Koninklijk Besluit van 27 april 2007
gepubliceerd op 31 mei 2007
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot omzetting van de Europese richtlijn betreffende de markten voor financiële instrumenten

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2007003240
pub.
31/05/2007
prom.
27/04/2007
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

27 APRIL 2007. - Koninklijk besluit tot omzetting van de Europese richtlijn betreffende de markten voor financiële instrumenten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (hierna MiFID-Richtlijn of de Richtlijn 2004/39) dient in het Belgisch recht omgezet te worden. Hetzelfde geldt voor de Richtlijn van de Commissie 2006/73/EG van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn (hierna : de uitvoeringsrichtlijn).

Tevens dienen de nodige aanpassingsmaatregelen te worden getroffen ingevolge de verordening 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn betreft (hierna de verordening).

Deze Europese teksten beogen een verdere integratie van de Europese markt voor financiële diensten alsook een betere bescherming van de belegger. Ze maken een fundament uit van het Financial Services Action Plan van de Commissie en kaderen in de zg. Lissabon Strategie. Tal van economische studies hebben aangetoond dat de verdere integratie van de Europese kapitaalmarkten een positieve bijdrage levert voor de economische groei in de Europese Unie. De MiFID-regels vormen hiervan een integraal deel.

De MiFID-Richtlijn volgt het schema van de andere Richtlijnen in de financiële sector die zijn aangenomen volgens de aanbevelingen van het Lamfalussy verslag (zie hierover : Kamer, Parl. St. 2001-2002, 1842/001, p. 10-11). Dit houdt in dat de MiFID-Richtlijn een kader richtlijn is waarvan de detailregels worden bepaald door de Commissie via de comitologieprocedure. Dit laat toe op efficiënte wijze te reageren op nieuwe evoluties in de financiële markten.

Aan de totstandkoming van de Europese teksten zijn uitgebreide publieke consultaties van de marktdeelnemers en adviezen van CESR (Committee of European Securities Regulators), het Europees netwerk van de effectentoezichthouders (waaronder de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen), voorafgegaan. Voornoemde adviezen (en bijhorende documenten zoals « feedback statements ») zijn beschikbaar op de website van CESR en kunnen vaak nuttige achtergrond bieden voor een beter begrip van de nieuwe regelgeving.

De in de MiFID opgenomen regels betreffen in het bijzonder de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden waaronder de gedragsregels voor financiële tussenpersonen die diensten in verband met financiële instrumenten aanbieden, de organisatie van de financiële markten en de taken van de terzake bevoegde marktautoriteiten.

De Richtlijn komt in de plaats van de beleggingsdienstenrichtlijn 93/22/EEG, die door de wet van 6 april 1995 (en diens uitvoeringsbesluiten) in Belgisch recht was omgezet. De inwerkingtreding is voorzien op 1 november 2007.

Wellicht zit de belangrijkste vernieuwing van de MiFID-Richtlijn, althans op het vlak van de effectenbemiddeling, in de bepalingen ter bescherming van de belegger, de zogenaamde gedragsregels.

Deze regels beslaan een ruim gamma en kunnen als volgt worden gegroepeerd : (a) informatieverstrekking aan (potentiële) cliënten;(b) cliëntenovereenkomsten en -rapportage;(c) zorgplicht (ken-uw-cliënt), met onderscheid naargelang de verrichte diensten bijvoorbeeld vermogensbeheer en beleggingsadvies betreffen, dan wel enkel uitvoering/doorgeven van orders (execution-only);(d) organisatorische regels voor de orderbehandeling en de uitvoering tegen de voordeligste voorwaarden (best execution);(e) behandeling van belangenconflicten. De beleggers worden ook geacht voordeel te halen uit de door MiFID voorziene grotere transparantie en concurrentie, die kunnen leiden tot betere en goedkopere dienstverlening.

Op het gebied van de marktregulering beoogt de Richtlijn een allesomvattende regelgeving voor de uitvoering van transacties in financiële instrumenten vast te stellen, ongeacht de voor de uitvoering van deze transacties gebruikte handelsmethoden, om te waarborgen dat de uitvoering van transacties van beleggers aan de hoogste normen beantwoordt en dat de integriteit en algemene efficiëntie van het financieel stelsel gehandhaafd blijven.

Het u ter ondertekening voorgelegd besluit strekt ertoe de noodzakelijke aanpassingen en wijzigingen op wetgevend vlak door te voeren.

De rechtsbasis voor dit besluit ligt in verschillende delegatiebepalingen aan de Koning om Europeesrechtelijke normen om te zetten en in dat kader de geldende wettelijke bepalingen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen, op te heffen of te coördineren, alsmede de toepasselijke maatregelen, administratieve sancties en straffen bij niet-naleving van de regels te bepalen. Verwezen wordt naar : -artikel 51 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen; - artikel 146 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten; - artikel 230, § 2, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

Het verdient te worden beklemtoond dat in het besluit ook gebruik wordt gemaakt van de machtiging aan de Koning de bestaande wettelijke regels te coördineren met de nieuwe bepalingen in uitvoering van de MiFID-Richtlijn (zie Parl. St. 2006-2007, nr. 2834/001, p. 37).

De toegekende delegatie gaat gepaard met belangrijke waarborgen. Zo zal dit besluit ter bekrachting aan het Parlement worden voorgelegd.

Deze waarborgen zijn conform de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State (zie o.m. het advies 33.182/2 over het voorontwerp dat de wet van 2 augustus 2002 is geworden en het advies 37.871/2 over het amendement n° 1 bij het ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002, dat de wet van 14 februari 2005 is geworden).

Dergelijke delegatie wordt, om vergelijkbare redenen, trouwens ook in sommige andere lidstaten zoals Frankrijk, gehanteerd.

Het verdient te worden gepreciseerd dat de Europese teksten zoveel mogelijk uniforme regels vooropstellen om aldus bij te dragen tot een beter werkende geïntegreerde Europese markt, en in het bijzonder tot vlottere grensoverschrijdende financiële dienstverlening. Daarvan getuigt het gebruik van een verordening als rechtsinstrument voor één van de uitvoeringsmaatregelen. Ook de kader richtlijn en de uitvoeringsrichtlijn laten weinig marge. Zo beoogt de uitvoeringsrichtlijn een geharmoniseerd geheel van organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening vast te stellen, zodat de lidstaten en de bevoegde autoriteiten bij de omzetting en toepassing van deze Richtlijn geen aanvullende bindende voorschriften mogen vaststellen, tenzij dit uitdrukkelijk in deze uitvoeringsrichtlijn wordt toegestaan. Alleen in uitzonderingsgevallen mogen de lidstaten naast de uitvoeringsvoorschriften bijkomende eisen aan verstrekkers van beleggingsdiensten opleggen. Bovendien moeten dergelijke maatregelen beperkt blijven tot gevallen waarin concrete risico's voor de bescherming van de belegger of voor de marktintegriteit, met inbegrip van de risico's voor de stabiliteit van het financiële systeem, niet voldoende zijn afgedekt door de Gemeenschapswetgeving, en moeten deze strikt evenredig zijn.

Er dient te worden vastgesteld dat de MiFID uitgaat van een op algemene beginselen gestoelde aanpak (principles based approach »).

Zoals toegelicht door de Europese Commissie in haar « Background note » bij de ontwerpuitvoeringsrichtlijn, houdt dit in dat veeleer algemene beginselen met duidelijke standaarden en doelstellingen voor de beleggingsondernemingen worden bepaald dan gedetailleerde regels.

Beleggingsondernemingen vertonen onderling grote verschillen in omvang, structuur en aard van hun bedrijf. Een regelgevingskader moet zijn afgestemd op deze diversiteit, maar wel bepaalde fundamentele verplichtingen bevatten die voor alle ondernemingen gelden.

Gereglementeerde entiteiten moeten voldoen aan deze fundamentele eisen en moeten maatregelen ontwikkelen en vaststellen die het beste passen bij de aard van hun activiteiten en bij hun situatie (« proportionaliteitsbeginsel »). Er dient te worden aangestipt dat dit beginsel in twee richtingen werkt. De op tal van punten in de MiFID voorziene calibratie van de regels kan voor kleinere ondernemingen inhouden dat minder uitgewerkte systemen en procedures nodig zijn of soms geen verplichting bestaat, maar ook dat de vereisten voor ondernemingen met een ruime waaier aan diensten of met een complex bedrijf op een strengere wijze dienen te worden toegepast bij de beoordeling van hun organisatie.

Een regelgevingskader dat voor beleggingsondernemingen te veel onzekerheid meebrengt, kan de effectiviteit en voorzienbaarheid ervan evenwel aantasten. Van de bevoegde autoriteiten wordt verwacht dat zij richtsnoeren voor de interpretatie van de MiFID-uitvoeringsrichtlijn publiceren waarin met name duidelijkheid wordt geschapen over de praktische toepassing van deze Richtlijn op bepaalde ondernemingen en omstandigheden. Dergelijke niet-bindende richtsnoeren zouden onder meer duidelijk kunnen maken hoe de MiFID in het licht van bepaalde marktontwikkelingen moet worden toegepast.

Ook CESR streeft er naar te komen tot een uniforme toepassing van de regels door de van het netwerk deel uitmakende individuele effectentoezichthouders. In dit kader kan CESR niet-bindende richtsnoeren uitvaardigen om een convergente toepassing van de MiFID door de bevoegde autoriteiten te waarborgen.

Ook de financiële sector zelf kan via gemeenschappelijke codes en interpretaties of initiatieven waarbij gezonde praktijken worden afgesproken bijdragen tot de correcte naleving van de regels door de bemiddelaars.

De voornaamste door dit ontwerp aangepaste wetgevingen zijn : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Door de krachtens dit besluit ingevoerde nieuwe wettelijke bepalingen worden tevens de nodige delegaties aan de Koning voorzien om nadere regels tot omzetting van de Richtlijn te bepalen (zie over deze werkwijze ook : Parl.St. 2006-2007, 2834/001, p. 39). Dergelijk stelsel van bevoegdheidsdelegaties in een dermate complexe en evolutieve materie als het financiële recht zal toelaten om de voornoemde Lamfalussy-aanpak ook in het Belgisch financieel recht om te zetten.

Deze werkwijze laat ook toe om de Europese Richtlijnen zo snel mogelijk om te zetten in domeinen van grote techniciteit waarin de Europese regels weinig handelingsvrijheid laten (zie ook : Kamer, Parl. St. 2001-2002, 1842/001, p. 43). In dit verband kan worden vermeld dat er wordt overwogen om de technische uitvoeringsregels van MiFID zoveel mogelijk te groeperen in één Koninklijk Besluit dat uitvoering geeft aan de diverse wettelijke delegaties aan de Koning, al dan niet op grond van onderhavig besluit ingevoerd of aangepast.

De wijzigingen in de voornoemde wetten worden hierna artikelsgewijze toegelicht.

Gevolggevend aan een suggestie van de Raad van State is een omzettingstabel gevoegd bij dit Verslag aan de Koning met enerzijds de bepalingen van het huidig ontwerp en anderzijds de corresponderende communautaire bepalingen. Het is de bedoeling een tweede tabel die de omzetting van de gehele MiFID in het Belgisch recht weergeeft, te voegen bij het Verslag aan de Koning bij het besluit dat de nadere regels in uitvoering van MiFID bepaalt.

Er werd in zeer ruime mate rekening gehouden met het advies van de Raad van State. Naast de toelichting die in de artikelsgewijze commentaar in dit verband wordt verstrekt, kunnen volgende elementen worden vermeld.

Er werd in de eerste plaats rekening gehouden met de bemerking van de Raad in verband met de uitoefening van door de Europese regels geboden opties. De volgende in het ontwerp opgenomen opties werden weggelaten : - de delegatie aan de Koning waarin de mogelijkheid wordt voorzien om de cliëntenidentiteit op te leggen in de transactiemeldingen aan de CBFA (artikel 13 lid 4 van de verordening); - de delegatie aan de Koning waarin de mogelijkheid wordt voorzien om de opname van telefoongesprekken met cliënten over beursorders op te leggen (artikel 51, lid 4 van de uitvoeringsrichtlijn).

Een aantal andere voorschriften van het aan de Raad voorgelegd voorontwerp werden weggelaten omdat ze verder gingen dan de dwingende Richtlijnbepalingen. Het betreft inzonderheid de bepalingen betreffende de niet-uitvoerende leiders van marktondernemingen en beleggingsondernemingen (ontwerp artikelen 17 en 17bis van de wet van 2 augustus 2002 en ontwerp artikel 60 van de wet van 6 april 1995) en betreffende het toepassingsgebied ratione personae van de gedragsregels en van het beleggerscompensatieregime (ontwerp artikel 26 van de wet van 2 augustus 2002 en ontwerp artikel 65 van de wet van 6 april 1995) HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 Hoofdstuk II van dit besluit strekt er toe de vereiste wijzigingen door te voeren in de wet van 2 augustus 2002 teneinde deze in lijn te brengen met de MiFID-Richtlijn.

In de mate dat deze wet reeds in belangrijke mate had geanticipeerd om de MiFID-Richtlijn (zie hierover : Kamer, Parl. St. 2001-2002, 1842/001, pp. 38, 51, 54 en 63) gaat het vooral om verfijningen en om vervolledigingen, op punten waar de toenmalig beschikbare Europese ontwerpteksten nog ruimte lieten voor calibratie.

Bovendien wordt, waar nodig, rekening gehouden met de pas in 2006 aangenomen uitvoeringsmaatregelen. Het merendeel van de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen wordt echter omgezet via uitvoeringsbesluiten (hetzij koninklijk besluiten in uitvoering van diverse wettelijke bepalingen, hetzij reglementen van de CBFA). Art. 2 tot 4. Deze bepalingen passen de in de wet van 2 augustus 2002 (hierna in de commentaar bij hoofdstuk II van het ontwerp : « de wet ») opgenomen definities aan in het licht van de MiFID-definities.

Van belang is vooral de nieuwe definitie van financiële instrumenten.

De lijst van dergelijke instrumenten omvat voortaan ook afgeleide instrumenten op grondstoffen. Het gaat enkel om die grondstoffenderivaten die dusdanig worden verhandeld dat ze toezichtsvragen doen rijzen die vergelijkbaar zijn met die welke zich voordoen in verband met traditionele financiële instrumenten. De definitie van deze instrumenten wordt nader uitgewerkt in de verordening (zie de artikelen 38 en 39).

Verwacht mag worden dat de in de wet van 6 april 1995 neergelegde vrijstellingen die gelden voor het handelen voor eigen rekening in, dan wel voor het handelen in of het verrichten van andere beleggingsdiensten met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten ertoe zullen leiden dat een groot aantal commerciële producenten en verbruikers van energie en andere grondstoffen, met inbegrip van energieleveranciers, grondstoffenhandelaren en hun dochterondernemingen, van de werkingssfeer van de wet van 6 april 1995 zal worden uitgesloten en dat van deze partijen derhalve niet zal worden verlangd dat zij de in voornoemde verordening vastgelegde criteria toepassen om uit te maken of de contracten die zij verhandelen financiële instrumenten zijn.

De definitie van grondstof in de wet en de verordening laat andere definities van deze term in de nationale en in de overige communautaire wetgeving onverlet. De criteria om na te gaan of een contract moet worden aangemerkt als een contract dat de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten heeft en niet voor commerciële doeleinden is bestemd, zijn alleen bedoeld voor de wet van 2 augustus 2002 of voor wetgeving die hiernaar verwijst zoals de wet van 6 april 1995.

Een derivatencontract moet worden aangemerkt als een contract dat op een grondstof of andere productiefactor betrekking heeft wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen dit contract en de desbetreffende onderliggende grondstof of productiefactor. Een derivatencontract dat op de prijs van een grondstof betrekking heeft, dient derhalve te worden gezien als een derivatencontract dat op de grondstof in kwestie betrekking heeft, terwijl een derivatencontract dat op de vervoerkosten van een grondstof betrekking heeft, niet mag worden gezien als een derivatencontract dat op de grondstof betrekking heeft. Een derivaat dat betrekking heeft op een van grondstoffen afgeleid instrument, zoals een optie op een future voor grondstoffen (een derivaat dat betrekking heeft op een derivaat), is een indirecte belegging in grondstoffen en dient derhalve nog steeds als een van grondstoffen afgeleid instrument in de zin van de wet te worden beschouwd.

Onder het begrip "grondstof" vallen geen diensten of andere zaken die geen goederen zijn, zoals valuta's of rechten op onroerend goed, of die geheel van immateriële aard zijn.

Er wordt aan herinnerd dat in België in 2006 een electriciteitsbeurs is opgestart voor de verhandeling van spot-electriciteitscontracten.

In dit geval wordt elektriciteit louter als commodity verhandeld.

Indien dergelijke beurs haar werkzaamheden zou uitbreiden tot onder deze wet vallende financiële instrumenten, zal zij onder de financieelrechtelijke wetgeving vallen (zie ook het Verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit van 20 oktober 2005 met betrekking tot de oprichting en de organisatie van een Belgische markt voor de uitwisseling van energieblokken).

In de huidige versie van de wet van 2 augustus 2002 is een machtiging aan de Koning opgenomen om de door de wet zelf bepaalde lijst van financiële instrumenten uit te breiden met andere categorieën van waarden (zie artikel 2, 1°, k)) Deze laatste bepaling wordt door het voorliggend besluit niet vervangen en blijft ongewijzigd. De door de Raad van State in dit verband geformuleerde bemerking is dan ook zonder voorwerp geworden. Er kan worden aangestipt dat deze machtiging nuttig kan zjin om voor bepaalde materies (zoals bv. de gedragsregels op de primaire markt) een ruimer toepassingsgebied te bepalen dan de MiFID-financiële instrumenten.

Nieuw is ook de definitie van een « multilaterale handelsfaciliteit » (« multilateral trading facility », hierna : MTF). De MiFID houdt immers rekening met de ontwikkeling, parallel met de gereglementeerde markten, van een nieuwe generatie georganiseerde handelssystemen die moeten worden onderworpen aan verplichtingen waarmee wordt beoogd de goede en ordelijke werking van de financiële markten te waarborgen.

Het exploiteren van een MTF wordt door de MiFID als een beleggingsdienst gedefinieerd, zodat hiervoor het statuut van een beleggingsonderneming of kredietinstelling vereist is. De Richtlijn laat ook toe dat operatoren van een gereglementeerde markt een MTF exploiteren, mits verificatie dat zij aan de Richtlijnvereisten voldoen (zie ook de commentaar bij artikel 34).

De definities van gereglementeerde markt en MTF sluiten nauw bij elkaar aan om duidelijk te maken dat zij dezelfde georganiseerde handelsfuncties bestrijken. Bilaterale systemen waarin een beleggingsonderneming handelstransacties voor eigen rekening uitvoert en niet optreedt als risicoloze bemiddelaar tussen koper en verkoper, zijn niet geviseerd. Zoals toegelicht in considerans 6 van MiFID omvat de term "systeem" alle markten die bestaan uit een geheel van regels en een handelsplatform, alsmede de markten die alleen op basis van een geheel van regels werken. Gereglementeerde markten en MTF's zijn niet verplicht een "technisch" systeem voor het matchen van orders te exploiteren. Een markt die alleen bestaat uit een geheel van regels betreffende aspecten die verband houden met lidmaatschap, toelating van instrumenten tot de handel, handel tussen leden, transactiemelding en - waar van toepassing - transparantieverplichtingen, is een gereglementeerde markt of een MTF in de zin van deze Richtlijn, en volgens deze regels uitgevoerde transacties worden geacht te zijn verricht volgens de systemen van een gereglementeerde markt of een MTF. Deze precisering is van belang voor de Belgische secundaire buitenbeursmarkt in overheidseffecten die momenteel als gereglementeerde markt is erkend.

