Koninklijk Besluit van 21 juli 2014
gepubliceerd op 14 augustus 2014
Justitie digitaliseren: Call to Contribution

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en tot wijziging van het koninklijk be

bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie en federale overheidsdienst financien
numac
2014011482
pub.
14/08/2014
prom.
21/07/2014
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

21 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Algemene overwegingen Met de wetten van 31 juli 2009 en 29 december 2010 werden wijzigingen aangebracht in de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen (hierna de wet van 27 maart 1995 genoemd) enerzijds, en in de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten (hierna de wet van 22 maart 2006 genoemd) anderzijds.

Ingevolge deze wetswijzigingen blijkt het noodzakelijk om de koninklijke besluiten te wijzigen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de betrokken wetten, namelijk het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen (hierna het koninklijk besluit van 25 maart 1996 genoemd) en het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten (hierna het koninklijk besluit van 1 juli 2006 genoemd), waarin de technische aspecten worden geregeld van het statuut van de betrokken tussenpersonen die de Koning, krachtens een machtigingsverlening, kan preciseren.

Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit (hierna "het ontwerpbesluit" genoemd) bestaat aldus uit drie hoofdstukken : het eerste hoofdstuk (artikelen 1 tot 6) behelst de wijzigingen die worden aangebracht in het koninklijk besluit van 25 maart 1996, het tweede hoofdstuk (artikelen 7 tot 9) omvat de wijzigingen in het koninklijk besluit van 1 juli 2006, en het derde hoofdstuk ten slotte (artikelen 10 en 11) bevat diverse bepalingen (inwerkingtreding en uitvoeringsbepaling).

Het advies van de Raad van State Het ontwerp van koninklijk besluit werd aangepast om rekening te houden met het advies van de Raad van State. In de enkele gevallen waarin geen volledig gevolg werd gegeven aan dit advies, wordt de reden hiervoor nader toegelicht, in de volgende alinea en in de commentaar bij het betrokken artikel.

Een eerste detailopmerking betreft de datum van het advies van de CBFA. De in de aanhef vermelde datum is wel degelijk correct, aangezien dit de datum is van de vergadering waarop het directiecomité het advies aannam.

Commentaar bij de artikelen HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen De bepalingen van het voorliggende ontwerpbesluit strekken ertoe het koninklijk besluit van 25 maart 1996 aan te passen om rekening te houden met de wijzigingen die bij de wetten van 31 juli 2009 en 29 december 2010 werden aangebracht aan de inschrijvingsvoorwaarden waaraan de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen moeten voldoen krachtens de artikelen 10 en 11 van de wet van 27 maart 199 5.

Aldus wordt met de artikelen 1 tot 6 van de ontwerptekst, de tekst van de artikelen 3, 2° en 8°, 5 bis, 11, eerste lid, 12, 2°, 25, § 2 en 26, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 aangepast aan het gewijzigde artikel 11, § 3, eerste lid, 2° en § 4 van de wet van 27 maart 1995, waar de verplichting om met vrucht een door de FSMA erkende gespecialiseerde cursus in verzekeringen te volgen, vervangen werd door de verplichting om te slagen voor een examen dat door de FSMA is erkend. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten De artikelen 7 tot 10 van het ontwerpbesluit hebben tot doel wijzigingen aan te brengen in het koninklijk besluit van 1 juli 200 6.

De bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 weerspiegelen de wijzigingen die voor de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen werden aangebracht, voor wat betreft de vereisten van beroepskennis waaraan die tussenpersonen moeten voldoen om ingeschreven te kunnen worden in het register ("level playing field").

Zo hebben de bepaling van de artikelen 7 tot 10 van de ontwerptekst tot doel om, in navolging van de wijziging die werd aangebracht voor de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen (zie artikel 11, § 3, eerste lid, 2° en § 4 van de wet van 27 maart 1995, gewijzigd bij de wetten van 31 juli 2009 en 29 december 2010, en de artikelen 1 tot 6 van het voorliggende ontwerpbesluit), artikel 7, § 2, lid 1, 3° en lid 4 van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 te wijzigen om de verplichting om met vrucht een door de FSMA erkende gespecialiseerde cursus in het bank- en beleggingswezen te volgen, te vervangen door de verplichting om te slagen voor een examen dat door de FSMA is erkend.

