Koninklijk Besluit van 23 december 1998
gepubliceerd op 14 januari 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende de werving en de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten

bron
ministerie van justitie
numac
1998010100
pub.
14/01/1999
prom.
23/12/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

23 DECEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende de werving en de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 7 april 1919 tot instelling van rechterlijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij de wetten van 21 augustus 1948, 27 maart 1969, 2 december 1982 en 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 en bij de wet van 5 augustus 1992;

Gelet op het advies van de raad van overleg van de gerechtelijke politie, gegeven op 18 december 1998;

Gelet op het protocol nr. 188 van 22 december 1998 van Sectorcomité III - Justitie;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de reserve voor de werving in de graad van laboratoriuminspecteur is uitgeput en deze voor de werving in de graad van gerechtelijk inspecteur onvoldoende is voor de in 1999 vrijkomende betrekkingen; dat het bijgevolg dringend noodzakelijk is, ten einde in 1999 te kunnen werven, de nodige selectieproeven voor de werving van gerechtelijke agenten zonder uitstel te organiseren;

Overwegende dat het, ten einde de selectieproeven voor deze wervingen te kunnen opstarten, dringend noodzakelijk is de regels betreffende de werving en de stage van de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten vast te stellen;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Werving Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Onderafdeling 1. - Algemene vereisten

Artikel 1.De gegadigden voor de betrekkingen van gerechtelijk inspecteur, laboratoriuminspecteur, inspecteur-elektrotechnicus, inspecteur voor gerechtelijke identificatie, gerechtelijk commissaris, laboratoriumcommissaris of commissaris van de dienst telecommunicatie moeten voldoen aan volgende algemene vereisten: 1° Belg zijn;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° van onberispelijk gedrag zijn;4° voldoen aan de dienstplichtwetten;5° houder zijn van een rijbewijs geldig voor het besturen van de voertuigen van categorie "B";6° houder zijn van een geldig bewijs van geneeskundige schifting overeenkomstig artikel 2, §1 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de geneeskundige schifting en het geneeskundig toezicht op de bestuurders van motorvoertuigen;7° geslaagd zijn voor psychotechnische tests;8° geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen;9° voldoen aan de medische toelatingsvoorwaarden;10° voldoen aan de voorlopige tests inzake lichamelijke geschiktheid. De proeven om te voldoen aan de vereisten vermeld onder 7° tot 10° worden "selectieproeven" genoemd.

Art. 2.Het vergelijkend wervingsexamen bestaat uit twee gedeelten, met name een schriftelijk examen en een psychologisch geschiktheidsonderzoek.

Betreft het een vergelijkend examen voor de werving van gerechtelijke agenten dan wordt met het schriftelijk examen onder meer de rapporteervaardigheid van de gegadigden nagegaan.

In afwijking van de vorige leden kan de minister van Justitie, nog zelfs nadat de resultaten van de psychotechnische tests zijn gekend, beslissen dat het vergelijkend examen voor de werving van gerechtelijke agenten uit één gedeelte bestaat, met name een psychologisch geschiktheidsonderzoek tijdens hetwelk bovendien de rapporteervaardigheid van de gegadigden wordt nagegaan.

Wanneer het vergelijkend wervingsexamen uit twee gedeelten bestaat wordt de rangschikking van de geslaagden bepaald door de rangschikking die ze bekwamen op het schriftelijk examen.

Art. 3.De minister van Justitie kan, wanneer het vergelijkend wervingsexamen uit twee gedeelten bestaat, beslissen dat voor afname van het psychologisch geschiktheidsonderzoek de geslaagden voor het schriftelijk examen worden opgedeeld in groepen. In dit geval wordt het psychologisch geschiktheidsonderzoek per groep afgenomen. Alle geslaagden voor het schriftelijk examen worden voor het psychologisch geschiktheidsonderzoek opgeroepen.

Art. 4.Het bericht waarbij de minister van Justitie de werving van gerechtelijke agenten of officieren aankondigt, vermeldt de selectieproeven en de gedeelten waaruit het vergelijkend wervingsexamen bestaat.

