Koninklijk Besluit van 22 mei 2001
gepubliceerd op 25 augustus 2001
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot regeling van de toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en van het gebruik van het identificatienummer wat betreft de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2001000605
pub.
25/08/2001
prom.
22/05/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

22 MEI 2001. - Koninklijk besluit tot regeling van de toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en van het gebruik van het identificatienummer wat betreft de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (afgekort V.H.M.) en de door haar erkende maatschappijen voor sociale huisvesting toegang tot de informatiegegevens en gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister te verlenen.

De rechtsgrond van dit ontwerp van besluit wordt inzake de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister door artikel 5, eerste lid, voor wat de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij betreft en door artikel 5, tweede lid, a), voor wat de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen betreft, gevormd, en inzake het gebruik van het identificatienummer ervan door artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij werd als een instelling van openbaar nut opgericht bij decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1988 (1), ondertussen vervangen door het decreet van 15 juli 1997.

Ze heeft, wat het Vlaamse Gewest betreft, de taken overgenomen van de vroegere Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en van de Nationale Landmaatschappij.

Deze taken zijn vastgelegd in de Vlaamse Wooncode. Eén van deze taken bestaat uit de oprichting van maatschappijen om de huisvesting te bevorderen en deze te erkennen (2). Momenteel zijn er een honderdvijftigtal erkende sociale huisvestingsmaatschappijen in Vlaanderen. De lijst van deze maatschappijen is als bijlage van dit ontwerp van besluit gevoegd.

De V.H.M. en de door haar erkende maatschappijen gaan over tot het bouwen of renoveren van huizen of appartementen, die dan met inachtneming van de reglementering die ter zake door de Vlaamse Regering is vastgesteld, aan gunstige voorwaarden verhuurd of verkocht worden aan personen of families met een bescheiden inkomen.

Deze personen of families kunnen voor de aankoop van hun woning een hypothecaire lening verkrijgen (3).

De Regering heeft nagegaan of de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister door de V.H.M. en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen noodzakelijk is voor de vervulling van hun taken : a. de gegevens met betrekking tot (1°) naam en voornamen, (2°), geboortedatum, (3°) geslacht, (5°) hoofdverblijfplaats, en eventueel plaats en datum van overlijden (6°) vormen de minimale informatiegegevens die nodig zijn om een dossier met betrekking tot een natuurlijke persoon samen te stellen.b. ook om andere redenen kan de kennis van sommige van deze informatiegegevens noodzakelijk blijken : - de hoofdverblijfplaats (5°) : er zijn huurders die verhuizen zonder hun nieuw adres mede te delen en nog schulden hebben tegenover de maatschappij.In dat geval moet de huisvestingsmaatschappij het nieuwe adres kennen om deze schuld te kunnen invorderen. Tevens kan op die manier worden nagegaan of de bewoners of kopers van een sociale woning voldoen aan de hen opgelegde plicht tot bewoning van deze woning; - de geboortedatum (2°) : de vaststelling van de reële huurprijs van een sociale woning wordt ondermeer bepaald door de leeftijd van de bewoners. c. De kennis van de informatiegegevens betreffende de burgerlijke staat (8°) en de samenstelling van het gezin (9°) blijkt eveneens nuttig : naast de leeftijd van de bewoners wordt de huurprijs van een sociale woning ook bepaald door de samenstelling van het gezin. Wat betreft de burgerlijke staat kan aangestipt worden dat het "besluit van de Vlaamse regering van 6 april 1995 tot vaststelling van de type-huurovereenkomst voor de woningen die toebehoren aan de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen of aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij zelf (4) " bepaalt dat de huurder verplicht is elke wijziging in zijn burgerlijke staat die een weerslag heeft op deze huurovereenkomst, binnen de maand schriftelijk mede te delen aan de verhuurder (5).

Indien de huurder deze verplichting niet nakomt, kan de betrokken huisvestingsmaatschappij zulks nagaan aan de hand van het Rijksregister.

Om tegemoet te komen aan de opmerking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in zijn advies nr. 38/97 van 10 december 1997 onder punt V.B. moet erop gewezen worden dat het evident is dat de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister enkel de persoonsgegevens zal betreffen van (kandidaat-)huurders, -kopers of -ontleners, met uitsluiting van alle andere personen.

Het beroep werd anderzijds weggelaten, zoals gevraagd door de voormelde Commissie, van de opsomming van de informatiegegevens van het Rijksregister waartoe artikel 1 van het ontworpen besluit toegang geeft.

