Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 26 maart 2005
gepubliceerd op 22 april 2005

Koninklijk besluit tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen

bron
federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2005000070
pub.
22/04/2005
prom.
26/03/2005
ELI
eli/besluit/2005/03/26/2005000070/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

26 MAART 2005. - Koninklijk besluit tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, inzonderheid op artikel 44/7, tiende lid;

Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid op de artikelen 96, tweede lid, 96bis, 105, vierde lid, 121 en 140bis, gewijzigd door de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 2001 tot instelling bij het departement van Binnenlandse Zaken van een Administratief en Technisch Secretariaat, inzonderheid op artikel 7;

Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid op artikel XI.III.29;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 juni 2002 betreffende het statuut van de leden van het controleorgaan bedoeld in artikel 44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, inzonderheid op artikel 24, eerste lid;

Gelet op het protocol nr. 97 van 21 maart 2003 van het onderhandelingscomité voor de politiediensten;

Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 maart 2003, 9 maart 2004 en 14 mei 2004;

Gelet op het advies van de adviesraad van burgemeesters, gegeven op 5 mei 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 18 november 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 23 september 2004;

Gelet op het advies nr. 37.966/2 van de Raad van State, gegeven op 19 januari 2005;

Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Structurele detacheringen HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de titels II, III en IV, hoofdstuk II, wordt verstaan onder : 1° "de wet" : de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;2° "detachering" : elke structurele detachering in de zin van artikel 96 van de wet, waarbij een personeelslid van de lokale politie tijdelijk wordt tewerkgesteld bij de federale politie in één van de functies bedoeld in de artikelen 2 en 3 ter bevordering van de geïntegreerde werking van de politiediensten;3° "de Minister" : de Minister van Binnenlandse Zaken;4° "de vaste commissie" : de vaste commissie van de lokale politie;5° "de gedetacheerde" : het structureel gedetacheerd personeelslid van de lokale politie;6° "de korpschef" : de korpschef van de lokale politie van waaruit het personeelslid wordt gedetacheerd;7° "de bevoegde directeur-generaal" : de directeur-generaal van de algemene directie van de federale politie waarin de gedetacheerde wordt tewerkgesteld. HOOFDSTUK II. - Functies

Art. 2.De in artikel 96, tweede lid, van de wet bedoelde functies waarin leden van de lokale politie voor leidinggevende functies worden aangewezen, zijn deze bedoeld in de bijlage 1 bij dit besluit.

Art. 3.Onverminderd het tweede lid, bepaalt de Minister, na advies van de commissaris-generaal van de federale politie en van de vaste commissie, welke functies in aanmerking komen voor een detachering bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de wet.

De Minister bepaalt, na advies van de Minister van Justitie en van de vaste commissie, welke functies binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie in aanmerking komen voor een detachering bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de wet. HOOFDSTUK III. - Procedure tot aanwijzing

Art. 4.Voor de detachering komt in aanmerking, het personeelslid van de lokale politie dat : 1° beantwoordt aan het door de commissaris-generaal bepaald profiel;2° geen periodieke evaluatie met eindvermelding "onvoldoende" heeft opgelopen in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de bekendmaking van de vacante betrekking;3° zich bevindt in dienstactiviteit.

Art. 5.De directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie publiceert de oproep tot kandidaatstelling voor de vacante betrekkingen in het personeelsbulletin bedoeld in artikel II.15 UBPol. Zij deelt de oproep eveneens mee aan de vaste commissie.

Art. 6.Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling : 1° hetzij verstuurd zijn per aangetekende brief, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de hiërarchische meerdere, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs rechtstreeks overhandigd worden aan de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie;2° ingediend zijn binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van de vacante betrekking bedoeld in artikel 5. Bij de kandidaatstelling voegt de kandidaat : 1° een curriculum vitae met vermelding van zijn titels en verdiensten;2° een bondige uiteenzetting van de bekwaamheden waarover hij meent te beschikken;3° de motivering van zijn interesse voor de uitoefening van de vacante betrekking;4° een document van de korpschef waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2° en 3° en waaruit blijkt dat hij, in voorkomend geval, beantwoordt aan de objectieve voorwaarden van het profiel bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1°;5° het onvoorwaardelijk akkoord met betrekking tot de kandidaatstelling van, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege. De hiërarchische meerdere bedoeld in het eerste lid, 1°, zendt, in voorkomend geval, de kandidaatstelling onverwijld naar de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie.

