Koninklijk Besluit van 26 februari 2014
gepubliceerd op 18 maart 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 9, tweede lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de procedure voor de voorafgaande adviesaanvraag

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2014003077
pub.
18/03/2014
prom.
26/02/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 FEBRUARI 2014. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 9, tweede lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de procedure voor de voorafgaande adviesaanvraag


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd voorziet in de uitvoering van artikel 9, eerste lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen.

Overal in Europa wordt vastgesteld dat het voor kredietinstellingen moeilijker is geworden om geldmiddelen aan te trekken voor lange-termijnfinanciering. Studies van de Europese Commissie, de OESO en de G20 bevestigen deze problematiek.

Dit probleem heeft onvermijdelijk nadelige gevolgen met betrekking tot de mogelijkheden tot financiering van projecten met een sociaaleconomisch of maatschappelijk doel, de activiteiten van K.M.O.'s evenals landbouw- en bosexploitatiebedrijven.

Om economische bedrijvigheid te stimuleren is het echter van cruciaal belang dat de overheid en de ondernemingen over voldoende financiering kunnen beschikken Het is de wens van de Regering om de lange termijnfinanciering voor bepaalde sociaaleconomische of maatschappelijk verantwoorde projecten te vergemakkelijken.

Artikel 9, eerste lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen bepaalt dat de Koning, op voordracht van de minister van Financiën en de minister van Economie, bij in ministerraad overlegd besluit de lijst met de projecten vaststelt die beantwoorden aan deze criteria.

Onderhavig besluit stelt daarom de geschikte projecten voor de financiering in het kader van een thematische volkslening vast.

Voor wat betreft het artikel 1, 7° wordt verduidelijkt dat openbare sportinfrastructuur slaat op sportinfrastructuur die hetzij bij wijze van overheidsinitiatief, hetzij bij wijze van privé-initiatief, of een combinatie van beide wordt opgericht, maar die wel toegankelijk is voor het publiek.

Ter verduidelijking wordt ook aangegeven artikel 1, 13° slaat op investeringen die de openbare veiligheid ten goede komen, zoals de bouw, de uitbreiding of de modernisering van kazernes en posten van de brandweer, de civiele bescherming of de politie, etc.

Het begrip « onderneming » vermeld in artikel 1, 17° en 18° moet ruim begrepen worden en slaat op « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen ». Op deze manier wordt verduidelijkt dat al de investeringen vastgesteld in de punten 17° en 18° in aanmerking komen voor financiering in het kader van de thematische volksleningen, en dit voor zelfstandigen natuurlijke personen en vennootschappen, voor zover deze laatsten beantwoorden aan de K.M.O.-criteria vastgesteld in artikel 15, § 1 van het Wetboek van Vennootschappen.

Tot de categorie K.M.O.'s overeenkomstig het art. 15, § 1 van het Wetboek Vennootschappen behoren ondernemingen waar het jaargemiddelde van het personeelsbestand minder dan 50 is en waarvan de jaaromzet 7,3 miljoen EUR (excl. btw) of het jaarlijks balanstotaal 3,65 miljoen EUR niet overschrijdt, tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.

Voor wat betreft de investeringen in bedrijfsgebouwen vastgesteld in artikel 1, 18° wordt verduidelijkt dat deze gebouwen ingeschakeld moeten worden in het bedrijfsproces van de onderneming (bvb. fabrieksgebouw, handelspand, loods, enz.) om op deze wijze economische bedrijvigheid te creëren. De loutere aankoop van gebouwen om deze aan te houden in een vastgoedportefeuille met de bedoeling om deze te beheren of opnieuw te verkopen met het oogmerk om een meerwaarde te creëren komt niet in aanmerking voor financiering in het kader van de thematische volksleningen.

