Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 23 november 2000
gepubliceerd op 30 maart 2001

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het gewoon pottengoed in potaarde, betreffende de arbeidsvoorwaarden

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2000012897
pub.
30/03/2001
prom.
23/11/2000
ELI
eli/besluit/2000/11/23/2000012897/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

23 NOVEMBER 2000. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het gewoon pottengoed in potaarde, betreffende de arbeidsvoorwaarden (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het gewoon pottengoed in potaarde;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 25 mei 1999, gesloten in het Paritaire Comité voor het gewoon pottengoed in potaarde, betreffende de arbeidsvoorwaarden.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 23 november 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister Van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het gewoon pottengoed in potaarde Collectieve arbeidsovereenkomst van 25 mei 1999 Arbeidsvoorwaarden (Overeenkomst geregistreerd op 8 oktober 1999 onder het nummer 52555/CO/150) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen welke onder het Paritair Comité voor gewoon pottengoed in potaarde ressorteren. HOOFDSTUK II. - Beroepenclassificatie

Art. 2.De beroepenclassificatie wordt vastgesteld als volgt : 1. ongeschoolde werklieden en werksters : - productie en magazijn : hulpwerklieden en hulpmagazijniers; - distributie : manueel laden en lossen; - onderhoud : onderhoud sanitair en burelen. 2. geoefende werklieden en werksters : - productie : (verantwoordelijke) kleivoorbereiding;persbedienaar; kleigieter; vormer-afwerker; glazuurder; ovenlader; verpakker en prijzer; vorkliftbestuurder; - distributie : aanvuller rekken; bedienaar elektrische stapelaar; ordervoorbereider; verpakker en prijzer; vorkliftbestuurder. 3. geschoolde werklieden en werksters : - productie : onderhoudsmechanieker;stockbeheerder; vrachtwagenvoerder; hoofdmagazijnier. HOOFDSTUK III. - Lonen A. Werklieden en werksters vanaf 19 jaar en ouder.

Art. 3.a) De volgende minimumuurlonen evenals de werkelijk uitbetaalde lonen voor een wekelijkse arbeidsduur van zevenendertig uur en dertig minuten bedragen op 1 april 1999 : BEF Hulpwerklieden 344,95 Geoefenden 358,75 Geschoolden 377,15 b) de minimumuurlonen evenals de werkelijk uitbetaalde uurlonen welke van toepassing zijn op : - 31 mei 1999 worden met 3 BEF verhoogd op 1 juni 1999; - 31 maart 2000 worden met 3 BEF verhoogd op 1 april 2000.

B. Jongere werklieden en werksters.

Art. 4.De minimumuurlonen van de minderjarige werklieden en werksters worden vastgesteld op de hiernavolgende percentages van de minimumuurlonen van de meerderjarige werklieden en werksters van de categorie waartoe zij behoren : 18 jaar : 95 pct. 17 jaar : 85 pct. 16 jaar : 75 pct. 15 jaar : 65 pct.

Evenwel, kan het minimumuurloon van de werklieden en werksters jonger dan 16 jaar, gedurende een periode van drie maanden, worden vastgesteld op 50 pct. van het minimumuurloon van de meerderjarige werklieden en werksters van de categorie waartoe zij behoren. HOOFDSTUK IV. - Koppeling van de lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen

Art. 5.De minimumuurlonen, de werkelijk betaalde lonen en de premies worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, maandelijks door het Ministerie van Economische Zaken vastgesteld en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 6.De in artikel 3 vastgestelde minimumuurlonen, de werkelijk betaalde lonen en de premies, stemmen overeen met het indexcijfer 102,95.

Art. 7.Zodra het in artikel 6 bedoelde indexcijfer een cijfer bereikt dat 2 pct. hoger is dan het indexcijfer dat aanleiding heeft gegeven tot de van kracht zijnde minimumuurlonen, premies en de werkelijk betaalde lonen worden deze met 2 pct. verhoogd.

Art. 8.Wanneer het in artikel 6 bedoelde indexcijfer terugvalt tot een cijfer lager dan het indexcijfer dat aanleiding heeft gegeven tot de voorlaatste loon- en premieverhogingen, worden de minimumuurlonen, de werkelijk betaalde lonen en de premies teruggebracht tot de loon- en premiebedragen welke overeenstemmen met deze van de voorlaatste verhoging.

Art. 9.Bij toepassing van de artikelen 7 en 8, wordt de volgende tabel vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 10.De aanpassingen gaan in de eerste dag van de maand welke volgt op deze waarvan het indexcijfer een aanpassing heeft veroorzaakt.

Indien een aanpassing voortvloeiend uit de koppeling van de lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen en een andere verhoging van de lonen moet worden toegepast, wordt de aanpassing voortvloeiend uit de koppeling aan het indexcijfer toegepast, nadat eerst de lonen met de voorziene verhoging werden aangepast.

