieverspreiding, overeenkomstig de algemene richtlijnen bedoeld in artikel 38, 2°. § 3. Benevens de bevoegdheden vastgelegd in de eerste en de tweede paragraaf oefenen zij, elk in hun domein, de in artikel 13 tot 34 nader beschreven staf- en commandobevoegdheden uit.

De minister legt op voorstel van de chef defensie in een reglement de bijzondere bevoegdheden vast van elke onderstafchef en directeur-generaal van het algemeen commando. Afdeling 4. - De stafdepartementen van het algemeen commando

Onderafdeling 1. - Het stafdepartement operaties en training

Art. 13.Het stafdepartement operaties en training staat onder de leiding van de onderstafchef operaties en training. Zijn bevoegdheidsdomein behelst de training van de interventiemacht en de operaties.

De componenten bedoeld in artikel 7, § 2, 1°, b), staan elk onder het bevel van een commandant. Zij bestaan uit een hoofdkwartier en eenheden.

Art. 14.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de onderstafchef operaties en training volgende bevoegdheden uit : 1° hij is de raadgever van de chef defensie in diens functie van commandant van de interventiemacht;daartoe stelt hij de operatieplannen op, rapporteert hij over de paraatstelling van de eenheden van de interventiemacht en over de situatie van de eenheden in operaties en formuleert hij adviezen en aanbevelingen inzake behoeften en toegekende middelen; 2° hij voert, inzake de training en volgens de regels bepaald door de chef defensie, het operationeel commando over de interventiemacht;hij delegeert dit operationeel commando op zijn beurt aan de commandanten van de componenten voor de specifieke uitvoering ervan in hun component; 3° hij kan, voor het voeren van operaties en volgens de regels bepaald door de chef defensie, het operationeel commando over componenten of over eenheden van componenten ontvangen;4° hij is, in het kader van het hem toevertrouwd operationeel commando, verantwoordelijk tegenover de chef defensie voor alle aspecten van de training en operaties alsmede voor de personele, materiële en budgettaire middelen die hem zijn toegekend;daartoe legt hij binnen het kader van de weerhouden opdrachten en doctrines, de plannen en de gebruiksprogramma's van de componenten vast.

Onderafdeling 2. - Het stafdepartement strategie

Art. 15.Het stafdepartement strategie staat onder de leiding van de onderstafchef strategie. Zijn bevoegdheidsdomein behelst het defensiebeleid, de strategische studies en de plannen.

Art. 16.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de onderstafchef strategie volgende bevoegdheden uit : 1° hij voert studies uit betreffende de evolutie op lange en zeer lange termijn van de elementen die het defensiebeleid beïnvloeden;2° hij stelt aan de chef defensie de gebruiksdoctrine op strategisch niveau van de interventiemacht, de te realiseren defensiecapaciteiten en algemene structuren voor, alsmede de overeenkomstige strategieën betreffende het management, de bewapening en het wetenschappelijk en technologisch onderzoek;3° hij integreert de beleidsobjectieven en -plannen van de verschillende stafdepartementen en algemene directies in één coherent defensieplan in overeenstemming met en ter uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid.

Art. 17.De onderstafchef strategie werkt het militair standpunt uit inzake veiligheid en defensie. Daartoe geeft hij de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België de noodzakelijke richtlijnen.

Hij verspreidt dit standpunt naar de Belgische officiële instanties, de internationale organisaties, de voornoemde defensieattachés en militaire raadgevers alsmede naar de buitenlandse militaire vertegenwoordigers, geaccrediteerd in België.

Art. 18.De onderstafchef strategie waakt over de politiek-militaire opportuniteit, de doeltreffendheid, de coherentie en de opvolging van de internationale akkoorden en relaties, en van deze afgesloten met de federale, gemeenschappelijke en gewestelijke overheidsdiensten.

Hij is in het bijzonder verantwoordelijk voor de relaties met het Ministerie dat de Buitenlandse Zaken en de Internationale Samenwerking in zijn bevoegdheden heeft.

Onderafdeling 3. - Het stafdepartement evaluatie

Art. 19.Het stafdepartement evaluatie staat onder de leiding van de onderstafchef evaluatie. Zijn bevoegdheidsdomein omvat de permanente evaluatie van de werking van de krijgsmacht.