Deze wijziging is ingegeven door de nieuwe technologieën op het vlak van de didactische mogelijkheden (ontwikkeling van e-learning). Er wordt bovendien benadrukt dat de FSMA bevoegd is om toe te zien op de kwaliteit (inhoud en modaliteiten) van de examens waarvoor de kandidaten moeten slagen, nu voor de tussenpersonen de verplichting is weggevallen om cursussen te volgen en voor de FSMA om deze cursussen te erkennen.

In antwoord op een bemerking van de Raad van State werd de bepaling dat de FSMA bij reglement nadere regels kan vaststellen waaraan de georganiseerde examens moeten voldoen, geschrapt. Ofschoon de Regering van oordeel is dat het vaststellen van dergelijke nadere regels bij uitstek kwalificeert als een technisch aspect van de beroepskennis, en dat nog steeds geldt dat deze beroepskennis moet worden afgestemd op de zeer snelle evolutie van de financiële markten en producten, is de Regering, bij nader inzien, tevens van oordeel dat de FSMA hiertoe een voldoende en geëigende rechtgrond vindt in artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Wat betreft de mogelijkheid voor de FSMA om reglementen aan te nemen, wordt verwezen naar de toelichting in de parlementaire voorbereiding van laatstgenoemde wet (Parl. St. Kamer, 2001-2002, nr. 1842/001 en 1843/1, p. 93-94).

Artikel 8 van de ontwerptekst weerspiegelt de voornoemde wijziging in artikel 8 van het besluit van 1 juli 2006.

Artikel 9 van de ontwerptekst weerspiegelt de voornoemde wijziging in artikel 14, lid 2, 2° van het besluit van 1 juli 2006. HOOFDSTUK III. - Overgangsbepaling, inwerkingtreding en uitvoering De vereiste om te slagen voor een door de FSMA erkend examen dient niet opgelegd te worden aan personen die op de datum van inwerkingtreding (1 januari 2015, zie artikel 11 van de voorliggende ontwerptekst) : - reeds met vrucht een door de FSMA erkende gespecialiseerde cursus in verzekeringen of in het bank- en beleggingswezen zouden hebben gevolgd; we denken hier in het bijzonder : (i) aan de personen die reeds ingeschreven waren in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen of in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten op het ogenblik dat de nieuwe examenregeling van kracht wordt en (ii) aan de personen die geslaagd zouden zijn voor de erkende gespecialiseerde opleiding onder de oude regeling maar die nog niet ingeschreven zouden zijn in het register van de tussenpersonen op het ogenblik dat de nieuwe examenregeling van kracht wordt, omdat ze nog de nodige praktijkervaring aan het opdoen zijn; - ingeschreven waren voor een door de FSMA erkende gespecialiseerde opleiding in verzekeringen of in het bank- en beleggingswezen onder de oude regeling, maar die nog niet zouden hebben voltooid op het ogenblik dat de nieuwe examenregeling van kracht wordt.

Voor de voornoemde personen moet de oude regeling van toepassing blijven (zie art. 10 van het koninklijk besluit), zodat zij : - voor de voornoemde eerste categorie van personen, hun verworvenheden in de toekomst kunnen blijven doen gelden, zonder beperking in de tijd (grandfathering clausule); - voor de voornoemde tweede categorie van personen, de opleiding waarmee ze begonnen zijn, kunnen voltooien, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de verwachtingen die zij van die opleidingen hadden (overgangsbepaling).

Niettemin moet de kandidaat, voor deze voornoemde tweede categorie van personen, zijn erkende opleiding ten laatste vóór 1 januari 2018 tot een goed einde hebben gebracht, en dit teneinde rekening te houden met de langste door de FSMA erkende cursus ten belope van drie jaar.

In dit verband werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Commissie voor Verzekeringen.