De term "koop- en verkoopintenties" moet in brede zin worden opgevat en omvat orders, koersen en blijken van belangstelling. Het vereiste dat de intenties in het systeem moeten worden samengebracht volgens niet-discretionaire regels die door de exploitant van het systeem zijn vastgesteld, betekent dat deze intenties volgens de regels, de protocollen of de interne werkingsprocedures (met inbegrip van IT-procedures) van het systeem moeten worden samengebracht. De uitdrukking "niet-discretionaire regels" houdt in dat deze regels de beleggingsonderneming die een MTF exploiteert, geen enkele mogelijkheid mogen laten om de interactie tussen de intenties te beïnvloeden. In de definities is bepaald dat de intenties op zodanige wijze moeten worden samengebracht dat er een overeenkomst uit voortvloeit, hetgeen betekent dat de uitvoering moet plaatsvinden volgens de regels, de protocollen of de interne exploitatieprocedures van het systeem.

Krachtens de MiFID mogen beleggingsondernemingen en kredietinstellingen eveneens cliëntenorders « internaliseren », dat wil zeggen intern uitvoeren buiten een gereglementeerde markt of een MTF. Voor deze bemiddelaars die als tegenpartij cliëntenorders betreffende liquide aandelen internaliseren legt de Richtlijn transparantieverplichtingen op. Vandaar dat het van belang is het begrip « systematische internaliseerder » precies te omschrijven (zie artikel 2,eerste lid, 8°). De criteria om uit te maken of een beleggingsonderneming als een internaliseerder kwalificeert, worden nader gepreciseerd door artikel 21 van de verordening. Een van de in de verordening bepaalde criteria bestaat erin dat de activiteit een wezenlijke commerciële rol voor de beleggingsonderneming moet uitmaken. Een activiteit dient als een activiteit met een wezenlijke zakelijke rol voor een beleggingsonderneming te worden aangemerkt indien de activiteit een significante bron van inkomsten, dan wel een significante bron van kosten is. Bij het beoordelen van wat in dit verband als significant moet worden beschouwd, dient in elk geval rekening te worden gehouden met de mate waarin de activiteit afzonderlijk wordt uitgeoefend of is georganiseerd, de geldelijke waarde van de activiteit en de betekenis ervan in vergelijking met zowel de totale bedrijfsactiviteit van de onderneming als haar totale activiteit op de markt voor het aandeel waarop zij actief is. Een activiteit kan een significante bron van inkomsten van een onderneming vormen in gevallen waarin slechts één of twee van bovengenoemde criteria van toepassing zijn.

Niet alle door leden of deelnemers van de gereglementeerde markt of de MTF uitgevoerde transacties dienen te worden beschouwd als binnen de systemen van de gereglementeerde markt of de MTF uitgevoerde transacties. Door leden of deelnemers op bilaterale basis uitgevoerde transacties die niet voldoen aan de uit hoofde van de Richtlijn aan een gereglementeerde markt of een MTF gestelde eisen, dienen voor de toepassing van de definitie van internaliseerder als buiten een gereglementeerde markt of een MTF uitgevoerde transacties te worden beschouwd. In dat geval zijn de transparantieverplichtingen voor internaliseerders van toepassing.

Een beleggingsonderneming die zich voorneemt om systematisch te internaliseren dient te beschikken over een dubbele vergunning, nl. de uitvoering van orders en het handelen voor eigen rekening.

De Richtlijn voorziet in een verschillende beschermingsniveau naargelang het gaat om professionele cliënten of niet-professionele cliënten. Professionele tegenpartijen (« counterparties ») zullen nog van minder bescherming genieten, gelet op hun kennis en ervaring op beleggingsgebied. De omschrijving van deze categorieën zal bij uitvoeringsbesluit gebeuren. Daarin zal ook de te volgen procedure van classificatie worden uitgewerkt en de aan de beleggers te verstrekken informatie worden gepreciseerd. Vermits in België voorheen geen met de Richtlijn vergelijkbare regelgeving inzake cliëntenclassificatie bestond, kan geen aanspraak worden gemaakt op een overgangsregeling (« grandfathering »). Om die reden zijn de in MiFID opgenomen overgangsbepalingen ( artikel 71, lid 6 en bijlage II, punt II.2, derde lid) niet pertinent in België.

Art. 6 tot 8. De in de wet opgenomen omkadering van de gereglementeerde markten wordt vervolledigd in het licht van de MiFID. De vergunning om een gereglementeerde markt te exploiteren, bestrijkt alle werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de weergave, verwerking, uitvoering, bevestiging en kennisgeving van orders vanaf het tijdstip waarop deze orders door de gereglementeerde markt worden ontvangen tot het tijdstip waarop zij worden doorgegeven voor de afhandeling ervan, alsmede de werkzaamheden die verband houden met de toelating van financiële instrumenten tot de handel. Ook transacties die met tussenkomst van door de gereglementeerde markt aangewezen market makers volgens de systemen van die markt en overeenkomstig de regels van die systemen worden uitgevoerd, vallen hieronder.

Art. 9.Deze bepaling herformuleert de regels in de wet die betrekking hebben op het Rule Book van de gereglementeerde markten.

Paragraaf 3 van het nieuwe artikel 6 van de wet preciseert voortaan de voorwaarden waaraan marktleden moeten voldoen.

Conform de Richtlijn voert § 8 een meldplicht voor de marktonderneming van de gereglementeerde markten aan de CBFA in van door de marktonderneming ontdekte mogelijke praktijken van marktmisbruik. Deze meldplicht situeert zich in het verlengde van de « monitoring » die de gereglementeerde markten op de transacties uitvoeren en doet geen afbreuk aan de wettelijke toezichtsopdrachten van de CBFA.

Art. 10.Een nieuw artikel 6bis van de wet voert de Richtlijnbepalingen uit die betrekking hebben op de voorwaarden waaraan financiële instrumenten moeten voldoen om te worden toegelaten tot een gereglementeerde markt. Er dient bovendien rekening te worden gehouden met de nadere regels die in dit verband zijn bepaald in de artikelen 35 tot 37 van de verordening. In deze laatste bepalingen worden de toelatingsvoorwaarden voor effecten (in het bijzonder warranten), instellingen voor collectieve belegging en afgeleide instrumenten gepreciseerd. Het staat de gereglementeerde markt vrij om strengere dan de bij deze wet opgelegde eisen te stellen aan uitgevende instellingen van effecten of instrumenten welke zij overweegt tot de handel toe te laten.

Voor de toepassing van de bepalingen van de verordening betreffende de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van warranten mag er, in het geval van een effect in de zin van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG, van worden uitgegaan dat er voldoende informatie voor het publiek beschikbaar is die het mogelijk maakt de waarde van het betrokken financiële instrument te bepalen.

De toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in effecten mag het niet mogelijk maken om de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), en met name de artikelen 44 tot en met 48 van deze Richtlijn, te omzeilen.

Krachtens de Belgische regelgeving vormt de opname van een recht van deelneming in een beleggingsinstelling tot de verhandeling op een gereglementeerde markt een openbaar aanbod zodat de desbetreffende regels inzake productregeling van toepassing zijn. Er wordt dus niet voorzien in de uitsluiting van de vergunningsvereisten voor beleggingsinstellingen als voorafgaande voorwaarde voor de toelating tot een gereglementeerde markt, hetgeen als mogelijkheid voor de lidstaten wordt gelaten in artikel 36, lid 2 van de verordening.

De bepalingen van de MiFID-Richtlijn betreffende de toelating van instrumenten tot de handel volgens de door de gereglementeerde markt opgelegde regels laten de toepassing onverlet van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd. De desbetreffende bepalingen blijven gehandhaafd in de wet, en in het bijzonder in artikel 7.

Conform artikel 40 van MiFID, bepaalt paragraaf 3 dat de gereglementeerde markten regelingen treffen om te verifiëren of genoteerde emittenten hun uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen inzake financiële informatie nakomen. Deze bepaling situeert zich binnen de contractuele relatie tussen de markt en de emittent en doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan de opdrachten van de CBFA om toe te zien op de naleving van de regels inzake prospectus of permanente financiële informatieverstrekking.

Art. 11.Deze bepaling vervolledigt artikel 7 van de wet, in het licht van artikel 40 lid 5 en 41 lid 1 van MiFID. Er wordt over gewaakt dat de bepalingen die strekken tot omzetting van de voornoemde Richtlijn 2001/34 in verband met de officiële notering worden behouden.

Art. 12.Deze bepaling vervolledigt de wettelijke basis voor het bij koninklijk besluit bepalen van de regels inzake de aan de CBFA te melden transacties in financiële instrumenten en inzake markttransparantie aan het publiek Beide materies worden bovendien in belangrijke mate geregeld door de verordening. Ze vormen ook de basis voor de omzetting van de bekendmakingsplicht voor limietorders (artikel 22, lid 2, MiFID).

Art. 13.Deze bepaling schrapt de door de wet gelaten mogelijkheid voor de Koning om een verplichting uit te werken voor bemiddelaars om hun transacties in genoteerde financiële instrumenten langs een gereglementeerde markt uit te voeren. Dergelijke centralisatieverplichting is strijdig met de MiFID. Om die reden wordt ook artikel 37 van de wet van 6 april 1995 opgeheven (zie artikel 33 van dit ontwerp).

Art. 15 en 16. Deze wijzigingen zijn nodig als omkadering van de MTFs vanuit het perspectief van de goede marktwerking.

Ze zullen voornamelijk dienstig zijn voor de omzetting van de artikelen 14, 26, 31, 32 en 62, lid 3 van MiFID betreffende de MTFs.

Op grond van de wettelijke machtiging van artikel 51 van de voornoemde wet van 1 april 2007 worden de nieuwe regels door dit besluit gecoördineerd met de bestaande regels (zie ook in die zin in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 april 2007 : Parl. St. 2006-2007, nr. 2834/001, p. 37).

Art. 17 tot 19. Deze bepalingen vervolledigen het statuut van de marktondernemingen om rekening te houden met de MiFID-bepalingen. Er werd rekening gehouden met de in dit verband door de Raad van State geformuleerde bemerkingen.

Art. 20.Deze bepaling voegt een artikel 23bis in de wet in, waarin de bepalingen van de MiFID inzake verrekening en vereffening worden gegroepeerd.

Art. 21.Dit artikel vervangt artikel 26 van de wet. Het preciseert voortaan het toepassingsgebied van de gedragsregels die in uitvoering van de MiFID worden bepaald in de artikelen 27, 28 en 28bis van de wet. Voor Belgische beleggingsondernemingen en kredietinstellingen zijn, conform MiFID, ook hun activiteiten in het kader van de vrije dienstverlening geviseerd. Het land van vestiging van de door deze instellingen in andere lidstaten geopende bijkantoren regelt op dit domein evenwel, conform artikel 32, lid 7, van MiFID, de op diens grondgebied gepresteerde diensten van deze bijkantoren.

Rekening houdend met de bemerking van de Raad van State werd de machtiging aan de Koning om het toepassingsgebied ratione personae te verruimen geschrapt. Anders dan de Raad van State opmerkt is er echter wel een grondslag in artikel 14, lid 3, van de MiFID voor de regeling van ontwerpartikel 26, vierde lid, van de wet van 2 augustus 2002 dat transacties op MTF's tussen leden van MTF's vrijstelt van de toepassing van de gedragsregels.

Art. 22.Deze bepaling zet getrouw de artikelen 19, 20 en 22 van MiFID om. De erin opgenomen gedragsregels zullen, op grond van paragraaf 11, nader kunnen uitgewerkt om aldus de in de uitvoeringsrichtlijn opgenomen meer gedetailleerde voorschriften om te zetten. Deze voorschriften zullen een passend onderscheid maken naargelang de belegger een professionele belegger is of niet.

Deze regels betreffen bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden ter bescherming van de belegger. Ze behandelen volgende aspecten : - publiciteit en informatieverstrekking aan (potentiële) cliënten; - cliëntenovereenkomsten en -rapportage; - orderbehandeling; - zorgplicht (ken-uw-cliënt), met onderscheid naargelang de verrichte diensten bijvoorbeeld vermogensbeheer en beleggingsadvies betreffen, dan wel enkel uitvoering/doorgeven van orders (execution-only). Voor een toelichting bij het begrip beleggingsadvies wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 37.

Paragraaf 7 zet artikel 41 van de uitvoeringsrichtlijn om in verband met de cliëntenovereenkomst. Gelet op de marge die de Richtlijn laat om de inhoud van het contract te regelen (zie considerans 41 bij de uitvoeringsrichtlijn) machtigt deze bepaling de Koning om nadere regels te bepalen in verband met de inhoud van de met de cliënten af te sluiten overeenkomsten. De bedoeling bestaat er in het bijzonder in om voor diensten van vermogensbeheer aan niet-professionele cliënten de contractinhoud te bepalen, in het verlengde van de huidige regels als bepaald in het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies.

De voornoemde regels vallen onder het toezicht van de CBFA. Zij kan daartoe gebruik maken van de toezichtsinstrumenten en sancties bepaald in de wet van 2 augustus 2002, alsmede van de herstelmaatregelen bepaald in de prudentiële regelgeving (zie in dit verband de commentaar bij artikel 71).

Art. 23.Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 21 van MiFID. Deze bepaling preciseert de organisatorische regels voor de uitvoering tegen de voordeligste voorwaarden (best execution).

Er kan worden vermeld dat over de draagwijdte van deze regels werkzaamheden aan de gang zijn op het niveau van CESR (zie het consultatiedocument CESR/07-050b).

Art. 24.Deze bepaling strekt tot omzetting van artikel 25, lid 1, van de MiFID. Voorts herneemt deze bepaling artikel 38, vierde lid, van de wet van 6 april 1995.

Art. 25.Dit betreft een loutere aanpassing van de interne verwijzingen in de wet.

Art. 26.Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikelen 56 tot 58.

Art. 27.Deze bepaling duidt de CBFA aan als de bevoegde autoriteit voor de toepassing van de verordening, zodat zij daartoe de in de wet bepaalde toezichts- en handhavingsbevoegdheden kan aanwenden.

Art. 28 tot 31. De artikelen 28 tot 31 zorgen voor de omzetting van de artikelen 56 tot 59 van Richtlijn 2004/39/EG die handelen over de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten.

Teneinde de bepalingen aangaande internationale samenwerking te groeperen, heft artikel 28 artikel 43bis van de wet van 2 augustus 2002 op en worden de elementen van deze opgeheven bepaling opnieuw opgenomen in afdeling 6 van hoofdstuk III van de wet van 2 augustus 2002.

Artikel 29 van het ontwerp wijzigt artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 op twee punten. Allereerst wordt de huidige paragraaf 2 aangevuld met een bepaling die de CBFA machtigt om, in het kader van door haar met andere bevoegde autoriteiten afgesloten akkoorden en mits wordt voldaan aan de voorwaarden die zij vaststelt, een vrijstelling te verlenen van de naleving van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake aangelegenheden die geregeld worden door de Richtlijnen 2004/39/EG en 2006/48/EG. Deze bepaling is nodig om een nuttig effect te kunnen geven aan de samenwerkingsplicht tussen bevoegde autoriteiten waarvan sprake in artikel 56 van de MiFID. Ze past in het kader van de door zowel de Europese instellingen als CESR beoogde efficiënte uitoefening door bevoegde autoriteiten van hun toezichtsbevoegdheden ten aanzien van internationaal werkzame beleggingsondernemingen. Met het oog hierop heeft de Europese Commissie in het « European Securities Commission » de lidstaten aanbevolen om de nodige wettelijke machtigingen te voorzien om delegaties tussen toezichthouders te bevorderen door o.m. passende afspraken over het toepasselijke recht.

Als tweede wijziging wordt een paragraaf 4 toegevoegd voor de omzetting van artikel 56, lid 2 van Richtlijn 2004/39/EG. Voor de interpretatie van deze bepaling dient rekening te worden gehouden met de precisering van het begrip « aanzienlijk belang » die wordt verstrekt door artikel 16 van Verordening 1287/2006. Conform het advies van de Raad van State werd een verwijzing naar deze bepaling van de verordening in de tekst van paragraaf 4 opgenomen.

Met het 3° van dezelfde paragraaf wordt artikel 58, § 1, tweede alinea en § 2 van Richtlijn 2004/39/EG omgezet. Het 4° van dezelfde paragraaf zet artikel 56, lid 4 van Richtlijn 2004/39/EG om en neemt daarbij de elementen van het vroegere artikel 43bis van de wet van 2 augustus 2002 inzake marktmisbruik over. Paragraaf 2 zorgt voor de omzetting van artikel 59 van Richtlijn 2004/39/EG en neemt daarbij eveneens de elementen van het vroegere artikel 43bis van de wet van 2 augustus 2002 inzake marktmisbruik over.

Paragraaf 4 zet de artikelen 58, lid 2 van Richtlijn 2004/39/EG en 45 van Richtlijn 2006/48/EG om.

Met artikel 31 wordt in de wet van 2 augustus 2002 een artikel 77ter ingevoegd dat artikel 56, lid 1, derde alinea van Richtlijn 2004/39/EG omzet. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs

Art. 32.Dit artikel past de titel van de wet van 6 april 1995 aan.

Aangezien dit ontwerp het statuut van vennootschappen voor beleggingsadvies opheft, wordt de titel vereenvoudigd en beperkt tot het statuut van de beleggingsondernemingen.

Art. 33.Vermits de gedragsregels voortaan worden bepaald door en krachtens de artikelen 26 tot 28bis van de wet van 2 augustus 2002 worden de artikelen 36 tot 39 van de wet van 6 april 1995 opgeheven.

Art. 34.Dit artikel wijzigt artikel 44 van de wet van 6 april 1995 op een aantal punten. In het verlengde van de rechtspraak van het Hof van Cassatie over de huidige wettelijke regeling (Cass., 4 maart 2003) bevestigt deze bepaling vooreerst dat het uitoefenen van een bedrijf van beleggingsonderneming niet alleen het verrichten van beleggingsdiensten zelf omvat, maar ook het aanbieden ervan.

Conform de MiFID-Richtlijn wordt voorts een onderscheid gemaakt tussen enerzijds aan derden (zowel professionele als niet-professionele cliënten) verstrekte beleggingsdiensten en anderzijds beleggingsactiviteiten (zoals in beginsel voor eigen rekening handelen) waarbij geen dienst aan derden wordt verstrekt. Voor beide vergt de wet, zoals de Richtlijn, in het beginsel een vergunning als beleggingsonderneming.