Wat de toegang tot de opeenvolgende wijzigingen die zijn aangebracht aan de informatiegegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de voormelde wet van 8 augustus 1983 betreft, kan inderdaad in de tijd worden teruggegaan tot een periode van vijf jaar, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de huren van huizen en de interesten van geleende sommen verjaren door verloop van vijf jaren.

Het gebruik van het identificatienummer zal verder nuttig zijn voor de V.H.M. omdat dit van aard is om de kans op vergissingen (bijvoorbeeld in geval van personen met dezelfde naam) te verminderen en de uitwisseling van gegevens vergemakkelijkt met diensten die eveneens machtiging hebben verkregen het identificatienummer te gebruiken.

De hierna vermelde maatregelen werden genomen met het oog op de bescherming van het privé-leven van de personen waarop de informatiegegevens waartoe dit besluit toegang geeft betrekking hebben : - de toegang tot deze informatiegegevens wordt, wat betreft de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, beperkt tot de Administrateur-generaal en de personeelsleden die daartoe door hem met name en schriftelijk worden aangewezen; - deze toegang wordt, voor wat betreft de erkende huisvestingsmaatschappijen, beperkt tot de zaakvoerder of de administratief verantwoordelijke van de erkende huisvestingsmaatschappijen, zonder dat hij de mogelijkheid heeft deze over te dragen; - de lijst van de personen aan wie toegang tot de informatiegegevens en gebruik van het identificatienummer verleend wordt, wordt jaarlijks opgesteld en volgens dezelfde periodiciteit aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gezonden; - de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens mogen niet worden medegedeeld aan derden. Evenmin mag het identificatienummer aangebracht worden op documenten die ter kennis kunnen gebracht worden van derden, die niet gemachtigd werden er kennis van te nemen. De ontworpen tekst bepaalt bovendien wie binnen dit kader niet als derde beschouwd wordt.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bracht haar advies uit op 10 december 1997. Dit advies is gunstig, behoudens enkele opmerkingen waarmee rekening gehouden werd.

De Raad van State bracht zijn advies uit op 17 mei 2000. Aan het advies van de Raad van State werd gevolg gegeven.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota's (1) Decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van een Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (Belgisch Staatsblad 29 december 1988), zoals gewijzigd bij het decreet van 12 december 1990 (Belgisch Staatsblad 21 december 1990). Decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gewijzigd bij de decreten van 17 maart 1998 en 18 mei 1999 (Belgisch Staatsblad 8 juli 1999). (2) Zie voor wat betreft de erkenningsvoorwaarden : het Besluit van de Vlaamse Executieve van 13 juni 1990 houdende het algemeen reglement tot erkenning van sociale bouwmaatschappijen (Belgisch Staatsblad 15 september 1990).(3) Zie voor wat de reglementering betreft : - het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1994 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor de woningen die door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of door de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen worden verhuurd in toepassing van artikel 80 ter van de Huisvestingscode (Belgisch Staatsblad 3 december 1994), gewijzigd bij de besluiten van 8 maart 1995 (Belgisch Staatsblad 23 juni 1995) en 1 oktober 1996 (Belgisch Staatsblad 15 oktober 1996).(4) Belgisch Staatsblad 22 juni 1995.(5) Zie artikel 28 van de type-huurovereenkomst die als bijlage bij het voormelde besluit van 6 april 1995 gevoegd is. ADVIES NR. 38/1997 VAN 10 DECEMBER 1997 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Ontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en van het gebruik van het identificatienummer ervan in hoofde van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;

Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid de artikelen 5, eerste lid (gewijzigd bij de wet van 30 maart 1995) tweede lid, a (gewijzigd bij de wet van 8 december 1992) en 8 (gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990);

Gelet op de adviesaanvraag van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 1997, door de Commissie ontvangen op 14 april 1997;

Gelet op het schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1997, ontvangen op 21 oktober 1997, waarbij een gewijzigd ontwerp van koninklijk besluit werd overgemaakt;

Gelet op het verslag van de Voorzitter, Brengt op 10 december 1997 het volgende advies uit : I. Voorwerp van de adviesaanvraag Het ontwerp van koninklijk besluit dat voor advies aan de Commissie werd voorgelegd, strekt ertoe de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen toe te laten toegang te hebben tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en gebruik te maken van het identificatienummer ervan.

De lijst van erkende sociale huisvestingsmaatschappijen is als bijlage bij het ontwerp gevoegd.

II. Opbouw van het koninklijk besluit Een eerste hoofdstuk handelt over de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister, bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 1° tot en met 9°, van de wet van 8 augustus 1983, alsmede tot de opeenvolgende wijzigingen die zijn aangebracht aan deze informatiegegevens.

Artikel 1, leden 1 en 2 geven aan tot welke gegevens toegang wordt gevraagd alsmede met betrekking tot welke taken.