Indien een aanpassing voortvloeiend uit de koppeling van de lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen samenvalt met een loonsverhoging bij het ingaan van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst, wordt de aanpassing voortvloeiend uit de koppeling aan het indexcijfer toegepast vooraleer de voorziene loonsverhoging toe te passen. HOOFDSTUK V. - Anciënniteitstoeslag

Art. 12.De werknemers bedoeld in artikel 1, hebben recht op een anciënniteitstoeslag van 2 BEF per schijf van 5 jaar dienst, bovenop het met de beklede functie overeenstemmende minimum uurloon. Deze toeslag wordt betaald de eerste van de volgende maand. HOOFDSTUK VI.- Ploegenpremies

Art. 13.Wanneer het werk in opeenvolgende ploegen wordt uitgevoerd, worden de volgende premies toegekend : 6 pct. van het loon voor de morgen- en namiddagploegen; 16 pct. van het loon voor de nachtploegen; 9,33 pct. van het loon voor de ploegen welke in continudienst werken. HOOFDSTUK VII. - Eindejaarspremie

Art. 14.Ten laatste op 15 december van elk kalenderjaar wordt een eindejaarspremie uitbetaald aan alle werklieden en werksters, op voorwaarde dat zij in de loop van het jaar hun arbeidsovereenkomst niet vrijwillig hebben verbroken, behoudens in geval van op pensioenstelling of toekenning van brugpensioen bij toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 17 gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 en van artikel 22 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen.

Art. 15.De maximum eindejaarspremie wordt als volgt berekend : a) voor de werklieden en werksters van 19 jaar en ouder en voor de minderjarigen die het loon van de meerderjarigen ontvangen : op basis van 162,5 x het conventionele uurloon van de geoefenden, van toepassing op 1 december van elk kalenderjaar in een stelsel van wekelijkse arbeidsduur van zevenendertig uur en dertig minuten;b) voor de minderjarigen jonger dan 19 jaar, waarvan het loon is onderworpen aan de degressieve schaal overeenkomstig artikel 4 : op basis van 162,5 x het individuele uurloon, van toepassing op 1 december van elk kalenderjaar in een stelsel van wekelijkse arbeidsduur van zevenendertig uur en dertig minuten. Het bedrag mag niet lager zijn dan 65 pct. van het bedrag vermeld onder a).

Voor de toepassing van de onder a) en b) vermelde wijze van berekening, wordt de leeftijd in aanmerking genomen, bereikt op 1 december van elk kalenderjaar.

Voor de werklieden en werksters die in de loop van het kalenderjaar zijn in dienst getreden, wordt de premie berekend op basis van 1/12e van de maximumpremie per maand aanwezigheid. Een begonnen maand wordt als een volledige maand beschouwd.

Art. 16.In geval van afdanking, uitgezonderd om dringende reden, wordt de eindejaarspremie toegekend op basis van 1/12e per maand of begonnen maand aanwezigheid, maar wordt als volgt berekend : - voor de rechthebbenden bedoeld in artikel 15, a) : 162,5 x het conventionele uurloon van de geoefenden van toepassing op de eerste van de maand waarin zij de onderneming verlaten; - voor de rechthebbenden bedoeld in artikel 15, b) : 162,5 x het individuele uurloon, van toepassing op de eerste van de maand waarin zij de onderneming verlaten. HOOFDSTUK VIII. - Bestaanszekerheidsuitkering

Art. 17.De werklieden en werksters kunnen aanspraak maken op een dagelijkse uitkering voor bestaanszekerheid, wanneer zij werkloos worden gesteld wegens gebrek aan werk, op voorwaarde dat zij recht hebben op de werkloosheidsuitkeringen en voor zover zij drie maanden anciënniteit in dezelfde onderneming tellen.

Art. 18.De bestaanszekerheidsuitkering wordt toegekend aan de in artikel 15 bedoelde werklieden en werksters voor maximum 60 dagen per kalenderjaar.

Art. 19.De bestaanszekerheidsuitkering wordt uitbetaald vanaf de eerste werkloosheidsdag.

Art. 20.De wettelijke gerechtvaardigde afwezige dagen worden met gewerkte dagen gelijkgesteld.

Art. 21.Het bedrag van de dagelijkse bestaanszekerheidsuitkering in het kader van de vijfdagenweek wordt vastgesteld op 250 BEF.

Art. 22.Het recht op bestaanszekerheidsuitkering vervalt : a) bij vrijwillige onderbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkman of werkster en bij het sluiten van een nieuwe overeenkomst met een onderneming welke niet ressorteert onder het Paritair Comité voor gewoon pottengoed in potaarde;b) bij doorzending wegens overtreding van het arbeidsreglement.