Vervolgens preciseert de ontwerpbepaling het regime voor multilaterale handelsfaciliteiten (MTFs) die worden uitgebaat door een marktonderneming van een gereglementeerde markt. Krachtens de Richtlijn vormt het uitbaten van een MTF een beleggingsdienst. In afwijking van de regel dat enkel beleggingsondernemingen beleggingsdiensten mogen verstrekken, bepaalt de Richtlijn uitdrukkelijk dat een MTF kan geëxploiteerd worden zowel door een beleggingsonderneming als door een marktonderneming van een gereglementeerde markt. De marktonderneming dient echter geen volledige tweede vergunningsprocedure te doorlopen. De marktonderneming beschikt immers reeds over een vergunning als marktonderneming van gereglementeerde markten (zie hoofdstuk I, afdeling 1 van de wet van 2 augustus 2002). Wel zal in dergelijk geval de CBFA dienen te verifiëren of de marktonderneming beantwoordt aan de wettelijke vergunningsvoorwaarden die van toepassing zijn op de beleggingsondernemingen. De CBFA zal herstelmaatregelen kunnen opleggen wanneer de marktonderneming, met betrekking tot de door haar uitgebate MTF, de op haar toepasselijke regels miskent.

Om te vermijden dat er een overlap zou zijn ingevolge de cumulatieve toepassing voor marktondernemingen van de regels voor marktondernemingen en deze voor beleggingsondernemingen, wat de door hen uitgebate MTFs betreft, zal waar toepasselijk, rekening worden gehouden met de bestaande toezicht op de marktonderneming krachtens de wet van 2 augustus 2002 zodat de vergunning als marktonderneming in beginsel zal volstaan om een MTF uit te baten.

De in deze bepaling vervatte regeling dient te worden samengelezen met de voor alle MTFs geldende voorschriften getroffen krachtens artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002.

Art. 35.Dit artikel vervangt artikel 45 van de wet. Het verruimt, conform de Richtlijn, het aantal gevallen waarin de wet niet van toepassing is. De reglementering inzake beleggingsdiensten is bedoeld voor ondernemingen waarvan het gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten. Bijgevolg moeten de personen die een andere beroepswerkzaamheid hebben, in principe van het toepassingsgebied van de wet worden uitgesloten.

In vergelijking met de uitsluitingsgevallen onder de Richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 (de « ISD ») worden er onder de MiFID-Richtlijn 2004/39/EG een aantal bijkomende situaties gedefinieerd of gepreciseerd waar het statuut van beleggingsonderneming geen toepassing moet vinden. Deze gevallen worden in het nieuw artikel 45 in ontwerp hernomen. Het betreft met name de personen die enkel verrichtingen doen voor eigen rekening tenzij het gaat om marketmakers of om systematische internaliseerders.

Voorts zijn er een aantal specifieke uitsluitingsgevallen in de sector van de bemiddelaars in grondstoffenderivaten.

Zoals hierna wordt toegelicht, kwalificeert beleggingsadvies in financiële instrumenten voortaan als een beleggingsdienst waarvoor het statuut van een beleggingsonderneming vereist is. Op dit punt voert het ontwerp twee belangrijke uitzonderingen in. Vooreerst herneemt het ontwerp de door de Richtlijn opgelegde uitzondering voor de personen die, tijdens hun normale beroepsactiviteiten die buiten het toepassingsgebied vallen van deze wet, beleggingsadvies verstrekken voor zover zij niet specifiek hiervoor betaald worden.

Een tweede uitzondering situeert zich op het vlak van de beleggingsadviesdiensten die de makelaars in bank -en beleggingsdiensten mogen vertrekken. Het ontwerp maakt daarvoor gebruik van een facultatieve vrijstellingsmogelijkheid die artikel 3 van de Richtlijn biedt (zie ook de toelichting bij artikel 120 van het ontwerp). Met toepassing van deze Richtlijnbepaling worden de makelaars in bank- en beleggingsdiensten die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 2006 trouwens van het toepassingsgebied van het statuut van beleggingsonderneming uitgesloten, voor het geheel van de hen krachtens de wet van 22 maart 2006 toegestane beleggingsdiensten.

Om voor deze vrijstellingen in aanmerking te komen, dienen de betrokken personen de voor die vrijstellingen gestelde voorwaarden doorlopend na te komen. Meer bepaald zullen zij die beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten verrichten en voor vrijstelling van deze Richtlijn in aanmerking komen omdat die diensten of activiteiten, op groepsbasis beschouwd, een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf vormen, niet meer onder de vrijstelling in verband met nevenactiviteiten vallen wanneer het verrichten van die diensten of activiteiten niet langer een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf vormt.

Kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig de wet van 22 maart 1993 hebben geen andere vergunning nodig om beleggingsdiensten of -activiteiten te verrichten. Wanneer een kredietinstelling besluit om beleggingsdiensten of -activiteiten te verrichten dient de CBFA alvorens de kredietinstelling deze activiteiten aanvat zich ervan te vergewissen dat de kredietinstelling voldoet aan de relevante organisatorische bepalingen van de bankwet en van de wet van 6 april 1995 evenals aan de gedragsregels inzake beleggingsdiensten voorzien in de artikelen 27,28 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002.

Art. 36.Door dit artikel wordt de verwijzing in artikel 45bis van de wet aangepast. Deze bepaling blijft de rechtsbasis voor het statuut van de derivatenspecialisten. Hun activiteit slaat voortaan ook op de « cash »-markten voor zover nodig voor de dekking van hun posities op de derivatenmarkten.

Art. 37.Dit artikel past artikel 46 aan van de wet dat het geheel van definities weergeeft.

Belangrijk te onderstrepen zijn de definities van de nieuwe beleggingsdiensten en -activiteiten enerzijds en nevendiensten anderzijds.

Nieuwe beleggingsdiensten zijn : - beleggingsadvies (terwijl beleggingadvies onder de ISD slechts een nevendienst was, vergt de MiFID-Richtlijn voortaan in gans de Europese Unie een vergunning voor deze dienst, gelet op de groeiende afhankelijkheid van beleggers van persoonlijke aanbevelingen); - het exploiteren van een MTF. De nieuwe nevendiensten zijn : - onderzoek op beleggingsgebied (« research ») en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten; - de beleggingsdiensten en -activiteiten alsmede nevendiensten die verband houden met de onderliggende waarde van sommige grondstoffenderivaten (enkel voor zover verstrekt in samenhang met deze derivaten, inzonderheid om de afwikkeling van de transacties in die derivaten te verzekeren).

Voortaan wordt de dienst die erin bestaat om beleggers met elkaar in contact te brengen waardoor tussen deze beleggers een transactie in een financieel instrument tot stand kan komen, in de wet niet meer afzonderlijk opgesomd. In het verlengde van de Richtlijn en de considerans 20 wordt wel gepreciseerd dat deze dienst deel uitmaakt van de dienst « ontvangen en doorgeven van orders ». Het aanbrengen van cliënten bij een beleggingsonderneming of een kredietinstelling valt hier niet onder.

Artikel 46, 9° en 10° definiëren wat onder beleggingsadvies moet verstaan worden, in het verlengde van artikel 4, 1., 4) van de Richtlijn 2004/39 en artikel 52 van de Richtlijn 2006/73.

Het verdient te worden benadrukt dat beleggingsadvies voortaan een ruime betekenis krijgt. Men zal voor beleggingsadvies staan : - hetzij wanneer een aanbeveling werd voorgesteld als geschikt voor de betrokken persoon, dat wil zeggen wanneer het redelijk is aan te nemen, gelet op alle relevante omstandigheden, dat de aanbeveling geschikt is voor cliënt; - hetzij wanneer deze berust op een afweging van diens persoonlijke kenmerken.

Beleggingsadvies kan verschillende vormen aannemen : het kan gaan om een ad hoc gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij niet noodzakelijk over de ganse portefeuille of de beleggingsstrategie van de cliënt wordt geadviseerd. Het kan ook gaan om een meer duurzame adviesrelatie. Het vergunnings- en beschermingsregime geldt zonder uitzondering voor alle financiële instrumenten en voor diensten aan professionele en niet-professionele cliënten.

Advies over financiële instrumenten dat wordt gegeven in een krant, dagblad, tijdschrift of andere publicatie voor het grote publiek (met inbegrip van internet) dan wel in een televisie- of radio-uitzending mag niet worden aangemerkt als een gepersonaliseerde aanbeveling.

Generiek advies over een soort financieel instrument is geen beleggingsadvies omdat alleen advies over bepaalde financiële instrumenten geviseerd wordt. Als een beleggingsonderneming echter aan een cliënt algemeen advies verstrekt over een soort financieel instrument dat zij voorstelt als een advies dat geschikt is voor de betrokken cliënt of berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, en dit advies in werkelijkheid niet voor de cliënt geschikt is of niet op een afweging van diens omstandigheden berust, dan mag al naargelang de omstandigheden van het specifieke geval worden aangenomen dat zij in strijd met artikel 27 §§ 1 of 2, van de wet van 2 augustus 2002 handelt. Met name zal een onderneming die een cliënt dergelijk advies verstrekt, dan veelal handelen in strijd met artikel 27, § 1, dat bepaalt dat zij zich op loyale, billijke en professionele wijze voor de belangen van haar cliënten moet inzetten.

Dergelijk advies kan ook in strijd zijn met artikel 27, § 2, dat bepaalt dat aan cliënten verstrekte informatie correct, duidelijk en niet misleidend moet zijn.

Voorbereidingen van een beleggingsonderneming op de verrichting van een beleggingsdienst of beleggingsactiviteit dienen als integrerend deel van deze dienst of activiteit te worden aangemerkt. Daaronder valt ook de verlening door een beleggingsonderneming van algemeen advies aan cliënten of potentiële cliënten vóór of bij de verlening van beleggingsadvies of de verrichting van een andere beleggingsdienst of -activiteit.

Een algemene aanbeveling (d.w.z. een aanbeveling die bedoeld is voor distributiekanalen of voor het publiek) die op een transactie in een financieel instrument of op een soort financieel instrument betrekking heeft, vormt een nevendienst in de zin artikel 46, 2°, 5) van de wet van 6 april 1995, hetgeen tot gevolg heeft dat door de wet geboden bescherming op een dergelijke aanbeveling van toepassing is.

Wat de definitie betreft van financiële instrumenten wordt verwezen naar de wet van 2 augustus 2002. Deze definitie is belangrijk in de mate dat de lijst van instrumenten die als financieel instrument worden gekwalificeerd uitgebreid is tot afgeleide instrumenten op grondstoffen (« commodities derivatives ») en tot sommige nieuwe instrumenten zoals « credit derivatives » en derivatencontracten met betrekking tot klimaatvariabelen, vrachttarieven, emissievergunningen, inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken.

Deze verruiming van de definitie van financieel instrument maakt het gereglementeerde domein van de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen eveneens veel ruimer. Hierdoor wordt in België opnieuw een reglementering van kracht voor gespecialiseerde bemiddelaars in derivaten op grondstoffen.

Andere belangrijke nieuwe definities hebben betrekking op MTF's (artikel 46, 14°), systematische internaliseerder (artikel 46, 15°), market makers (artikel 46, 16°), verbonden agent (artikel 46, 22°), gekwalificeerde deelneming (artikel 46, 24°), marktonderneming (artikel 46, 31°) en gereglementeerde markten(artikel 46, 32°).

Art. 38.Dit artikel pas artikel 47 van de wet van 6 april 1995 aan.

In dit artikel worden de diverse categorieën van beleggingsonderneming gespecificeerd samen met de beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten die deze mogen verrichten.

In dit verband dient te worden opgemerkt dat de omzetting van de MiFID niet kan gebeuren zonder de Richtlijnverplichtingen te differentiëren naargelang van de Belgische subcategorieën van beleggingsondernemingen. Bepaalde Richtlijnverplichtingen zijn slechts pertinent voor één categorie van beleggingsonderneming en niet voor een andere categorie, gelet op o.m. de verschillen in diensten die door elke categorie kunnen worden verstrekt. Er dient bovendien rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat beleggingsadvies door de MiFID voortaan als een volwaardige beleggingsdienst wordt gekwalificeerd. Dit impliceert dat ondernemingen die beleggingsadvies verstrekken voortaan een vergunning als beleggingsonderneming behoeven. De door de Belgische wet voorziene categorieën van beleggingsondernemingen dienen derhalve te worden aangepast. Dit betekent dat, zoals de Raad van State in zijn advies vraagt, er wel degelijk een voldoende basis in de Richtlijn is om artikel 47 van de wet van 6 april 1995 aan te passen. Hetzelfde geldt voor de hierna toegelichte artikelen 42, 44, 45, 61, 70, 76 en 93 van dit ontwerp.

Wat de beursvennootschappen betreft wordt het principe behouden dat zij in aanmerking komen voor alle beleggingsdiensten en nevendiensten.

Het statuut van de vennootschappen voor vermogensbeheer wordt aangepast wat betreft de beleggingsdiensten die deze bemiddelaars mogen verrichten. Ze mogen voortaan wel tussenkomen in de plaatsing van emissies zonder plaatsingsgarantie. Deze beleggingsdienst laat de vennootschappen voor vermogensbeheer toe hun cliënten een vermogensbeheer aan te bieden aan de hand van instellingen voor collectieve belegging (gesicaviseerd beheer') voor wie deze beheerders tevens het beheer waarnemen. Hierdoor krijgen zij dezelfde mogelijkheden als de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die met toepassing van de wet van 20 juli 2004 de mogelijkheid hebben de fondsen die zij beheren ten aanzien van hun cliënteel te commercialiseren.

Tenslotte wordt in het besluit voorgesteld de benaming van het statuut van vennootschap voor vermogensbeheer uit te breiden tot vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. De wijziging van deze benaming verantwoordt zich enerzijds door het feit dat onder de Richtlijn het beleggingsadvies niet langer een nevendienst is maar een volwaardige beleggingsdienst en anderzijds omdat het statuut van vennootschap voor beleggingsadvies geregeld in titel II van boek II van de wet wordt afgeschaft. De bestaande vennootschappen voor beleggingsadvies zullen de keuze hebben hetzij up te graden naar het statuut van beleggingsonderneming, hetzij het statuut te kiezen van makelaar in bank- en beleggingsdiensten geregeld bij de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten. Ook wie uitsluitend aan beleggingsadvies doet en geen vermogensbeheer en derhalve enkel daarvoor een vergunning aanvraagt, kan niettemin een vergunning krijgen onder de benaming « vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies ».

In het besluit wordt verder voorgesteld twee statuten van beleggingsondernemingen niet langer te behouden. Het betreft het statuut van de vennootschappen voor makelarij in financiële instrumenten evenals het statuut voor de plaatsing van orders in financiële instrumenten.

Het eerste statuut was een specifiek statuut dat een bijzonder métier regelde op de Belgische markt van bemiddelaars. Het betreft de bemiddelaars actief in het met elkaar in contact brengen van twee of meer professionele beleggers waardoor tussen deze beleggers een verrichting tot stand komt. De sector van deze bemiddelaars die voornamelijk actief was op de interbankenmarkt heeft aan belang ingeboet, voornamelijk omwille van de concurrentie die het ondervond van een aantal grote buitenlandse spelers en van een aantal geautomatiseerde platforms. België kent vandaag nog slechts één dergelijke bemiddelaar die zich toelegt op de effecten van de overheidsschuld en waarvan de dienstverlening voortaan als een MTF dient te worden gekwalificeerd.

Verder heeft ook het statuut van vennootschappen voor de plaatsing van orders in financiële instrumenten niet zo veel succes gekend. Het aantal bemiddelaars eind 2006 bedroeg slechts drie ondernemingen die zich toespitsen op de beleggingsdienst « ontvangen en overmaken van orders » evenals op beleggingsdienst « beleggingsadvies ». Mede gelet op de uitbreiding van het statuut van vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt het statuut van vennootschap voor de plaatsing van orders in financiële instrumenten overbodig.

Art. 39.De aanpassingen van artikel 48 van de wet zijn louter terminologische aanpassingen die voorvloeien uit de definities van beleggingsdiensten en -activiteiten. Er kan worden gepreciseerd dat ingeval een beleggingsonderneming op niet-regelmatige basis een of meer beleggingsdiensten of een of meer beleggingsactiviteiten verricht die niet door haar vergunning worden bestreken, zij geen aanvullende vergunning krachtens deze wet nodig heeft (zie considerans 19 bij de MiFID).

Art. 40.In artikel 50 wordt de termijn waarbinnen de CBFA zich dient uit te spreken over de vergunning conform de Richtlijn herleid van 9 tot 6 maanden na de indiening van een volledige aanvraag.

Art. 41.Artikel 51 van de wet wordt aangepast om het belang van de financiële instrumenten te onderstrepen in de vergunningsaanvraag.

Gelet op de nieuwe vormen van financiële instrumenten, zoals derivaten op grondstoffen en derivaten op klimaatvariabelen is het noodzakelijk dat de toezichthouder zich ervan kan vergewissen dat de beleggingsondernemingen die in deze instrumenten actief willen worden over voldoende kennis beschikken en dat hun organisatie voldoende aangepast is om de opvolging van deze instrumenten te verzekeren. De beoogde categorieën van financiële instrumenten worden dan ook als een essentieel onderdeel beschouwd van het vergunningsdossier en van de vergunningsvoorwaarden.

Art. 42.Krachtens artikel 5, lid 3, van MiFID dienen de lidstaten een register van alle beleggingsondernemingen aan te leggen dat informatie bevat over de diensten en/of activiteiten die de beleggingsonderneming op grond van haar vergunning mag verrichten. Artikel 53 van de wet regelt de opmaak van de Belgische lijsten van de beleggingsondernemingen. Voormeld artikel wordt aangepast om rekening te houden met de nieuwe statuten van beleggingsondernemingen aansluitend bij de upgrading van beleggingsadvies tot beleggingsdienst.

Art. 43.Artikel 54 van de wet regelt de samenwerking met de Europese Commissie met betrekking tot beleggingsondernemingen uit derde landen.

De aanpassingen hebben betrekking op de verwijzingen naar de update van de toepasselijke Europese Richtlijnen.

Art. 44.Dit artikel wijzigt artikel 55 van de wet dat de bescherming regelt van bepaalde benamingen eigen aan het statuut of eigen aan de beleggingsdiensten die deze ondernemingen mogen verrichten. De aanpassingen houden rekening met de wijzigingen die worden doorgevoerd in het statuut van beleggingsonderneming. Het laat ook toe aan de makelaars in bank en beleggingsdiensten de benaming « beleggingsadvies » of « beleggingsadviseur » te gebruiken.

Art. 45.Artikel 58 van de wet regelt de aanvangskapitaalvereisten van de beleggingsondernemingen. Het geeft uitvoering aan artikel 12 van MiFID. Het besluit wijzigt deze vereisten voor de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

Voor de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt een aanvangskapitaal van 125.000 EUR vereist. Er wordt niet overgegaan tot een verlaging van dit bedrag tot 50.000 EUR, zoals mogelijk is krachtens de Richtlijn 2006/49EG van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen Wat de beursvennootschappen betreft wordt het in deze laatste Richtlijn voorziene bedrag van 730.000 EUR weerhouden van zodra de beursvennootschappen : - transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten; - uitgiften van financiële instrumenten overnemen; - borg staan voor de plaatsing hiervan; - een MTF uitbaten; - als bewaarder optreden voor financiële instrumenten van verzekerings ondernemingen, voor instellingen voor collectieve belegging evenals voor kredietinstellingen voor zover deze laatsten handelen voor rekening van hun cliënteel.

Dit bedrag van 730.000 EUR betekent een verlaging van de huidige kapitaalvereisten voor de beursvennootschappen die bovenvermelde activiteiten en diensten verrichten, met dien verstande dat de aanvangskapitaalvereisten dienen samen te worden gelezen met de eigenvermogensvereisten waaraan op continue wijze moet zijn voldaan.