Art. 7.De selectiecommissie bedoeld in artikel 8 onderzoekt de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen.

De kandidaten die in aanmerking genomen worden na afloop van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, worden gehoord door de selectiecommissie. Zij toetst hun overeenstemming met het profiel.

De selectiecommissie beslist over de geschiktheid van de kandidaten.

Zij stelt vervolgens twee lijsten op van respectievelijk de geschikt bevonden kandidaten en de ongeschikt bevonden kandidaten. De selectiecommissie rangschikt de door haar geschikt bevonden kandidaten.

De selectiecommissie deelt die rangschikking mee aan de Minister die vervolgens het in artikel 96, derde lid, van de wet, bedoelde advies van de adviesraad van burgemeesters inwint.

Het advies van de adviesraad van burgemeesters wordt verleend overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit van 6 april 2000 betreffende de adviesraad van burgemeesters.

Art. 8.De selectiecommissie is samengesteld als volgt : 1° naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of bevoegde directeur-generaal of zijn afgevaardigde, voorzitter;2° een officier van de betrokken directie of dienst, aangewezen door de voorzitter;3° een afgevaardigde van de vaste commissie, aangewezen door haar voorzitter. Een secretaris, aangewezen door de voorzitter, staat de commissie bij.

Art. 9.De gedetacheerde wordt door de Minister aangewezen voor een éénmaal hernieuwbare periode van : 1° vijf jaar voor de functies bedoeld in artikel 2;2° minimum drie jaar en maximum vijf jaar voor de functies bedoeld in artikel 3. De oproep tot kandidaatstelling bedoeld in artikel 5 vermeldt de duur van de detachering.

Indien de dienstbehoeften zulks vereisen kan de gemeenteraad of de politieraad van de politiezone waartoe de gedetacheerde behoort, beslissen dat de detachering wordt uitgesteld tot op de datum dat in de vervanging van de betrokkene is voorzien, zonder dat deze termijn vier maanden, te rekenen vanaf de initieel bepaalde datum van detachering, mag overschrijden. HOOFDSTUK IV. - Hernieuwing en beëindiging van de detachering Afdeling 1. - Procedure tot hernieuwing van de detachering

Art. 10.De Minister hernieuwt de detachering op voorstel van, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de bevoegde directeur-generaal. Afdeling 2. - Beëindiging van de detachering

Art. 11.De detachering wordt beëindigd : 1° op vraag van de gedetacheerde waarbij een opzegtermijn van twee maanden, die ingaat op de dag van de aanvraag, in acht wordt genomen;2° indien de laatste tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding "onvoldoende" draagt;3° na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 9, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig artikel 10;4° indien in hoofde van de gedetacheerde zwaarwichtige tekortkomingen werden vastgesteld;5° op beslissing van de Minister, na gemotiveerde aanvraag daartoe door de betrokken burgemeester of het politiecollege, wegens zwaarwichtige dienstnoodwendigheden in het korps van de lokale politie. De beëindiging van de detachering bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, geschiedt van rechtswege.

Art. 12.De Minister beslist, na verhoor van de gedetacheerde en advies van de vaste commissie en op voorstel van, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de bevoegde directeur-generaal, over de beëindiging van de detachering bedoeld in artikel 11, eerste lid, 4°. HOOFDSTUK V. - Rechtspositie Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 13.De gemeenteraad of de politieraad van de politiezone waartoe de gedetacheerde behoort, beslist, op advies van de korpschef, of de betrekking waarvan de gedetacheerde titularis is vacant wordt verklaard.

Het personeelslid wiens detachering is beëindigd, herneemt zijn betrekking in het korps van de lokale politie of wordt er, in voorkomend geval, herplaatst in een gelijkaardig ambt. De herplaatsing geschiedt zonodig in overtal.