Art. 23.De uitbetaling moet worden gedaan op de normale datum van de loonuitbetaling, op vertoon van een door de werkgever bij de werkloosstelling verstrekt formulier, waarop het uitbetalingsorganisme van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de vergoede werkloosheidsdagen aangeeft en waarop melding wordt gemaakt van het bedrag van de bestaanszekerheidsuitkering.

Art. 24.Op verzoek van de werkgever, zijn de werklieden en werksters die de voordelen van de bestaanszekerheid genieten, er toe gehouden onmiddellijk het werk te hervatten met inachtneming nochtans van de wettelijke opzeggingstermijn ingeval zij door een andere arbeidsovereenkomst met een andere werkgever zijn gebonden.

Art. 25.Alle onvoorziene of twijfelachtige gevallen kunnen vooraf aan de directie der onderneming en, desgevallend, voor onderzoek aan het Paritair Comité voor gewoon pottengoed in potaarde worden voorgelegd. HOOFDSTUK IX. - Premie voor de georganiseerden

Art. 26.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op : a) de werkgevers waarvan de onderneming ressorteert onder het Paritair Comité voor gewoon pottengoed in potaarde;b) de werklieden en werksters, tewerkgesteld door de onder a) genoemde werkgevers en die lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal vlak zijn verbonden.

Art. 27.De bijdrage van de werkgevers wordt vastgesteld op 19,70 BEF per werkman of werkster, per gewerkte of gelijkgestelde werkdag gedurende het kalenderjaar 1999 (het totaal aantal dagen per kalenderjaar wordt vastgesteld op 260 dagen).

De bijdrage van de werkgevers wordt vastgesteld op 20,50 BEF per werkman of werkster, per gewerkte of gelijkgestelde werkdag gedurende het kalenderjaar 2000 (het totaal aantal dagen per kalenderjaar wordt vastgesteld op 260 dagen).

Art. 28.De in artikel 26, b) bedoelde werklieden en werksters hebben recht op een premie waarvan het bedrag wordt vastgesteld : - op 375 BEF per begonnen maand met een maximum van 4 500 BEF voor het jaar 1999. - op 392 BEF per begonnen maand met een maximum van 4 700 BEF voor het jaar 2000.

Art. 29.Dit bedrag wordt integraal uitbetaald aan de werklieden en werksters die gedurende het ganse kalenderjaar : a) als personeelslid waren ingeschreven bij een in artikel 26, a) bedoelde onderneming;b) lid waren van één van de in artikel 26, b) bedoelde organisaties. Diegenen die niet gedurende het ganse kalenderjaar 1999 aan beide voorwaarden voldoen ontvangen 375 BEF per volledige of begonnen maand tijdens dewelke zij beantwoorden aan bovenvermelde voorwaarden.

Diegenen die niet gedurende het ganse kalenderjaar 2000 aan beide voorwaarden voldoen ontvangen 392 BEF per volledige of begonnen maand tijdens dewelke zij beantwoorden aan bovenvermelde voorwaarden.

De tijdens het lopende kalenderjaar gepensioneerde werklieden en werksters, alsmede deze die brugpensioen genieten bij toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en van de wet van 30 maart 1976 vermeld in artikel 12, hebben eveneens recht op het maximum bedrag van de premie.

Art. 30.De in artikel 26, a) bedoelde werkgevers overhandigen, tijdens de periode van 1 tot 15 februari volgend op het kalenderjaar, aan de werklieden en werksters die gedurende dat dienstjaar in hun onderneming hebben gewerkt, een kaart van rechthebbende met vermelding van de volledige identiteit en de periode van tewerkstelling alsmede het aantal dagen waarop ze gewerkt hebben.

De georganiseerde werklieden en werksters overhandigen deze kaart vóór het einde van de maand februari aan hun vakorganisatie. Deze vermeldt op de kaart de datum van aansluiting en het te ontvangen bedrag.

De kaart van erkend rechthebbende wordt uiterlijk op 15 maart volgend op het kalenderjaar bij het sociaal fonds ingediend.

Art. 31.De werkgever bezorgt aan het secretariaat van het sociaal fonds een nominatieve lijst met vermelding van het aantal effectief gewerkte en gelijkgestelde dagen zoals aangegeven in artikel 27. Het totale aantal gewerkte en gelijkgestelde dagen vermenigvuldigd met 14 voor de jaren 1999 en 2000 maakt het totale bedrag uit van de verschuldigde bijdrage.

De aldus berekende bijdrage wordt gestort aan het sociaal fonds uiterlijk tegen 15 februari van het jaar volgend op het dienstjaar. HOOFDSTUK X. - Geldigheid van de overeenkomst

Art. 32.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn van 1 januari 2001 Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 november 2000.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^