Koninklijk Besluit van 21 juli 2017
gepubliceerd op 08 augustus 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2017040444
pub.
08/08/2017
prom.
21/07/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017040444

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID


21 JULI 2017. - Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen, heeft als doel uitvoering te geven aan bepaalde welvaartsaanpassingen voorzien in het interprofessioneel akkoord 2017-2018. 1. Opzet van het koninklijk besluit Dit ontwerp van koninklijk besluit brengt de nodige wijzigingen aan in de reglementering van het pensioenstelsel voor werknemers en van de inkomensgarantie voor ouderen teneinde bepaalde welvaartsaanpassingen door te voeren, meer bepaald de verhoging van een aantal uitkeringen en berekeningsplafonds.2. Commentaar van de artikelen Artikel 1 vermenigvuldigt het loonplafond met 1,017 voor de in aanmerking te nemen jaren na 2017. Artikel 2 verhoogt het gewaarborgd minimumrustpensioen op basis van een volledige loopbaan met 1% met ingang van 1 september 2017. Het stelt de nieuwe basisbedragen voor het gewaarborgd minimumrustpensioen als werknemer op basis van een volledige loopbaan vast op 13.151,52 euro (gezinsbedrag) en 10.524,53 euro (bedrag alleenstaande).

Artikel 3 verhoogt het gewaarborgd minimumoverlevingspensioen op basis van een volledige loopbaan met 1% met ingang van 1 september 2017. Het stelt het nieuwe basisbedrag voor het minimumoverlevingspensioen als werknemer op basis van een volledige loopbaan van de overleden echtgenoot vast op 10.383,89 euro.

Artikel 4 vervangt het artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers, waarvan de bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal zijn ingegaan vóór 1 oktober 2006, teneinde de basisbedragen bedoeld in artikelen 33 (rustpensioen) en 34 (overlevingspensioen) van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector van toepassing te maken op de minimumpensioenen op basis van een onvolledige loopbaan.

Artikel 5 vervangt het artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, teneinde de basisbedragen bedoeld in artikelen 33 (rustpensioen) en 34 (overlevingspensioen) van de herstelwet van 10 februari 1981 van toepassing te maken op de minimumpensioenen op basis van een onvolledige loopbaan.

Artikel 6 verhoogt het referentieloon dat in aanmerking wordt genomen in het minimumrecht per loopbaanjaar en het maximumpensioen dat in het kader van dit minimumrecht per loopbaanjaar kan toegekend worden met 1,7%.

Artikel 6, § 1, eerste lid legt het nieuwe referentieloon van het minimumrecht per loopbaanjaar vast op 17.662,47 euro. Artikel 6, § 1, tweede lid voorziet dat deze verhoging de pensioenen en de overgangsuitkeringen beoogt die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2018.

Artikel 6, § 2, eerste lid legt de nieuwe bedragen van het maximumpensioen dat in het kader van dit minimumrecht per loopbaanjaar kan toegekend worden vast op 14.045,65 euro (gezinsbedrag) en 11.236,52 euro (bedrag alleenstaande). Artikel 6, § 2, tweede lid voorziet dat deze verhoging de pensioenen beoogt die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2018.

Artikel 7 verhoogt de pensioenen, met uitzondering van de minimumpensioenen, die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1995 en ten laatste op 1 december 2004 zijn ingegaan met 1% op 1 september 2017.

Artikel 8, eerste lid, 1° past het artikel 24bis, eerste lid, 1., derde lid van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers aan teneinde de termijn tijdens welke een persoon een periode van onvrijwillige werkloosheid tijdelijk kan onderbreken om een activiteit als zelfstandige uit te oefenen en voor wie het fictief loon voor de nieuwe periode van onvrijwillige werkloosheid wordt gebaseerd op het fictief loon dat geldt voor het kalenderjaar waarin de eerste periode van werkloosheid werd beëindigd te verhogen van negen jaar naar vijftien jaar.

Artikel 8, eerste lid, 2° wijzigt het artikel 24bis, eerste lid, 1., vierde lid van hetzelfde besluit teneinde de leeftijdsvoorwaarde van 50 jaar op het ogenblik dat de zelfstandige activiteit een aanvang nam op te heffen.

Artikel 8, tweede lid voorziet dat dit artikel de pensioenen beoogt die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2018.