Art. 20.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de onderstafchef evaluatie volgende bevoegdheden uit : 1° hij evalueert de professionele waarde van de krijgsmacht alsook de operationele waarde van de interventiemacht;2° hij integreert de evaluatieprocessen van de andere onderstafchefs en directeurs-generaal in een coherent evaluatieplan;3° hij verzekert de coherentie van de evaluatiemethodes in de krijgsmacht.

Art. 21.Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de toegang tot zekere informatie, hebben de onderstafchef evaluatie en de door hem hiertoe gemachtigde medewerkers directe toegang tot alle informatie van de verschillende onderafdelingen van de krijgsmacht, voor zover die nodig en relevant is voor de uitvoering van zijn taken.

Onderafdeling 4. - Het stafdepartement inlichtingen en veiligheid

Art. 22.Het stafdepartement inlichtingen en veiligheid staat onder de leiding van de onderstafchef inlichtingen en veiligheid. Hij is tevens chef van de algemene dienst inlichting en veiligheid. Zijn bevoegdheidsdomein omvat de inlichtingen en de militaire veiligheid.

Art. 23.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de onderstafchef inlichtingen en veiligheid volgende bevoegdheden uit : 1° hij is belast met de organisatie van de steun inlichtingen en veiligheid aan operaties;2° hij is bevoegd voor het ten laste nemen van de in België geaccrediteerde buitenlandse defensieattachés en voor de relaties met de buitenlandse strijdkrachten voor dewelke ze geaccrediteerd zijn;3° hij stelt de voorschriften op betreffende de geclassificeerde archieven van de krijgsmacht en controleert de naleving ervan;4° hij beheert de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België;5° hij geeft de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België de noodzakelijke opdrachten in het domein inlichtingen;6° hij adviseert, onverminderd de bevoegdheden van de directeur generaal human resources, de chef defensie betreffende het beheer van het personeel tewerkgesteld in het domein inlichtingen en veiligheid.

Art. 24.De onderstafchef inlichtingen en veiligheid is uit hoofde van zijn functie als chef van de dienst inlichting en veiligheid tegenover de minister verantwoordelijk voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst sluiten houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen en de richtlijnen van het ministerieel comité dat de vaststelling van de algemene politiek betreffende inlichtingen en veiligheid onder zijn bevoegdheden heeft.

Onderafdeling 5. - Het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn

Art. 25.Het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn staat onder de leiding van de onderstafchef welzijn.

Zijn bevoegdheidsdomein omvat de gezondheid, het milieu, de kwaliteit van het leven en het welzijn op het werk.

Art. 26.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de onderstafchef welzijn volgende bevoegdheden uit : 1° hij is verantwoordelijk voor de toepassing van de in België van kracht zijnde regelgeving betreffende de materies gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn op het werk;2° hij formuleert de aanbevelingen inzake de organisatie van de medische opvolging van het personeel, het bevorderen van het welzijn op het werk, de eerbied voor het milieu, en de psychosociale begeleiding van de personeelsleden, de gewezen personeelsleden en hun rechthebbenden. Afdeling 5. - De algemene directies van het algemeen commando

Onderafdeling 1. - De algemene directie human resources

Art. 27.De algemene directie human resources staat onder de leiding van de directeur-generaal human resources. Zijn bevoegdheidsdomein omvat alles wat het personeel aanbelangt, inclusief de taalwetgeving, het syndicaal beleid, de organisatiestructuur van het departement en, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal vorming, de vorming.

Art. 28.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de directeur-generaal human resources volgende bevoegdheden uit : 1° hij bestudeert de evolutie van de arbeidsmarkt in het kader van de defensiecapaciteiten waaraan voldaan moet worden;2° hij bepaalt, in uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid, de algemene objectieven in zijn bevoegdheidsdomein en vertaalt deze in kwalitatieve en kwantitatieve personeelsbehoeften, in doelstellingen betreffende alle andere personeelsdomeinen, in eindtermen, in doelstellingen van het syndicaal beleid en in structuren;3° hij stelt overeenkomstig 2° de plannen op lange en middellange termijn op en verzekert de realisatie ervan;4° hij verzekert het beheer en de administratie van het personeel van het departement gedurende de volledige loopbaan;5° hij verzekert de personeelsprocessen in het departement;6° hij stelt in uitvoering van het in zijn bevoegdheidsdomein vastgestelde defensiebeleid en onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, de ontwerpen van wettelijke en reglementaire teksten en richtlijnen op;7° hij organiseert, in uitvoering van het vastgestelde defensiebeleid, de dialoog met de sociale partners. Onderafdeling 2. - De algemene directie material resources

Art. 29.De algemene directie material resources staat onder de leiding van de directeur-generaal material resources. Zijn bevoegdheidsdomein omvat het materieel, de communicatie- en informatiesystemen, de infrastructuur en de logistiek, inclusief de overheidsopdrachten.