Art. 46.Dit artikel voorziet in een aanpassing van artikel 59 van de wet waarbij een nieuwe transparantiedrempel wordt ingevoerd, te weten de gekwalificeerde deelneming, zoals gedefinieerd in artikel 46,24° van de wet. In artikel 59 wordt bijkomend een vierde lid opgenomen dat de CBFA oplegt de vergunning te weigeren indien de wettelijke of bestuurrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op een persoon met wie de onderneming nauwe banden heeft een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van haar toezichtstaken.

Art. 47.Dit artikel wijzigt artikel 60 van de wet. Daarbij wordt verduidelijkt hoe de begrippen van professionele betrouwbaarheid en passende ervaring die vereist zijn in hoofde van de effectieve leiding dienen beoordeeld te worden. Deze dienen geanalyseerd te worden in het licht van de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming.

In het artikel wordt een nieuw lid ingevoegd waarbij conform de MiFID-Richtlijn aan de CBFA een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend inzake de beoordeling van de vereiste professionele betrouwbaarheid en passende ervaring. Indien de CBFA niet overtuigd is dat de voorgestelde personen die het bedrijf effectief zullen moeten leiden over deze capaciteiten beschikken, dient zij de vergunning te weigeren. Hierdoor wordt de bewijslast van het passend karakter van beide capaciteiten gelegd in hoofde van de aanvragers.

Art. 48.Dit artikel voegt een nieuw artikel 62bis in in de wet dat specifiek betrekking heeft op de organisatorische vereisten bij het verrichten van beleggingsdiensten.

Artikel 62bis bevat meer bepaald de verplichting te beschikken over : - beleidslijnen en procedures om de naleving van de regelgeving te verzekeren door de onderneming, de medewerkers en de bestuurders met inbegrip van regels inzake de persoonlijke transacties; - procedures en regels ter voorkoming van belangenconflicten; - maatregelen om de continuïteit te verzekeren (« business continuity »); - maatregelen om het operationele risico te beperken bij uitbesteding (« outsourcing ») van activiteiten; - een beleid en organisatie inzake het bijhouden van gegevens; - maatregelen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten.

Vermits de in dit artikel bepaalde materies, krachtens de MiFID, tot de bevoegdheid behoren van het land van oorsprong van de beleggingsonderneming gelden de verplichtingen van dit artikel ook voor de bijkantoren van de Belgische ondernemingen in andere lidstaten. De Belgische ondernemingen zullen zich enkel aan deze Belgische voorschriften dienen te houden, ook wanneer ze in andere lidstaten diensten verstrekken of een bijkantoor hebben gevestigd. Een uitzondering hierop zijn de bepalingen inzake bijhouden van gegevens, waar het de gasttoezichthouder van het bijkantoor zal zijn die zal waken over de naleving van regels inzake gegevensbewaring, onverminderd de rechtstreekse toegang van de CBFA als toezichthouder van het land van oorsprong (zie artikel 13, lid 9 van MiFID).

Deze bepalingen dienen verder uitgewerkt te worden om rekening te houden met de uitvoeringsrichtlijn 2006/73 van 10 augustus 2006.

Daarom voorziet het artikel de mogelijkheid om deze materie hetzij bij koninklijk besluit voor sommige bepalingen, hetzij verder bij een reglement van de CBFA aan te vullen.

Omwille van transparantie van de regelgeving en om de instellingen een passende zekerheid te bieden, verplicht artikel 15, lid 3, van de uitvoeringsrichtlijn elke bevoegde autoriteit haar beleidsverklaring inzake de uitbesteding van het beheer van vermogen van niet-professionele cliënten aan dienstverleners in derde landen te publiceren. Deze verplichting wordt gepreciseerd in ontwerpartikel 62bis, § 4, van de wet van 6 april 1995 en ontwerp artikel 20bis, § 4, van de bankwet van 22 maart 1993. In deze verklaring zullen voorbeelden zijn opgenomen van gevallen waarin de CBFA tegen een dergelijke uitbesteding waarschijnlijk geen bezwaar zal maken, en zal ook worden uitgelegd waarom uitbesteding in dergelijke gevallen waarschijnlijk geen afbreuk zal doen aan het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bij uitbesteding na te leven reglementaire voorwaarden.

Er dient te worden vermeld dat, naast deze beleidsverklaring, bindende regels inzake outsourcing zullen zijn opgenomen in een reglement van de CBFA getroffen op grond van het ontwerpartikel 20bis, § 8, van de bankwet en ontwerpartikel 62bis van de wet van 6 april 1995 en strekkende tot omzetting van de artikelen 13 tot 15 van de uitvoeringsrichtlijn.

Art. 49.Dit artikel wijzigt artikel 65 van de wet. De verplichting tot toetreding tot de beleggersbeschermingsregeling wordt veralgemeend tot alle beleggingsondernemingen.

Art. 50.Dit artikel past § 2 aan van artikel 66 van de wet. De tekst wordt vereenvoudigd door niet langer rekening te houden met de overgangsmaatregel inzake eigen vermogen die noodzakelijk was bij het invoeren van de wet van 6 april 1995.

Art. 51.Dit artikel past artikel 67 aan van de wet om rekening te houden met de drempels die de Richtlijn 2004/39/EG heeft bepaald voor wat betreft de transparantieverklaringen van aandeelhouders. De Richtlijn bepaalt dat een verplichte kennisgeving noodzakelijk is van zodra de potentiële aandeelhouder voornemens is een gekwalificeerde deelneming te bereiken (10%) of een deelneming van 20%, 33% en 50% of wanneer de beleggingsonderneming een dochteronderneming zou worden.

De transparantieverplichting voor de bovenvermelde drempels geldt zowel bij het overschrijden ervan als bij het dalen onder het betrokken niveau.

Art. 52.Dit artikel past artikel 68 aan van de wet om rekening te houden met de bepalingen opgenomen in de Richtlijn die ertoe strekken te waarborgen dat beleggingsondernemingen uit de Europese Economische Ruimte die in derde landen willen actief worden, kunnen genieten van een op wederkerigheid berustende behandeling.

Art. 53.Dit artikel actualiseert een verwijzing in artikel 69 van de wet.

Art. 54.Dit artikel vervolledigt artikel 69 van de wet met een verwijzing naar artikel 62 bis, waar onder meer de belangenconflictenregeling wordt bepaald.

Art. 55.Dit artikel past artikel 75 aan van de wet waarbij een correctie wordt aangebracht om de tekst te laten aansluiten bij de door de wet ingevoerde terminologie.

Artikelen 56 tot 58. De artikelen 56 tot 58 van het ontwerp voeren de voornaamste wettelijke regels in voor de bescherming van de cliëntentegoeden, ongeacht of dit contanten of financiële instrumenten zijn. Daarnaast voorzien deze ontwerpbepalingen in de vereiste wettelijke machtigingen voor de verdere uitwerking en precisering van de beschermingsregeling die in hoofdzaak voortvloeit uit de omzetting van artikel 13, lid 7 en 8 van Richtlijn 2004/39/EG en van de artikelen 16 tot 19 van Richtlijn 2006/73/EG die uitvoering verlenen aan het voormelde artikel 13.

Voor de gelden brengt artikel 56 van het ontwerp de vereiste wijzigingen aan in artikel 77 van de wet van 6 april 1995. Paragraaf 2 van dit artikel 77 wordt vervangen teneinde artikel 18, lid 1 van Richtlijn 2006/73/EG om te zetten waarin een opsomming wordt gegeven van de categorieën van bewaarders bij wie de gelden moeten worden gedeponeerd die een beursvennootschap in ontvangst mag nemen.

In het tweede lid van het voornoemde artikel 77, § 2 wordt, net als in het verleden, een uitzondering gemaakt op deze deponeringsverplichting voor beursvennootschappen wanneer het onmiddellijk opeisbare gelden betreft, binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare gelden en ter dekking van verplichtingen van cliënten verstrekte gelden.

Artikel 77, § 2, derde lid neemt het huidige artikel 77, § 2, derde lid over dat de onbeschikbaarheid van de cliëntentegoeden bepaalt, wat inhoudt dat de instellingen waarbij de beursvennootschappen de gelden van cliënten deponeren, geen rechten kunnen doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de beursvennootschap, inzonderheid via overeenkomsten van schuldvergelijking. Ook de schuldeisers van de beursvennootschap kunnen op deze tegoeden geen rechten ten aanzien van de beursvennootschap doen gelden.

In § 3 van artikel 77 wordt het bijzondere voorrecht geherformuleerd dat de cliënten van de beursvennootschap ingeval van deficiëntie van de beursvennootschap hebben op de met toepassing van § 2 gedeponeerde gelden. Rekening houdend met de rechtspraak die het terugvorderen van gelden op een rekening onder welbepaalde strikte identificatievoorwaarden toelaat, voert deze bepaling aldus een uitzondering in voor de tegoeden die konden worden teruggevorderd door hun titularis (Zie hieromtrent Brussel, 15 september 1995, niet-gepubliceerd, geciteerd door J.-M. VAN COTTEM, « La réception de dépôts par les entreprises d'investissement », Bank. Fin., 1996/6, p. 346).

Paragraaf 4 van artikel 77 bevat de machtigingsbepaling die toelaat de beschermingsregeling voor cliënten verder uit te werken, meer bepaald door de voorwaarden en modaliteiten vast te stellen voor de belegging van de gelden van de cliënten, alsook door informatieverstrekking aan de cliënten op te leggen.

Artikel 57 van het ontwerp voert voor de financiële instrumenten van cliënten, in de wet van 6 april 1995 een artikel 77bis in waarmee, conform artikel 13, lid 7 van Richtlijn 2004/39/EG en artikel 19 van Richtlijn 2006/73/EG, de verplichting wordt opgelegd om de uitdrukkelijke toestemming van de cliënt te verkrijgen alvorens deze financiële instrumenten op om het even welke wijze te gebruiken.

Deze verplichting om de voorafgaande toestemming van de cliënt te verkrijgen, vloeide voorheen voort uit de strafrechtelijke sanctie opgelegd door artikel 148, § 3 van de wet van 6 april 1995. Dit artikel 148, § 3 wordt dan ook op parallelle wijze gewijzigd door artikel 75 van het ontwerp om het verband te leggen met de verplichting om de toestemming van de cliënt te verkrijgen die thans positief wordt geformuleerd in artikel 77bis van de wet.

Voor de financiële instrumenten vormt paragraaf 2 van artikel 77bis de wettelijke grondslag die een verdere uitwerking van de beschermingsregeling voor cliënten mogelijk maakt, meer bepaald wat betreft de voorwaarden en modaliteiten waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen of kredietinstellingen geplaatste financiële instrumenten moeten voldoen, en de handelingen die deze bemiddelaars mogen verrichten met betrekking tot deze financiële instrumenten, inzonderheid gelet op de vereisten inzake de in § 1 bedoelde toestemming.

Aldus zal de Koning meer bepaald de modaliteiten kunnen vaststellen voor het verlenen van de in § 1 bedoelde toestemming. Daarnaast zal de Koning tevens regels kunnen uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten op het vlak van de inontvangstneming van financiële instrumenten door deze bemiddelaars en hun deponering bij andere bemiddelaars.

Voor de omzetting van artikel 16, lid 1, a) tot c) van de uitvoeringsrichtlijn 2004/39/EG voert artikel 58 van het ontwerp in de wet van 6 april 1995 een artikel 77ter in waarin de voornaamste regels worden vastgelegd voor de boekhoudkundige organisatie en registratie van cliëntentegoeden (zowel gelden als financiële instrumenten).

Daarnaast regelt § 2 van deze bepaling de wettelijke machtiging voor een aanvulling van deze regels die van toepassing zijn op de beursvennootschappen en de kredietinstellingen.

Ter bescherming van de eigendomsrechten en andere soortgelijke rechten van de belegger op de effecten, alsmede van zijn rechten op de aan een onderneming toevertrouwde gelden, moeten deze rechten van de rechten van de onderneming worden onderscheiden. Dit beginsel mag de onderneming evenwel niet beletten in eigen naam, maar voor rekening van de belegger, transacties uit te voeren wanneer de aard van de transactie zulks vereist en de belegger daarmee instemt, bijvoorbeeld in het geval van effectenleningen.

Wanneer een cliënt overeenkomstig de communautaire wetgeving, inzonderheid Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten, de volle eigendom van financiële instrumenten of gelden als waarborg overdraagt aan een beleggingsonderneming, worden deze financiële instrumenten of gelden niet langer als eigendom van de cliënt beschouwd.

Art. 59.Dit artikel past artikel 78 aan van de wet waarbij een referentie wordt aangepast.

Art. 60.Dit artikel vervangt artikel 79 van de wet. In de oorspronkelijke bepalingen werden de regels opgenomen die de beleggingsondernemingen dienden na te leven wanneer zij diensten van vermogensbeheer verrichten. Deze bepalingen vinden voortaan hun plaats in artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002 en de daarin voorziene uitvoeringsbepalingen.

Het nieuwe artikel 79 regelt de wijze waarop de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen kunnen samenwerken met verbonden agenten.

De wet van 22 maart 2006 op de bemiddelaars in bank- en beleggingsdiensten regelt het statuut van de makelaars en de agenten in bank- en beleggingsdiensten. Voor de toepassing van artikel 79 dienen de agenten in bank- en beleggingsdiensten als verbonden agenten te worden beschouwd.

Het nieuwe artikel 79 regelt de verplichtingen die op de beleggingsondernemingen rusten indien zij beroep doen op een verbonden agent.

Het artikel legt de nadruk op de verantwoordelijkheid van de instellingen voor de handelingen van de verbonden agenten, en in het bijzonder wanneer deze worden toegestaan om te gaan met gelden en financiële instrumenten van cliënten. Verbonden agenten kunnen immers in het kader van hun dienstverlening in naam en voor rekening van de instelling die zij vertegenwoordigen de gelden en financiële instrumenten van cliënten ontvangen. Deze bepaling dient evenwel beperkend te worden geïnterpreteerd Deze functie dient zich te beperken tot de gelden en financiële instrumenten in transit (zie ook artikel 10, § 2, van de wet van 22 maart 2006).

Art. 61.Dit artikel wijzigt artikel 80 van de wet. Er wordt een bepaling opgenomen die de Koning de bevoegdheid geeft in voorkomend geval de regels te bepalen die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen die makelaarsverrichtingen in financiële instrumenten uitvoeren.

Nu het statuut van de vennootschappen voor makelarij in financiële instrumenten wordt afgeschaft, biedt deze bepaling de mogelijkheid om deze bijzondere vorm van interprofessionele bemiddeling in hoofde van de beleggingsondernemingen verder te regelen mocht deze markt een herleving kennen. Deze dienstverlening dient beschouwd te worden als een bijzondere vorm van de beleggingsdienst « ontvangen en overmaken van orders in financiële instrumenten ».

Art. 62.Dit artikel vervangt artikel 81 van de wet. De oorspronkelijke bepalingen hadden betrekking op de verplichtingen in hoofde de door dit ontwerp opgeheven categorie van vennootschappen voor makelarij in financiële instrumenten.

Het nieuwe artikel bevestigt conform de Richtlijn de verplichting in hoofde van de beleggingsondernemingen steeds te voldoen aan de voorwaarden van de initiële vergunningsverlening. Het legt hierdoor een verplichting op aan de instelling om betekenisvolle wijzigingen in de wettelijke vergunningsvoorwaarden steeds voor te leggen aan de CBFA.

Art. 63.Dit artikel vervangt artikel 82 van de wet. De oorspronkelijke bepalingen hadden betrekking op een gedragsregel die voortaan wordt geregeld in artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002.

Het nieuwe artikel 82 voorziet in een meldingsplicht aan de CBFA wanneer de beleggingsondernemingen, diensten van systematische interne afhandeling aanvatten of stopzetten. Het moet de toezichthouder in staat stellen de lijsten die zij ter zake dient te publiceren op een geordende wijze bij te houden.

Art. 64 tot 68. De artikelen 64 tot 68 bevatten de wijzigingen in afdeling VI en afdeling VII van Hoofdstuk II van Titel II van Boek II van de wet van 6 april 1995.

Het betreft de bedrijfsuitoefeningvoorwaarden voor beleggingsondernemingen naar Belgisch recht ingeval van de opening van dochterondernemingen of bijkantoren in het buitenland en in geval van het vrij verrichten van diensten in een andere Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte.

Het betreft in hoofdzaak een herformulering om rekening te houden met de bepalingen van de Richtlijn 2004/39/EG. De bepalingen preciseren inzonderheid de gegevens die de betrokken ondernemingen aan de CBFA moeten overmaken vooraleer zich in andere lidstaten te vestigen of diensten te verstrekken. Zo dienen de beleggingsondernemingen voortaan te preciseren of zij bij hun grensoverschrijdende werkzaamheden gebruik gaan maken van verbonden agenten.

Art. 69.Dit artikel past artikel 101 aan van de wet dat de opdrachten van de erkende commissarissen omschrijft. Er worden enkele bijzondere aspecten verbonden aan hun opdracht verduidelijkt. Het betreft met name de rapportering van feiten of beslissingen die de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen.

Een nieuwe opdracht heeft betrekking op de deugdelijkheid van de organisatie van de beleggingsonderneming ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten. Minstens eens per jaar dient hierover een verslag te worden opgemaakt (zie artikel 20 van de uitvoeringsrichtlijn).

Art. 70.Dit artikel betreft een aanpassing van artikel 102 van de wet ingevolge de wijziging van de diverse statuten van beleggingsondernemingen. Zoals in het verleden blijven enkel de beursvennootschappen onderworpen aan de verplichting tot het hebben van een erkend commissaris. Gelet op het feit dat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet aan bewaarneming kunnen doen van cliëntentegoeden, of orders in financiële instrumenten mogen uitvoeren voor eigen rekening, blijft de boekhoudkundige organisatie van deze instellingen beperkt in vergelijking met de beursvennootschappen. De verplichting tot het hebben van een erkend commissaris is in deze dan ook niet noodzakelijk.

Art. 71.In artikel 104 van de wet worden de mogelijkheden tot het nemen van uitzonderingsmaatregelen uitgebreid met de hypothese waarbij de vergunning op een onregelmatige wijze werd verworven. Hierbij wordt in eerste instantie verwezen naar de hypothese waarbij er valse verklaringen zouden zijn gebeurd in de vergunningsfase of waar de aanvrager met opzet relevante informatie heeft achtergehouden.

Verder wordt gevolg gegeven aan de Richtlijnbepaling die voorschrijft dat de intrekking van de vergunning kan plaatsvinden bij ernstige niet-naleving van de bedrijfuitoefeningsvoorwaarden voor beleggingsondernemingen, waaronder de gedragsregels. Artikel 104 wordt dientengevolge vervolledigd met de mogelijkheid voor de CBFA om passende herstelmaatregelen te treffen bij niet-naleving van de in de wet van 2 augustus 2002 bepaalde gedragsregels in uitvoering van de MiFID-Richtlijn Deze regels doen geen afbreuk aan de handhavingsregels bepaald in de wet van 2 augustus 2002 zelf, zoals de mogelijkheid om bij niet-naleving van de gedragsregels administratieve geldboetes op te leggen.

Art. 72.Artikel 66 past een referentie naar de Europese Richtlijn aan in artikel 105 van de wet.

Art. 73.Dit artikel wijzigt het opschrift van boek III van de wet.