Artikel 1, lid 3 geeft een opsomming van de personen tot wie de toegang beperkt is.

Artikel 2 geeft de grenzen aan binnen dewelke de verkregen informatiegegevens gebruikt mogen worden.

Een tweede hoofdstuk handelt over het gebruik van het identificatienummer.

Artikel 3 machtigt de in het vorige hoofdstuk opgesomde personen om het identificatienummer te gebruiken.

Artikel 4 geeft de grenzen aan binnen dewelke het identificatienummer van het Rijksregister mag gebruikt worden, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen intern en extern gebruik.

In een derde hoofdstuk (art. 5) wordt bepaald dat een lijst van de in het eerste en tweede hoofdstuk opgesomde of krachtens deze bepalingen aangewezen personen wordt opgesteld en aan de Commissie overgemaakt wordt.

III. Algemene opmerkingen De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij werd als een instelling van openbaar nut (artikel 2, § 1) opgericht bij decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van een Vlaamse Huisvestingsmaatschappij zoals gewijzigd bij decreet van 12 december 1990.

Ze is onderworpen aan de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut die van toepassing zijn op de instellingen van categorie B (artikel 3 van voormeld decreet).

Een van de taken van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij bestaat erin de oprichting van maatschappijen voor huisvesting te bevorderen en deze te erkennen (koninklijk besluit van 10 december 1970 houdende de Huisvestingscode, bekrachtigd bij wet van 2 juli 1971). De erkenningsvoorwaarden zijn vastgesteld in het Besluit van de Vlaamse Executieve van 13 juni 1990 houdende het algemeen reglement tot erkenning van sociale bouwmaatschappijen.

De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende maatschappijen gaan over tot het bouwen of renoveren van huizen of appartementen die dan met inachtneming van de reglementering die terzake door de Vlaamse Regering is vastgesteld, aan gunstige voorwaarden verhuurd of verkocht worden aan personen of families met een bescheiden inkomen die voor de aankoop van hun woning een hypothecaire lening kunnen verkrijgen.

IV. Toepasselijke wetgevingen De problematiek van de toegang tot het Rijksregister voor de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen moet zowel in het kader van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna de wet van 8 augustus 1983 genoemd), als binnen het raam van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna de wet van 8 december 1992 genoemd) worden beschouwd.

A. Wet van 8 augustus 1983 : De wet van 8 augustus 1983 legt beperkingen op wat de personen en instellingen betreft die kunnen worden gemachtigd om het Rijksregister te raadplegen en het identificatienummer van de natuurlijke personen te gebruiken.

Die beperkingen houden verband met de hoedanigheid van de instellingen en personen (zie in die zin de artikelen 5 en 8 van voornoemde wet).

De toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister wordt gevraagd op grond van artikel 5, eerste lid van voornoemde wet. Hierin is bepaald : « De Koning verleent toegang tot het Rijksregister aan de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, de notarissen en gerechtsdeurwaarders, voor de informatie die zij krachtens een wet of een decreet bevoegd zijn te kennen alsmede de Belgische Nationale Orde van Advocaten, met als enig doel aan de advocaten de informatie mede te delen die zij nodig hebben voor de taken die zij als medewerkers van het gerecht vervullen. » De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij is een instelling van openbaar nut en kan bijgevolg op grond van deze bepaling toegang verleend worden.

Anders is het gesteld met de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende huisvestingsmaatschappijen. Deze hebben de vorm van een coöperatieve vennootschap. Aangenomen mag worden dat deze opdrachten van algemeen belang vervullen. De Koning kan hun de toegang tot het Rijksregister verlenen op grond van artikel 5, tweede lid, a) : « De Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ingesteld bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kan bij in Ministerraad overlegd besluit : a) de toegang uitbreiden tot instellingen van Belgisch recht die opdrachten van algemeen belang vervullen;de Koning wijst deze instellingen nominatief aan. » Op dit punt zal het ontwerp -o.m. de aanhef- gewijzigd dienen te worden, tenzij verzaakt wordt aan de bedoeling de erkende huisvestingsmaatschappijen toegang tot het Rijksregister te verlenen en hen te machtigen het identificatienummer te gebruiken.

Het gebruik van het Rijksregisternummer wordt gevraagd op grond van artikel 8 van dezelfde wet die de Koning de mogelijkheid biedt na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij in Ministerraad overlegd besluit de openbare overheden en de instellingen bedoeld bij artikel 5 te machtigen om het identificatienummer te gebruiken binnen de grenzen en voor de doeleinden door Hem bepaald.