Art. 30.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de directeur-generaal material resources volgende bevoegdheden uit : 1° hij bestudeert de evolutie inzake materieel in het kader van de defensiecapaciteiten waaraan voldaan moet worden;2° hij bepaalt in uitvoering van het vastgestelde defensiebeleid de objectieven in zijn bevoegdheidsdomein en vertaalt deze in kwalitatieve en kwantitatieve behoeften inzake materieel, communicatie- en informatiesystemen en infrastructuur;3° hij stelt de wederuitrustingsplannen, de infrastructuurplannen en de plannen voor de technisch-logistieke steun op middellange en lange termijn op en verzekert de realisatie ervan;4° hij verzekert het beheer van alle materiële hulpbronnen van het departement gedurende de volledige levenscyclus ervan en voor de totaliteit van de technisch-logistieke steun van deze hulpbronnen;5° hij verzekert het beheer en het onderhoud van het onroerend patrimonium van het departement;6° hij verzekert de logistieke processen in de krijgsmacht;7° hij bereidt de gunning voor van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten en verzekert de opvolging ervan.Hij neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde de onpartijdigheid en de integriteit maximaal te waarborgen in de behandeling van deze dossiers; 8° hij bereidt de eventuele verkoop van overtollig materieel en onroerende goederen voor en voert deze uit;9° hij stelt in uitvoering van het in zijn bevoegdheidsdomein vastgestelde defensiebeleid en onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, de ontwerpen van wettelijke en reglementaire teksten en richtlijnen op. Onderafdeling 3. - De algemene directie juridische steun en bemiddeling

Art. 31.De algemene directie juridische steun en bemiddeling staat onder de leiding van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling. Zijn bevoegdheidsdomein omvat de juridische steun en de bemiddeling.

Art. 32.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling volgende bevoegdheden uit : 1° hij is juridisch raadgever van de chef defensie inzake internationaal recht en internationale verdragen evenals inzake iedere materie van rechtskundige of administratieve aard, en dit onverminderd de bevoegdheden van de andere onderstafchefs en directeurs-generaal;2° hij is belast met de afhandeling van rechts- en administratieve geschillen en beroepen, alsmede met de procedures voor het Arbitragehof, waarbij het departement betrokken is, evenals de regeling van ongevallen en schade waarbij het departement hetzij rechtstreeks of via verdragsrechterlijke bepalingen of akkoorden betrokken is;3° hij is belast met de afhandeling van de interventies en het vervullen van de bemiddelende rol voor het departement;4° hij verleent rechtsbijstand aan het personeel van het departement in geschillen die het gevolg zijn van de dienst;5° hij staat in voor de afhandeling van de administratieve vraagstukken betreffende de taalwetgeving;6° hij is verantwoordelijk voor de werking van de kanselarij en van de burgerlijke stand van de personeelsleden en hun gezinnen in het buitenland;7° hij verzekert de verbinding met de autoriteiten bevoegd inzake militair strafrecht en humanitair recht;8° hij verzekert de verbinding met de instellingen van openbaar nut en de verenigingen die van het departement afhangen;9° hij is verantwoordelijk voor het opstellen van het concept voor de archivering in de schoot van het departement;10° hij is belast met de uitvoering van de vertaalopdrachten en de simultaanvertalingen. Onderafdeling 4. - De algemene directie budget en financiën

Art. 33.De algemene directie budget en financiën staat onder de leiding van de directeur-generaal budget en financiën. Zijn bevoegdheidsdomein omvat het budget en de financiën.