Art. 14.Behoudens de specifieke afwijkende regelingen vervat in de afdelingen 2 tot 5, blijft de gedetacheerde onderworpen aan zijn rechtspositie.

De korpschef waakt erover dat dit personeelslid op de plaats van detachering of op zijn woonplaats tijdig, eventueel bij uittreksel, alle dienstige documentatie ontvangt. Afdeling 2. - Arbeidstijdorganisatie

Art. 15.Voor de berekening van de arbeidsduur wordt de plaats van detachering beschouwd als de gewone plaats van het werk van de gedetacheerde. Afdeling 3. - Evaluatie

Art. 16.Deel VII, Titel I, RPPol, is van overeenkomstige toepassing op de gedetacheerden.

In dat raam wordt de gedetacheerde beschouwd als een personeelslid van de betrokken directie of dienst van de federale politie. Afdeling 4. - Verloven

Art. 17.Voor de toepassing van Deel VIII RPPol wordt onder "bevoegde overheid" verstaan, de commissaris-generaal of de overheid die hij aanwijst.

Een verlof kan evenwel maximaal worden toegestaan voor de resterende duur van de detachering.

De in artikel 2 bedoelde gedetacheerden zijn uitgesloten van de verloven bedoeld in de artikelen VIII.XIII.1, VIII.XIV.1, VIII.XV.1, VIII.XV.2, VIII.XVI.1 en VIII.XVIII.1 RPPol. Afdeling 5. - Geldelijk statuut

Art. 18.§ 1. De gedetacheerde ontvangt de volgende toelagen en vergoedingen : 1° de toelage "Brussels Hoofdstedelijk Gewest" bedoeld in artikel XI.III.28bis, RPPol voor zover hij beantwoordt aan de toekenningsvoorwaarden vastgesteld in datzelfde artikel en in de artikelen XI.III.29 en XI.III.30 RPPol. Het jaarlijkse bedrag van deze toelage wordt evenwel vastgesteld, volgens de aanwezigheidsperiode, in de tabel 2 van bijlage 7, RPPol.

Onverminderd het derde lid vangen de aanwezigheidsjaren bedoeld in artikel XI.III.28, tweede en derde lid, RPPol, aan op de datum waarop de detachering daadwerkelijk van start gaat.

Indien de detachering aansluit op een periode waarin hij de toelage "Brussels Hoofdstedelijk Gewest" genoot, wordt de vroegere aanwezigheidstermijn in aanmerking genomen voor de berekening van het toe te kennen bedrag evenals van de verjaardatum bedoeld in artikel XI.III.28 RPPol. De duur van de detachering wordt bovendien in aanmerking genomen wanneer de gedetacheerde overeenkomstig artikel 13, tweede lid, zijn betrekking herneemt of wordt herplaatst en aldaar eveneens aanspraak kan maken op de toelage « Brussels Hoofdstedelijk Gewest »; 2° de tweetaligheidstoelagen bedoeld in de artikelen XI.III.31, XI.III.32 of XI.III.4, 5°, RPPol, indien hij beantwoordt aan de toekenningsvoorwaarden met betrekking tot de taalkennis en indien hij gedetacheerd is in een directie of een dienst waar het gebruik van een andere taal vereist, gewenst of nuttig is; 3° de maaltijdvergoedingen bedoeld in bijlage 9, tweede tabel, RPPol, per dienstprestatie die één van de maaltijdperiodes bedoeld in artikel XI.IV.22 RPPol omvat; 4° indien hij verklaart zijn privé-voertuig dagelijks werkelijk te gebruiken om zich naar de plaats van detachering of het gebruikte tussenstation te begeven, een maandelijkse forfaitaire vergoeding gelijk aan het bedrag van een maandelijks treinabonnement tweede klasse tussen de woonplaats en de plaats van detachering, in plaats van de tegemoetkoming bedoeld in artikel XI.V.1 RPPol.

Indien hij gebruik maakt van een of meerdere middelen van openbaar vervoer zonder dat hij over een kaart vrij vervoer beschikt en, na toepassing van de tegemoetkoming bedoeld in artikel XI.V.1 RPPol of enige andere tenlasteneming, heeft hij, op voorlegging van zijn vervoersbewijzen, recht op de terugbetaling van de reisonkosten, beperkt tot de tweede klasse tussen de woonplaats of het gebruikte tussenstation en de plaats van detachering en omgekeerd.