In antwoord op een bemerking van de Raad van State wordt hier nog gepreciseerd dat de bepaling die voorziet dat voor personen die zich vóór 1 januari 2015 hadden ingeschreven voor een erkende gespecialiseerde opleiding, de oude regeling van toepassing blijft, wel degelijk een overgangsregeling betreft die er louter toe strekt te garanderen dat de nieuwe examenregeling slechts toepassing vindt op personen die hun opleiding aanvatten na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Voor personen, die ingeschreven waren voor een opleiding vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, blijft aldus gelden dat zij hun opleiding ten laatste vóór 1 januari 2018 met vrucht dienen af te ronden. Zij genieten derhalve niet van een vrijstelling, maar slechts van een overgangsregeling (de erkende cursus moet, overeenkomstig de oude regeling, met vrucht worden gevolgd). Teneinde ieder misverstand hierover te vermijden, werd er ook voor geopteerd de overgangsbepaling in een afzonderlijk artikel (art. 10) onder te brengen dat het artikel met de datum van inwerkingtreding (art. 11) voorafgaat. Artikel 11 van het ontwerpbesluit legt een specifieke datum vast voor de inwerkingtreding : - van de wijzigingsbepalingen (zie eerste lid, 3° ); - van diverse wijzigingen die in de wet van 27 maart 1995 zijn aangebracht bij de wet van 31 juli 2009 en die nog niet in werking zijn getreden (zie eerste lid, 1° ); en - van een wijziging die in deze laatste wet werd aangebracht bij de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (zie eerste lid, 2° ). Alle voornoemde bepalingen betreffen de vervanging van de verplichting, voor de tussenpersonen (zowel voor de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen als voor de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten), om met vrucht een door de FSMA erkende gespecialiseerde cursus te volgen, door de verplichting om te slagen voor een examen dat door de FSMA is erkend, om ingeschreven te kunnen worden in de registers die door deze laatste worden bijgehouden. De inwerkingtreding van de voornoemde bepalingen wordt op de hieronder beschreven wijze geregeld door het ontwerpbesluit.

De inwerkingtreding van de betrokken bepalingen (artikelen 3, b), d) en e), en 7 van de wet van 31 juli 2009, artikel 50 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen en de artikelen 1 tot 9 van het voorliggende ontwerpbesluit), wordt vastgesteld op 1 januari 2015 (zie artikel 11). Aangezien er voor al die bepalingen een identieke datum van inwerkingtreding is gekozen, zal de vervanging van de verplichting om een erkende gespecialiseerde cursus te volgen door de verplichting om te slagen voor een erkend examen, tegelijkertijd van toepassing zijn in beide sectoren (verzekerings- en her-verzekeringsbemiddeling en bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten).

Vanaf 1 januari 2015 zullen de personen die ingeschreven wensen te worden in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen of in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten het genoemde examen dus kunnen afleggen en eventueel kunnen voldoen aan de nieuwe vereiste om te slagen voor een door de FSMA erkend examen.

Volgens artikel 18bis van de wet van 27 maart 1995 (dat in deze wet werd ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 31 juli 2009), beschikken de organisatoren van gespecialiseerde cursussen in verzekeringen over een termijn van zes maanden vanaf 1 januari 2015, d.w.z. tot 1 juli 2015, om de FSMA in kennis te stellen van de inhoud en de modaliteiten van het examen dat zij organiseren (conform artikel 11, § 3, 2°, van de wet van 27 maart 1995, zoals gewijzigd bij artikel 50 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen).

Artikel 12 van de ontwerptekst behoeft geen bijzondere toelichting.

Lopende zaken De Regering is van oordeel dat het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, kan worden aangenomen in lopende zaken. De voorbereiding van het besluit is immers ingezet vóór de periode van lopende zaken en werd beleidsmatig beslecht vóór het ontslag van de Regering. De basisbeslissingen werden door de Regering met volheid van bevoegdheid voorgesteld aan het parlement en resulteerden in de wet van 31 juli 2009 tot wijziging van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten en in de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I). Het ontwerpbesluit brengt slechts de wijzigingen aan in de betreffende uitvoeringsbesluiten die noodzakelijk voortvloeien uit voornoemde wetswijzigingen. De voorbereiding ervan vergde heel wat tijd aangezien, in nauw overleg met de betrokken sectoren, diende te worden verzekerd dat de te erkennen examens zullen kunnen worden georganiseerd tegen de voorziene datum van inwerkingtreding (1 januari 2015). Teneinde deze datum te halen, en opdat de geleverde inspanningen en de intensieve voorbereiding niet tevergeefs zouden zijn geweest, is het nodig ten spoedigste de nieuwe regeling af te kondigen.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en trouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Consumenten, J. VANDE LANOTTE De Minister van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Financiën, K. GEENS

Raad van State afdeling Wetgeving Advies 56.077/1 van 16 mei 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten' Op 16 april 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Economie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 8 mei 2014. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Marleen Verschraeghen, toegevoegd griffier.