B. Wet van 8 december 1992 De wet van 8 december 1992 strekt ertoe " (..) een evenwicht tot stand te brengen tussen de vereisten van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en die van een goed georganiseerd bestuurlijk, economisch en sociaal bestel" (Verslag MERCKX-VAN GOEY, Gedr. St. Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 413/12, blz. 6).

In voornoemde wet worden de algemene beginselen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geformuleerd en zij is van toepassing op alle gegevensbanken die persoonsgegevens bevatten (zie in dit verband de uiteenzetting van de Minister van Justitie, verslag MERCKX-VAN GOEY, o.c.) De gegevens die in het Rijksregister zijn opgenomen, met inbegrip van het identificatienummer, zijn persoonsgegevens in de zin van artikel 1, § 5, van voornoemde wet van 8 december 1992.

Derhalve mogen zij slechts worden medegedeeld mits inachtneming van het bepaalde in artikel 5 van voornoemde wet waarin is gesteld dat "persoonsgegevens slechts (mogen) worden verwerkt voor duidelijk omschreven en wettige doeleinden en niet (mogen) worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Zij dienen, uitgaande van die doeleinden, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn".

C. Conclusie De Commissie moet derhalve onderzoeken of de doeleinden waarvoor de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen vragen "duidelijk omschreven en wettig " zijn en, zo ja, of de informatiegegevens die in het Rijksregister zijn opgenomen "toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn" ten opzichte van die doeleinden.

V. Onderzoek van de doeleinden van het ontwerp van koninklijk besluit : A. Doeleinden.

De maatschappijen vragen toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister "voor het verzamelen, verwerken en actualiseren van gegevens met betrekking tot de personen" en dit voor het vervullen van volgende taken : 1) de efficiënte en correcte samenstelling van het dossier van de personen die huurder, koper of ontlener zijn, of van hen die zich hiervoor kandidaat stellen, mogelijk te maken;2) de vaststelling van de concrete huur-, koop- of ontleningsvoorwaarden voor een sociale woning, sociale kavel of sociale lening;3) het nagaan of de in de huur-, koop- of ontleningsovereenkomst gestelde voorwaarden door de begunstigde huurders, kopers of ontleners worden nageleefd" (artikel 1, eerste en tweede lid van het ontwerp). B. Beoordeling door de Commissie De Commissie is van oordeel dat de doeleinden waarvoor de maatschappijen toegang vragen tot het Rijksregister en toelating tot het gebruik van het Rijksregisternummer "duidelijk en wettig" zijn in de zin van artikel 5 van de wet van 8 december 1992, voor zover zij deel uitmaken van de opdrachten van algemeen belang waarmee zij krachtens de regelgeving werden belast.

De Commissie neemt de gelegenheid te baat om te benadrukken dat deze bevinding slechts geldt voor de persoonsgegevens van (kandidaat-) huurders, -kopers of -ontleners met uitsluiting van alle andere personen.

VI. Onderzoek van het evenredigheidscriterium In toepassing van het voorvermelde artikel 5 van de wet van 8 december 1992 moet de Commissie eveneens onderzoeken of de toegang tot de gegevens van het Rijksregister (en het gebruik van het Rijksregisternummer) "toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn".

A. Gegevens waartoe toegang gevraagd wordt en verantwoording.

De Commissie stelt vast dat het ontwerp van koninklijk besluit de toegang verleent tot alle gegevens voorzien bij artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° van de wet van 8 augustus 1983. Het verslag aan de Koning, dat bij het ontwerp gevoegd is, gaat uitgebreid in op het 'nut' van de toegang tot elk der gegevens : a) De gegevens met betrekking tot de naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, geslacht, nationaliteit, hoofdverblijfplaats en eventueel plaats en datum van overlijden vormen de minimale informatiegegevens nodig om een dossier met betrekking tot een natuurlijke persoon samen te stellen. Daarnaast is de hoofdverblijfplaats een nuttig informatiegegeven met het oog op de invordering van schulden alsmede om na te gaan of aan de verplichting tot bewoning voldaan is door bewoners of kopers van een sociale woning. De geboortedatum is dan weer een noodzakelijk gegeven omdat de vaststelling van de reële huurprijs van een sociale woning onder meer bepaald wordt door de leeftijd van de bewoners. b) Gegevens betreffende het beroep, de burgerlijke staat en samenstelling van het gezin zijn nuttig voor de bepaling van de huurprijs van een sociale woning.Desbetreffend wordt in het verslag aan de Koning verwezen naar regelgeving die de huurder verplicht elke wijziging in zijn burgerlijke staat die een weerslag heeft op de huurovereenkomst binnen de maand mee te delen aan de verhuurder.