Indien een privé-voertuig wordt gebruikt tijdens een maand van deeltijdse detachering wordt de vergoeding bedoeld in het eerste lid, 4°, verminderd met een twintigste per werkdag van de bedoelde maand waarop betrokkene niet gedetacheerd was. § 2. Onverminderd de vergoedingen en toelagen bedoeld in § 1, geniet de gedetacheerde, in de mate dat hij in de directie of de dienst waarnaar hij is gedetacheerd, beantwoordt aan de geldende toekenningsvoorwaarden, andere weddebijslagen, toelagen, vergoedingen, bezoldigingen of tegemoetkomingen bedoeld in het RPPol. Voor de eventuele toekenning van de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, afdeling 1 tot 5, RPPol, wordt de plaats van detachering beschouwd als de gewone plaats van het werk van de gedetacheerde.

De toekenning van de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, afdeling 1 tot 5, RPPol, kan echter niet worden gecumuleerd met de vergoedingen die reeds krachtens § 1 zijn toegekend. In geval van een mogelijke cumul wat de maaltijdkosten betreft, bepalen de uitvoeringsomstandigheden van de dienstverplaatsing welk bedrag van de vergoeding aan betrokkene moet toegekend worden. In geval van een mogelijke cumul wat de trajectkosten betreft, geschiedt de vergoeding op voorlegging van de vervoersbewijzen of, indien een privé-voertuig wordt gebruikt om de dienstverplaatsing uit te voeren, wordt de vergoeding beperkt tot de kilometers die die dag het traject woonplaats - plaats van de detachering overschrijden.

De bijkomende kilometers bedoeld in het tweede lid worden vergoed op basis van de kilometervergoeding bedoeld in artikel XI.IV.106 RPPol.

Art. 19.Indien het personeelslid op één of meerdere van de toelagen of vergoedingen bedoeld in de artikelen XI.III.12, XI.III.17, XI.III.31, XI.III.32, XI.IV.3 en XI.IV.7, RPPol, aanspraak kon maken in zijn zone, vervalt het recht op die toelagen en vergoedingen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de aanvang van de detachering. Indien die datum samenvalt met de eerste van de maand, vervalt het recht onmiddellijk. HOOFDSTUK VI. - Financiering

Art. 20.De wedde en alle eventuele weddebijslagen, toelagen, vergoedingen of tegemoetkomingen met inbegrip van de patronale bijdragen vallen als volgt ten laste van de federale politie : 1° de wedde en de weddebijslagen, toelagen, vergoedingen en andere tegemoetkomingen, die samen met de wedde uitbetaald worden, vallen ten haren laste vanaf de eerste dag van de maand waarin de detachering aanvangt.Die tenlasteneming eindigt op de eerste dag van de maand waarin de detachering eindigt; 2° de toelagen, vergoedingen en andere tegemoetkomingen die afzonderlijk uitbetaald of toegekend worden, vallen ten haren laste vanaf de dag waarop de detachering aanvangt, voorzover die betrekking hebben op prestaties geleverd tijdens de detacheringsperiode;3° het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vallen ten haren laste voor het deel van de referentieperiodes bedoeld in de desbetreffende reglementeringen, tijdens hetwelk de gedetacheerde daadwerkelijk was gedetacheerd bij de federale politie. Voor de toepassing van het eerste lid en voor de gehele periode van detachering, betaalt de zone waartoe de gedetacheerde behoort, als werkgever, eerst de verschuldigde bedragen, en vraagt nadien, trimestrieel, de terugbetaling aan de federale politie.