Artikel 9 verhoogt het vakantiegeld en de aanvullende toeslag met ingang van 1 mei 2018 met 4,5% ten opzichte van de basisbedragen van 2016 (dus met inbegrip van de verhoging van 2,25% voorzien op 1 mei 2017).

Het artikel 9, 1°, stelt de nieuwe basisbedragen van het vakantiegeld vast op 178,83 euro (gezinsbedrag) en 107,25 euro (bedrag alleenstaande en overlevingspensioen) en van de aanvullende toeslag op 700,94 euro (gezinsbedrag) en 560,75 euro (bedrag alleenstaande en overlevingspensioen).

Het artikel 9, 2° past het verhogingscoëfficiënt teneinde het tot het maandbedrag beperkte vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld eveneens met 4,5% te verhogen ten opzicht van 2016 (dus met inbegrip van de verhoging van 2,25% voorzien op 1 mei 2017), zonder dat het totaalbedrag de verhoogde basisbedragen kan overschrijden.

Artikel 10, 1° voorziet in de verhoging van het grensbedrag in geval van cumulatie van een overlevingspensioen met een sociale uitkering tot het (verhoogde) bedrag van de inkomensgarantie voor ouderen met ingang van 1 september 2017.

Artikel 10, 2° voorziet in de vervanging van het indexcijfer teneinde het grensbedrag te koppelen aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100).

Artikel 11 verhoogt het bedrag van de inkomensgarantie voor ouderen met 0,9% met ingang van 1 september 2017. Het stelt het nieuwe bedrag vast op 6.312,80 euro.

Artikel 12 stelt dat het ingangsjaar van een overlevingspensioen overeenstemt met het jaar tijdens hetwelk het rustpensioen van de overleden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan wanneer deze op het ogenblik van zijn overlijden dit pensioen genoot.

Artikel 13 legt de datum van inwerkingtreding van het besluit vast op 1 september 2017 met uitzondering van de artikelen 1, 6 en 8 die in werking treden op 1 januari 2018 en artikel 9 dat in werking treedt op 1 mei 2018.

Artikel 14 belast de Minister van Pensioenen met de uitvoering van het besluit.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Pensioenen, D. BACQUELAINE

ADVIES 61.604/1 VAN 14 JUNI 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT AANPASSING AAN DE WELVAART VAN BEPAALDE PENSIOENEN IN DE REGELING VOOR WERKNEMERS' Op 29 mei 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Pensioenen verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 8 juni 2017.

De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux, assessor, en Wim Geurts, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Wendy Depester, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaerenbergh, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 juni 2017.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe wijzigingen aan te brengen in de reglementering van het pensioenstelsel voor werknemers en van de inkomensgarantie voor ouderen, teneinde uitvoering te geven aan sommige welvaartsaanpassingen waarin is voorzien in het interprofessioneel akkoord 2017-2018.2. Rechtsgrond voor het ontwerp wordt geboden door de bepalingen waarvan melding wordt gemaakt in het eerste tot het vijfde lid van de aanhef. Onderzoek van de tekst Algemene opmerking 3. Met sommige van de ontworpen maatregelen wordt een onderscheid gecreëerd tussen verschillende categorieën van pensioengerechtigden, bijvoorbeeld al naar gelang de ingangsdatum van het pensioen of de ingangsdatum van het toegekende voordeel. Om in overeenstemming te zijn met de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie, dienen voor deze verschillen in behandeling telkens objectieve en in redelijkheid aanvaardbare motieven te bestaan.

De Raad van State, afdeling Wetgeving, beschikt niet over voldoende concrete gegevens om het ontwerp vanuit dit oogpunt te beoordelen, mede erop gelet dat de voorliggende maatregelen slechts een onderdeel vormen van een ruimer en in de tijd gespreid pakket maatregelen op het vlak van de aanpassing van de pensioenen, waardoor het ontwerp, wat betreft het in overeenstemming zijn met voornoemde beginselen, in een bredere context moet worden beoordeeld.