Nopens het gegeven beroep wordt gesteld dat het een aanwijzing kan vormen voor het inkomen van de huurder of de koper van een sociale woning. c) De opeenvolgende wijzigingen die zijn aangebracht aan voorvermelde informatiegegevens, beperkt tot een periode van vijf jaar, zijn eveneens nuttig met het oog op het invorderen van achterstallige huurgelden of interesten op geleende sommen. De Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende maatschappijen wensen verder slechts de toegang tot de opeenvolgende wijzigingen in de in het eerste lid van artikel 3 van de voorvermelde wet van 8 augustus 1983 tot een periode van vijf jaar die de mededeling van deze informatiegegevens voorafgaat. Als rechtvaardiging wordt opgegeven dat "inderdaad in de tijd wordt teruggegaan tot een periode van vijf jaar, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de huren van huizen en de interesten van geleende sommen verjaren door verloop van vijf jaren" (verslag aan de Koning, p. 5).

B. Beoordeling door de Commissie.

Naar het oordeel van de Commissie kan niet aangenomen worden dat het gegeven 'beroep' nuttig, a fortiori noodzakelijk is. Dit gegeven geeft immers slechts zeer relatieve informatie over het inkomen van de betrokkene. Er bestaan ongetwijfeld andere middelen om het inkomen van een persoon te bepalen, met name aan de hand van stukken die door de betrokkene zelf aangedragen worden.

Bij de toegang tot de overige gegevens heeft de Commissie geen bemerkingen.

VII. Gebruiksvoorwaarden van het identificatienummer Het gebruik van het identificatienummer is nuttig omdat dit "van aard is om de kans op vergissingen (bijvoorbeeld in geval van personen met dezelfde naam) te verminderen en de uitwisseling van gegevens vergemakkelijkt met de diensten die eveneens machtiging hebben verkregen het identificatienummer te gebruiken" (verslag aan de Koning, p. 5).

De maatschappijen wensen het identificatienummer te gebruiken : 1° Voor intern gebruik : « Uitsluitend als identificatiemiddel in de dossiers, bestanden en repertoria die door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen worden bijgehouden voor het vervullen van de in artikel 1, eerste lid, vermelde taken » (artikel 4, eerste lid).2° Voor extern gebruik in de betrekkingen die voor het vervullen van de in artikel 1, eerste lid, vermelde taken noodzakelijk zijn, met : - de houder van het nummer of zijn wettelijke vertegenwoordiger; - de openbare overheden en instellingen die zelf de in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 bedoelde machtiging hebben verkregen en die optreden in het kader van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden (artikel 4, tweede lid).

Het ontwerp preciseert dat het gebruik van het identificatienummer in de externe betrekkingen, dat wil zeggen in de betrekkingen met de andere overheden en instellingen die zelf de toelating kregen tot toegang en gebruik van identificatiegegevens tegelijkertijd moet kaderen in de uitoefening van de wettelijke en reglementaire bevoegdheden van de huisvestingsmaatschappijen enerzijds en van de overheden en organismen anderzijds.

De Commissie stelt vast dat er beperkingen zijn aangebracht aan het gebruik van het identificatienummer : het mag behoudens uitzonderingen niet aan derden medegedeeld worden en artikel 4, derde lid bepaalt bovendien dat het niet mag aangebracht worden op documenten die ter kennis kunnen worden gebracht van derden, andere dan de hierboven omschreven personen, overheden en instellingen.

VIII. Personen gemachtigd om toegang te hebben tot de gegevens van het rijksregister en om het identificatienummer te gebruiken Artikel 1, derde lid van het ontwerp verleent volgende personen toegang tot de gegevens van het Rijkregister : - de Administrateur-generaal van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij; - de personeelsleden van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij die wegens hun functie en binnen de perken van hun respectieve bevoegdheden daartoe bij name en schriftelijk aangewezen zijn door de Administrateur-generaal; - de zaakvoerder of de administratief verantwoordelijke van de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen waarvan de lijst de bijlage vormt van het ontwerp.

De Commissie stelt vast dat, in de lijn van eerder verleende adviezen : - bovenvermelde personen een verklaring moeten ondertekenen waarin zij zich ertoe verbinden het vertrouwelijk karakter van de informatiegegevens waartoe zij toegang krijgen te bewaren (artikel 1, vierde lid); - de lijst van deze personen, met vermelding van hun titel en hun ambt, jaarlijks wordt opgesteld en aan de Commissie toegezonden (artikel 5).

Om die redenen, Verleent de Commissie, onder voorbehoud van de opmerking betreffende de rechtsgrond voor de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het gebruik van het identificatienummer in hoofde van de erkende huisvestingsmaatschappijen en betreffende het persoonsgegeven 'beroep', een gunstig advies over het ontwerp van koninklijk besluit.