Art. 74.Dit artikel heft de titels I en II op van boek III van de wet.

Titel I dat betrekking had op de bemiddelaars in financiële instrumenten en in beleggingsinstrumenten met betrekking tot grondstoffen is vervangen door de regels die het statuut regelen van de beleggingsondernemingen aangezien de financiële instrumenten zijn uitgebreid met de afgeleide producten op grondstoffen.

Titel II had betrekking op de beleggingsadviseurs. Deze regels vergden een vergunning zodra beleggingsadvies aan het publiek werd verstrekt Aangezien de Richtlijn het beleggingsadvies, zoals gedefinieerd in de Richtlijn, voortaan als een volwaardige beleggingsdienst beschouwt, is een afzonderlijk statuut van vennootschap voor beleggingsadvies niet langer nuttig, naast dat van de beleggingsondernemingen enerzijds en de makelaars in bank- en beleggingsdiensten anderzijds.

Dit artikel heft ook artikel 138 van de wet van 6 april 1995 op, gelet op de opheffing van het statuut van vennootschappen voor makelarij in financiële instrumenten.

Art. 75.Zie de commentaar bij de artikelen 56 tot 58.

Art. 76.Dit artikel past artikel 163 van de wet aan dat voorziet in diverse regelingen die de overgang moeten mogelijk maken tussen de diverse categorieën van beleggingsondernemingen voor en na de wetswijziging. Deze overgangsmaatregelen strekken er toe zo veel mogelijk de continuïteit van de huidige activiteiten van de betrokken instellingen te garanderen. De CBFA dient daarbij evenwel in de mogelijkheid gesteld te worden na te gaan of de uitoefeningsvoorwaarden die betrekking hebben op gebeurlijke diensten en activiteiten die pas voor het eerst onder de definitie van de beleggingsdiensten, nevendiensten en financiële instrumenten vallen, aan de voorwaarden van de Richtlijn beantwoorden.

Art. 77.Dit artikel heft een aantal overbodig geworden overgangsmaatregelen op.

Art. 78.Dit artikel vervangt artikel 168 van de wet en wordt hierna, gevolggevend aan het verzoek van de Raad van State, nader toegelicht.

Krachtens het eerste lid van de nieuwe bepaling zullen beleggingsondernemingen die reeds voor 1 november 2007 beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten verrichten binnen de EER, en hiervoor een notificatie met toepassing van artikel 83 en 87 van de wet van 6 april 1995 hebben verricht, niet verplicht worden een nieuwe notificatieprocedure te doorlopen. Hiermee wordt artikel 71 lid 4 van MiFID omgezet. De in het verleden verrichte notificaties met toepassing van de voornoemde bepalingen betroffen enkel vergunde beleggings- of nevendiensten waarvoor er krachtens de beleggingsdiensten richtlijn een Europees paspoort bestond.

Het tweede en derde lid hebben betrekking op grensoverschrijdende activiteiten van beleggingsondernemingen voor diensten en/of instrumenten waarvoor er voorheen geen door Europese richtlijnen geregeld Europees paspoort was. Niettemin konden Belgische beleggingsondernemingen deze diensten verstrekken, onder meer met toepassing van artikel 75 van de wet van 6 april 1995 dat beleggingsondernemingen toelaat diensten te verstrekken die aansluiten bij hun vergunning. Belgische beleggingsondernemingen konden deze diensten ook rechtsgeldig aanbieden in aantal andere lidstaten conform de buitenlandse regelgeving. Ook voor deze grensoverschrijdende dienstverlening is er continuïteit, vermits de MiFID enkel een uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten vergt voor diensten die na 1 november 2007 voor de eerste maal worden aangeboden.

Deze continuïteit is van onbepaalde duur. Het tweede en derde lid verplichten de betrokken ondernemingen wel de CBFA passend in te lichten zodanig dat deze haar toezichtstaken met betrekking tot deze diensten en activiteiten gepast kan uitoefenen.

Hetzelfde principe geldt wat betreft de financiële instrumenten die voor 1 november 2007 niet als zodanig werden gekwalificeerd, maar waar de diensten en activiteiten van de beleggingsonderneming in het buitenland reeds betrekking op hadden.

Art. 79 tot 81. Deze artikels heffen een aantal overbodig geworden artikelen op in de wet. HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen

Art. 82.Dit artikel voegt in artikel 3 van de wet van 22 maart 1993, hierna "de bankwet", een bijkomende definitie in van de notie systematische interne afhandeling.

Art. 83.Dit artikel voegt in de bankwet een nieuw artikel 20bis in.

De inhoud en motivatie van deze bepaling is dezelfde als deze van het nieuwe artikel 62 bis in de wet van 6 april 1995, met uitzondering van § 6, tweede lid van artikel 62 bis dat specifieke maatregelen oplegt ter vrijwaring van de gelden die de cliënt toebehoren waarbij dient voorkomen te worden dat de beleggingsonderneming deze gelden voor eigen rekening zou gebruiken. In tegenstelling tot een beleggingsonderneming mag een kredietinstelling de gelden van haar cliënteel immers wel gebruiken voor eigen rekening.

Art. 84.Dit artikel voegt in de bankwet een artikel 46bis in dat de kredietinstellingen een informatieverplichting oplegt ten aanzien van de CBFA indien zij diensten zouden willen verrichten van systematische interne afhandeling. Deze regeling moet de CBFA in staat stellen de lijst met de instellingen die aan systematische interne afhandeling doen te publiceren.

Art. 85.Deze bepaling preciseert de revisorale opdracht, en strekt onder meer tot omzetting van artikel 20 van de uitvoeringsrichtlijn.

Art. 86.Dit artikel wijzigt artikel 57, § 4 van de bankwet waarbij de systematische miskenning van de gedragsregels aanleiding kan geven tot het nemen van uitzonderingsmaatregelen tegen de kredietinstelling (zie in dit verband de toelichting bij artikel 71).

Art. 87.Artikel 87 bevat de aanpassing van artikel 75 van de bankwet van 22 maart 1993. Dit artikel 75 behandelt de uitzonderingsmaatregelen die kunnen worden getroffen ten aanzien van bijkantoren en dienstverrichtingen in België van kredietinstellingen die onder een andere Lid-Staat van de Europese Economische ruimte ressorteren.

De door artikel 87 aangebrachte wijziging betreft in hoofdzaak de toevoeging van een nieuwe paragraaf (nieuw artikel 75, § 1) om rekening te houden met artikel 62 § 1 van de Europese Richtlijn betreffende de markten voor financiële diensten. De vroegere §§ 1 tot 5 van artikel 75 worden artikel 75, §§ 2 tot 6.

Overeenkomstig het nieuwe artikel 75, § 1, van de bankwet dient de CBFA, wanneer zij vaststelt dat een kredietinstelling die in België actief is via het vrij verrichten van diensten of via een bijkantoor, de verplichtingen schendt die uit de ter uitvoering van de MiFID-Richtlijn vastgestelde bepalingen voortvloeien waarbij aan de CBFA geen bevoegdheden worden verleent, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis te stellen van deze bevindingen.

Indien de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen ontoereikend zijn en de kredietinstelling blijft handelen op een wijze die de belangen van de beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de CBFA een aantal maatregelen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Artikel 75, § 1, preciseert deze maatregelen.

De nieuwe bepaling houdt rekening met de door de MiFID Richtlijn ingevoerde taakverdeling tussen bevoegde autoriteiten, inzonderheid wat de handhaving van de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden ter bescherming van de belegger (gedragsregels) betreft. HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles

Art. 88.Dit artikel past artikel 3 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (hierna in dit hoofdstuk : « de wet ») aan, dat het geheel van definities weergeeft.

Dit artikel wijzigt inzonderheid artikel 3, 1°, a), ii) van de wet dat de toelating tot de verhandeling op een georganiseerde markt als een openbaar aanbod aanmerkt. Als gevolg van de omzetting van de MiFID-Richtlijn, wordt het begrip « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Deze wijziging wordt ook doorgevoerd voor de andere bepalingen van de wet.

Art. 89.Dit artikel strekt tot de wijziging van artikel 5, § 3, 3°, b) van de wet ten gevolge van de aanpassing van de omschrijving van beleggingsonderneming als zijnde een onderneming waarvan het gewone bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten of aanbieden van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten.

Art. 92.Dit artikel wijzigt artikel 43 van de wet. Enerzijds wordt het begrip « beheerstructuur » vervangen door het begrip « beleidsstructuur », waardoor voortaan een zelfde terminologie wordt gehanteerd voor de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de beleggingsvennootschappen, de beleggingsondernemingen en de kredietinstellingen. Anderzijds wordt aan het artikel toegevoegd dat de beheervennootschap, naast de vereiste middelen voor een eigen en voor haar voorgenomen werkzaamheden passende administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie ook over deze middelen moet beschikken voor een eigen en voor haar voorgenomen werkzaamheden passende interne controle.

Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in andere bepalingen van de wet.

Art. 93.Deze bepaling is nodig gelet op de wijzigingen in de categorieën van beleggingsondernemingen.

Art. 94.Dit artikel voorziet in de vervanging van artikel 69 van de wet. De oorspronkelijke tekst van artikel 69 bepaalde in essentie dat de instelling voor collectieve belegging artikel 26 van de wet van 2 augustus 2002, dat de gedragsregels formuleerde, moest naleven in haar relatie met de houders van effecten. Artikel 241 bepaalde dat zolang de inwerkingtreding van artikel 26 niet plaatsvond, de instelling voor collectieve belegging gehouden was tot naleving van artikel 36 van de wet van 6 april 1995.

Naar aanleiding van de omzetting van de Richtlijn is artikel 26 in werking getreden maar ook gewijzigd, zodanig dat de gedragsregels zich voortaan in de artikelen 27 en 28 bis van de wet van 2 augustus 2002 bevinden.

Gelet op het feit dat de in de wet van 2 augustus 2002 geformuleerde gedragsregels de omzetting van de MiFID-Richtlijn beogen, en deze Richtlijn de instellingen voor collectieve belegging uit haar toepassingsgebied sluit, worden deze instellingen niet onderworpen aan de gedragsregels zoals geformuleerd door voormelde wet.

Niettegenstaande deze uitsluiting blijft de gemeenrechtelijke contractuele zorgvuldigheidsplicht onverminderd gelden voor de instelling voor collectieve belegging.

Daarenboven verleent de nieuwe tekst van artikel 69 een machtiging aan de Koning om gedragsregels vast te stellen die de instelling voor collectieve belegging moet naleven bij de uitoefening van haar beheertaken, desgevallend rekening houdend met de aard van de betrokken beheertaak. De Koning kan aan de instelling voor collectieve belegging onder meer de verplichting opleggen tot gehele of gedeeltelijke naleving van de artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002 en de ter uitvoering genomen besluiten. Laatstgenoemde artikelen formuleren de gedragsregelen zoals zij zullen gelden na de omzetting van de Richtlijn

Art. 95.Via dit artikel wordt artikel 70 van de wet opgeheven.

Artikel 70 verplichtte de instelling voor collectieve belegging tot naleving van artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002. Laatstgenoemd artikel, dat vooruitliep op de omzetting van de Richtlijn maar nog niet in werking is getreden, is volledig gewijzigd naar aanleiding van deze omzetting. Overeenkomstig artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002 diende de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging een interne gedragscode vast te leggen met aangepaste regels en procedures om de naleving te verzekeren van de artikelen 25, dat de regels inzake marktmisbruik formuleerde, en 26 (de gedragsregelen) van de wet van 2 augustus 2002. Bovendien bevatte dit artikel regels inzake de aanstelling en de taken van een persoon of comité verantwoordelijk op het gebied van de deontologie. Voortaan liggen in artikel 27 de gedragsregels vervat.

Bij de omzetting van Richtlijn 2006/48/EG van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en van Richtlijn 2006/49/EG van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen zal artikel 40 van de wet worden gewijzigd waardoor de organisatorische vereisten voor de beleggingsvennootschappen worden herschikt en verfijnd. Via deze wijziging zal voor de beleggingsvennootschappen het merendeel van de voorschriften van het oude artikel 27 worden hernomen in artikel 40.

Zo zal het nieuwe artikel 40 van de wet in het bijzonder bepalen dat de beleggingsvennootschap een passend integriteitsbeleid moet uitwerken, een passende, onafhankelijke compliancefunctie moet instellen en passende regels moet uitwerken voor de persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten

Art. 96.Dit artikel wijzigt artikel 71 van de wet, dat betrekking heeft op het afwijkingsbeleid van de CBFA, door de verwijzing naar artikel 26 van de wet van 2 augustus 2002 te vervangen door artikel 27 en 28bis van voormelde wet.

Art. 107.Dit artikel voorziet in de vervanging van artikel 153 van de wet dat specifiek betrekking heeft op de organisatorische vereisten bij het verrichten van beheertaken en beleggingsdiensten.

Deze bepaling strekt enerzijds tot omzetting van artikel 66 van MiFID en anderzijds tot herschikking en precisering van bestaande voorschriften. De Raad van State merkt in zijn advies op dat deze bepaling verder lijkt te gaan dan de wettelijke machtiging. De aandacht dient er echter te worden op gevestigd dat de wettelijke machtiging (artikel 51, § 2, eerste lid, van de wet van 1 april 2007) de Koning machtigt om de bestaande wettelijke bepalingen aan te passen in het kader van de omzetting van Europese Richtlijnen en tegelijk de Koning toelaat om de bestaande regelgeving te coördineren met de uit de communautaire verplichtingen voortvloeiende bepalingen (zie ook in die zin in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 april 2007 : Parl. St. 2006-2007, nr. 2834/001, p. 37). Om die redenen, is er dan ook geen bezwaar tegen de in dit besluit verrichte integrale vervanging van artikel 153 van de wet. Hierna wordt stilgestaan bij enkele nieuwigheden.

Vooreerst bepaalt artikel 153, § 4, eerste lid dat de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, naar analogie met de instelling voor collectieve belegging zelf, een passend integriteitsbeleid dient uit te werken en de nodige maatregelen moet nemen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie.

Verder is specifiek voor de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging het vereiste ingevoerd om de nodige maatregelen te nemen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interne auditfunctie.

Ten slotte dient de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in uitvoering van artikel 13, lid zes van de Richtlijn, de gegevens bij te houden over de door haar verrichte beleggingsdiensten, om de CBFA in staat te stellen na te gaan of de vennootschap de bepalingen van de wet naleeft, inzonderheid of de vennootschap haar verplichtingen tegenover haar cliënteel nakomt.

De bepalingen van artikel 153 dienen verder uitgewerkt te worden om rekening te houden met de uitvoeringsrichtlijn 2006/73 van 10 augustus 2006. Daarom voorziet het artikel in de mogelijkheid om deze materie verder aan te vullen bij een reglement van de CBFA.

Art. 108.Dit artikel vult artikel 154 van de wet aan met een vijfde paragraaf, waarin in uitvoering van artikel 13, vijfde lid van de Richtlijn een regeling wordt uitgewerkt voor de uitbesteding van operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening door een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging bij de uitoefening van beleggingsdiensten. Dankzij de invoeging van deze bepaling in artikel 154, eerder dan in artikel 153 dat de overige organisatorische vereisten groepeert, ligt het geheel van voorschriften inzake uitbesteding door een beheervennootschap in één artikel vervat

Art. 109.Dit artikel wijzigt artikel 169 van de wet. De oorspronkelijke tekst van laatstgenoemd artikel schreef voor dat de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging zich in haar relaties met de instellingen voor collectieve belegging die zij beheert, evenals met de cliënten, diende te houden aan artikel 26 van de wet van 2 augustus 2002, dat de gedragsregelen formuleerde. De inwerkingtreding van artikel 169 was evenwel pas voorzien bij de inwerkingtreding van artikel 26 van de wet van 2 augustus 2002; tot op dat ogenblik was de beheervennootschap gehouden tot naleving van artikel 36 van de wet van 6 april 1995.

Paragraaf 1 van het nieuwe artikel 169 verleent, naar analogie met de instellingen voor collectieve belegging, een machtiging aan de Koning om gedragsregels vast te stellen die de beheervennootschap moet naleven bij de uitoefening van de beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9° van de wet, desgevallend rekening houdend met de aard van de betrokken beheertaak. De Koning kan daarbij aan de beheervennootschap van de instelling voor collectieve belegging onder meer de verplichting opleggen tot naleving van de artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002 en de ter uitvoering genomen besluiten.

Laatstgenoemde artikelen, die tot de omzetting van de MiFID-Richtlijn strekken, formuleren voortaan de gedragsregelen.

De gemeenrechtelijke contractuele zorgvuldigheidsplicht blijft uiteraard onverminderd gelden voor de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging.

In uitvoering van artikel 5, vierde lid van de geconsolideerde Richtlijn 85/611/EEG legt artikel 169, § 2 de beheervennootschap de verplichting op de artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002 na te leven bij de uitoefening van beleggingsdiensten.

Krachtens paragraaf 3 van artikel 169, dat - althans wat de uitoefening van beleggingsdiensten betreft - de omzetting vormt van artikel 13, tweede lid van de Richtlijn, dient de beheervennootschap enerzijds passende beleidslijnen en procedures vast te leggen teneinde de naleving van de paragrafen 1 en 2 door de beheervennootschap, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren, en anderzijds passende regels uit te werken voor de persoonlijke verrichtingen en transacties van voormelde personen.

Gelet op de verwevenheid van beleggingsdiensten en beheertaken binnen de organisatie van de beheervennootschap, dienen beide soorten taken te worden gelijkgeschakeld

Art. 110.Dit artikel strekt tot opheffing van artikel 172 van de wet.

Overeenkomstig artikel 172 diende de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging een interne gedragscode vast te leggen met aangepaste regels en procedures om de naleving te verzekeren van artikel 169 van de wet en van artikel 25 van de wet van 2 augustus 2002, dat de regels inzake marktmisbruik formuleerde.

Bovendien bevatte dit artikel regels inzake de aanstelling en de taken van een persoon of comité verantwoordelijk op het gebied van de deontologie. Dat artikel was analoog aan het oorspronkelijke artikel 27 van de wet van 2 augustus 2002, met uitzondering van de verwijzing naar artikel 169. De inwerkingtreding van artikel 172 zou evenwel slechts plaatsvinden bij de inwerkingtreding van de artikelen 26 en 27 van de wet van 2 augustus 2002.

Niettegenstaande de opheffing van artikel 172, zijn de meeste voorschriften van dit artikel behouden.

Zo wordt beoogd de compliance-bepalingen van artikel 172, § 2 te preciseren in de uitvoeringsregels van artikel 153, § 4, eerste lid.

De overige voorschriften van artikel 172 die naar aanleiding van de omzetting werden behouden, liggen vanaf nu vervat in artikel 169, § 3.

Art. 111.Dit artikel past de verwijzingen van artikel 173 aan.

Art. 112.Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf toe aan artikel 197 die er toe strekt de systematische en ernstige miskenning van de gedragsregels te handhaven via de uitzonderingsmaatregelen voorzien in de paragrafen 1 tot en met 5 van artikel 197.

Art. 116.Dit artikel strekt tot de opheffing van artikel 241 van de wet, dat de inwerkingtreding van bepaalde artikelen van de wet uitstelde tot op de dag van inwerkingtreding van de artikelen 26 en 27 van de wet van 2 augustus 2002. Deze opheffing is noodzakelijk aangezien zowel de betrokken bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 als die van de wet van 20 juli 2004 ten gevolge van de omzetting van de Richtlijn gewijzigd zijn. HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten

Art. 117.Dit artikel wijzigt artikel 4 van de wet van 22 maart 2006, hierna "de wet". Het gaat om een aanpassing van een verwijzing naar de wet van 6 april 1995.