TITEL II. - Soortgelijke toestanden

Art. 21.§ 1. De artikelen 13 tot 19 en 23 tot 28 zijn, in voorkomend geval, van overeenkomstige toepassing op : 1° de personeelsleden van de lokale politie die gedetacheerd zijn naar het secretariaat van de vaste commissie van de lokale politie;2° de personeelsleden van de federale politie of van de lokale politie die gedetacheerd zijn als verbindingsambtenaren van de politiediensten bij de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad;3° de personeelsleden van de federale politie of van de lokale politie die gedetacheerd zijn als verbindingsambtenaren van de politiediensten bij de provinciegouverneurs;4° de personeelsleden van de federale politie of van de lokale politie die structureel gedetacheerd zijn naar een erkende of ingerichte politieschool zoals bedoeld in deel IV, hoofdstuk III, afdeling 1 tot 3 RPPol, op grond van onder andere het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de terbeschikkingstelling van opleiders van de federale politie in de erkende politiescholen en betreffende de nadere regels voor de toekenning van een financiële tussenkomst voor de organisatie van selectieproeven en van beroepsopleidingen door de erkende politiescholen;5° de personeelsleden van de lokale politie die gedetacheerd zijn naar de arrondissementele informatiekruispunten;6° de personeelsleden van de lokale politie die gedetacheerd zijn naar de communicatie- en informatiecentra;7° de personeelsleden van de federale politie of van de lokale politie die gedetacheerd zijn naar de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. § 2. Voor de toepassing van artikel 18, § 1, 1°, komen enkel de diensten bedoeld in § 1, die zich bevinden op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in aanmerking voor die toelage. § 3. Voor de toepassing van artikel 18, § 1, 2°, worden de diensten bedoeld in § 1 beschouwd als diensten waar een andere dan de eigen landstaal vereist, gewenst of nuttig is en dit overeenkomstig de tabel zoals gevoegd als bijlage 2 bij dit besluit. § 4. De federale politie of de zone waartoe de gedetacheerde behoort, betaalt eerst, als werkgever, de wedde en alle eventuele weddebijslagen, toelagen, vergoedingen of tegemoetkomingen met inbegrip van de patronale bijdragen.

De terugbetaling wordt nadien gevraagd : 1° voor de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 2° en 7°, aan de Minister van Binnenlandse Zaken;2° voor de gevallen bedoeld in § 1, 3°, aan het provinciebestuur. De bezoldigingselementen bedoeld in het eerste lid vallen ten laste van de overheden bedoeld in het tweede lid volgens dezelfde nadere regels als deze bepaald in artikel 20, eerste lid.

De financiering van de detacheringen bedoeld in § 1, 4°, geschiedt, in voorkomend geval, overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die daarop betrekking hebben. Bij gebrek hiervan maakt de financiering, in voorkomend geval, het voorwerp uit van overeenkomsten tussen de bij de detachering betrokken diensten. § 5. In afwijking van § 1, worden de verloven van de personeelsleden bedoeld in § 1, 1° tot 4° en 7°, toegekend door het hoofd van de dienst waarbij zij zijn gedetacheerd.

In afwijking van § 1 zijn, voor de toepassing van de evaluatieregeling van de personeelsleden bedoeld in § 1, 1° tot 4° en 7°, de evaluator alsmede de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, diegene van hun korps van oorsprong, op advies van het hoofd van de dienst waarbij zij zijn gedetacheerd.

Voor de toepassing van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, wordt, indien het personeelslid gedetacheerd is naar een dienst waar geen tuchtoverheid voorzien is, deze rol vervuld door de tuchtoverheid van het korps of de dienst van oorsprong, in voorkomend geval gevat door de functionele meerdere van het gedetacheerde personeelslid of het hoofd van de dienst waarbij het is gedetacheerd. § 6. Voor de personeelsleden die deeltijds zijn gedetacheerd, worden, voor de toepassing van artikel 15, zowel de plaats van detachering als het korps van oorsprong beschouwd als de gewone plaats van het werk.

De verplaatsingen tussen die verschillende gewone plaatsen van het werk zijn dienstverplaatsingen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de arbeidsduur.

Voor de in het eerste lid bedoelde personeelsleden is, in afwijking van § 1, inzake het evaluatie-, verlof- en tuchtstatuut, de ter zake bevoegde overheid van het korps van oorsprong bevoegd doch rekening houdend met, naar gelang van het geval, de adviezen, behoeften en voorstellen van de terzake bevoegde overheid van de plaats van detachering.