De secretaris, (get.) J. PAUL. De voorzitter, (get.) P. THOMAS. ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 13 juli 1999 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot regeling van de toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en van het gebruik van het identificatienummer ervan in hoofde van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen", heeft op 17 mei 2000 het volgende advies gegeven : Voorafgaande opmerking Artikel 5, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bepaalt dat de Koning toegang verleent tot het Rijksregister aan de openbare overheden,... voor de informatie die zij krachtens een wet of een decreet gerechtigd zijn te kennen.

Voor het bepalen van de informatie die deze openbare overheden gerechtigd zijn te kennen, kan men ervan uitgaan dat zulk een gerechtigheid, als ze niet in uitdrukkelijke bewoordingen is gesteld, het gevolg kan zijn van de taken waarmee die openbare overheden door of krachtens de wet of een decreet belast zijn.

Kan aldus worden aangenomen dat de omstandigheid dat een taak wordt opgedragen een indirecte gerechtigheid inhoudt om informatie te kennen, toch neemt dit niet weg dat de inachtneming van het wettigheidbeginsel de Regering ertoe verplicht om, wanneer ze zich voorneemt de toegang bepaald in artikel 5 van de voormelde wet te verlenen, nauwgezet te controleren of het voor de openbare overheid in kwestie onontbeerlijk is elk van de informatiegegevens opgesomd in artikel 3 van die wet te kennen om haar taak te kunnen volbrengen en vooraf zorgvuldig te bepalen welke "taken" in aanmerking kunnen komen.

Deze tweevoudige controle die de Regering moet verrichten onder het toezicht van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de afdeling wetgeving, is des te nuttiger daar de Raad van State niet alle feitelijke gegevens kent op basis waarvan hij zelf zulk een grondige controle zou kunnen uitoefenen. Die controle behoort des te nauwgezetter te worden uitgeoefend daar artikel 22, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. » (1).

Het verslag aan de Koning en de aanhef van het besluit moeten duidelijk het resultaat van die controles aangeven en alleen bijgewerkte beoordelingsgegevens overnemen.

In de aanhef van het aan de Raad van State toegezonden ontwerpbesluit wordt evenwel verwezen naar het decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1988 houdende oprichting van een Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, "zoals gewijzigd bij het decreet van 12 december 1990". Maar die regelgeving is opgeheven bij het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (met uitzondering van de artikelen 2, § 1, en 6, eerste lid, voor zover die bepaling betrekking heeft op het toewijzen, aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, van goederen, rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorgangers, krachtens artikel 105, 1°, van het decreet van 15 juli 1997). Deze opheffing is geschied op 1 november 1997 (krachtens artikel 114, § 1, 5°, van het voormelde decreet, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 19 augustus 1997).

Op dezelfde datum is titel V van het decreet van 15 juli 1997, die de nieuwe regelgeving van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en van de sociale huisvestingsmaatschappijen bevat, in werking getreden.

Bijgevolg rijst de vraag of de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zich in haar advies nr. 38/97 van 10 december 1997, met kennis van zaken heeft uitgesproken over een ontwerpbesluit dat niet is aangepast aan de wetswijzigingen die zijn aangebracht tussen de oorspronkelijke adiëring van de commissie en het tijdstip waarop ze haar advies heeft uitgebracht.

De nieuwe decreettekst bevat, voor wat de bepalingen betreft die van belang zijn voor het ontworpen besluit, geen enkele inhoudelijke wijziging van het oorspronkelijke decreet. Bijgevolg kan worden aangenomen dat er geen grond is om de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer opnieuw om advies te vragen.

De aanhef en het verslag aan de Koning behoren evenwel dienovereenkomstig te worden aangepast.

Onderzoek van het ontwerp Opschrift De wending "in hoofde van" zou vervangen moeten worden door de uitdrukking "wat betreft".

Aanhef Tweede en derde lid 1. Indien men het dienstig acht een bepaalde regeling in herinnering te brengen om de strekking van het besluit aan te geven, dient zulks niet te geschieden in de vorm van een aanhefverwijzing, maar dient bij die regeling aangehaakt te worden via een considerans (2).Bovendien zij opgemerkt dat het decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1988 houdende oprichting van een Vlaamse Huisvestingsmaatschappij is opgeheven bij het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, met uitzondering van de artikelen 2, § 1, en 6, eerste lid, voor zover deze bepaling betrekking heeft op het toewijzen, aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, van goederen, rechten en verplichtingen. 2. De verwijzing naar artikel 5 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, moet worden aangevuld met een verwijzing naar de wet van 11 december 1998, die het artikel wijzigt, als deze wet in werking treedt voor de ondertekening van het voorliggende koninklijk besluit. Dit lid dient bovendien te worden geredigeerd als volgt : « Overwegende dat de wet van 8 december 1992..., inzonderheid artikel 5, toepasselijk is. » 3. In het vierde lid schrijve men : "Gelet op advies nr.38/97... » .