Art. 118.De wijziging in artikel 5 van dezelfde wet beoogt enerzijds artikel 32, § 2, laatste lid, van de MiFID om te zetten. Er kan worden opgemerkt dat voor in België gevestigde agenten die optreden voor EU-beleggingsondernemingen de inschrijving in het register van bemiddelaars dient te worden gecombineerd met de naleving van de vereisten voor een bijkantoor van een buitenlandse beleggingsonderneming.

De wijziging beoogt anderzijds artikel 23, § 3, tweede lid, van MiFID om te zetten.

Art. 119.Dit artikel wijzigt artikel 11 van de wet; De wijziging betreft een aanpassing aan de nieuwe terminologie en definities ingevoegd in de wet van 6 april 1995

Art. 120.Dit artikel wijzigt artikel 12, § 1, tweede lid van de wet.

De wijziging maakt het voortaan mogelijk dat een makelaar in bank- en beleggingsdiensten voor eigen rekening diensten van beleggingsadvies zal mogen verstrekken. Deze bepaling vormt een toepassing van artikel 3 van de Richtlijn dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om de personen van de toepassing van de Richtlijn vrij te stellen die : - geen aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten mogen aanhouden en daarom jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie mogen verkeren, en - geen beleggingsdiensten mogen verrichten, met uitzondering van het ontvangen en doorgeven van orders in effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging en het beleggingsadvies dat omtrent deze financiële instrumenten wordt verstrekt, en tijdens het verrichten van die dienst alleen orders mogen doorgeven aan instellingen onder vergunning, - mits een passende nationale regulering.

Dergelijke vrijgestelde personen genieten niet van het Europese paspoort.

Het artikel machtigt de Koning specifieke organisatorische regels evenals gedragsregels op te leggen aan deze makelaars. Deze uitvoeringsmaatregelen zullen moeten verzekeren dat de makelaars in bank- en beleggingsdiensten, voor beleggingsadvies aan passende gedragsregels en organisatorische regels onderworpen worden. Aldus zal worden bijgedragen tot coherente regels ter bescherming van de belegger voor alle instellingen wanneer zij diensten van beleggingsadvies verstrekken. HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt Dit hoofdstuk (artikelen 121 tot 124) bevat wijzigingen in de prospectuswet om rekening te houden met de nieuwe begrippen zoals MTF die ingevolge MiFID in het Belgisch financieel recht worden ingevoerd.

HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen Art. 125 tot 128. Deze bepalingen regelen de inwerkingtreding van de wet. Er wordt ook een overgangsregeling ingevoerd voor de bestaande gereglementeerde markten. Deze bepaling sluit aan bij artikel 72, lid 2, van MiFID. Hierna is een tabel gevoegd met enerzijds de bepalingen van het huidig ontwerp en anderzijds de corresponderende communautaire bepalingen.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS

Advies 42.812/2 van 18 april 2007 van de afdeling van de Raad van State De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 12 april 2007 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot omzetting van de Europese Richtlijn betreffende de markten voor financiële instrumenten", heeft het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

In het onderhavige geval luidt de brief met de adviesaanvraag als volgt : « En effet, l'urgence est motivée par le fait : - que la Directive MiFID 2004/39/CE et la Directive d'exécution 2006/73/CE doivent être transposées en droit belge; - que la transposition des deux Directives doit avoir lieu simultanément dans la mesure où leurs dispositions sont étroitement liées; - que ces Directives ne laissent qu'un délai limité pour la transposition en droit belge puisque la Directive d'exécution n'a été publiée qu'en septembre 2006 et que la date de transposition de celle-ci a été fixée au 31 janvier 2007; - que pour permettre aux établissements fournissant des services d'investissement ainsi qu'aux marchés réglementés de se préparer aux nouvelles règles, les Directives ont fixé l'entrée en vigueur des dispositions de transposition au 1er novembre 2007; - que la date de transposition des Directives est dépassée; - que pour accélérer leur transposition en droit belge, il est fait usage d'habilitations légales qui confèrent au Roi le pouvoir de procéder aux modifications législatives requises; que ces habilitations doivent être utilisées au plus vite pour ne pas en perdre l'utilité; - que le présent arrêté vise à opérer les modifications législatives requises pour assurer la transposition des Directives précitées; - que, sans le bénéfice de l'urgence, le risque est grand que les nouvelles règles soient adoptées avec un retard considérable; - que le présent arrêté doit être adopté sans délai étant donné que tout report compliquerait sérieusement la mise en oeuvre, à temps et correctement, de la nouvelle réglementation par le secteur financier dans la mesure où celui-ci doit pouvoir prendre connaissance de cette nouvelle réglementation pour s'y conformer sur le plan de la classification, des profils et de la documentation des clients, ainsi que sur le plan des politiques suivies et des documents reprenant ces politiques, des systèmes informatiques et des structures organisationnelles; que les participants du marché ne peuvent en effet arrêter une décision définitive quant aux étapes opérationnelles nécessaires qu'une fois les dispositions de transposition adoptées; - qu'il convient d'éviter que les activités transfrontalières du secteur financier belge soient entravées et que le secteur subis se un préjudice du fait que le passeport européen des établissement belges serait remis en question pour cause de respect inadéquat de la nouvelle réglementation, lequel serait à son tour causé par l'adoption et la publication tardives des dispositions des transpositions; - qu'il convient également d'éviter que le renforcement de la protection des investisseurs, visé par les Directives précitées, ne soit pas totalement garanti au 1er novembre 2007 au motif que les établissements financiers ne seraient pas en mesure de respecter leurs nouvelles obligations à temps correctement en raison de leur promulgation tardive; - qu'il est, enfin, impératif d'adopter le présent arrêté sans délai pour éviter que les avantages du marché des capitaux plus intégrés, résultant de la MiFID, profitent dans une moindre mesure à l'économie belge, ce qui affecterait sa compétitivité. » Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voorafgaande opmerking De technische aard van het ontwerp, de omvang ervan en de juridische vragen die het doet rijzen, inzonderheid wat betreft de verenigbaarheid ervan met het Europees recht, hadden een onderzoek door de afdeling wetgeving van de Raad van State verdiend binnen een langere termijn dan die welke gesteld door de adviesaanvrager, een termijn beperkt tot vijf werkdagen met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De afdeling wetgeving heeft niet kunnen beschikken over de tijd die noodzakelijk is om het ontwerp grondig te onderzoeken, en dit zelfs niet wat betreft de punten opgesomd in artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten. Uit de omstandigheid dat in dit advies geen opmerking over een welbepaalde bepaling wordt gemaakt, kan niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat er niets tegen in te brengen is, noch dat een opmerking, wanneer ze wordt gemaakt, exhaustief is.

Het is onder dit voorbehoud dat dit advies wordt uitgebracht.

Algemene opmerkingen 1. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe twee Europese Richtlijnen (1) om te zetten en de aanpassingen aan te brengen die vereist zijn krachtens verordening nr.1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn betreft (hierna te noemen "verordening 1287/2006").

De steller van het ontwerp steunt hiertoe op verschillende wetsbepalingen die de Koning machtigen Europese rechtsnormen om te zetten en in dit kader de van kracht zijnde wetsbepalingen aan te vullen, te vervangen, op te heffen of te coördineren, alsook de maatregelen en administratieve en strafrechtelijke sancties te bepalen die van toepassing zijn wanneer de regels niet worden nageleefd.

Het gaat om : - artikel 51 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnameaanbiedingen; - artikel 146 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten; - artikel 230 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

Deze verschillende bepalingen schrijven evenwel voor dat het op basis ervan vastgestelde koninklijk besluit ter bekrachtiging aan het Parlement moet worden voorgelegd. 2.1. De Raad van State stelt vast dat in sommige gevallen de ontworpen tekst verder lijkt te gaan dan de Richtlijnen en de verordening die hij moet omzetten of in het Belgische recht ten uitvoer moet leggen.

Dit is het geval met de artikelen 2, 21 en 45 van het ontwerp (ontworpen artikelen 2, eerste lid, 1°, k), 26, eerste lid, 6°, en 58), die in het kader van de bijzondere opmerkingen zullen worden onderzocht.

Doordat niet kan worden aangegeven welke bepaling van de Richtlijn of van de verordening wordt omgezet of uitgevoerd, moeten deze artikelen vervallen, zelfs al wordt er gewoon het bestaande recht in overgenomen (2). 2.2. De aandacht van de steller van het ontwerp wordt gevestigd op de noodzaak om zich strikt te houden aan de tenuitvoerlegging van de wettelijke machtigingen die aan de Koning zijn verleend (door de voormelde wetten van 2 augustus 2002, 20 juli 2004 en 1 april 2007, vermeld in de aanhef), welke machtigingen beperkt zijn tot de maatregelen die "noodzakelijk" zijn om de "dwingende" bepalingen van de betrokken Europese teksten om te zetten.

Doordat de steller van het ontwerp niet duidelijk en nauwkeurig vermeldt welke dwingende bepalingen van Europees recht moeten worden gekozen met het oog op omzetting ervan, zouden de bepalingen die verder gaan dan de aan de Koning verleende machtiging uit de ontworpen tekst moeten worden gehaald.

De artikelen die gelet op het vorenstaande problemen doen rijzen, worden in het raam van de bijzondere opmerkingen vermeld. 3. De adviesaanvraag gaat vergezeld van twee tabellen waarin de bepalingen van de Richtlijnen en die van het ontwerp die ze omzetten met elkaar in verband worden gebracht.Het is dienstig dat deze tabellen, die het onderzoek naar de conformiteit van de ontworpen tekst met het Europees recht vergemakkelijken, bij het verslag aan de Koning worden gevoegd. Ze moeten evenzo ter kennis van de Kamers worden gebracht wanneer het koninklijk besluit eraan ter bekrachtiging wordt voorgelegd.

Bijzondere opmerkingen Aanhef De twee Richtlijnen die in het eerste en derde lid van de aanhef worden vermeld, vormen niet de rechtsgrond van het ontwerp van besluit, zodat ze moeten vervallen. Hetzelfde geldt voor de verordening waarnaar wordt verwezen in het tweede lid, die de in het eerste lid vermelde Richtlijn ten uitvoer legt.

Dispositief Artikel 2 Het ontworpen artikel 2, 1°, k), gaat verder dan artikel 4, lid 1, 17°, van de MiFID-Richtlijn, dat een limitatieve opsomming geeft van wat onder "financiële instrumenten" moet worden verstaan.

Het moet daarom vervallen.

Artikel 12 1. Dit artikel strekt er inzonderheid toe artikel 9, 2°, van de voormelde wet van 2 augustus 2002 aan te vullen met de volgende zin : « (...) op advies van de CBFA kan de Koning bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad de opname, op de door Hem bepaalde wijze, van de cliëntenidentiteit in de kennisgevingen voorschrijven;" Artikel 13, lid 4, van verordening 1287/2006 bepaalt weliswaar het volgende : « De lidstaten kunnen ook voorschrijven dat in een overeenkomstig artikel 25, leden 3 en 5, van Richtlijn 2004/39/EG verrichte transactiemelding de cliënten moeten worden geïdentificeerd in wier naam de beleggingsonderneming de transactie in kwestie heeft uitgevoerd".

Deze loutere mogelijkheid die de lidstaten door die verordeningsbepaling wordt gelaten is het dus waarvoor de ontworpen zin de Koning wil machtigen tot tenuitvoerlegging. Artikel 51, § 1, 3°, van de voornoemde wet van 1 april 2007 machtigt Hem evenwel de wet alleen aan te vullen om "de aanpassingsmaatregelen (te) treffen nodig ingevolge de verordening 1287/2006".

Er wordt derhalve verwezen naar algemene opmerking 2.2, des te meer daar de bepaling, door de aangelegenheid die ze regelt, inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en de inachtneming van artikel 22 van de Grondwet een optreden van de wetgever vereist. 2. Artikel 12 van het ontwerp strekt er eveneens toe artikel 9, 3°, van de voornoemde wet van 2 augustus 2002 aan te vullen met een c) inzake : « (...) de bekendmaking van marktinformatie van zowel vóór als na de handel betreffende transacties in niet tot een gereglementeerde markt toegelaten financiële instrumenten, die zijn toegelaten tot de verhandeling op een Belgische MTF, al dan niet op de MTF uitgevoerd".

Aangezien deze machtiging geen rechtsgrond vindt in artikel 25, lid 3, van de MiFID-Richtlijn, vermits dit artikel alleen betrekking heeft op "tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten financiële instrumenten", is het de Raad van State niet duidelijk van welke andere bepaling ervan deze bijkomende wettelijke machtiging een van de "nodige maatregelen ter omzetting van de dwingende bepalingen die voortvloeien uit de Richtlijn 2004/39/EG" zou zijn die de Koning zou mogen toevoegen aan de wetgeving overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van de voormelde wet van 1 april 2007.

Er dient derhalve te worden verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2., tenzij duidelijk en nauwkeurig wordt aangegeven voor welke dwingende bepalingen van deze Richtlijn de onderzochte machtiging zou moeten worden toegevoegd om voor de omzetting te zorgen.

Artikelen 17 en 18 Doordat het ontworpen artikel 17, § 1, 4°, niet alleen betrekking heeft op "de personen die het bedrijf en de werking van de gereglementeerde markt feitelijk leiden", zoals aangegeven in artikel 37 van de MiFID-Richtlijn, maar eveneens op "de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming en van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt, zonder deel te nemen aan de effectieve leiding", lijkt het geen rechtvaardigingsgrond te vinden in de noodzaak om sommige van de dwingende bepalingen van dit artikel 37 om te zetten. Er wordt derhalve verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2. De opmerking geldt ook voor het ontworpen artikel 17bis in artikel 18.

Hetzelfde geldt voor het ontworpen artikel 17, § 1, 5°, in zoverre het betrekking heeft op "de financiële toestand van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt", welke toestand niets uitstaande heeft met artikel 39, f), van dezelfde Richtlijn, alsook voor het ontworpen artikel 17, § 1, 9°, dat niet vereist lijkt te zijn voor de omzetting van de dwingende opheffingsbepalingen van artikel 50 van de Richtlijn.

Artikel 21 Bij het ontworpen artikel 26, vierde lid, wordt artikel 42, lid 4, van de MiFID-Richtlijn omgezet, welke bepaling evenwel alleen betrekking heeft op transacties op een gereglementeerde markt. Voor zover in de ontworpen bepaling eveneens sprake is van de "MTF", wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2. 2. Bij artikel 21 wordt artikel 26 van de voormelde wet van 2 augustus 2002 vervangen. In het ontworpen artikel 26, eerste lid, 6°, wordt bepaald dat "andere instellingen (die de Koning op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, hierna te noemen de "CBFA", aanwijst), in voorkomend geval voor de door de Koning aangeduide of aangepaste bepalingen door Hem aan de door en krachtens de artikelen 27, 28 en 28bis bepaalde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden kunnen worden onderworpen".

De steller van het ontwerp zou die uitbreiding moeten verantwoorden, aangezien de MiFID-Richtlijn blijkbaar geen dergelijke mogelijkheid bevat en daarin alleen een limitatieve opsomming voorkomt.

Artikel 29 1. Het ontworpen lid dat in onderdeel 1° vervat is, lijkt geen enkele van de dwingende bepalingen van artikel 56 van de MiFID-Richtlijn om te zetten.Bijgevolg zij verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2. 2. In artikel 29, 2°, van het ontwerp worden de woorden "aanzienlijk belang" in de ontworpen paragraaf 4 gebezigd zonder dat ze nader bepaald worden.Aangezien dat criterium doorslaggevend is voor het instellen van samenwerkingsregelingen door de CBFA, zouden die woorden beter omschreven moeten worden, eventueel door verwijzing, in het dispositief, naar artikel 16 van verordening 1287/2006, zoals in het verslag aan de Koning wordt vermeld.

Artikelen 38, 42, 44 en 45 De redactie van het ontworpen artikel dat vervat is in artikel 38, lijkt niet het resultaat te zijn van wijzigingen die noodzakelijk zijn om de omzetting van de artikelen 5, lid 1, en 6, lid 1, van de MiFID-Richtlijn tot stand te brengen, zodat de voorgenomen wijzigingen op het stuk van de soorten vergunningen en de diensten die op basis daarvan als "vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies" mogen worden verricht blijkbaar geen toereikende rechtsgrond bezitten.

Bijgevolg wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2.

Deze opmerking geldt eveneens voor de artikelen 42 en 44, 2°, 4° en 5°.

In het licht van hetgeen voorafgaat en gelet op de korte termijn die voor het onderzoek van de adviesaanvraag is toegemeten, heeft de Raad van State zich er niet van kunnen vergewissen dat de wijzigingen in artikel 58, die voortvloeien uit de nieuwe redactie ervan voorgeschreven in artikel 45 van het ontwerp, noodzakelijk zijn voor de omzetting van dwingende bepalingen van de voornoemde Richtlijn, inzonderheid van artikel 12 ervan, alsook voor het voldoen van de eisen opgelegd bij de bepalingen van Europees recht waarnaar daarin wordt verwezen.

Artikel 47 Paragraaf 3 van het ontworpen artikel 60 heeft blijkbaar niets uitstaande met artikel 9 van de MiFID-Richtlijn. Er wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2.

Artikel 48 Het ontworpen artikel 62bis lijkt bepalingen te bevatten die niet allemaal noodzakelijk zijn voor de omzetting van de dwingende bepalingen van de MiFID-Richtlijn tot uitvoering waarvan dat artikel strekt. Zo is inzonderheid paragraaf 8 de uitoefening van een louter recht dat bij artikel 51, lid 4, van Richtlijn 2006/73/EG aan de lidstaten wordt verleend. Bijgevolg zij verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2., temeer daar paragraaf 8, naar luid waarvan het opnemen van telefoongesprekken of elektronische mededelingen die verband houden met orders van cliënten in financiële instrumenten bij koninklijk besluit kan worden geregeld, verband houdt met een aangelegenheid die een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan meebrengen; welnu, om voor de naleving van artikel 22 van de Grondwet te zorgen moet elke uitzondering op het principe van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer evenwel door de wetgever tot stand worden gebracht.

Hoe dan ook kan het regelen van deze aangelegenheid om dezelfde redenen niet aan de CBFA worden toevertrouwd, zoals in paragraaf 9 wordt bepaald.

Artikel 49 Artikel 49 zorgt voor de omzetting van artikel 11 van de MiFID-Richtlijn, dat alleen betrekking heeft op "elke entiteit die een vergunning als beleggingsonderneming aanvraagt". In het ontworpen artikel 65, zijnerzijds, is sprake van "de beleggingsondernemingen alsook de andere ondernemingen of personen die door de Koning worden aangeduid". Voor zover ze de vergunning als beleggingsonderneming niet zouden aanvragen, wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2.

Artikelen 61, 70 en 76 Deze artikelen geven aanleiding tot dezelfde opmerking als die welke over artikel 38 is gemaakt.