Art. 34.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 12, oefent de directeur-generaal budget en financiën volgende bevoegdheden uit : 1° hij is belast met de budgettaire integratie van de defensieplannen en -programma's in de verschillende domeinen en hij gaat de budgettaire haalbaarheid ervan na;2° hij is verantwoordelijk voor de organisatie van de administratieve en begrotingscontrole en, voor het interne luik van deze controle, staat hij in voor de onafhankelijkheid van de agenten die ermee belast zijn.Hun advies maakt integraal deel uit van het desbetreffende dossier; 3° hij staat in voor het opmaken, wijzigen, indienen en verantwoorden van de begrotingsvoorstellen;4° hij volgt de uitvoering van de begroting op en beheert de kredieten verbonden aan bestaande rechten;5° hij verzekert de financiële en budgettaire administratie van het departement;6° hij is belast met de financiële controle ter plaatse : a) van de rekenplichtigen en onderrekenplichtigen van het departement, met uitzondering van de rekenplichtige van het kabinet van de minister en van de bijzondere rekenplichtige van de algemene dienst inlichting en veiligheid;b) in organisaties extern aan het departement die er financiële steun van genieten, onverminderd de bevoegdheden terzake vastgelegd in andere wetten of besluiten. HOOFDSTUK V. - De algemene directie vorming

Art. 35.De algemene directie vorming staat onder de leiding van de directeur-generaal vorming die rechtstreeks van de minister afhangt.

Art. 36.De directeur-generaal vorming : 1° voorziet de directeur-generaal human resources, in het kader van diens bevoegdheid bedoeld in artikel 12, § 1, 1°, van de elementen betreffende de vormingen verstrekt in de Koninklijke Militaire School, in het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie en in de scholen voor onderofficieren en betreffende de vormingsmethodologie;2° is verantwoordelijk voor de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid betreffende de vormingen verstrekt in de Koninklijke Militaire School, in het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie en in de scholen voor onderofficieren, en betreffende de vormingsmethodologie;3° werkt in het kader van de algemene objectieven, eindtermen en plannen, bedoeld in artikel 28, 2° en 3°, de schoolprogramma's en de algemene richtlijnen betreffende de vormingen verstrekt in de Koninklijke Militaire School, in het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie en in de scholen voor onderofficieren, en, in samenspraak met de andere onderstafchefs en directeurs-generaal, de algemene richtlijnen betreffende de vormingsmethodologie uit;4° regelt, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie inzake de coherentie van de vormingen en van de vormingsmethodologie in alle vormingsinstellingen, teneinde er voortdurend de doeltreffendheid en de doelmatigheid van te verhogen;5° organiseert, in de schoot van zijn algemene directie en onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs en de directeurs-generaal, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie;6° is, in zijn bevoegdheidsdomein en onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, belast met de naleving en het beheer van de door het departement afgesloten akkoorden en de door België afgesloten internationale akkoorden en stelt de akkoorden op die tot het bevoegdheidsdomein van het departement behoren;7° is, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal imago en public relations, belast met de externe relaties in zijn bevoegdheidsdomein;8° leidt in zijn bevoegdheidsdomein het wetenschappelijk en technologisch opzoekingswerk, inclusief de deelname aan nationale en internationale programma's;9° is in zijn algemene directie belast met de interne informatieverspreiding, overeenkomstig de algemene richtlijnen bedoeld in artikel 38, 2°;10° formuleert aan de chef defensie de adviezen en aanbevelingen betreffende behoeften en toegekende middelen voor de uitvoering van zijn opdracht;11° is tegenover de chef defensie verantwoordelijk voor de personele, materiële en budgettaire middelen die hem zijn toegekend. HOOFDSTUK VI. - De algemene directie imago en public relations

Art. 37.De algemene directie imago en public relations staat onder de leiding van de directeur-generaal imago en public relations die rechtstreeks van de minister afhangt.

