Koninklijk Besluit van 24 juni 2013
gepubliceerd op 03 juli 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2013022341
pub.
03/07/2013
prom.
24/06/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

24 JUNI 2013. - Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde pensioenen in de regeling voor werknemers


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, artikel 7, tiende lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 december 1996, bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997 en artikel 22, tweede lid, vervangen bij de wet van 30 maart 1994;

Gelet op de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, artikel 152, gewijzigd bij de wetten van 10 februari 1981 en 15 mei 1984 en bij de koninklijke besluiten van 14 mei 2000, 11 december 2001, 14 februari 2003, 9 april 2007, 12 juni 2008, 16 februari 2009 en 6 juli 2011 en artikel 153, gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984 en bij de koninklijke besluiten van 14 mei 2000, 11 december 2001, 14 februari 2003, 9 april 2007, 12 juni 2008, 16 februari 2009 en 6 juli 2011;

Gelet op de wet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, artikel 33, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, artikel 33bis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, artikel 34, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, en artikel 34bis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 23 december 2005;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 8, § 10, 1°, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, artikel 56;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen, gegeven op 25 maart 2013;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 15 april 2013;

Overwegende de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, artikel 72, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 en artikel 73;

Overwegende dat krachtens artikel 72, § 4 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact het afwijken van het gezamenlijk advies van de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven uitdrukkelijk moet gemotiveerd worden;

Overwegende dat het betrokken advies voorstelt het vakantiegeld te verhogen op 1 mei 2014 met 15 % terwijl het aan het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen vraagt om het exact bedrag van de verhoging van dit voordeel in 2014 te bepalen in functie van het beschikbare budget en de reglementering inzake de begrenzing van dit vakantiegeld;

Dat het ontwerp voorgelegd aan het Beheerscomité op deze vraag had geanticipeerd aangezien het voorzag om in 2014 : de basisbedragen te verhogen met 3,43 % een supplement toe te kennen aan de gepensioneerden waarvan het vakantiegeld werd begrensd in functie van hun pensioenbedrag, om hen een verhoging te verzekeren van hun vakantiegeld van 8,6 %, eventueel verminderd teneinde de basisbedragen niet te overschrijden;

Deze maatregelen zouden het overschrijden van de beschikbare budgettaire enveloppe sterk verminderen;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 19 april 2013;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat het ontwerp van koninklijk besluit voorziet in de verhoging van bepaalde uitkeringen uitbetaald door de Rijksdienst voor Pensioenen;

Dat de bepalingen van artikel 56 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, die gewijzigd zullen worden door artikel 6, 1° van voorliggend besluit, een verhoging van het vakantiegeld en de aanvullende toeslag voorzien vanaf mei 2013;

Dat het loonplafond voor de jaren na 2012 verhoogd wordt en dat voor de pensioenen met ingangsdatum vanaf 2014 het onderzoek reeds bezig is;

Dat bovendien de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in hun gezamenlijk advies nr. 1.840/ CRB 2013-0441 DEF CCR 10 van 28 maart 2013 hebben aangegeven dat een snelle implementatie van de voorliggende maatregelen in wetgevende en reglementaire teksten noodzakelijk is opdat de betrokken administraties en uitvoeringsinstellingen tegen de voorziene data van inwerkingtreding de nodige administratieve en praktische schikkingen zouden kunnen treffen, zoals bijvoorbeeld door een aanpassing van de informaticatoepassingen;

Dat het daarom van belang is dat de Rijksdienst voor Pensioenen zijn informaticaprogramma's kan aanpassen en kan overgaan tot de uitvoering van voorafgaande testen en dit om met name een correcte berekening van het pensioen en een correcte betaling van het verschuldigde vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld te waarborgen in mei 2013;

Gelet op het advies nr. 53.231/1 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Pensioenen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Loongrens

Artikel 1.Het in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, bedoelde jaarbedrag, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 18 maart 1999, 26 mei 2002, 31 maart 2003, 20 januari 2006, 3 juni 2007 en 6 juli 2011, wordt voor de jaren na 2012 vermenigvuldigd met 1,02. HOOFDSTUK 2. - Verhoging van het minimumrecht per loopbaanjaar

Art. 2.Het bedrag van het loon, beoogd bij artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 maart 1997, 11 december 2001, 16 februari 2009 en 6 juli 2011, wordt gebracht op 17.026,70 euro.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan op 1 september 2013. HOOFDSTUK 3. - Verhoging van het gewaarborgd minimumpensioen

Art. 3.De bedragen van 12.608,39 euro en van 10.089,89 euro, bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, en het in artikel 153 van dezelfde wet bedoelde bedrag van 9.931,25 euro worden met ingang van 1 september 2013 respectievelijk vervangen door de bedragen van 12.765,99 euro, 10.216,01 euro en 10.055,39 euro.

Art. 4.De coëfficiënten van 0,877537 en van 0,842835, bedoeld in artikel 7, § 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011, en de coëfficiënt van 0,856296, bedoeld in artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden met ingang van 1 januari 2014 respectievelijk vervangen door de coëfficiënten van 0,899563, 0,849578 en 0,863146.

Art. 5.De coëfficiënten van 0,877537 en van 0,842835, bedoeld in artikel 7, § 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers, opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, maar waarvan de bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal zijn ingegaan vóór 1 oktober 2006, en de coëfficiënt van 0,856296, bedoeld in artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit, worden met ingang van 1 januari 2014 respectievelijk vervangen door de coëfficiënten van 0,899563, 0,849578 en 0,863146. HOOFDSTUK 4. - Verhoging van het vakantiegeld en aanvullende toeslag en supplement

Art. 6.De bedragen van 148,81 euro en van 89,24 euro, bedoeld in artikel 56, § 3, A, 1° en 2° van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, en de in artikel 56, § 3, B, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde bedragen van 583,27 euro en 466,61 euro worden respectievelijk vervangen : 1° met ingang van 1 mei 2013, door de bedragen van 156,25 euro, 93,70 euro, 612,43 euro en 489,94 euro;2° met ingang van 1 mei 2014, door de bedragen van 161,61 euro, 96,91 euro, 633,43 euro en 506,74 euro.

Art. 7.Artikel 56 van het voormelde besluit van 21 december 1967 wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende : « § 5. In mei 2014 ontvangen de personen die een bedrag van vakantiegeld en een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld bekomen, dat, overeenkomstig paragraaf 3, herleid wordt tot het maandbedrag van het tijdens dezelfde maand betaald pensioen ten laste van de regeling voor werknemers, een supplement. Dit supplement wordt vastgesteld op 8,6 % van het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld dat hen wordt toegekend, het wordt evenwel evenredig herleid opdat het uitgekeerde totaalbedrag van vakantiegeld, aanvullende toeslag bij het vakantiegeld en het supplement niet hoger zou zijn dan het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld vastgelegd in paragraaf 3, A, eerste lid en B, eerste lid.

Het supplement schommelt overeenkomstig de bepalingen van de voormelde wet van 2 augustus 1971. Het wordt elk jaar uitbetaald in de loop van de maand mei aan de index waaraan het pensioen wordt uitbetaald, op voorwaarde dat het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld daadwerkelijk verschuldigd zijn. » HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 8.Dit besluit treedt in werking op 1 september 2013 met uitzondering van : 1° artikel 1 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2013;2° artikelen 4 en 5 die in werking treden op 1 januari 2014;3° artikel 6, punten 1° en 2°, die respectievelijk in werking treden op 1 mei 2013 en 1 mei 2014;4° artikel 7 dat in werking treedt op 1 mei 2014.

Art. 9.De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 24 juni 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, A. DE CROO

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^