In antwoord op de opmerking van de Raad van State wordt hierna verduidelijkt welke fondsen concreet beoogd worden onder het artikel 1, 20°. Het punt 20° voorziet dat investeringen in door de gewesten erkende ondernemings-, infrastructuurfondsen en fondsen van fondsen in aanmerking komen als geschikte projecten in het kader van de financiering via de thematische volksleningen. Met de noties erkende `ondernemings- en infrastructuurfondsen' worden de fondsen bedoeld in artikel 2, 20° en 23° van het Vlaams decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen, laatst gewijzigd door het decreet van 12 juli 2013 tot wijziging van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen en tot wijziging van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de Winwinlening. Vanzelfsprekend komen soortgelijke fondsen die worden erkend door de andere gewesten eveneens in aanmerking als project in het kader van de thematische volksleningen.

Het koninklijk besluit maakte het voorwerp uit van voorafgaand overleg met de gemeenschappen en de gewesten. Het ontwerp van koninklijk besluit werd voorgelegd op het Overlegcomité van 6 november 2013 en het Overlegcomité van 17 december 2013. In de lijst met de projecten werd geprobeerd om zoveel aanknoping te vinden met het beleid van de gedefedereerde entiteiten. Om deze reden wordt bij de projecten die vallen onder de gemeenschaps- of gewestmaterie bepaald dat deze projecten een erkenning moeten genieten door de betrokken gedefedereerde entiteit.

Dit is, Sire, de draagwijdte van het besluit dat U wordt voorgelegd.

De Minister van Financiën, K. GEENS De Minister van Economie, J. VANDE LANOTTE

RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving Advies 55.089/2 van 17 februari 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende uitvoering van artikel 9, tweede lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de procedure voor de voorafgaande adviesaanvraag' Op 20 januari 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende uitvoering van artikel 9, tweede lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de procedure voor de voorafgaande adviesaanvraag'.

Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 17 februari 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre VANDERNOOT, staatsraad, voorzitter, Martine BAGUET en Luc DETROUX, staatsraden, Yves DE CORDT en Marianne DONY, assessoren, en Anne-Catherine VAN GEERSDAELE, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc PAQUET, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 17 februari 2014.

Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, ( 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

ALGEMENE OPMERKINGEN Het ontwerp steunt op artikel 9, tweede lid, van de wet van 26 december 2013 `houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen', dat luidt als volgt : "Op vraag van de bestemmeling van de financiering verstrekt de minister van Financiën voorafgaand advies over de conformiteit van een project met de lijst bepaald in het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid. De Koning, op de voordracht van de minister van Financiën, regelt de procedure voor de adviesaanvraag".

Aangezien het ontwerp aldus alleen kan strekken tot regeling van "de procedure voor de adviesaanvraag", moet artikel 4 ervan vervallen. Dat artikel bepaalt immers het beginsel dat "[h]et voorafgaand advies de Federale Overheidsdienst Financiën voor de toekomst [bindt]" alsook de uitzonderingen op dit beginsel, wat verder gaat dan het regelen van de procedure voor de adviesaanvraag en dus verder dan de machtiging die de grondslag van het ontworpen besluit is.

De bepalingen van dat artikel 4 zijn overigens ontleend aan de bepalingen van artikel 23, tweede en derde lid, van de wet van 24 december 2002 `tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken', die luiden als volgt : "De voorafgaande beslissing bindt de Federale Overheidsdienst Financiën voor de toekomst, behalve : 1° indien de voorwaarden waaraan de voorafgaande beslissing is onderworpen, niet vervuld zijn;2° indien blijkt dat de situatie of de verrichtingen door de aanvrager onvolledig of onjuist omschreven zijn, of indien essentiële elementen van de verrichtingen niet werden verwezenlijkt op de door de aanvrager omschreven wijze;3° in geval van wijziging van de bepalingen van de verdragen, van het gemeenschapsrecht of van het interne recht die van toepassing zijn op de door de voorafgaande beslissing beoogde situatie of verrichting;4° indien blijkt dat de voorafgaande beslissing niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verdragen, van het gemeenschapsrecht of van het interne recht". Anders dan die wetsbepalingen, bepaalt de voornoemde wet van 26 december 2013 niet het beginsel dat "[h]et voorafgaand advies de Federale Overheidsdienst Financiën voor de toekomst [bindt]" en bijgevolg ook niet de uitzonderingen op dit beginsel. Bij ontstentenis van dergelijke wetsbepalingen moet ervan uitgegaan worden dat het de bedoeling van de wetgever was dat de voorafgaande adviezen die ter uitvoering van artikel 9, tweede lid, van de voormelde wet van 26 december 2013 worden gegeven, de Federale Overheidsdienst Financiën niet binden. Artikel 4 van het ontwerp hoort dan ook niet in een uitvoeringsbesluit, aangezien die regels in de wet zouden moeten staan.