Art. 38.De directeur-generaal imago en public relations : 1° voorziet de chef defensie van gegevens en informatie inzake informatieverspreiding en public relations die hem moeten toelaten een coherent defensiebeleid voor te stellen aan de minister;2° is verantwoordelijk voor de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid betreffende de imagocampagnes en de informatieverspreiding naar het personeel, het publiek en de media; daartoe werkt hij de planning, programmering en de algemene richtlijnen uit betreffende de informatieverspreiding, de imagocampagnes en de publieke relaties uit, in samenspraak met de andere onderstafchefs en directeurs-generaal; 3° regelt, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie betreffende het imago en de public relations teneinde er voortdurend de doeltreffendheid en de doelmatigheid van te verhogen;4° organiseert, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef evaluatie en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs en directeurs-generaal, in de schoot van zijn algemene directie, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie;5° staat, in zijn bevoegdheidsdomein en onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, in voor de naleving en het beheer van de door het departement afgesloten akkoorden en de door België afgesloten internationale akkoorden en stelt deze akkoorden op die tot het bevoegdheidsdomein van het departement behoren;6° is in het kader van zijn bevoegdheden inzake informatieverspreiding bedoeld in 2°, belast met de uitvoering van de wervingscampagnes zoals bepaald door de objectieven en plannen, bedoeld in artikel 28, 2° en 3°;7° is in het kader van zijn bevoegdheden inzake de publieke relaties bedoeld in 2°, belast met de uitvoering van de selectieactiviteiten bepaald door de directeur-generaal human resources;8° is belast met de verwezenlijking van de eindtermen van de vormingen die de chef defensie hem toewijst, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal human resources en van de directeur-generaal vorming;9° formuleert aan de chef defensie de adviezen en aanbevelingen betreffende behoeften en toegekende middelen voor de uitvoering van zijn opdracht;10° is tegenover de chef defensie verantwoordelijk voor de personele, materiële en budgettaire middelen die hem zijn toegekend.

Art. 39.De algemene directie imago en public relations is, via zijn informatiedienst, het enige orgaan van de krijgsmacht gemachtigd om officiële contacten te beleggen tussen de leden van de krijgsmacht en de persagentschappen en - organen en om officiële informatie te verspreiden ten behoeve van persagentschappen en - organen. HOOFDSTUK VII. - Overdracht van sommige bevoegdheden van de minister

Art. 40.Het is de minister toegelaten een deel van zijn bevoegdheden inzake bestuur en beheer over te dragen op de titularissen van sommige ambten, op bepaalde officieren of ambtenaren evenals op militaire autoriteiten.

Bedoelde bevoegdheden inzake bestuur en beheer mogen niet worden overgedragen dan met inachtneming van het hiërarchisch gezag en van het controlerecht van de minister, en binnen het kader van de algemene bevoegdheden welke in dit besluit werden vastgelegd of door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit besluit worden bepaald. HOOFDSTUK VIII. - Aanwijzing van bepaalde autoriteiten en commissies

Art. 41.Worden door de Koning voor hun ambt aangewezen en daaruit ontslagen : 1° het hoofd van het Militair Huis van de Koning, de vleugeladjudanten en de ordonnansofficieren van de Koning of van de Koningin en die van de Prinsen en de Prinsessen van de Koninklijke Familie;2° de kabinetschef en de adjunct-kabinetchefs;3° de chef van het administratief en technisch secretariaat;4° de chef defensie, de vice-chef defensie, de onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten;5° de defensieattachés bij de ambassades en gezantschappen van België;6° de commandant van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie.

Art. 42.De minister is gemachtigd commissies samen te stellen met het oog op de studie van bijzondere problemen of de coördinatie van bijzondere activiteiten.

Art. 43.Worden door de minister voor hun ambt aangewezen en daaruit ontslagen : 1° opperofficieren en opperambtenaren belast met een bijzonder mandaat;2° de leden van de commissies bedoeld in artikel 42 of de overheid gemachtigd om deze leden aan te duiden. HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen

Art. 44.§ 1. De permanente leden die in 2002 zetelen in een bevorderingscomité voor de graad van adjudant-majoor zijn : 1° de opper- of hoofdofficier bedoeld in artikel 45, eerste lid, 1° tot 4° naar gelang van het geval, als voorzitter;2° drie hoofdofficieren, hiertoe aangewezen voor 31 december 2001, overeenkomstig de van kracht zijnde reglementaire bepalingen op de datum van hun aanwijzing. De voorzitter kan zich laten vervangen door een door hem aangewezen hoofdofficier.

