Koninklijk Besluit van 22 mei 2014
gepubliceerd op 11 juli 2014

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2014202966
pub.
11/07/2014
prom.
22/05/2014
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

22 MEI 2014. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid;

Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming.

Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 22 mei 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2013 Permanente vorming (Overeenkomst geregistreerd op 11 december 2013 onder het nummer 118357/CO/220) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Art. 3.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen die tot de bevoegdheid van het Paritair Comité voor bedienden uit de voedingsnijverheid behoren. § 2. Met "bedienden" worden de mannelijke en de vrouwelijke bedienden bedoeld. HOOFDSTUK II. - Permanente vorming

Art. 4.§ 1. De werkgever is eraan gehouden een volume professionele vorming te organiseren voor de bedienden, overeenstemmend op jaarbasis met 1,10 pct. van het totaal volume van de gepresteerde arbeidstijd van alle bedienden van de onderneming. § 2. Bij toepassing van artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact en het koninklijk besluit van 11 oktober 2007, komen de partijen overeen om de vormingsinspanningen in 2013 en 2014 te verhogen volgens de volgende modaliteiten : - Vanaf 1 januari 2013 is de werkgever eraan gehouden jaarlijks een volume professionele vorming te organiseren voor de bedienden, overeenstemmend met 1,20 pct. van het totaal volume van de gepresteerde arbeidstijd van alle bedienden van de onderneming; - Vanaf 1 januari 2014 is de werkgever eraan gehouden jaarlijks een volume professionele vorming te organiseren voor de bedienden, overeenstemmend met 1,30 pct. van het totaal volume van de gepresteerde arbeidstijd van alle bedienden van de onderneming.

Art. 5.§ 1. In de ondernemingen met 20 werknemers en meer zal een opleidingsplan opgesteld worden om de doelstelling uit artikel 2, § 2 te bereiken. § 2. Ondernemingen kunnen voor het opmaken van hun opleidingsplan een beroep doen op de ondersteuning van het IPV. § 3. Het opleidingsplan zal met de ondernemingsraad en bij ontstentenis, de vakbondsafvaardiging overlegd worden. De werkgever dient de informatie over de toepassing van deze maatregel te organiseren zoals artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nummer 9 en de reglementering betreffende de sociale balans het voorschrijven. § 4. In het opleidingsplan zal bijzondere aandacht uitgaan naar de risicogroepen en ruime participatie van alle werknemersgroepen. § 5. Om aanspraak te kunnen maken op de financiële tussenkomst van IPV zal de onderneming met meer dan 20 werknemers over een opleidingsplan moeten beschikken opgesteld conform de later binnen de sector af te sluiten collectieve arbeidsovreenkomst.

Paritair commentaar : De werkgever zal op het einde van elk jaar moeten kunnen bewijzen dat hij een aantal uren vorming georganiseerd heeft ten belope van 1,20 of 1,30 pct. van het totaal van gepresteerde arbeidsuren van alle bedienden samen.

De sociale partners raden aan deze berekeningen te laten overeenstemmen met deze van de sociale balans.

Het totaal volume arbeidstijd komt overeen met het aantal gepresteerde uren opgegeven in de sociale balans onder de rubriek 101. Het aantal opleidingsuren staat onder de rubrieken 5802/5812, 5822/5832 en 5842/5852.

Voor het begrip professionele vorming verwijzen we naar de definitie in de toelichtingsnota van de Nationale Bank met betrekking tot de opleidingsactiviteiten opgenomen in de sociale balans. Onder deze opleidingsactiviteiten vallen zowel de formele en de minder formele en informele voortgezette beroepsopleiding als de initiële beroepsopleidingsinitiatieven ten laste van de werkgever.

De tijd besteed aan professionele vorming dient beschouwd te worden als arbeidstijd vermits de bediende ter beschikking van de werkgever staat. HOOFDSTUK III. - Onthaal van werknemers

Art. 6.§ 1. Partijen herinneren aan het koninklijk besluit van 25 april 2007 betreffende het onthaal en de begeleiding van werknemers met betrekking tot de bescherming van het welzijn bij de uitvoering van hun werk. § 2. Met de ondernemingsraad en bij ontstentenis, de vakbondsafvaardiging zal overlegd worden over de praktische toepassing van dit koninklijk besluit in de onderneming en met name over de faciliteiten en opleiding van de ervaren werknemers die worden aangeduid voor de begeleiding van de beginnende werknemer. Het IPV zal een kosteloze training aanbieden om deze ervaren werknemers op te leiden voor deze taak. HOOFDSTUK IV. - Inspanningen ten voordele van de risicogroepen

Art. 7.§ 1. Huidig hoofdstuk wordt gesloten enerzijds in toepassing van titel XIII, hoofdstuk VIII, afdeling 1 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, laatst gewijzigd door de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het IPA (Belgisch Staatsblad van 7 februari 2011) en anderzijds het koninklijk besluit van 19 februari 2013 tot uitvoering van artikel 189, 4de lid van dezelfde wet. § 2. Gedurende de jaren 2013-2014 zal de sector 0,15 pct. van de brutolonen besteden aan de vorming van werkenden en werkzoekenden uit de risicogroepen.

Art. 8.Worden als risicogroepen beschouwd : - De werklozen in het algemeen en werklozen jonger dan 30 jaar in het bijzonder; - De laaggeschoolde werknemers; - De werknemers ouder dan 50 jaar; - De werknemers bedreigd door een herstructurering, een collectief ontslag of een sluiting van onderneming; - De ontslagen werknemers; - De gehandicapten; - De allochtonen; - De industriële leerlingen; - De werknemers vermeld in artikel 7, voor zover niet gevat door de voorgaande punten.