Voor de in het eerste lid bedoelde personeelsleden worden, in afwijking van § 1, de in artikel 19 bedoelde toelagen en vergoedingen proportioneel verminderd in functie van de verhouding tussen de te presteren arbeidsduur in het korps van oorsprong en in de plaats van detachering. § 7. Tenzij de bijzondere bepalingen die op hen van toepassing zijn anders bepalen, is de overheid bevoegd om te beslissen over de in dit artikel bepaalde detacheringen : 1° de Minister van Binnenlandse zaken of de door hem aangewezen overheid, wat de detachering van een personeelslid van de federale politie betreft;2° de burgemeester of het politiecollege, op advies van de korpschef, wat de detachering van een personeelslid van een korps van de lokale politie betreft. TITEL III. - Bepalingen betreffende de personeelsleden bedoeld in artikel 105 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus

Art. 22.Voor de uitvoering van artikel 105, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst voor de duur van de aanwijzing van de verbindingsambtenaar, zijn gewone plaats van het werk, zoals bedoeld in artikel XI.IV.13, 12°, RPPol.

Hij wijst daartoe de plaats aan waar de betrokken verbindingsambtenaar het grootste deel van zijn werktijd doorbrengt.

De vergoeding van de dienstverplaatsingen, zoals bedoeld in artikel XI.IV.13, 4°, RPPol, evenals de tegemoetkoming in de vervoerskosten, zoals bedoeld in artikel XI.V.1 RPPol, worden bepaald rekening houdend met de vastgestelde gewone plaats van het werk. Voor het overige blijft het betrokken personeelslid lid van de oorspronkelijke gerechtelijke dienst.

TITEL IV. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Overgangsbepalingen die van toepassing zijn op alle

gedetacheerden bedoeld in de titels I en II

Art. 23.§ 1. In afwijking van artikel XII.XI.79 RPPol, heeft de gedetacheerde die geopteerd heeft voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, zoals bedoeld in artikel XII.I.1, 3°, RPPol, recht op de toelagen bedoeld in artikel 18, § 1, onder de voorwaarden vastgesteld in die bepalingen. Artikel 18, § 2, is daarentegen op hem slechts van toepassing in de mate dat de bepalingen van het RPPol die betrekking hebben op deze weddebijslagen, toelagen, vergoedingen, bezoldigingen of tegemoetkomingen, van toepassing zijn op het personeelslid dat voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling heeft geopteerd. § 2. Het toekennen van de tweetaligheidstoelagen bedoeld in de artikelen XI.III.31 en XI.III.32 RPPol kan geenszins worden gecumuleerd met de tweetaligheidstoelage of de loontoeslag voor de kennis en het gebruik van twee landstalen toegekend bij toepassing van de oorspronkelijke rechtspositieregeling, indien het personeelslid, ondanks zijn detachering, één van die twee elementen blijft genieten.

De betrokkene behoudt de toelage of de loontoeslag bedoeld in het eerste lid, indien hij van oordeel is dat die voordeliger is. Hij beslist daartoe binnen de dertig dagen na de datum waarop zijn detachering daadwerkelijk aanvangt. Die keuze is, eenmaal gemaakt, onherroepelijk. Indien binnen die termijn geen keuze wordt gemaakt, is artikel XI.III.31 of XI.III.32 RPPol van rechtswege op hem van toepassing.

Art. 24.Onverminderd artikel 23, § 2, vervalt, indien het personeelslid voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling heeft geopteerd, het recht op al de toelagen en vergoedingen van functionele aard waarop het tijdens en wegens zijn detachering bij toepassing van deze oorspronkelijke rechtspositieregeling geen aanspraak meer kan maken.

Het recht op die toelagen en vergoedingen vervalt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de detachering aanvangt.

Indien die datum samenvalt met de eerste van de maand, vervalt het recht onmiddellijk.

Art. 25.Indien het personeelslid voor het behoud van het recht op maaltijdcheques heeft geopteerd, blijft het die genieten. In dat geval kan het evenwel geen aanspraak maken op de vergoeding bedoeld in artikel 18, § 1, 3°, noch op andere vergoedingen voor maaltijdkosten.