Artikel 62 In het ontworpen artikel 81, tweede lid, wordt bepaald dat de beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend "de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen op de hoogte (dienen) te brengen van elke betekenisvolle wijziging met betrekking tot de voorwaarden voor de initiële vergunningverlening", wat de indruk wekt dat wijzigingen die van gering belang zijn niet hoeven te worden meegedeeld, terwijl in het verslag aan de Koning wordt aangegeven dat bij het nieuwe artikel "aan de instelling (de verplichting wordt opgelegd) om wijzigingen in de wettelijke vergunningsvoorwaarden steeds voor te leggen aan de CBFA".

Die discrepantie moet worden verholpen.

Artikel 78 Bij artikel 78 van het ontwerp wordt artikel 168 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs vervangen. Zoals de tekst geredigeerd is, geeft hij aanleiding tot twee vragen. Ten eerste, moet de tekst aldus worden verstaan dat, als de beleggingsonderneming in een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte diensten of activiteiten uitvoerde vóór 1 november 2007, ze die kan voortzetten ook al heeft ze geen vergunning gekregen, voor zover ze de vereiste kennisgeving aan de CBFA verricht voor 31 januari 2008 ? Ten tweede, is de voortzetting van de activiteiten en diensten van dit type van beleggingsonderneming beperkt in de tijd, naar het voorbeeld van wat bepaald is in het nieuwe artikel 163, §§ 3 en 4, namelijk tot 31 maart 2008 ? Artikel 83 1. Artikel 83 geeft aanleiding tot dezelfde opmerking als die welke bij artikel 48 is gemaakt.2. Bij deze bepaling wordt bepaald dat in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen een artikel 20bis wordt ingevoegd waarin, inzonderheid in paragraaf 4, derde lid, ervan wordt voorgeschreven dat de CBFA "een beleidsverklaring (publiceert) inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten". In de Franse tekst is de verwijzing naar "sa politique d'externalisation" dubbelzinnig. Het gaat uiteraard om het beleid van de kredietinstelling en niet om dat van de CBFA, welke indruk door de tekst kan worden gewekt.

Als het daarentegen om het beleid van de CBFA zelf zou gaan, zou de tekst aanleiding geven tot de volgende opmerking : hoewel de CBFA op vele terreinen een nadere omschrijving kan geven van de regels en de daaruit voortvloeiende verplichtingen (zie bijvoorbeeld het ontworpen artikel 20bis, § 1, derde lid, en § 9) en door dat feit alleen al de naleving ervan verplicht kan maken, zou ze in het onderhavige geval alleen een verklaring publiceren, waaruit moet worden afgeleid dat ze een indicatieve waarde en geen bindende waarde heeft. De steller van het ontwerp zou uitleg moeten geven omtrent deze vermindering van de bescherming van de cliënten van de kredietinstellingen op het stuk van de uitbesteding van diensten van vermogensbeheer.

Het dispositief behoort aldus te worden herzien dat het duidelijker wordt en het verslag aan de Koning behoort te worden aangevuld.

Artikel 93 Er wordt verwezen naar de opmerking die bij artikel 38 is gemaakt.

Artikel 107 Het ontworpen artikel 153 reikt blijkbaar verder dan de wettelijke machtiging op basis waarvan de aanpassingen mogen worden verricht die vereist zijn door de dwingende bepalingen van de artikelen 12, 13, 19 en 66 van de MiFID-Richtlijn.

Er wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.2.

De kamer was samengesteld uit de heren Y. KREINS, kamervoorzitter, P. VANDERNOOT, Mevr. M. BAGUET, staatsraden, assessor van de afdeling wetgeving, de heer G. KEUTGEN, staatsraden, assessor van de afdeling wetgeving, Mevr. B. VIGNERON, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J.-L. PAQUET, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. VANDERNOOT. De Griffier, B. VIGNERON De Voorzitter, Y. KREINS _______ Nota's (1) Het gaat om : - Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (hierna te noemen "MiFID-Richtlijn"); - Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn. (2) Ook al maakt zo'n werkwijze het mogelijk, zoals in casu, om een globale hervorming op te vatten die moet beantwoorden aan vereisten inzake consistentie en leesbaarheid, ze heeft tot gevolg dat er wordt voorzien in een nieuwe termijn om beroep in te stellen tegen de bepalingen die aldus zouden worden uitgevaardigd, met inbegrip van de aspecten van deze bepalingen die geen enkele fundamentele wijziging hebben ondergaan. 27 APRIL 2007. - Koninklijk besluit tot omzetting van de Europese richtlijn betreffende de markten voor financiële instrumenten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, inzonderheid op artikel 146, vervangen bij de wet van 14 februari 2005;

Gelet op de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, inzonderheid op artikel 230, § 2, gewijzigd bij de wet van 16 juni 2006;

Gelet op de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen, inzonderheid op artikelen 51 en 77;

Gelet op het advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, gegeven op 29 januari en 6 februari 2007;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 14 maart 2007;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 16 maart 2007;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid - dat de MiFID-Richtlijn 2004/39/EG en de uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG in Belgisch recht moeten worden omgezet; - dat de omzetting van beide Richtlijnen omwille van hun onderlinge samenhang gelijktijdig dient te gebeuren; - dat de Richtlijnen slechts een beperkte termijn voor de omzetting in Belgisch recht laten vermits de uitvoeringsrichtlijn slechts in september 2006 werd bekendgemaakt en de omzettingsdatum op 31 januari 2007 is bepaald; dat om de instellingen die beleggingsdiensten verstrekken alsook de gereglementeerde markten toe te laten zich voor te bereiden op de nieuwe regels de Richtlijnen de inwerkingtreding van de omzettingsbepalingen vaststellen op 1 november 2007; - dat de omzettingsdatum van de Richtlijnen verstreken is; - dat om de omzetting in Belgisch recht te bespoedigen gebruik wordt gemaakt van wettelijke machtigingen die de Koning de bevoegdheid toekennen om de nodige wetswijzigingen aan te brengen; dat deze machtiging zo vlug mogelijk dient gebruikt te worden om het nut ervan niet te verliezen; - dat het onderhavig besluit er toe strekt de voor de omzetting van voornoemde Richtlijnen vereiste wetswijzigingen door te voeren; - dat zonder een spoedbehandeling een belangrijk risico bestaat dat de nieuwe regels slechts met een aanzienlijke vertraging zullen worden goedgekeurd; - dat dit besluit zonder verwijl dient te worden getroffen, vermits elk uitstel de tijdige en correcte implementatie van de nieuwe regelgeving door de financiële sector ernstig bemoeilijkt in de mate dat de financiële sector van de nieuwe regelgeving kennis moet kunnen nemen om zich hieraan te conformeren op het vlak van de cliëntenclassificatie, -profielen en -documentatie, beleidslijnen en - documenten, informaticasystemen en organisatorische structuren; de marktdeelnemers kunnen immers slechts definitieve beslissingen nemen over de vereiste operationele stappen wanneer de finale omzettingsbepalingen zijn getroffen; - dat dient te worden vermeden dat de grensoverschrijdende activiteit van de Belgische financiële sector wordt gehinderd en de sector schade lijdt doordat het Europees paspoort van de Belgische instellingen zou in vraag worden gesteld omwille van ontoereikende naleving van de nieuwe regelgeving die op zijn beurt is veroorzaakt door de laattijdige goedkeuring en bekendmaking van de omzettingsbepalingen; - dat eveneens dient te worden vermeden dat de door de Richtlijnen voorziene versterking van de beleggersbescherming niet volledig gewaarborgd is op 1 november 2007, in die mate dat de financiële instellingen de nieuwe verplichtingen niet tijdig en correct kunnen naleven ingevolge hun laattijdige goedkeuring; - dat dit besluit ten slotte zonder verwijl dient te worden getroffen om te vermijden dat de voordelen van een uit de MiFID voortvloeiende meer geïntegreerde kapitaalmarkt de Belgische economie minder zouden ten goede komen wat diens concurrentiepositie kan aantasten;

Gelet op het advies 42.812/2 van de Raad van State, gegeven op 18 april 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Dit besluit strekt inzonderheid 1° tot omzetting van de Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad;2° tot omzetting van de Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn;3° tot het treffen van de aanpassingsmaatregelen nodig ingevolge de Verordening 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn betreft. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002

Art. 2.In artikel 2, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten worden de volgende wijzingen aangebracht : 1° het 1°, a) tot j) , wordt vervangen als volgt : « 1° « financieel instrument » : elk instrument dat tot één van de volgende categorieën behoort : a) effecten, als omschreven in het 31°;b) geldmarktinstrumenten, als omschreven in het 32°;c) rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging;d) opties, futures, swaps, rentetermijn-contracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of andere afgeleide instrumenten, financiële indexen of maatstaven en die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten;e) opties, futures, swaps, rentetermijn-contracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en in contanten moeten of mogen worden afgewikkeld naar keuze van één van de partijen (tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het contract tot gevolg heeft);f) opties, futures, swaps en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering, mits zij worden verhandeld op een gereglementeerde markt en/of een MTF;g) andere, niet in f) vermelde opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen, die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering en niet voor commerciële doeleinden bestemd zijn, en die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten hebben, waarbij inzonderheid in aanmerking wordt genomen of de clearing en afwikkeling via erkende clearinghouses geschiedt en of er regelmatig sprake is van "margin calls" (verzoek om storting van extra zekerheden);h) afgeleide instrumenten voor de overdracht van het kredietrisico;i) financiële contracten ter verrekening van verschillen ("contracts for differences");j) opties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten met betrekking tot klimaatvariabelen, vrachttarieven, emissievergunningen, inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken, en die contant moeten, of, op verzoek van één der partijen, kunnen worden afgewikkeld (tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het contract tot gevolg heeft), alsmede andere derivatencontracten met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, indices en maatregelen dan die vermeld in het 1° die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij inzonderheid in aanmerking wordt genomen of zij op een gereglementeerde markt of MTF worden verhandeld, of de clearing en afwikkeling via erkende clearinghouses geschiedt, en tevens of er regelmatig sprake is van "margin calls" (verzoek om storting van extra zekerheden);»; 2° het 4° wordt vervangen als volgt : « 4° « multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility - MTF) » : een door een beleggingsonderneming, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van deze wet of titel II van de Richtlijn 2004/39/EG;»; 3° het 5° wordt vervangen als volgt : « 5° « Belgische gereglementeerde markt » : een door een marktonderneming geëxploiteerd en/of beheerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem - samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en/of de systemen van de markt tot de handel zijn toegelaten, en waaraan vergunning is verleend en die regelmatig werkt, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II;»; 4° het 6° wordt vervangen als volgt : « 6° « buitenlandse gereglementeerde markt » : elke markt voor financiële instrumenten die is georganiseerd door een marktonderneming waarvan de Staat van herkomst een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte is dan België, en waaraan in deze lidstaat een vergunning als gereglementeerde markt met toepassing van titel III van de Richtlijn 2004/39/EG is verleend;»; 5° het 7° wordt vervangen als volgt : « 7° « marktonderneming » : een persoon of personen die het bedrijf van een gereglementeerde markt beheren en/of exploiteren;de gereglementeerde markt kan de marktonderneming zelf zijn; »; 6° het 8° wordt vervangen als volgt : « 8° « systematische internaliseerder » of « beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling » : een beleggingsonderneming of kredietinstelling die op een georganiseerde, frequente en systematische wijze voor eigen rekening cliëntenorders uitvoert buiten een gereglementeerde markt of een MTF;»; 7° het 10°, d), wordt vervangen als volgt : « d) de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht die over een vergunning als beursvennootschap of vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikken;»; 8° het 10°, g), wordt opgeheven;9° het 11° wordt vervangen als volgt : « 11° « lidstaat van herkomst » : a) in het geval van een beleggingsonderneming : i) indien de beleggingsonderneming een natuurlijke persoon is, de lidstaat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft; ii) indien de beleggingsonderneming een rechtspersoon is, de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen; iii) indien de beleggingsonderneming overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen; b) in het geval van een gereglementeerde markt : de lidstaat waar de statutaire zetel van de gereglementeerde markt is gelegen of, indien deze overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar het hoofdkantoor van de gereglementeerde markt is gelegen;»; 10° het 13° wordt vervangen als volgt : « 13° « lidstaat van ontvangst » : de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de beleggingsonderneming een bijkantoor heeft of diensten en/of activiteiten verricht, of de lidstaat waar een gereglementeerde markt passende voorzieningen treft om de toegang tot de handel in zijn systeem voor in laatstgenoemde lidstaat gevestigde leden of deelnemers op afstand te faciliteren;»; 11 ° het 15° wordt vervangen als volgt : « 15° « limietorder » : een order om een financieel instrument tegen de opgegeven limietkoers of een betere koers en voor een gespecificeerde omvang te kopen of te verkopen; ».

Art. 3.Artikel 2, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « 27° « cliënt » : iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming of kredietinstelling beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht; 28° « professionele cliënt » : een cliënt die voldoet aan de criteria bepaald door de Koning op advies van de CBFA;29° « niet-professionele cliënt » : een cliënt die niet als een professionele cliënt wordt behandeld;30° « in aanmerking komende tegenpartijen » : door de Koning op advies van de CBFA bepaalde personen;31° « effecten » : alle categorieën op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren, betaalinstrumenten uitgezonderd, zoals : a) aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten;b) obligaties en andere schuldinstrumenten, alsmede certificaten betreffende dergelijke effecten;c) alle andere waardepapieren die het recht verlenen die effecten te verwerven of te verkopen of die aanleiding geven tot een afwikkeling in contanten waarvan het bedrag wordt bepaald op grond van effecten, valuta's, rentevoeten of rendementen, grondstoffenprijzen of andere indexen of maatstaven;32° « geldmarktinstrumenten » : alle categorieën instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, zoals schatkistpapier, depositocertificaten en commercial paper, betaalinstrumenten uitgezonderd;33° « bevoegde autoriteit » : de CBFA of de autoriteit die elke lidstaat met toepassing van artikel 48 van de Richtlijn 2004/39/EG aanwijst, tenzij in de Richtlijn anders is gespecificeerd;34° « kredietinstelling » : iedere instelling bedoeld in de titels II tot IV van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;35° « icbe-beheervennootschap » : een beheervennootschap in de zin van deel III van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;36° « Richtlijn 2004/39/EG » : de Richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad;37° « verordening 1287/2006 » : de Verordening (EG) nr.1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn betreft; 38° « Richtlijn 2006/73/EG » : de Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde Richtlijn.».

Art. 4.Artikel 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van deze wet worden de volgende begrippen verstaan in dezelfde zin als in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen : 1° beleggingsonderneming;2° beleggingsdiensten en activiteiten;3° nevendiensten;4° beleggingsadvies;5° uitvoering van orders voor rekening van cliënten;6° handelen voor eigen rekening;7° market maker;8° vermogensbeheer;9° verbonden agent;10° bijkantoor;11° gekwalificeerde deelneming;12° moederonderneming;13° dochteronderneming;14° controle;15° nauwe banden.».

Art. 5.Het opschrift van hoofdstuk II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Markten en transacties in financiële instrumenten ».

Art. 6.Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.§ 1. De minister verleent, op advies van de CBFA, een vergunning als Belgische gereglementeerde markt aan de Belgische marktonderneming voor de markten die beantwoorden aan het bepaalde in deze afdeling.

De marktonderneming van de Belgische gereglementeerde markt verstrekt alle informatie - met inbegrip van een programma van werkzaamheden, waarin met name de aard van de beoogde activiteiten alsmede de organisatiestructuur worden vermeld - die nodig is opdat de CBFA zich ervan kan vergewissen dat de marktonderneming voor de gereglementeerde markt ten tijde van de initiële vergunningverlening alle noodzakelijke regelingen heeft getroffen om haar verplichtingen als gereglementeerde markt uit hoofde van het bepaalde in deze afdeling na te komen.

De lijst van de Belgische gereglementeerde markten die zijn vergund met toepassing van het eerste lid en elke wijziging in deze lijst worden door toedoen van de minister in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De minister deelt deze lijst mee aan de overige lidstaten en aan de Europese Commissie. Elke wijziging wordt op dezelfde wijze medegedeeld. De lijst wordt op de website van de CBFA opgenomen. § 2. De marktonderneming van de Belgische gereglementeerde markt vervult de taken die met de organisatie en exploitatie van een gereglementeerde markt verband houden, onder het toezicht van de CBFA. De CBFA ziet toe op de naleving door de Belgische gereglementeerde markten van het bepaalde in deze afdeling.

De CBFA ziet er op toe dat de Belgische gereglementeerde markten te allen tijde voldoen aan de voorwaarden voor de initiële vergunningverlening in deze afdeling. § 3. De minister kan, op advies van de CBFA, de vergunning van een Belgische gereglementeerde markt intrekken, hetzij op verzoek van de marktonderneming die haar organiseert, hetzij op eigen initiatief indien de markt : a) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen geeft geen gebruik van de vergunning te zullen maken of tijdens de zes voorafgaande maanden niet is geëxploiteerd;b) de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;d) de bij deze afdeling vastgestelde bepalingen in ernstige mate en systematisch heeft overtreden. In de gevallen bedoeld in het eerste lid, neemt de marktonderneming die de betrokken markt organiseert, alle gepaste maatregelen teneinde een geordende overgang te waarborgen met eerbiediging van de belangen van de beleggers. Te dien einde werkt zij een overgangsplan uit dat zij vooraf aan de CBFA ter goedkeuring voorlegt. Indien de marktonderneming in gebreke blijft een dergelijk overgangsplan uit te werken, kan de CBFA haar er ambtshalve één opleggen. Zij blijft onder het toezicht van de CBFA onderworpen tot alle maatregelen zijn uitgevoerd. § 4. Tenzij de minister er bij de beslissing tot vergunning van de markt als gereglementeerde markt of in een later besluit anders over beslist, geldt de opneming van financiële instrumenten in een Belgische gereglementeerde markt als toelating tot de officiële notering voor de toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen die daarnaar verwijzen. In voorkomend geval wordt de andersluidende beslissing van de minister vermeld in de lijst bekendgemaakt overeenkomstig § 1, derde lid. § 5. Onverminderd eventuele toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) wordt de handel die plaatsvindt op een Belgische gereglementeerde markt beheerst door het Belgische recht. ».

Art. 7.Artikel 4, 5°, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « , alsook doeltreffende regelingen hebben getroffen voor een efficiënte en tijdige afhandeling van de volgens haar systemen uitgevoerde transacties. ».

Art. 8.In artikel 5, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, 5° wordt vervangen als volgt : « 5° transparante en niet-discretionaire regels en procedures die een billijke en ordelijke handel garanderen, alsmede objectieve criteria voor de efficiënte uitvoering van orders bepalen;»; 2° in § 1, 6°, worden de woorden « voor de rapportering en » opgeheven;3° in § 3, worden het eerste en tweede lid vervangen door de volgende leden : « De marktregels en alle wijzigingen ervan dienen vooraf door de CBFA, in het kader van haar in artikel 3 bepaald toezicht, te worden goedgekeurd. De marktonderneming zorgt voor de bekendmaking en bijwerking van de marktregels op haar website en in gedrukte vorm. De goedkeuring door de CBFA van de regels en van de latere wijzigingen wordt bekendgemaakt op haar website. ».