Dispositief Artikel 1 De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de erkende sociale - huisvestingsmaatschappijen zullen (onder meer) toegang krijgen tot de informatie genoemd in artikel 3, eerste lid, 1° tot 6°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

In het verslag aan de Koning staat het volgende : « De gegevens met betrekking tot (1°) naam en voornamen, (2°) geboorteplaats en -datum, (3°) geslacht, (4°) nationaliteit, (5°) hoofdverblijfplaats, en eventueel plaats en datum van overlijden (6°) vormen de minimale informatiegevens die nodig zijn om een dossier met betrekking tot een natuurlijke persoon samen te stellen. » In het verslag aan de Koning wordt voorts het volgende gepreciseerd : « Ook om andere redenen kan de kennis van sommige van deze informatiegegevens noodzakelijk blijken : - de hoofdverblijfplaats (5°) : er zijn huurders die verhuizen zonder hun nieuw adres mede te delen en nog schulden hebben tegenover de maatschappij. In dat geval moet de huisvestingsmaatschappij het nieuwe adres kennen om deze schuld te kunnen invorderen. Tevens kan op die manier worden nagegaan of de bewoners of kopers van een sociale woning voldoen aan de hen opgelegde plicht tot bewoning van deze woning; - de geboorteplaats en datum (2°) : de vaststelling van de reële huurprijs van een sociale woning wordt ondermeer bepaald door de leeftijd van de bewoners. » Zo gepreciseerd, is de noodzaak om toegang te hebben tot die verschillende gegevens ten genoegen van recht gerechtvaardigd, behalve wat de nationaliteit en de geboorteplaats betreft (informatie genoemd onder 2° en 4°) : het aanleggen van een persoonlijk dossier impliceert immers niet in alle gevallen het onthullen van de nationaliteit en de geboorteplaats.

Behalve indien in het verslag aan de Koning wordt aangetoond dat deze vereiste zowel noodzakelijk is als bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 23 en 191 van de Grondwet, is er bijgevolg geen grond voor dat de Koning de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de erkende maatschappijen, voor het vervullen van hun taken, toegang verleent tot de genoemde vermeldingen.

Slotopmerkingen De Nederlandse tekst van verscheidene bepalingen van het ontwerp is voor verbetering vatbaar, ten blijke waarvan hierna ten overvloede de volgende tekstvoorstellen worden gedaan : Artikel 1 In het eerste lid, 1°, schrijve men "lener" in plaats van "ontlener" en in onderdeel 3° schrijve men, gelijk in Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, "leenovereenkomst" of "leningsovereenkomst" in plaats van "ontleningsovereenkomst".

In het derde lid, 3°, schrijve men : "dit besluit" in plaats van "het onderhavig besluit". Deze opmerking geldt voor heel het ontwerp.

Artikel 2 In het tweede lid schrijve men : « Voor de... worden niet als derden beschouwd : 1° de natuurlijke personen op wie... » Artikel 5 Men schrijve : "... met dezelfde regelmaat... toegezonden. » (1) Dit zijn de (lichtjes aangepaste) bewoordingen van zeer talrijke adviezen van de afdeling wetgeving (zie bij voorbeeld nr.L. 29.816/2). (2) Wat de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens betreft, waarnaar wordt verwezen in het derde lid van de aanhef van het onderzochte ontwerp, zie onder meer advies nr.L. 29.064/2 van 26 mei 1999 : « Het tweede lid vermeldt de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, "inzonderheid artikel 5". Deze vermelding in de aanhef die begint met de woorden "Gelet op... » behoort te worden vervangen door een considerans, om aan te geven dat het niet gaat om de rechtsgrond van het ontworpen besluit, maar om de herinnering dat dit besluit niet buiten de werkingssfeer valt van sommige bepalingen van de wet van 8 december 1992, waaronder ook artikel 5, zoals de Raad van State in verschillende van zijn adviezen heeft benadrukt. » De kamer was samengesteld uit : De heren : J.-J. Stryckmans, eerste voorzitter, Y. Kreins en P. Quertainmont, staatsraden, F. Delperee en J. Kirkpatrick, assessoren van de afdeling wetgeving, Mevr. J. Gielissen, toegevoegd griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de H. J. Regnier, eerste auditeur-afdelingshoofd. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door Mevr. F. Carlier, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. J.-J. Stryckmans.

De griffier, J. Gielissen.

De Eerste Voorzitter, J.-J. Stryckmans.