Art. 26.§ 1. De eventuele rechten op de bijkomende toelage bedoeld in artikel XII.XI.21 RPPol en op de compenserende toelage bedoeld in artikel XII.XI.23 RPPol en toegekend bij toepassing van artikel XII.XI.24 RPPol, worden, gedurende de periode tijdens dewelke het personeelslid wordt gedetacheerd, geschorst, behalve indien het wordt gedetacheerd naar een dienst die deel uitmaakt van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.

De rechten worden heropend bij de herneming van zijn betrekking zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, of bij de herplaatsing, indien die geschieden in een betrekking die recht geeft op deze toelagen of op één ervan. § 2. In afwijking van § 1, blijft het personeelslid bedoeld in artikel XII.XI.24, 2°, RPPol de compenserende toelage bedoeld in artikel XII.XI.23 RPPol genieten volgens de voorwaarden bepaald in artikel XII.XI.24, 2°, RPPol.

Art. 27.Voor de toepassing van artikel XII.XI.57 RPPol, worden de gedetacheerden, gedurende de duur van de detachering, beschouwd te beantwoorden aan de voorwaarden bepaald door het tweede en het derde lid van dat artikel. Afdeling 2. - Overgangsbepalingen die van toepassing zijn op de

personeelsleden bedoeld in titel I of II, die reeds gedetacheerd waren op de datum van de bekendmaking van dit besluit

Art. 28.Voor de toepassing van artikel XII.XI.21, eerste lid, RPPol, op de gedetacheerde moeten de begrippen "gedetacheerd naar of ter beschikking is gesteld van een dienst die behoort tot de algemene directie gerechtelijke politie", in voorkomend geval, in die zin worden begrepen dat zij eveneens de toestand van een in uitvoering van artikel 96 van de wet gedetacheerde betreffen, wanneer deze reeds op 1 april 2001 naar de algemene directie gerechtelijke politie gedetacheerd was.

Art. 29.De detacheringen van de leden van de lokale of gemeentepolitie die in uitvoering van artikel 96 van de wet of de in titel II bedoelde soortgelijke gevallen reeds plaatsvonden vóór de datum van de bekendmaking van dit besluit, worden geacht te beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in titel I, hoofdstukken I tot III. Indien de termijn van de in artikel 96 van de wet bedoelde detachering niet uitdrukkelijk is bepaald, kan die na gezamenlijk akkoord tussen de partijen worden vastgesteld, zonder evenwel 31 december 2006 te kunnen overschrijden. In voorkomend geval kan hij éénmaal verlengd worden voor een maximumtermijn van, naar gelang van het geval, drie, vier of vijf jaar. HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de actuele personeelsleden van het operationeel kader die gedetacheerd waren naar het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten of naar de algemene politiesteundienst

Art. 30.Met uitzondering van de actuele personeelsleden aangewezen voor de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, worden de in de artikelen XII.XI.6 en XII.XI.7, eerste lid, RPPol, bedoelde actuele personeelsleden van het operationeel kader van de vroegere gerechtelijke politie bij de parketten aangewezen voor de in die artikelen bedoelde diensten, waar sedert 1 januari 2001 hun ambt wordt uitgeoefend.

Tot 31 december 2008 hebben de in het eerste lid bedoelde personeelsleden het recht om herplaatst te worden in hun oorspronkelijke administratieve standplaats zoals vastgesteld op uiterlijk 31 maart 2001. Die herplaatsing geschiedt, in voorkomend geval, in overtal.

De artikelen VI.II.10, tweede lid, 3°, XI.IV.35, XI.IV.101 en deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, afdeling 6, RPPol zijn niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde ambtshalve aangewezen of herplaatste personeelsleden.