Aanhef 4. In het eerste lid van de aanhef dienen de woorden ", vervangen bij de wet van 27 juli 1971 en gewijzigd bij de wet van 10 februari 1981 en de koninklijke besluiten van 23 december 1996 en 21 januari 2003," te worden ingevoegd tussen de woorden "artikel 25, eerste en tweede lid" en de woorden "en artikel 29, § 4".5. Aan het einde van het negende lid van de aanhef dient de datum "19 december 2014" te worden vervangen door de datum "15 mei 2014".6. De Nederlandse tekst van het dertiende lid van de aanhef, waarin wordt verwezen naar de regelgevingsimpactanalyse, dient aan te vangen met de woorden "Gelet op de regelgevingsimpactanalyse, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7". Artikelen 4 en 5 7. De artikelen 33 en 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 `inzake de pensioenen van de sociale sector', waaraan wordt gerefereerd in de bij de artikelen 4 en 5 van het ontwerp ontworpen bepalingen, worden gewijzigd bij de wet `tot wijziging van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector' die thans in ontwerpvorm in behandeling is in de Kamer van volksvertegenwoordigers (1).Indien tijdens die parlementaire behandeling nog wijzigingen zouden worden aangebracht in die wet, en die wijzigingen nopen tot het wijzigen van het thans om advies voorgelegde ontwerp, zullen laatstgenoemde wijzigingen nog om advies moeten worden voorgelegd aan de Raad van State, afdeling Wetgeving. 8. In het ontworpen artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 `tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers' (artikel 4 van het ontwerp) dient de verwijzing naar artikel 34, derde lid, van de herstelwet van 10 februari 1981 te worden weggelaten (2). De griffier, W. Geurts .

De voorzitter, M. Van Damme. (1) Wetsontwerp tot wijziging van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, Parl.St., Kamer, 2016-2017, 2492/1. (2) Zie het ontworpen artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 `tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis, van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector' (artikel 5 van het ontwerp), waarin die verwijzing evenmin voorkomt. 21 JULI 2017. - Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, artikel 7, tiende lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 december 1996, artikel 8, artikel 15, 6°, ingevoegd bij de wet van 27 juli 1971, artikel 22, tweede lid, vervangen bij de wet van 30 maart 1994, artikel 25, eerste en tweede lid, vervangen bij de wet van 27 juli 1971 en gewijzigd bij de wet van 10 februari 1981 en de koninklijke besluiten van 23 december 1996 en 21 januari 2003 en artikel 29, § 4, ingevoegd bij de wet van 28 maart 1973 en vervangen bij het koninklijk besluit van 23 december 1996;

Gelet op de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, artikel 152, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 2015 en artikel 153, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 2015;

Gelet op de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, artikel 33bis, eerste lid, 2°, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, en artikel 34bis, eerste lid, 2° ingevoegd bij de wet van 27 december 2004;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 8, § 10, 1°, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016;

Gelet op de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, artikel 6, § 5, vervangen bij de wet van 8 december 2013;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector;

Overwegende de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, artikel 72, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 19 december 2014, artikel 73, gewijzigd bij de wet van 19 december 2014 en artikel 73bis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2014;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Federale Pensioendienst, gegeven op 24 april 2017;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 mei 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 9 mei 2017;

Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op het advies nr. 61.604/1 van de Raad van State, gegeven op 14 juni 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Pensioenen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Aanpassing van de loongrens

Artikel 1.Het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt voor de jaren na 2017 vermenigvuldigd met 1,017. HOOFDSTUK 2. - Aanpassing van het gewaarborgd minimumpensioen

Art. 2.De bedragen van 13.021,31 euro en van 10.420,33 euro bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 worden met ingang van 1 september 2017 respectievelijk vervangen door de bedragen van 13.151,52 euro en 10.524,53 euro.

Art. 3.Het bedrag van 10.256,50 euro bedoeld in artikel 153 van dezelfde wet wordt met ingang van 1 september 2017 vervangen door het bedrag van 10.383,89 euro.

Art. 4.Artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers, opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector en vervangen bij het koninklijk besluit van 3 april 2015, maar waarvan de bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal zijn ingegaan vóór 1 oktober 2006, wordt met ingang van 1 september 2017 vervangen als volgt : "

Art. 7.§ 1. Wanneer het een rustpensioen betreft dat aan de in artikel 4, 2° bedoelde voorwaarden voldoet en dat niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 33bis, derde lid, van de herstelwet is, naargelang het rustpensioen werd berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, a, of b, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, één van de in het artikel 33, eerste lid, van de herstelwet bedoelde bedragen van toepassing. § 2. Wanneer het een overlevingspensioen betreft dat berekend werd op basis van een rustpensioen en dat aan de in artikel 5 bedoelde voorwaarden voldoet maar dat niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het artikel 34bis, derde lid, van de herstelwet, is het bedrag bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de herstelwet van toepassing.".