Wanneer de minister van Justitie, nadat de resultaten van de psychotechnische tests zijn gekend, gebruik wil maken van de in artikel 2, derde lid bedoelde mogelijkheid, moet hij dit uitdrukkelijk in het bericht vermelden.

Onderafdeling 2. - Bijzondere vereisten voor de werving van gerechtelijke agenten

Art. 5.De gegadigden voor de betrekkingen van gerechtelijk inspecteur, laboratoriuminspecteur, inspecteur-elektrotechnicus of inspecteur voor gerechtelijke identificatie moeten voldoen aan volgende bijzondere vereisten: 1° ten minste 21 jaar oud zijn;2° ten minste houder zijn van een diploma van het hoger onderwijs van het korte type uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen, of door een door de Staat of een der Gemeenschappen samengestelde examencommissie, of van een kandidaatsdiploma afgeleverd door een onderwijsinstelling van universitair niveau. Onderafdeling 3. - Bijzondere vereisten voor de werving van gerechtelijke officieren

Art. 6.De gegadigden voor de betrekkingen van gerechtelijk commissaris, laboratoriumcommissaris of commissaris van de dienst telecommunicatie moeten voldoen aan volgende bijzondere vereisten: 1° ten minste 25 jaar oud zijn;2° houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot een betrekking van niveau 1 bij de Rijksbesturen. Onderafdeling 4. - Algemene regels inzake werving

Art. 7.De minister van Justitie beslist of de gegadigde aan de in artikel 1, eerste lid, 3° gestelde vereiste voldoet na daaromtrent het advies van de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten te hebben ingewonnen.

Art. 8.De minister van Justitie bepaalt : 1° het programma van de selectieproeven;2° de nadere regels in verband met de verificatie van de vereisten;3° de voorwaarden voor deelneming aan de selectieproeven;4° de nadere regels in verband met de organisatie van de selectieproeven;5° de samenstelling van de examencommissies van de examengedeelten van het vergelijkend wervingsexamen;6° de vrijstellingen die de houders van sommige diploma's kunnen genieten.

Art. 9.De gegadigden die geslaagd zijn voor de selectieproeven bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van het examengedeelte van het vergelijkend wervingsexamen dat de rangschikking van de geslaagden bepaalt.

De minister van Justitie kan de duur van de geldigheid van de wervingsreserve met een jaar verlengen. Deze verlenging is hernieuwbaar.

De benoemingen in de graad waarvoor zij aan het vergelijkend wervingsexamen hebben deelgenomen worden verricht naar de orde waarin zij bij dit examen zijn gerangschikt. Bij gelijkheid van punten gebeurt de rangschikking volgens leeftijd.

Indien verscheidene gegadigden geslaagd zijn voor het vergelijkend wervingsexamen van verschillende zittijden, wordt de voorkeur gegeven aan degene wiens naam voorkomt op het oudste proces-verbaal van het examengedeelte dat de rangschikking van de geslaagden bepaalt.

De geslaagden die houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot de graad van laboratoriuminspecteur worden bovendien afzonderlijk gerangschikt en putten uit elke rangschikking hun aanspraken op benoeming.

De geslaagden die houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot de graad van inspecteur-elektrotechnicus worden eveneens afzonderlijk gerangschikt en putten uit elke rangschikking hun aanspraken op benoeming. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen

Art. 10.De minister van Justitie kan beslissen dat voor de uitoefening van bepaalde functies gespecialiseerde kennis vereist is.

In dat geval bepaalt hij het aantal betrekkingen dat hij voor de uitoefening van die functies voorbehoudt en werft hij uitsluitend voor deze betrekkingen waarbij hij het bezit voorschrijft van diploma's die verband houden met die gespecialiseerde kennis.

