Koninklijk Besluit van 23 oktober 1998
gepubliceerd op 05 november 1998
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren teneinde overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen

bron
ministerie van middenstand en landbouw
numac
1998016300
pub.
05/11/1998
prom.
23/10/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

23 OKTOBER 1998. - Koninklijk besluit houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren teneinde overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 20 juli 1991, 6 augustus 1993, 21 december 1994, 20 december 1995 en 23 maart 1998;

Gelet op de Richtlijn 92/117/EEG van de Raad van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in produkten van dierlijke oorsprong ten einde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen, gewijzigd bij Richtlijn 97/22/EG van de Raad van 22 april 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 mei 1963 houdende organisatie van de bestrijding van de dierenziekten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 april 1978, 21 januari 1992, 10 januari 1995 en 24 september 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juni 1997 houdende oprichting van het Centrum voor Onderzoek in de Diergeneeskunde en Agrochemie als wetenschappelijke instelling van de Staat;

Gelet op het advies van de Raad van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 september 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 15 oktober 1998;

Gelet op het overleg met de Gewestregeringen;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in zonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989, 4 juli 1989, 6 april 1995 en 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat het noodzakelijk is om zonder uitstel de bepalingen van de Richtlijn 92/117/EEG gewijzigd bij Richtlijn 97/22/EG om te zetten in de nationale reglementering;

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1. zoönose : elke ziekte en/of infectie die langs natuurlijke weg van dieren op de mens kan worden overgedragen;2. zoönoseverwekker : elke bacterie en elk virus of elke parasiet waardoor een zoönose kan worden veroorzaakt;3. erkend laboratorium : een laboratorium dat door de Minister is erkend en dat belast is met het onderzoek van de officiële monsters met het oog op de opsporing van een zoönoseverwekker;4. monster : een monster dat door of namens de eigenaar of de voor de inrichting of de dieren verantwoordelijke persoon wordt genomen met het oog op het onderzoek naar een zoönoseverwekker;5. officieel monster : een door de Dienst voor het onderzoek naar een zoönoseverwekker genomen monster.Op het officiële monster wordt verwezen naar de soort, het type, het aantal genomen monsters, de methode van bemonstering en de identificatie van de oorsprong van het dier of het product van dierlijke oorsprong; dit monster wordt genomen zonder voorafgaande waarschuwing; 6. Dienst : De Veterinaire Diensten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;7. Centrum voor preventie en diergeneeskundige begeleiding : Centrum opgericht bij de VZW Verenigingen voor dierenziektenbestrijding bedoeld in hoofdstuk 2 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987; 8. C.C.D.D. : coördinatiecentrum voor diergeneeskundige diagnostiek, beheerd door de Rechtspersoonlijkheid van het C.O.D.A; 9. C.O.D.A. : het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juni 1997 houdende oprichting van het Centrum voor Onderzoek in diergeneeskunde en agrochemie als wetenschappelijke inrichting van de Staat; 10. W.I.V.-L.P. : Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid - Louis Pasteur; 11. Minister : De Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;12. Fonds : het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;13. Sanitel : geautomatiseerd systeem voor gegevensverwerking in verband met de identificatie en de registratie van dieren. HOOFDSTUK II. - Opsporing en vaststelling van zoönoseverwekkers en registratie van zoönoses

Art. 2.Dit besluit geldt onverminderd de reglementering inzake de opsporing en bestrijding van de brucellose, tuberculose en rabies, of de aangifteplicht die geldt voor ziekten bedoeld in hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

Art. 3.De Dienst organiseert opsporingsprogramma's voor zoönoses. De C.C.D.D. staat in voor de coördinatie van deze programma's. Deze programma's worden jaarlijks binnen de perken van het begrotingskrediet voorafgaandelijk goedgekeurd door de Raad van het Fonds.

Art. 4.§ 1. De Dienst mag in alle beslagen waar zich voor een zoönose vatbare dieren bevinden monsters nemen of doen nemen of proeven laten uitvoeren met het oog op de opsporing van deze zoönose.

De inspecteur-dierenarts mag voor het nemen van hoger genoemde monsters of het doen uitvoeren van proeven een beroep doen op een aangenomen dierenarts of, naar gelang het geval, andere daartoe aangewezen personen. § 2. De verantwoordelijke moet de nodige hulp verlenen aan de personen bedoeld in § 1. Hij houdt zich, in dit opzicht, aan hun richtlijnen.

Art. 5.§ 1. De isolatie en identificatie van zoönoseverwekkers opgelijst in bijlage I bij dit besluit, of het anderszins bewijzen van de aanwezigheid ervan behoort tot de taken van de voor het erkend laboratorium verantwoordelijke persoon of wanneer de identificatie elders dan in een laboratorium plaatsvindt, van de voor het onderzoek verantwoordelijke persoon.

Deze verantwoordelijken zijn ertoe gehouden elke diagnose en identificatie van de zoönoseverwekker aan de Dienst mede te delen. § 2. De Minister kan bijlage I aanvullen met andere zoönoses en zoönoseverwekkers waarvan het uitbreken ervan een gevaar zou inhouden voor de volksgezondheid.