Art. 5.Het artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, vervangen bij het koninklijk besluit van 3 april 2015, wordt vervangen als volgt : "

Art. 7.§ 1. Wanneer het een rustpensioen betreft dat aan de in artikel 5, § 2, bedoelde voorwaarden voldoet maar dat niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 33bis, derde lid, van de herstelwet is, naargelang het rustpensioen werd berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, a, of b, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, één van de in het artikel 33, eerste lid, van de herstelwet bedoelde bedragen van toepassing. § 2. Wanneer het een overlevingspensioen betreft dat berekend werd op basis van een rustpensioen en dat aan de in artikel 5, § 2, bedoelde voorwaarden voldoet maar dat niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het artikel 34bis, derde lid, van de herstelwet, is het bedrag bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de herstelwet van toepassing.". HOOFDSTUK 3. - Aanpassing van het minimumrecht per loopbaanjaar

Art. 6.§ 1. Het bedrag van 17.367,23 euro bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels wordt vervangen door het bedrag van 17.662,47 euro.

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op de pensioenen en de overgangsuitkeringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2018 ingaan. § 2. De bedragen van 13.810,87 euro en van 11.048,69 euro bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit worden respectievelijk vervangen door de bedragen van 14.045,65 euro en 11.236,52 euro.

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2018 ingaan. HOOFDSTUK 4. - Aanpassing van sommige pensioenen

Art. 7.Met uitsluiting van de pensioenen bedoeld in de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 en van de pensioenen bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers, opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, maar waarvan de bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 september 2006 zijn ingegaan, worden de pensioenen in de werknemersregeling die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1995 en ten laatste op 1 december 2004 zijn ingegaan verhoogd met 1 % op 1 september 2017. HOOFDSTUK 5. - Wijzing van artikel 24bis, eerste lid, 1., van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

Art. 8.In artikel 24bis, eerste lid, 1. van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 22 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het derde lid worden de woorden "tijdens een termijn die negen jaar niet overtreft" vervangen door de woorden "tijdens een periode die vijftien jaar niet overtreft";2° in het vierde lid worden de woorden "de leeftijd van 50 jaar te hebben bereikt op het ogenblik dat de activiteit als zelfstandige aanvangt en tegelijk" opgeheven. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2018 ingaan. HOOFDSTUK 6. - Aanpassing van het vakantiegeld

Art. 9.De bedragen van 174,98 euro, 104,94 euro, 685,85 euro en 548,67 euro bedoeld in artikel 56, § 3, van hetzelfde besluit worden respectievelijk vervangen met ingang van 1 mei 2018 door de bedragen van 178,83 euro, 107,25 euro, 700,94 euro en 560,75 euro.

De verhogingscoëfficiënt van 1,175875 bedoeld in artikel 56, § 5, van hetzelfde besluit wordt met ingang van 1 mei 2018 vervangen door de verhogingscoëfficiënt van 1,20175. HOOFDSTUK 7. - Aanpassing van het grensbedrag van de cumulatie van een overlevingspensioen met een sociale uitkering

Art. 10.In artikel 64septies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2006 en vervangen bij het koninklijk besluit van 28 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het bedrag van 7.934,87 euro op 1 september 2017 vervangen door het bedrag van 6.312,80 euro; 2° in het tweede lid worden de woorden "spilindex 136,09" vervangen door de woorden "spilindex 103,14 (basis 1996 = 100)". HOOFDSTUK 8. - Aanpassing van de inkomensgarantie voor ouderen

Art. 11.Het bedrag van 6.256,49 euro bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, wordt op 1 september 2017 vervangen door het bedrag van 6.312,80 euro. HOOFDSTUK 9. - Gemeenschappelijke bepaling

Art. 12.Wanneer het een overlevingspensioen betreft, is het in aanmerking te nemen ingangsjaar het jaar tijdens hetwelke het rustpensioen van de overleden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan wanneer deze op het ogenblik van zijn overlijden dit pensioen genoot. HOOFDSTUK 1 0. - Slotbepalingen

Art. 13.De bepalingen van dit besluit treden in werking op 1 september 2017 met uitzondering van : 1° artikelen 1, 6 en 8 die in werking treden op 1 januari 2018;2° artikel 9 dat in werking treedt op 1 mei 2018.

Art. 14.De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 juli 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, D. BACQUELAINE


begin


Publicatie : 2017-08-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^