Voor elke officier bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt volgens dezelfde procedure een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

Voor 31 december 2001 worden de aanwijzingen van de officieren bedoeld in het eerste lid, 2°, en van hun plaatsvervangers aan de chef van de generale staf overgemaakt. § 2. De officier secretaris en de officieren die de loting van de tijdelijke leden, die in 2002 zetelen in een bevorderingscomité voor de graad van adjudant-majoor, uitvoeren, worden hiertoe aangewezen voor 31 december 2001, overeenkomstig de van kracht zijnde reglementaire bepalingen op de datum van hun aanwijzing. Voor elkeen van deze personen wordt volgens dezelfde procedure een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

Art. 45.§ 1. Voor de uitvoering van de statutaire bevoegdheden betreffende de samenstelling en de werking van de bevorderingcomités, wordt, naar gelang van het geval : 1° een opperofficier van de landmacht belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°, beschouwd als de stafchef van de landmacht;2° wordt een opperofficier van de luchtmacht belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°, beschouwd als de stafchef van de luchtmacht;3° wordt een opperofficier van de marine belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°, beschouwd als de stafchef van de marine;4° wordt een opperofficier van de medische dienst belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°, beschouwd als de stafchef van de medische dienst;5° worden de landmacht, de luchtmacht, de marine en de medische dienst bedoeld in artikel 2 beschouwd als de krijgsmachtdelen, zoals deze bestonden voor de inwerkingtreding van dit besluit. Indien het echter onmogelijk is om een opperofficier bedoeld in het eerste lid, 3° of 4°, aan te wijzen kan de minister een kapitein-ter-zee of een kolonel, naar gelang het geval, van de marine of van de medische dienst, aanwijzen voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid. § 2. Onverminderd de bepalingen van de § 1 wordt voor de uitvoering van de statutaire personeelsbevoegdheden de directeur-generaal human resources beschouwd als de stafchef van het beschouwde krijgsmachtdeel.

Indien wettelijke bepalingen echter voorschrijven dat enkel een militaire autoriteit kan aangeduid worden voor de uitoefening van bepaalde wel omschreven bevoegdheden, worden deze bevoegdheden uitgeoefend door een opperofficier van de algemene directie human resources, belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°.

Art. 46.Voor de uitvoering van de statutaire bevoegdheden inzake burgerpersoneel wordt een opperambtenaar belast met een bijzonder mandaat, overeenkomstig artikel 43, 1°, beschouwd als de chef van het burgerlijk algemeen bestuur.

Art. 47.Voor de uitvoering van de bevoegdheden toegekend aan respectievelijk de chef van de generale staf, de chef van de divisie personeel, de chef van de divisie begroting, de chef van de divisie infrastructuur, de chef van de algemene aankoopdienst, de commandant van het intermachten territoriaal commando en de chef van het burgerlijk algemeen bestuur voor wat de bevoegdheden betreft toegekend aan het bestuur van rechtskundige zaken, wordt : 1° de chef van de defensiestaf beschouwd als de chef van de generale staf;2° de directeur-generaal human resources beschouwd als de chef van de divisie personeel, bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de generale staf en het intermachten territoriaal commando;3° de directeur-generaal budget en financiën beschouwd als de chef van de divisie begroting;4° de directeur-generaal material resources, of de door hem aangewezen autoriteit, beschouwd als de chef van de divisie infrastructuur;5° de directeur-generaal material resources, of de door hem aangewezen autoriteit, beschouwd als de chef van de algemene aankoopdienst;6° de vice-chef defensie beschouwd als de commandant van het intermachten territoriaal commando;7° de directeur-generaal juridische steun en bemiddeling, of de door hem aangewezen autoriteit, beschouwd als de chef van het burgerlijk algemeen bestuur. De minister duidt de andere bevoegde overheden aan. HOOFDSTUK X. - Opheffings- en slotbepalingen

Art. 48.Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 27 maart 1974 betreffende de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en deze van de krijgsmacht, vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 maart 1977, 15 september 1977 en 19 december 1989;2° het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de generale staf en het intermachten territoriaal commando, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 maart 1992, 13 juni 1995 en 2 juli 1996;3° het koninklijk besluit van 7 september 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/1998 pub. 09/10/1998 numac 1998007204 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit betreffende de Algemene Inspectie van de Diensten van het Ministerie van Landsverdediging sluiten betreffende de algemene inspectie van de diensten van het Ministerie van Landsverdediging;4° artikel 66 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 januari 1964, 3 november 1964, 27 maart 1974, 27 oktober 1976, 29 januari 1980, 7 februari 1994, 13 juni 1995, 28 juli 1995 en 8 oktober 1998.

Art. 49.De aanwijzingsbesluiten betreffende de chef van de generale staf, de stafchefs van de krijgsmachtdelen en de commandant van het intermachten territoriaal commando worden opgeheven.

Art. 50.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2002.

Art. 51.Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 december 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^