22 MEI 2001. - Koninklijk besluit tot regeling van de toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en van het gebruik van het identificatienummer wat betreft de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid op artikel 5, eerste lid, aangevuld bij de wet van 30 maart 1995, en tweede lid, a), gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1991 en 8 december 1992, en op artikel 8, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990;

Overwegende het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gewijzigd bij de decreten van 17 maart 1998 en 18 mei 1999;

Overwegende dat de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 5, toepasselijk is;

Gelet op advies nr. 38/97 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 10 december 1997;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 29 oktober 1998;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers;

Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Toegang tot de informatiegegevens

Artikel 1.Aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij alsmede aan de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, waarvan de lijst als bijlage van dit besluit is gevoegd, wordt toegang verleend tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2° (voor zover het betrekking heeft op de geboortedatum), 3°, 5°, 6°, 8° en 9°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen voor het verzamelen, verwerken en actualiseren van gegevens met betrekking tot natuurlijke personen en dit voor het vervullen van de volgende taken : 1° de efficiënte en correcte samenstelling van het dossier van de personen die huurder, koper of lener zijn, of van hen die zich hiervoor kandidaat stellen, mogelijk te maken;2° de vaststelling van de concrete huur-, koop- of ontleningsvoorwaarden voor een sociale woning, sociale kavel of sociale lening;3° het nagaan of de in de huur-, koop- of leningsovereenkomst gestelde voorwaarden door de begunstigde huurders, kopers of ontleners worden nageleefd. De toegang tot de opeenvolgende wijzigingen van de in het eerste lid bedoelde informatiegegevens wordt beperkt tot een periode van vijf jaar die de mededeling van deze informatiegegevens voorafgaat.

De in het eerste lid bedoelde toegang wordt voorbehouden : 1° aan de Administrateur-generaal van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij;2° aan de personeelsleden van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij die wegens hun functie en binnen de perken van hun respectieve bevoegdheden daartoe bij name en schriftelijk aangewezen zijn door de Administrateur-generaal;3° aan de zaakvoerder of de administratief verantwoordelijke van de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen waarvan de lijst de bijlage vormt van dit besluit. De in het voorgaande lid bedoelde personen ondertekenen een verklaring waarin zij zich ertoe verbinden het vertrouwelijk karakter van de informatiegegevens waartoe zij toegang krijgen te bewaren.

Art. 2.De met toepassing van artikel 1 verkregen informatiegegevens mogen slechts worden gebruikt voor de in het eerste lid van het genoemde artikel vermelde doeleinden. Zij mogen niet worden medegedeeld aan derden.

Voor de toepassing van het eerste lid worden niet als derden beschouwd : 1° de natuurlijke personen op wie die informatiegegevens betrekking hebben, of hun wettelijke vertegenwoordigers;2° de openbare overheden en instellingen aangewezen krachtens artikel 5 van de voormelde wet van 8 augustus 1983, voor de informatiegegevens die hun mogen worden medegedeeld krachtens hun aanwijzing en in het kader van de betrekkingen die zij voor de in artikel 1, eerste lid, vermelde doeleinden met de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen onderhouden in de uitoefening van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden. HOOFDSTUK II. - Gebruik van het identificatienummer

Art. 3.Aan de overeenkomstig artikel 1, derde lid, aangewezen personeelsleden van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij alsook van de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, waarvan de lijst de bijlage vormt van dit besluit, wordt machtiging verleend het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken binnen de perken vastgelegd in artikel 4.

Art. 4.Voor interne doeleinden mag het identificatienummer van het Rijksregister uitsluitend gebruikt worden als identificatiemiddel in de dossiers, bestanden en repertoria die door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen worden bijgehouden voor het vervullen van de in artikel 1, eerste lid, vermelde taken.

Bij extern gebruik mag het identificatienummer enkel gebruikt worden in de betrekkingen die voor het vervullen van de in artikel 1, eerste lid, vermelde taken noodzakelijk zijn, met : 1° de houder van het nummer of zijn wettelijke vertegenwoordiger;2° de openbare overheden en instellingen die zelf de in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 bedoelde machtiging hebben verkregen en die optreden in het kader van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden. Dit nummer mag niet aangebracht worden op documenten die ter kennis kunnen gebracht worden van derden, andere dan de personen, overheden en instellingen bedoeld in het voorgaande lid. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 5.De lijst van de overeenkomstig artikel 1, derde lid, en artikel 3 aangewezen personen wordt, met vermelding van hun titel en hun ambt, jaarlijks opgesteld en met dezelfde regelmaat aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer toegezonden.

Art. 6.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 22 mei 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

Bijlage Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 22 mei 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^