Koninklijk Besluit van 26 april 1999
gepubliceerd op 19 juni 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid, ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw
numac
1999022379
pub.
19/06/1999
prom.
26/04/1999
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 APRIL 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels, bekrachtigd bij wet van 26 juni 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart, inzonderheid op de artikelen 2, 6, 13, 21 en 63, gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 december 1998;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 maart 1999;

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat : - het verplicht gebruik van de sociale identiteitskaart in werking is getreden op 1 januari 1999 en dat de juridische gevolgen hierna vermeld zo vroeg mogelijk dienen in aanmerking te worden genomen; - de uitbreiding van de controlebevoegheid noodzakelijk is om een goede verdeling van de sociale identiteitskaarten aan alle sociaal verzekerden te waarborgen; - de geldigheidsduur van het attest in sommige gevallen op drie maanden moet worden gebracht omdat het onmogelijk is om een (nieuwe, eerste) kaart af te leveren binnen de termijn van één maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 16 maart 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, van Onze Minister van Sociale Zaken en van Onze Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart, worden de woorden « koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, tot de zelfstandigen wordt verruimd », vervangen door de woorden « koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd. »

Art. 2.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid : « De ambtenaren van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 162 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 zijn belast met de controle op de uitreiking, de vervanging en de vernieuwing van de sociale identiteitskaarten bestemd voor de sociaal verzekerden bedoeld in de artikelen 7 tot 10. »

Art. 3.Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende leden : « De sociale identiteitskaarten voor de pasgeborenen die onder het toepassingsgebied van de artikelen 7 en 8 vallen, worden uitgereikt uiterlijk één maand na de mededeling van de informatie betreffende de geboorte door de Kruispuntbank aan de verzekeringsinstelling.

De sociale identiteitskaarten voor de sociaal verzekerden die hun sociale identiteitskaart inleverden in uitvoering van de artikelen 18 of 19 of die de verzekeringsinstelling inlichtten over de niet-ontvangst, het verlies, of de diefstal ervan, worden uitgereikt uiterlijk één maand na de inlevering of de ontvangst van de inlichting. »

Art. 4.Artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 8 december 1998, wordt vervangen als volgt : «

Art. 21.Een attest van sociaal verzekerde dat dezelfde gegevens bevat dan deze die vermeld dienen te worden in de sociale identiteitskaart, wordt door de verzekeringsinstelling zo snel mogelijk afgeleverd aan de sociaal verzekerden bedoeld in artikel 13.

Het attest van sociaal verzekerde heeft een geldigheidsduur van één maand te rekenen vanaf de afgifte ervan. Evenwel, voor de sociaal verzekerden bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, die nog niet over een identificatienummer van de sociale zekerheid beschikken zoals bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, bedraagt de geldigheidsduur van het attest van sociaal verzekerde drie maanden, te rekenen vanaf de afgifte ervan.

Ingeval van verlies, diefstal of beschadiging van het attest van sociaal verzekerde, gaat de verzekeringsinstelling over tot de vervanging ervan; de einddatum van geldigheid van het vervangend attest is identitiek aan die van het te vervangen attest.

De Minister van Sociale Zaken legt het model van het attest van sociaal verzekerde vast.

De ambtenaren van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor Ziekte-en Invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 162 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 zijn belast met de controle op de uitreiking van het attest van sociaal verzekerde. »

Art. 5.De artikelen 39, 5° en 43, eerste lid van hetzelfde besluit, voor wat de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn betreft, treden in werking op 1 juli 1999.

Art. 6.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Sociale Zaken, Onze Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, op 26 april 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid Mevr. M. SMET De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen K. PINXTEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^