BIJZONDERE OPMERKINGEN DISPOSITIEF Artikel 2 Het eerste lid stelt de mededeling via eenvoudige "email", die, op zich, geen enkele bevestiging van de datum van verzending mogelijk maakt, en de mededeling per "aangetekende brief", die deze bevestiging wel mogelijk maakt, op één lijn.

Aangezien die mededeling bepaalt wanneer de termijnen ingaan, is het aan de steller van het ontwerp om na te gaan of beide mededelingswijzen niet onderling in overeenstemming moeten worden gebracht.

Artikel 3 1. Aan het slot van de eerste zin van het eerste lid, laat het zich aanzien dat het woord "leden" moet worden vervangen door het woord "artikelen".2. In het tweede lid wordt gewerkt met het begrip "werkdagen", dat geen algemeen aanvaarde juridische betekenis heeft.Het verdient dan ook aanbeveling om een definitie ervan op te nemen of alle termijnen in "dagen" en niet in "werkdagen" uit te drukken en nader te bepalen dat, als de termijn op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag verstrijkt, hij wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag (1).

De Griffier, Anne-Catherine VAN GEERSDAELELE De Voorzitter, Pierre VANDERNOOT _______ Nota (1) Onder dit begrip van "werkdag" wordt, in dit verband, aldus een dag verstaan die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.Zie bijvoorbeeld artikel 84, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : "De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een feestdag is. De termijnen gaan in op de eerste werkdag na die van de inschrijving op de rol. De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag geen werkdag, dan verstrijkt de termijn op de eerstvolgende werkdag".

26 FEBRUARI 2014. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 9, tweede lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de procedure voor de voorafgaande adviesaanvraag FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen, inzonderheid artikel 9, tweede lid;

Gelet op het advies nr. 55.089/2 van de Raad van State, gegeven op 17 februari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Op vrijwillige vraag van de bestemmeling van de financiering, verstrekt de Federale Overheidsdienst Financiën voorafgaand advies over de conformiteit van een project met de criteria bepaald in het koninklijk besluit van 28 februari 2014 houdende uitvoering van artikel 9, eerste lid van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de geschikte projecten voor financiering in het kader van een thematische volkslening.

Art. 2.De aanvraag om voorafgaand advies wordt per email met ontvangstbevestiging of aangetekende brief gericht aan de Federale Overheidsdienst Financiën. Zij moet gemotiveerd zijn.

Zij moet bevatten : - de identiteit van de aanvrager en, in voorkomend geval, die van de betrokken partijen en derden; - de beschrijving van de activiteiten van de aanvrager; - de volledige beschrijving van het betrokken project; - de verwijzing naar het project bedoeld in het koninklijk besluit van 27 februari 2014 houdende uitvoering van artikel 9, eerste lid, van de wet van 27 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen tot vaststelling van de geschikte projecten voor financiering in het kader van een thematische volkslening waarop het advies moet slaan.

Zolang er geen advies is gegeven, moet de aanvraag worden aangevuld met elk nieuw element dat betrekking heeft op het voorgenomen project.

Art. 3.Het voorafgaand advies wordt per email met ontvangstbevestiging of aangetekende brief meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van indiening van een overeenkomstig de vorige artikelen opgestelde volledige aanvraag.

De Federale Overheidsdienst Financiën en de aanvrager kunnen in onderlinge overeenstemming deze termijn wijzigen.

Ten laatste binnen vijftien werkdagen vanaf het ogenblik dat de aanvraag volledig is, licht de Federale Overheidsdienst Financiën de aanvrager in over de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde antwoordtermijn.

Voor de toepassing van dit artikel is een werkdag een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, en noch een feestdag is.

Art. 4.De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 26 februari 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, K. GEENS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^