Art. 11.Zonder aan de vereisten inzake leeftijd, studies en selectieproeven te voldoen kunnen eveneens, bij wijze van uitzondering, en dit voor de goede werking van de gerechtelijke politie, tot stagiair benoemd worden : 1° tot de graad van de gerechtelijk commissaris : een enkele gegadigde die beschikt over een bijzondere wetenschappelijke kennis;2° tot de graad van gerechtelijk inspecteur : een enkele gegadigde die het bewijs levert van grote technische vaardigheid. De benoemingen op grond van dit artikel geschieden op de voordracht van de raad van overleg en na advies van de raad van bestuur van de gerechtelijke politie bij de parketten. HOOFDSTUK II. - Stage Afdeling 1. - Stage van de gerechtelijke agenten

Art. 12.Niemand kan in vast verband tot gerechtelijk inspecteur, laboratoriuminspecteur, inspecteur-elektrotechnicus of inspecteur voor gerechtelijke identificatie worden benoemd tenzij hij in deze hoedanigheid een stage van twee jaar heeft vervuld.

De stage omvat : 1° het volgen van de cursussen en het slagen voor de examens van het eerste deel van de middelbare graad van de School voor Criminologie en Criminalistiek;2° het volgen van de cursussen en het slagen voor de basisopleiding georganiseerd door de School voor Criminologie en Criminalistiek;3° het met goed gevolg vervullen van een stage in een arrondissementsbrigade, bij het commissariaat-generaal en bij andere politiediensten;4° het slagen voor de definitieve tests inzake lichamelijke geschiktheid. De stagiairs die houder zijn van een diploma van de middelbare graad van de School voor Criminologie en Criminalistiek, zijn vrijgesteld van de in het tweede lid, 1°, gestelde vereiste. Afdeling 2. - Stage van de gerechtelijke officieren

Art. 13.Niemand kan in vast verband tot gerechtelijk commissaris, laboratoriumcommissaris of commissaris van de dienst telecommunicatie worden benoemd tenzij hij in deze hoedanigheid een stage van twee jaar heeft vervuld.

De stage omvat : 1° het volgen van de cursussen en het slagen voor de examens van het eerste deel van de hogere graad van de School voor Criminologie en Criminalistiek;2° het volgen van de cursussen en het slagen voor de basisopleiding georganiseerd door de School voor Criminologie en Criminalistiek;3° het met goed gevolg vervullen van een stage in een arrondissementsbrigade, bij het commissariaat-generaal en bij andere politiediensten;4° het slagen voor de definitieve tests inzake lichamelijke geschiktheid. De stagiairs die houder zijn van een diploma van de hogere graad van de School voor Criminologie en Criminalistiek, zijn vrijgesteld van de in het tweede lid, 1° gestelde vereiste. Afdeling 3. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de afdelingen 1 en 2

Art. 14.De nadere regels omtrent de stage voorzien in de artikelen 12 en 13 worden vastgesteld door de minister van Justitie.

Art. 15.De afwezigheden wegens ziekte die zich voordoen nadat de stagiair gedurende vijftien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, hebben schorsing van de stage tot gevolg.

Art. 16.De benoemende overheid kan, op gemotiveerd advies van de commissaris-generaal van de gerechtelijke politie, de stage met ten hoogste een jaar verlengen wanneer deze verlenging nodig is om vast te stellen of de stagiair aan de vereisten van de stage voldoet.

Art. 17.Wanneer genoegzaam vaststaat dat de stagiair niet aan de vereisten van de dienst voldoet, kan de benoemende overheid tijdens of op het einde van de stage beslissen hem af te danken.

Het voorstel tot afdanking gedurende of op het einde van de stage wordt door de commissaris-generaal van de gerechtelijke politie ter kennis gebracht van de betrokken stagiair.

De stagiair kan, binnen tien dagen na de kennisgeving, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waarvan zijn administratieve standplaats is gevestigd, vragen te worden gehoord door het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten. Het comité handelt overeenkomstig de artikelen 59 tot 67 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten.

De stagiair die afgedankt wordt met toepassing van de vorige leden geniet een opzeggingstermijn van drie maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze van de kennisgeving van de afdanking.

Ten laatste op de dag waarop de opzeggingstermijn ingaat wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst met een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde opzeggingstermijn. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 18.De contractuele hulpagenten van technische politie die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijn, kunnen worden aangeworven als laboratoriuminspecteur zonder te moeten voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 85, tweede lid van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten.

Art. 19.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 20.Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 23 december 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^