TITEL V. - Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I. - Bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 januari 2001 tot instelling bij het departement van binnenlandse zaken van een administratief en technisch secretariaat

Art. 31.Artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 2001 tot instelling bij het departement van Binnenlandse Zaken van een Administratief en Technisch Secretariaat, waarvan de huidige tekst de § 1 zal vormen, wordt aangevuld als volgt : "§ 2. Indien zij beantwoorden aan de toekenningsvoorwaarden gekoppeld aan de kennis van een andere taal, kunnen de leden van het Secretariaat eveneens aanspraak maken op de tweetaligheidstoelage bedoeld in artikel XI.III.31 of XI.III.4, 5°, RPPol, voor de kennis van een andere landstaal dan de hunne en, indien zij gedetacheerd werden vanuit de lokale politie, op de maaltijdvergoeding en de vergoeding voor trajectkosten waarop de leden van de lokale politie, gedetacheerd in uitvoering van artikel 96 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aanspraak kunnen maken. ».

Art. 32.In hetzelfde besluit wordt een artikel 7ter ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 7ter.De wedde en de eventuele weddebijslagen, toelagen, vergoedingen en tegemoetkomingen, met inbegrip van de werkgeversbijdrage, van de gedetacheerden uit de lokale politie zijn ten laste van de Minister van Binnenlandse Zaken.

De nadere regels van deze tenlasteneming zijn dezelfde als deze die van toepassing zijn op de leden van de lokale politie die gedetacheerd zijn in uitvoering van artikel 96 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus." HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten

Art. 33.Artikel XI.III.29 wordt aangevuld als volgt : "§ 5. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen zijn verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd in het raam van het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek bedoeld in artikel VIII.XVI.1, van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in artikel VIII.XVIII.1 of van de deeltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in artikel VIII.XV.1 of artikel VIII.XV.2.

Onverminderd het eerste lid worden ze, wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde." HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juni 2002 betreffende het statuut van de leden van het controleorgaan bedoeld in artikel 44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt

Art. 34.In artikel 24, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 juni 2002 betreffende het statuut van de leden van het controleorgaan bedoeld in artikel 44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, worden de woorden "en 33bis " ingevoegd tussen de woorden "t.e.m.28" en "behouden".

Art. 35.In hetzelfde besluit wordt een artikel 33bis ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 33bis.De elementen van het statuut van het lid dat politieambtenaar is, die niet zijn geregeld bij onderhavig besluit, worden geregeld overeenkomstig artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen.

De financiering voor het personeelslid van de lokale politie wordt geregeld overeenkomstig artikel 20 van hetzelfde koninklijk besluit." TITEL VI. - Bepalingen tot uitvoering van artikel 96 bis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus

Art. 36.De wedde en alle eventuele weddebijslagen, toelagen, vergoedingen of tegemoetkomingen met inbegrip van de patronale bijdragen van de naar de communicatie- en informatiecentra gedetacheerde personeelsleden van de lokale politie, vallen als volgt ten laste van de federale politie : 1° de wedde en de weddebijslagen, toelagen, vergoedingen en andere tegemoetkomingen, die samen met de wedde uitbetaald worden, vallen ten haren laste vanaf de eerste dag van de maand waarin de detachering aanvangt.Die tenlasteneming eindigt op de eerste dag van de maand waarin de detachering eindigt; 2° de toelagen, vergoedingen en andere tegemoetkomingen die afzonderlijk uitbetaald of toegekend worden, vallen ten haren laste vanaf de dag waarop de detachering aanvangt, voorzover die betrekking hebben op prestaties geleverd tijdens de detacheringsperiode;3° het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vallen ten haren laste voor het deel van de referentieperiodes bedoeld in de desbetreffende reglementeringen, tijdens hetwelk het personeelslid daadwerkelijk was gedetacheerd bij het communicatie- en informatiecentrum. Voor de toepassing van het eerste lid en voor de gehele periode van detachering, betaalt de zone waartoe de gedetacheerde behoort, als werkgever, eerst de verschuldigde bedragen, en vraagt nadien, trimestrieel, de terugbetaling aan de federale politie.

TITEL VII. - Slotbepalingen

Art. 37.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van : 1° de artikelen 30 en 32 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001;2° artikel 28 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2001;3° artikel 33 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2003;4° artikel 36 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2004.

Art. 38.Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Nice, 26 maart 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL

Annexe 2 à l'arrêté royal du 26 mars 2005 Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 26 maart 2005 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) en Duits in de provincie Luik Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL

^