Art. 9.Volgende inspanningen zullen worden gedaan tijdens de jaren 2013-2014 : § 1. Het aantal industriee leerlingen gespreid over twee jaar zal minstens 200 bedragen. § 2. Het aantal werkzoekenden en werkenden uit de risicogroepen dat een IPV-vorming geniet zal jaarlijks minstens 3 000 bedragen. § 3. De vorming van werkzoekenden onder de risicogroepen zal zodanig georganiseerd worden dat de kansen op tewerkstelling in de sector reëel zijn. § 4. Een jaarlijkse inspanning van minptens 0,05 pct. (van de 0,15 pct.) van de brutolonen zal gedaan worden voor personen in volgende doelgroepen : 1° De werknemers van minstens 50 jaar oud die in de sector werken;2° De werknemers van minstens 40 jaar oud die in de sector werken en bedreigd zijn met ontslag: a) hetzij doordat hun arbeidsovereenkomst werd opgezegd en de opzeggingstermijn loopt;b) hetzij doordat zij tewerkgesteld zijn in een onderneming die erkend is als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering;c) hetzij doordat zij tewerkgesteld zijn in een onderneming waar een collectief ontslag werd aangekondigd;3° De niet-werkenden en de personen die sinds minder dan een jaar werken en niet-werkend waren op het ogenblik van hun indiensttreding. Onder "niet-werkenden" wordt verstaan : a) de langdurig werkzoekenden, zijnde de personen in het bezit zijn van een werkkaart, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden;b) de uitkeringsgerechtigde werklozen;c) de werkzoekenden die laaggeschoold of erg-laaggeschoold zijn in de zin van artikel 24 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de tewerkstelling;d) de herintreders, zijnde de personen die zich na een onderbreking van minstens één jaar terug op de arbeidsmarkt begeven;e) de personen die gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en personen die gerechtigd zijn op maatschappelijke hulp in toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;f) de werknemers die in het bezit zijn van een verminderingskaart herstructureringen in de zin van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen;g) de werkzoekenden die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezitten, of van wie minstens één van de ouders deze nationaliteit niet bezit of niet bezat bij overlijden, of van wie minstens twee van de grootouders deze nationaliteit niet bezitten of niet bezaten bij overlijden;4° De personen met een verminderde arbeidsgeschiktheid, namelijk : a) de personen die voldoen aan de voorwaarden om ingeschreven te worden in een regionaal agentschap voor personen met een handicap; b) de personen met een definitieve arbeidsongeschiktheid van minstens 33 pct.; c) de personen die voldoen aan de medische voorwaarden om recht te hebben op een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming ingevolge de wet van 27 februari 1987 op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;d) de personen die als doelgroepwerknemer tewerkgesteld zijn of waren bij een werkgever die valt onder het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de beschutte en de sociale werkplaatsen; e) de gehandicapte die het recht op verhoogde kinderbijslag opent op basis van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van minstens 66 pct.; f) de personen die in het bezit zijn van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen;g) de persoon met een invaliditeitsuitkering of een uitkering voor arbeidsongevallen of beroepsziekten in het kader van programmais tot werkhervatting;5° De jongeren die nog geen 26 jaar oud zijn en opgeleid worden, hetzij in een stelsel van alternerend leren, hetzij in het kader van een individuele beroepsopleiding in een onderneming, bedoeld in artikel 27, 6° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hetzij in het kader van een instapstage, bedoeld in artikel 36quater van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991.Voor de toepassing van het vorig lid wordt verstaan onder "sector" : het geheel van werkgevers die onder een zelfde paritair comité of autonoom paritair subcomité ressorteren. § 5. In toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 februari 2013 tot uitvoering van artikel 189, 4e lid van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) wordt minstens de helft van de in de vorige paragraaf bedoelde inspanning (zijnde 0,025 pct.) besteed aan initiatieven ten voordele van één of meerdere van de volgende groepen : a) de in 5°, bedoelde jongeren;b) de in 3° en 4°, bedoelde personen die nog geen 26 jaar oud zijn. HOOFDSTUK V. Berekening van de theoretische verplichting tot het aanwerven van jongeren met een startbaanovereenkomst voor de sector

Art. 10.Volgens de recentste statistische gegevens van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven stelden de ondememingen van de sector met 50 of meer werknemers, op 30 juni 2012 58 308 werknemers tewerk. Op basis van deze gegevens is de sector verplicht om voor 1 749 personen een startbaanovereenkomst te sluiten. HOOFDSTUK VI. - Outplacement

Art. 11.In de schoot van de raad van bestuur van IPV zullen de partijen de modaliteiten en het nodige budget onderzoeken om de ontslagen bedienden een outplacement te kunnen aanbieden. HOOFDSTUK VII. - Financiering IPV

Art. 12.De bijdrage van de werkgever is per bediende vastgesteld op 0,20 pct. van de lonen en dit voor onbepaalde duur.

HOOFDSTUK.VIII. - Geldigheidsduur

Art. 13.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2013 en geldt voor onbepaalde tijd. § 2. Zij vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2011 betreffende de permanente vorming voor de bedienden uit de voedingsnijverheid gesloten in de schoot van het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, geregistreerd onder nr. 105881/CO/220 en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 20 december 2012 (Belgisch Staatsblad voor 18 januari 2013). § 3. De collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door één der partijen, met een opzegging van drie maanden betekend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid en aan de erin vertegenwoordigde organisaties.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 22 mei 2014.

De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^