Het verslag is uitgebracht door Paul Depuydt, eerste auditeur-afdelingshoofd.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 16 mei 2014. 1. Rekening houdend met het ogenblik waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht van de regering op het feit dat de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt.Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is. 2. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 3. Artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995 `betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen' werd gewijzigd bij de wetten van 31 juli 2009 (1) en 29 december 2010 (2) .Als gevolg van die wijziging werd de op de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen rustende verplichting om met vrucht een door de FSMA (3) erkende gespecialiseerde cursus in verzekeringen te volgen, vervangen door de verplichting om te slagen voor een door de FSMA erkend examen.

Het om advies voorgelegde ontwerp strekt ertoe de koninklijke besluiten van 25 maart 1996 (4) en 1 juli 2006 (5) aan te passen aan de voornoemde wijziging van artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995.(6) De bij de wetten van 31 juli 2009 en 29 december 2010 in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995 aangebrachte wijzigingen worden in werking gesteld door artikel 10 van het ontwerp.

Deze laatste bepaling voorziet tevens in een overgangsregeling met betrekking tot de diverse verplichtingen die het ontwerp beoogt in te voeren. 4. Wat de ontworpen wijzigingen van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 betreft, kan rechtsgrond worden gevonden in artikel 108 van de Grondwet, dat aan de Koning de algemene bevoegdheid tot het uitvoeren van de wet verleent, gelezen in samenhang met artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995 (7) . Voor de wijzigingen die het ontwerp beoogt aan te brengen in het koninklijk besluit van 1 juli 2006 kan als rechtsgrond beroep worden gedaan op de artikelen 8, tweede lid, 1°, en 13 van de wet van 22 maart 2006 `betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten'.

In de mate in artikel 10 van het ontwerp wordt beoogd de bij de wetten van 31 juli 2009 en 29 december 2010 in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995 aangebrachte wijzigingen in werking te stellen, kan ervoor rechtsgrond worden gevonden in artikel 13 van de wet van 31 juli 2009 en in artikel 53 van de wet van 29 december 2010.

In de mate in artikel 10 van het ontwerp in een overgangsregeling wordt voorzien, moet worden vastgesteld dat enkel artikel 8, tweede lid, 1°, van de wet van 22 maart 2006 voor de Koning in een uitdrukkelijke bevoegdheidsdelegatie voorziet om overgangsbepalingen tot stand te brengen. Wat de overige overgangsregels betreft die zijn opgenomen in artikel 10 van het ontwerp zou een beroep kunnen worden gedaan op het voornoemde artikel 108 van de Grondwet, met dien verstande dat kan worden betwijfeld of de Koning op basis hiervan vermag te bepalen dat het, om te worden vrijgesteld van het vereiste om te slagen voor het bedoelde examen, ook volstaat om zich vóór 1 september 2014 te hebben ingeschreven voor een gespecialiseerde cursus in verzekeringen of herverzekeringen of in het bank- en beleggingswezen, zoals omschreven in respectievelijk artikel 10, tweede lid, 1° en 2°, van het ontwerp.

