Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 25 september 1998
gepubliceerd op 01 oktober 1998

Koninklijk besluit tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen

bron
ministerie van justitie
numac
1998009787
pub.
01/10/1998
prom.
25/09/1998
ELI
eli/besluit/1998/09/25/1998009787/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

25 SEPTEMBER 1998. - Koninklijk besluit tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, inzonderheid op artikel 46, gewijzigd bij de wet van 21 mei 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid op artikel 6, § 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 1969 en op artikel 109;

Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 maart 1998 en op 25 maart 1998;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 28 mei 1998;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 28 mei 1998;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Pensioenen, gegeven op 18 september 1998;

Gelet op het protocol 175 van Sectorcomité III-Justitie, van 3 juni 1998;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat een oplossing moet worden gezocht voor de problemen van stress die voortvloeien uit een veeleisend werk en dat dit nog verzwaard wordt door de huidige overbevolking in de strafinrichtingen;

Overwegende dat de noodzakelijke maatregelen dienen genomen te worden om te voorzien in de vervanging van de ambtenaren die deze maatregelen willen genieten;

Overwegende dat de wervingsprocedure pas kan ingesteld worden op het ogenblik dat de datum, waarop de betrekkingen definitief vacant zijn, met zekerheid gekend is;

Overwegende dat het noodzakelijk is dat zo spoedig mogelijk kan voorzien worden in de betrekkingen, met het oog op de continuïteit van de dienst;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, van Onze Minister van Begroting en van Onze Minister van Pensioenen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1 - Toepassingsgebied

Artikel 1.Dit besluit is toepasselijk op de ambtenaren van de buitendiensten van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen die onderworpen zijn aan het statuut van het rijkspersoneel en die : 1° bekleed zijn met één van de graden vastgesteld in de personeelsformatie behorend tot de niveaus 3, 2 en 2+ met uitzondering van de hierna vermelde graden : klerk; bestuursassistent; bestuurschef; boekhouder; eerstaanwezend boekhouder; maatschappelijk assisttent; eerstaanwezend maatschappelijk assistent; 2° bekleed zijn met één van de afgeschafte graden van bewaarder, hoofdbewaarder of hoofdtechnicus.

Art. 2.De in artikel 1 bedoelde ambtenaren kunnen genieten van een verlof voorafgaand aan het pensioen. HOOFDSTUK 2 - Reglementaire bepalingen

Art. 3.De ambtenaren bedoeld in artikel 1 die ten minste vijfenvijftig jaar en minder dan zestig jaar zijn en ten minste vijfentwintig in aanmerking komende dienstjaren tellen voor de opening van het recht op pensioen in de openbare sector, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere perioden die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking werden genoemen, kunnen op hun verzoek in verlof worden gesteld.

De aanvraag geschiedt schriftelijk en ten minste twee maanden vóór de datum vermeld in hun verzoekschrift.

Het verlof vangt aan op de eerste dag van een kalendermaand.

Deze mogelijkheid blijft bestaan tot en met 31 december 2003.

Art. 4.§ 1. De duur van het in artikel 3 bedoelde verlof is vastgesteld op vijf jaar.

De verlofperiode wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld en de ambtenaar behoudt tijdens deze periode zijn rechten op bevordering in de weddeschaal die hij genoot voor de aanvang van het verlof. § 2. Wanneer de ambtenaar de leeftijd van zestig jaar bereikt tijdens de verlofperiode bedoeld in § 1 eindigt zijn verlof de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop hij die leeftijd bereikt. § 3. De ambtenaar wordt ambtshalve in ruste gesteld zodra hij de leeeftijd van zestig jaar bereikt.

Art. 5.De ambtenaar, met verlof voorafgaand aan het pensioen, ontvangt een wachtgeld gelijk aan tachtig percent van zijn laatste activiteitswedde. Onder laatste activiteitswedde dient te worden verstaan de laatst toegekende jaarwedde voor volledige prestaties, verhoogd met een forfaitair bedrag van 100 000 F voor onregelmatige prestaties.

Art. 6.De ambtenaar ontvangt tevens : - het vakantiegeld - de eindejaarstoelage - de haard- of standplaatstoelage Het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en de haard- en standplaatstoelage zijn verschuligd van 80 % van het bedrag dat aan het personeelslid zou worden uitgekeerd wanneer hij volledige prestaties zou volbrengen.

Art. 7.Op de datum van pensionering en deze van de daaraan voorafgaandelijke inverlofstelling, kan na het indienen van de aanvraag niet meer teruggekomen worden.

Art. 8.Gedurende de verlofperiode worden de agenten buiten kader geplaatst en worden zij in hun betrekking vervangen door statutaire agenten.

Art. 9.De statutaire personeelsleden die genieten van het in artikel 2 bedoeld verlof mogen, mits voorafgaande toelating, andere beroepsactiviteiten uitoefenen. Indien de inkomsten uit die beroepsactiviteiten de grenzen inzake cumulatie bepaald bij de artikelen 4 en 9 van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen overschrijden, wordt het wachtgeld verminderd of geschorst op dezelfde wijze als een rustpensioen.

Art. 10.Dit besluit treedt in werking op 1 april 1999.

Art. 11.Onze Minister van Justitie is beslast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 25 september 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS De Minister van Begroting, H. VAN ROMPUY De Minister van Pensioenen, M. COLLA

^