Art. 6.§ 1. De C.C.D.D. verzamelt en beoordeelt in samenwerking met de Dienst alle informatie over zoönoseverwekkers waarvan de aanwezigheid tijdens tests of onderzoeken is bevestigd, evenals over de in bijlage I, lijst I, bedoelde klinische zoönosegevallen die bij dieren zijn geconstateerd. § 2. De informatie verzameld overeenkomstig de bepalingen van § 1 maakt het voorwerp uit van een jaarlijks rapport dat volgens de instructies van de Dienst wordt opgesteld in verband met de mogelijke ontwikkeling en de bronnen van de zoönotische infecties die tijdens het voorgaande jaar zijn geconstateerd. HOOFDSTUK III. - Diagnostische methodes

Art. 7.De Minister schrijft de methoden voor betreffende de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers, het aantal en het type van de te nemen monsters of officiële monsters, de bemonsteringsmethoden, alsmede de methoden voor diagnostisch onderzoek die aangewend worden voor de identificatie van zoönoseverwekkers.

Art. 8.§ 1. De lijst van de erkende laboratoria voor de opsporing van de zoönosen en die onder de bevoegdheid staan van de Minister, is opgenomen in bijlage II bij dit besluit. § 2. Het C.O.D.A. geldt als nationaal referentielaboratorium voor zoönosen en zoönoseverwekkers waar de identificatie of de definitieve bevestiging van de aanwezigheid van een zoönoseverwekker kan geschieden.

Het C.O.D.A. staat in voor de coördinatie van het uniform toepassen van de gebruikte diagnosemethoden voor het opsporen en identificeren van de zoönoseverwekkers.

Voor rabiës evenwel geldt het W.I.V.-L.P. als enig onderzoeks- en referentielaboratorium. HOOFDSTUK IV Maatregelen bij vermoeden of vaststelling van een zoönose

Art. 9.§ 1. Wanneer het onderzoek geen uitsluitsel geeft over het bestaan van een zoönose, kan de inspecteur-dierenarts bijkomende onderzoeken opleggen teneinde de vermoede zoönose te bevestigen of te weerleggen. § 2. De inspecteur-dierenarts kan alle bijkomende controlemaatregelen op het verdacht besmette bedrijf voorschrijven die hij nodig acht.

Art. 10.§ 1. Van zodra de aanwezigheid van de zoönose wordt bevestigd, verklaart de inspecteur-dierenarts het bedrijf als zijnde besmet en past er de voorgeschreven maatregelen toe. § 2. Onverminderd de reglementering voor de zoönosen in bijlage I bij dit besluit, kan de Minister in het besmette bedrijf bijkomende controlemaatregelen voorschrijven die hij nodig acht in het belang van de volksgezondheid.

Art. 11.De inspecteur-dierenarts verricht in het besmet verklaarde bedrijf een epidemiologisch onderzoek naar de herkomst en de verspreiding van de zoönose. HOOFDSTUK V. - Afslachting of afmaking en destructie op bevel

Art. 12.Indien de toestand zulks vereist kan de Minister, op voorstel van de Dienst, beslissen alle dieren of een deel van de dieren van het besmet bedrijf te laten slachten of op bevel te laten afmaken, en de producten die een risico vormen laten vernietigen of op een zodanige manier te laten behandelen dat zij geen gevaar vormen voor overdracht van de zoönoseverwekker naar mens of dier.

Art. 13.De Minister kan, binnen de perken van het begrotingskrediet, een vergoeding toekennen aan de eigenaars van de dieren die in het belang van de volksgezondheid op bevel werden geslacht of afgemaakt.

Deze bepaling geldt eveneens voor de producten die werden vernietigd of aan een behandeling werden onderworpen met waardeverlies. HOOFDSTUK VI. - Algemene bepalingen

Art. 14.De vrijwaringsmaatregelen bedoeld in het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten, zijn in het kader van onderhavig besluit van toepassing.

Art. 15.Overtredingen van de bepalingen van dit besluit of van een besluit genomen in uitvoering van dit besluit worden, indien niet anders bepaald, opgespoord en gestraft overeenkomstig hoofdstukken V en VI van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

Art. 16.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 17.De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 23 oktober 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN

Bijlage I bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1998 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren ten einde door dieren of dierlijke producten overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen Lijsten van de in artikel 5 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1998 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren teneinde door dieren of dierlijke producten overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen, bedoelde zoönoses.

Lijst I. 1. Tuberculose veroorzaakt door Mycobacterium bovis 2.Brucellose en de verwekkers daarvan 3. Salmonellosis en de verwekkers daarvan 4.Trichinose Lijst II. 1. Campylobacteriose 2.Echinococcose 3. Listeriose 4.Rabiës 5. Toxoplasmose 6.Yersiniose Lijst III. Elke andere zoönose en de verwekker daarvan buiten de Europese Unie Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 oktober 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN

Bijlage II bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1998 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren ten einde door dieren of dierlijke producten overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen Lijst van de laboratoria bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1998 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren teneinde door dieren of dierlijke producten overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen, erkend voor de opsporing en identificatie van zoönoses. 1. Nationale referentielaboratoria : 1.1. Voor rabiës : Het W.I.V.-L.P. - Brussel 1.2. In alle andere gevallen : Het C.O.D.A. 2. Erkende diergeneeskundige diagnoselaboratoria : De centra voor preventie en diergeneeskundige begeleiding van opgericht bij de V.Z.W. Verenigingen voor dierenziektenbestrijding, die volgens diersoort en territoriale bevoegdheid vermeld zijn in bijlage I van het koninklijk besluit van van 7 mei 1963 houdende organisatie van de bestrijding van de dierenziekten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 april 1978, 21 januari 1992, 10 januari 1995 en 24 september 1997;

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 oktober 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^