Onderzoek van de tekst Aanhef 5. Rekening houdend met hetgeen sub 4 is opgemerkt met betrekking tot de rechtsgrond van het ontwerp late men de aanhef aanvangen met het volgende, nieuw toe te voegen lid : "Gelet op de Grondwet, artikel 108;". 6. Aan het einde van het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar de wet van 27 maart 1995 schrijve men : "van verzekeringen, artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 2006, 31 juli 2009 en 29 december 2010, en § 4, vervangen bij de wet van 31 juli 2009;". 7. Aan het einde van het lid van de aanhef waarin wordt gerefereerd aan de wet van 31 juli 2009 volstaat het te schrijven "en de distributie van financiële instrumenten, artikel 13, gewijzigd bij de wet van 29 december 2010;". 8. In het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar de wet van 29 december 2010 kan de vermelding van artikel 50 worden geschrapt.9. Uit de aan de Raad van State meegedeelde documenten blijkt dat het voorstel en het advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen dateren van 6 november 2008 en niet van 4 november 2008, zoals in de aanhef van het ontwerp wordt vermeld.Het is derhalve van de eerstgenoemde datum dat melding moet worden gemaakt in de aanhef. 10. In het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar het advies van de Raad van State vervange men de vermelding van "artikel 84, § 1, eerste lid, 1° " van de gecoördineerde wetten door de vermelding van "artikel 84, § 1, eerste lid, 2° " van die wetten. Artikel 6 11. Aan het einde van de Nederlandse tekst van artikel 6 van het ontwerp schrijve men "vervangen door de woorden `die zijn geslaagd voor het door FSMA erkende examen in verzekeringen'". Artikel 7 12. Aan het einde van het ontworpen artikel 7, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 wordt bepaald dat de FSMA bij reglement de nadere regels kan vaststellen waaraan de georganiseerde examens moeten voldoen.Dergelijke delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de FSMA is te onbepaald en te ruim om toelaatbaar te zijn, temeer daar het om een erkenningsregeling gaat. Minstens zouden in de tekst van het ontwerp de basisregels moeten worden opgenomen waaraan de betrokken examens moeten voldoen.

De griffier, Marleen Verschraeghen De voorzitter, Marnix Van Damme _______ Nota's (1) Wet van 31 juli 2009 `tot wijziging van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten'.(2) Wet van 29 december 2010 `houdende diverse bepalingen (I)'.(3) Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.(4) Koninklijk besluit van 25 maart 1996 `tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen'.(5) Koninklijk besluit van 1 juli 2006 `tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten'.(6) Anders dan wat uit het verslag aan de Koning zou kunnen worden afgeleid, hebben de ontworpen wijzigingen van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 geen andere draagwijdte dan een aanpassing aan de wijzigingen die werden aangebracht in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, en § 4, van de wet van 27 maart 1995.(7) De wet van 27 maart 1995 wordt opgeheven bij artikel 347 van de wet van 4 april 2014 `betreffende de verzekeringen'.Eenmaal die opheffingsbepaling in werking zal zijn getreden, zal niet meer kunnen worden gerefereerd aan de eerstgenoemde wet als rechtsgrond voor de ontworpen regeling.

21 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, artikel 108;

Gelet op de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 2006, 31 juli 2009 en 29 december 2010, en § 4 vervangen bij de wet van 31 juli 2009;

Gelet op de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, de artikelen 8, tweede lid, 1°, en 13, eerste lid;

Gelet op de wet van 31 juli 2009 tot wijziging van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, artikel 13, gewijzigd bij de wet van 29 december 2010;

Gelet op de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I), artikel 53;

Gelet op het advies van de Commissie voor Verzekeringen, gegeven op 12 januari 2010;

Gelet op het voorstel en het advies van de CBFA, gegeven op 4 november 2008;

Gelet op advies 56.077/1 van de Raad van State, gegeven op 16 mei 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, de Minister van Middenstand en de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen

Artikel 1.In artikel 3 van het koninklijk besluit van 25 maart 1996 tot uitvoering van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 november 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de bepaling onder 2°, a, worden de woorden "het met goed gevolg afgewerkt hebben van een gespecialiseerde cursus in verzekeringen of herverzekeringen" vervangen door de woorden "het slagen voor het erkende examen als bedoeld in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet ";2° in de bepaling onder 8° worden de woorden "de in artikel 11, § 4, van de wet bedoelde voldoende basisopleiding met succes gevolgd hebben" vervangen door de woorden "over de vereiste basiskennis beschikken als bedoeld in artikel 11, § 4, van de wet".

Art. 2.In artikel 5bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van de 26 november 2006, wordt in paragraaf 3 de laatste zin geschrapt.

Art. 3.In artikel 11, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 november 2006, worden de woorden "de in artikel 11, § 4 van de wet bedoelde voldoende basisopleiding met succes gevolgd hebben" vervangen door de woorden "over de vereiste basiskennis beschikken als bedoeld in artikel 11, § 4, van de wet".

Art. 4.In artikel 12, 2° van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 26 november 2006, worden de woorden "de in artikel 11, § 4 van de wet bedoelde basisopleiding met succes gevolgd hebben" vervangen door de woorden "over de vereiste basiskennis beschikken als bedoeld in artikel 11, § 4, van de wet".

Art. 5.In artikel 25, paragraaf 2, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 26 november 2006, worden de woorden "die met succes een door de FSMA erkende gespecialiseerde cursus in herverzekeringen gevolgd hebben" vervangen door de woorden "die met succes een door de FSMA erkend examen in herverzekeringen afgelegd hebben".

Art. 6.In artikel 26, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 november 2006 worden de woorden "die met succes een door de FSMA erkende cursus in verzekeringen gevolgd hebben" vervangen door de woorden "die zijn geslaagd voor het door de FSMA erkende examen in verzekeringen". HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten

Art. 7.In artikel 7 van hetzelfde koninklijke besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : "3° de houders van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs die zijn geslaagd voor een examen dat wordt georganiseerd door of krachtens een decreet, door een representatieve beroepsorganisatie of een gereglementeerde onderneming, en dat bedoeld is om te controleren of de betrokkenen over voornoemde kennis beschikken.Bovendien moeten de betrokkenen een praktische ervaring van één jaar inzake bank- en beleggingsdiensten kunnen bewijzen;"; 2° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt : "De organisatoren van een in het eerste lid, 3°, bedoeld examen stellen de FSMA in kennis van de inhoud en de modaliteiten van het examen dat zij organiseren.Het in voornoemde bepaling vermelde examen dient door de FSMA te worden erkend. De FSMA ziet erop toe dat het betrokken examen voldoet aan de in dit artikel gestelde vereisten en kan de erkenning intrekken als niet aan die vereisten wordt voldaan.".

Art. 8.In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de woorden "cursussen te erkennen" vervangen door de woorden "de examens te erkennen die bedoeld zijn in artikel 7, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 1 juli 2006".

Art. 9.In artikel 14, tweede lid, 2° van hetzelfde besluit worden de woorden "met goed gevolg een gespecialiseerde cursus in bank- en beleggingswezen gevolgd heeft of hebben" vervangen door de woorden "geslaagd is of zijn in een erkend examen in bank- en beleggingswezen". HOOFDSTUK III. - Overgangsbepaling, inwerkingtreding en tenuitvoerlegging

Art. 10.Het vereiste te slagen voor een door de FSMA erkend examen, als bedoeld in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, zoals gewijzigd bij de wet van 31 juli 2009 en de wet van 29 december 2010, is niet van toepassing op personen die op 1 januari 2015 reeds met goed gevolg een gespecialiseerde cursus in verzekeringen of herverzekeringen hadden afgelegd die georganiseerd wordt conform het voornoemde artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, zoals dit van kracht was vóór de wijziging ervan bij de wet van 31 juli 2009 en de wet van 29 december 2010, of die zich reeds voor een dergelijke cursus hadden ingeschreven. De personen ingeschreven voor een gespecialiseerde cursus in verzekeringen zoals voormeld vóór de wijziging ervan bij de wet van 31 juli 2009 en de wet van 29 december 2010, moeten deze cursus met vrucht gevolgd hebben vóór 1 januari 2018.

Het vereiste te slagen voor een examen als bedoeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, zoals gewijzigd bij dit besluit, is niet van toepassing op personen die op 1 januari 2015 reeds met goed gevolg een gespecialiseerde cursus in het bank- en beleggingswezen hadden afgelegd die georganiseerd wordt conform het voornoemde artikel 7, § 2, eerste lid, 3°, zoals dit van kracht was vóór de wijziging ervan bij dit besluit, of die zich reeds voor een dergelijke cursus hadden ingeschreven. De personen ingeschreven voor een gespecialiseerde cursus in het bank- en beleggingswezen zoals voormeld vóór de wijziging ervan bij dit besluit, moeten deze cursus met vrucht gevolgd hebben vóór 1 januari 2018.

Art. 11.De volgende artikelen treden in werking op 1 januari 2015 : 1° de artikelen 3, b), d) en e), en 7 van de wet van 31 juli 2009 tot wijziging van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen en van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten;2° het artikel 50 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I);3° de artikelen 1 tot 10 van dit besluit.

Art. 12.De minister bevoegd voor Financiën, de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor de Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 juli 2014.

FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Consumenten, J. VANDE LANOTTE De Minister van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Financiën, K. GEENS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^