Art. 9.Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 6.§ 1. De marktregels van de Belgische gereglementeerde markten omvatten op objectieve criteria gebaseerde, transparante en niet-discriminerende regels die de toegang tot of het lidmaatschap van de gereglementeerde markt regelen. § 2. In deze regels worden alle door de leden of deelnemers in acht te nemen verplichtingen gespecificeerd die voortvloeien uit : a) de oprichting en het beheer van de gereglementeerde markt;b) de regels inzake transacties op de markt;c) de beroepsnormen die gelden voor het personeel van de op de markt opererende beleggingsondernemingen of kredietinstellingen;d) de in § 3 vastgestelde voorwaarden voor leden of deelnemers die geen beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn;e) de regels en procedures voor de verrekening en vereffening van transacties die op de gereglementeerde markt zijn uitgevoerd. § 3. Als leden of deelnemers kunnen door de Belgische gereglementeerde markten worden toegelaten beleggingsondernemingen, uit hoofde van Richtlijn 2000/12/EG vergunninghoudende kredietinstellingen en andere personen die : a) deskundig en betrouwbaar zijn;b) over toereikende bekwaamheden en bevoegdheden voor de handel beschikken;c) waar van toepassing adequate organisatorische regelingen hebben getroffen;d) over voldoende middelen beschikken voor de rol die zij moeten vervullen, rekening houdend met de verschillende financiële regelingen die de gereglementeerde markt eventueel heeft vastgesteld om de adequate afwikkeling van transacties te garanderen. § 4. Zonder bijkomende formaliteiten met betrekking tot in de Richtlijn 2004/39/EG geregelde materies, hebben beleggingsondernemingen en kredietinstellingen uit andere lidstaten die een vergunning hebben gekregen om orders van cliënten uit te voeren of voor eigen rekening te handelen, het recht om lid te worden van of toegang te hebben tot de in België gevestigde gereglementeerde markten door middel van één van de volgende regelingen : a) rechtstreeks, door in België een bijkantoor te vestigen;b) door lid op afstand te worden van of toegang op afstand te hebben tot de gereglementeerde markt zonder dat het nodig is in België gevestigd te zijn, indien de handelsprocedures en -systemen van de desbetreffende markt geen fysieke aanwezigheid vergen voor het sluiten van transacties op de markt. De regels inzake de toegang tot of het lidmaatschap van een Belgische gereglementeerde markt dienen rechtstreekse deelneming of deelneming op afstand van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen mogelijk te maken. § 5. De Belgische gereglementeerde markten delen aan de CBFA mee in welke lidstaat zij voornemens zijn voorzieningen te treffen waardoor op diens grondgebied gevestigde gebruikers of deelnemers op afstand toegang krijgen tot of kunnen handelen op deze markten.

De CBFA deelt deze informatie binnen een maand mee aan de lidstaat waar de gereglementeerde markt voornemens is dergelijke voorzieningen te treffen. § 6. De marktonderneming van de Belgische gereglementeerde markten delen de lijst van hun leden en deelnemers periodiek aan de CBFA mee.

De CBFA deelt, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van een Belgische gereglementeerde markt, binnen een redelijke termijn aan die autoriteit de namen mee van de in die lidstaat gevestigde leden of deelnemers van die gereglementeerde markt. § 7. De Belgische gereglementeerde markten beschikken over effectieve regelingen en procedures om er regelmatig op toe te zien of hun leden en deelnemers hun regels doorlopend naleven.

De gereglementeerde markten waken over de door hun leden of deelnemers volgens hun systemen verrichte transacties opdat inbreuken op deze regels, handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, kunnen worden onderkend.

De CBFA kan nadere regels bepalen inzake de in het eerste en tweede lid bepaalde verplichtingen. § 8. De marktondernemingen van Belgische gereglementeerde markten melden inbreuken op hun regels of handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt aanzienlijk verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, aan de CBFA. De marktondernemingen van de gereglementeerde markt verstrekken de toepasselijke informatie onmiddellijk aan de CBFA en verlenen haar volledige medewerking bij het onderzoeken en vervolgen van gevallen van marktmisbruik welke zich in of door tussenkomst van de systemen van de gereglementeerde markt hebben voorgedaan.

De Koning kan specifieke regels bepalen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bepaalde verplichtingen van de marktondernemingen van gereglementeerde markten wanneer het gaat om transacties op gereglementeerde marken inzake lineaire obligaties, schatkistcertificaten en gesplitste effecten. § 9. Gereglementeerde markten uit andere lidstaten zijn gerechtigd in België gevestigde leden of deelnemers op afstand toegang te geven tot hun markten via in België geïnstalleerde voorzieningen of anderszins.

Indien de CBFA als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van een gereglementeerde markt duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat deze gereglementeerde markt niet voldoet aan de verplichtingen die uit de ter uitvoering van de Richtlijn 2004/39/EG vastgestelde bepalingen voortvloeien, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de gereglementeerde markt van deze bevindingen in kennis.

Indien de gereglementeerde markt, in weerwil van de aldus door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, neemt de CBFA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Daartoe behoort de mogelijkheid om de gereglementeerde markt te beletten haar voorzieningen beschikbaar te stellen voor in België gevestigde leden of deelnemers op afstand. De Europese Commissie wordt onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld. De artikelen 41 tot 43 zijn van toepassing op zij die zich niet conformeren aan voornoemd bevel. ».

Art. 10.In dezelfde wet wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidende : «

Art. 6bis.§ 1. De Belgische gereglementeerde markten moeten duidelijke en transparante regels vaststellen betreffende de toelating van financiële instrumenten tot de handel.

Deze regels zorgen ervoor dat alle financiële instrumenten die tot de handel op een Belgische gereglementeerde markt worden toegelaten, op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en dat zij, in het geval van effecten, vrij verhandelbaar zijn. § 2. In het geval van derivaten zorgen de regels er met name voor dat de vorm van het derivatencontract verenigbaar is met een ordelijke koersvorming en met doeltreffende afwikkelingsvoorwaarden. § 3. Benevens de in de §§ 1 en 2 neergelegde verplichtingen moeten de Belgische gereglementeerde markten doeltreffende regelingen treffen en handhaven om te verifiëren of emittenten van effecten die tot de verhandeling op de gereglementeerde markt worden toegelaten, hun uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen betreffende de initiële, doorlopende of incidentele informatieverstrekking nakomen.

De Belgische gereglementeerde markten treffen regelingen die de toegang van hun leden of deelnemers tot overeenkomstig het Gemeenschapsrecht openbaar gemaakte informatie vergemakkelijken. § 4. De Belgische gereglementeerde markten treffen de nodige regelingen om regelmatig te verifiëren of de door hen tot de verhandeling toegelaten financiële instrumenten aan de toelatingsvoorwaarden voldoen. ».

Art. 11.In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Een tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effect kan vervolgens tot de handel op een andere Belgische gereglementeerde markt worden toegelaten, zelfs zonder de toestemming van de emittent, mits de toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG worden nageleefd.De uitgevende instelling wordt door de betrokken Belgische gereglementeerde markt in kennis gesteld van het feit dat het betrokken effect op deze gereglementeerde markt wordt verhandeld. Effecten die nog niet tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten kunnen enkel tot de verhandeling op een Belgische gereglementeerde markt worden toegelaten op vraag van de emittent of nadat zijn advies omtrent de toelating is gevraagd. De uitgevende instelling is geenszins verplicht de krachtens artikel 6bis, § 3, te verstrekken informatie rechtstreeks mede te delen aan enigerlei gereglementeerde markt die haar effecten zonder zijn toestemming tot de handel heeft toegelaten. »; 2° in § 3, wordt tussen de eerste en de tweede zin de volgende zin ingevoegd : « De marktonderneming van de gereglementeerde markt kan de handel in een financieel instrument opschorten wanneer dit instrument niet langer aan de regels van de gereglementeerde markt voldoet, tenzij een dergelijke maatregel de belangen van de beleggers of de ordelijke werking van de markt aanzienlijk zou kunnen schaden.»; 3° § 4 wordt vervangen als volgt : « § 4.De marktonderneming kan een financieel instrument dat is toegelaten tot de verhandeling op een door haar georganiseerde Belgische gereglementeerde markt schrappen : 1° indien zij vaststelt dat omwille van bijzondere omstandigheden een normale en regelmatige markt voor dit instrument niet langer kan worden gehandhaafd;2° wanneer dit instrument niet langer aan de regels van de gereglementeerde markt voldoet, tenzij een dergelijke maatregel de belangen van de beleggers of de ordelijke werking van de markt aanzienlijk zou kunnen schaden. Zij deelt dit vooraf mee aan de CBFA die zich, na overleg met haar, daartegen kan verzetten in het belang van de bescherming van de beleggers. »; 4° § 6 wordt aangevuld met het volgende lid : « Zonder afbreuk te doen aan de §§ 3 en 4 en onverminderd de mogelijkheid voor marktondernemingen van Belgische gereglementeerde markten om de marktondernemingen van andere gereglementeerde markten rechtstreeks te informeren, maakt de marktonderneming van een Belgische gereglementeerde markt die de handel in een financieel instrument opschort of een financieel instrument schrapt deze beslissing openbaar en stelt zij de CBFA in kennis van de terzake dienende informatie.De CBFA stelt de relevante bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten daarvan in kennis. ».

Art. 12.In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het 3°, b) wordt vervangen als volgt : « b) inzake de bekendmaking van marktinformatie van zowel vóór als na de handel betreffende transacties in tot een gereglementeerde markt toegelaten financiële instrumenten uitgevoerd buiten de markt;»; 2° het artikel wordt aangevuld als volgt : « 4° de regels inzake de uitwisseling van de in het 2° bedoelde informatie tussen bevoegde Belgische en buitenlandse autoriteiten, onverminderd de artikelen 74 en volgende van deze wet.».

Art. 13.Artikel 11 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 14.In het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk II van dezelfde wet worden de woorden « Markten in » gewijzigd door de woorden « Specifieke bepalingen voor ».

Art. 15.In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 1° worden de woorden « of een Belgische MTF » ingevoegd tussen de woorden « gereglementeerde markt, » en de woorden « bijzondere regels »;2° in het 3° worden de woorden « Belgische georganiseerde markten » vervangen door de woorden « Belgische gereglementeerde markten en MTF's »;3° in het 4° worden de woorden « de Belgische georganiseerde markten » vervangen door de woorden « transacties ».

Art. 16.Artikel 15 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 15.Op advies van de CBFA kan de Koning regels vaststellen met betrekking tot de organisatie en de werking van en het toezicht op in België gevestigde MTF's.

De in het eerste lid bedoelde regels kunnen inzonderheid betrekking hebben op 1° de toegang tot de markt volgens transparante criteria;2° het bestaan van transparante en niet-discretionaire regels en procedures die een billijke en ordelijke handel garanderen, alsmede objectieve criteria voor de efficiënte uitvoering van orders bepalen;3° de toepassing van adequate mechanismen en procedures ter voorkoming en opsporing van marktmanipulaties;4° de bekendmaking van informatie betreffende vraag en aanbod en betreffende uitgevoerde transacties, alsook de transactiemeldingen aan de CBFA;5° de grensoverschrijdende activiteiten van Belgische MTF's;6° onverminderd de andere door deze wet bepaalde bevoegdheden van de CBFA, de toezichtsbevoegdheden waarover de CBFA beschikt, alsmede de maatregelen en sancties ingeval van niet naleving van de toepasselijke regels. De Koning kan bij de uitoefening van de in dit artikel bepaalde machtiging, in voorkomend geval, specifieke regels bepalen voor bepaalde types van markten of voor door Hem aangeduide individuele markten.

Op advies van de CBFA kan de Koning regels bepalen voor buitenlandse MTF's die in België gevestigd zijn of zonder vestiging diensten verstrekken. ».

Art. 17.In artikel 17 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, 4°, wordt vervangen als volgt : « 4° de personen die instaan voor de effectieve leiding van de onderneming en van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt, hebben de vereiste professionele betrouwbaarheid en passende ervaring om deze functies uit te oefenen en om de gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering en exploitatie van de gereglementeerde markt te waarborgen;»; 2° in § 1, 5°, worden de woorden « de onderneming moet over voldoende financiële middelen beschikken voor de organisatie van deze markten » vervangen door de woorden « de onderneming beschikt over voldoende financiële middelen om een ordelijke werking te bevorderen, gelet op de aard en omvang van de op de markt uitgevoerde transacties en het gamma en de graad van de risico's waaraan zij is blootgesteld;»; 3° § 1 wordt aangevuld als volgt : « 10° de onderneming is adequaat uitgerust voor het beheer van de risico's waaraan zij blootgesteld is, voorziet in passende regelingen en systemen om alle risico's van betekenis voor de exploitatie te onderkennen, en treft doeltreffende maatregelen om deze risico's te beperken;11° de onderneming treft regelingen voor een gezond beheer van de technische werking van het systeem en onder meer doeltreffende voorzorgsmaatregelen om met systeemstoringen verband houdende risico's te ondervangen;12° de onderneming houdt alle relevante gegevens in verband met de orders en transacties en de door haar verstrekte diensten gedurende vijf jaar ter beschikking van de CBFA;13° de onderneming treft regelingen voor het duidelijk onderkennen en beheren van potentiële negatieve gevolgen voor de exploitatie van de gereglementeerde markt of voor de marktdeelnemers van elk conflict tussen de belangen van de gereglementeerde markt, de eigenaars of de marktonderneming ervan, en de goede werking van de gereglementeerde markt, in het bijzonder wanneer dergelijke belangenconflicten afbreuk kunnen doen aan de vervulling van enigerlei taken die door de bevoegde autoriteit aan de gereglementeerde markt zijn gedelegeerd.».

Art. 18.In dezelfde wet wordt een artikel 17bis ingevoerd, luidende : «

Art. 17bis.De marktondernemingen brengen de CBFA voorafgaandelijk op de hoogte van de voordracht tot benoeming of hernieuwing van benoeming, van de niet-hernieuwing van benoeming of van het ontslag, van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de onderneming of van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt.

In geval van voordracht tot benoeming van een persoon die deelneemt aan de effectieve leiding van de marktonderneming of van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt delen de marktondernemingen de CBFA de informatie en documenten mee die haar toelaten te beoordelen of deze persoon de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende ervaring bezit, als bedoeld in artikel 17.

De CBFA verstrekt binnen een redelijke termijn haar advies bij een voordracht tot benoeming of hernieuwing van een benoeming. Voor de benoeming of hernieuwing van benoeming is het eensluidend advies van de CBFA vereist.

De marktondernemingen informeren de CBFA tevens over de eventuele taakverdeling tussen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de marktonderneming of van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt, over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het directiecomité van de marktonderneming of van de groep waarvan zij in voorkomend geval deel uitmaakt, en over de belangrijke wijzigingen in deze taakverdeling. ».

Art. 19.Artikel 19 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende paragraaf : « § 4. De marktonderneming dient : 1° informatie te verstrekken aan de CBFA en openbaar te maken betreffende de eigendomsstructuur van de marktonderneming, en meer bepaald over de identiteit en de omvang van de belangen van partijen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten minste 10 % van haar kapitaal of stemrechten bezitten of die in een positie verkeren om invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van de gereglementeerde markt uit te oefenen, en 2° elke eigendomsoverdracht die aanleiding geeft tot een wijziging in de kring van de personen die invloed van betekenis op de exploitatie van de gereglementeerde markt uitoefenen ter kennis te brengen van de CBFA en openbaar te maken.».

Art. 20.In dezelfde wet wordt een artikel 23bis ingevoegd, luidende : «

Art. 23bis.§ 1. De beleggingsondernemingen en kredietinstellingen uit andere lidstaten hebben het recht in België toegang te krijgen tot vereffenings- en verrekeningsinstellingen, met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen, voor de afhandeling van transacties in financiële instrumenten of het treffen van regelingen daarvoor. De toegang van deze beleggingsondernemingen en kredietinstellingen tot dergelijke instellingen is onderworpen aan dezelfde niet-discriminerende, transparante en objectieve zakelijke criteria als die welke voor Belgische deelnemers gelden, en slaat op alle transacties ongeacht of zij op een in België gevestigde gereglementeerde markt of MTF zijn uitgevoerd. § 2. De Belgische gereglementeerde markt verleent alle leden of deelnemers het recht het systeem aan te wijzen voor de vereffening van de op de betrokken gereglementeerde markt verrichte transacties in financiële instrumenten, mits er zodanige koppelingen en voorzieningen tussen het aangewezen vereffeningsysteem en enigerlei andere systemen en faciliteiten bestaan dat de efficiënte en economische afwikkeling van de transactie in kwestie gegarandeerd is.

De CBFA mag de gebruikmaking van dergelijk systeem niet verbieden tenzij ze objectieve en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat de technische voorwaarden voor de vereffening van op de betrokken gereglementeerde markt uitgevoerde transacties via een ander vereffeningsysteem dan datgene dat door de gereglementeerde markt is aangewezen, een goede en ordelijke werking van de financiële markten in gevaar brengen.

Deze beoordeling door de CBFA doet niet af aan de bevoegdheden van de nationale centrale banken als toezichthouders op vereffeningsystemen of van andere op zulke systemen toezichthoudende autoriteiten. Bij de uitoefening van haar voornoemde bevoegdheden houdt de CBFA op passende wijze rekening met het reeds door andere autoriteiten uitgeoefende toezicht.

De in de §§ 1 en 2 bedoelde rechten van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen doen niet af aan het recht van exploitanten van vereffening- en verrekeningsystemen, met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen om op gewettigde zakelijke gronden te weigeren de verlangde diensten beschikbaar te stellen. § 3. Het is Belgische beleggingsondernemingen, kredietinstellingen en marktondernemingen die een MTF exploiteren toegelaten passende afspraken met vereffening- of verrekeningsinstellingen, met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen, uit een andere lidstaat te maken met het oog op vereffening en/of verrekening van sommige of alle transacties die marktdeelnemers door tussenkomst van hun systemen hebben uitgevoerd.

De CBFA mag de gebruikmaking van vereffenings- of verrekeningsinstellingen met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen uit andere lidstaten niet verbieden, tenzij zij objectieve en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat zulks noodzakelijk is om de ordelijke werking van die MTF te handhaven, rekening houdend met de in § 2, bepaalde voorwaarden voor vereffeningsystemen.

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid houdt de CBFA op passende wijze rekening met het reeds op deze instellingen uitgeoefende toezicht door de nationale centrale banken als toezichthouders op vereffenings- en verrekeningssystemen of door andere voor dergelijke systemen bevoegde toezichthoudende autoriteiten. § 4. Het is Belgische gereglementeerde markten toegelaten passende afspraken met vereffening- of verrekeningsinstellingen, met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen uit een andere lidstaat te maken met het oog op verrekening en/of vereffening van sommige of alle transacties die marktdeelnemers door tussenkomst van hun systemen hebben uitgevoerd.

De CBFA mag de gebruikmaking van vereffening- of verrekeningsinstellingen, met inbegrip van centrale tegenpartijsystemen uit andere lidstaten niet verbieden, tenzij zij objectieve en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat zulks noodzakelijk is om de ordelijke werking van de gereglementeerde markt te handhaven, rekening houdend met de in § 2, bepaalde voorwaarden voor vereffeningssystemen.

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid houdt de CBFA op passende wijze rekening met het reeds op deze vereffening- en verrekeningsinstellingen uitgeoefende toezicht door de nationale centrale banken als toezichthouders op vereffenings- en verrekeningssystemen of door andere voor dergelijke systemen bevoegde toezichthoudende autoriteiten.

Dit artikel is niet van toepassing op de leden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en andere nationale instellingen met een soortgelijke functie, alsmede andere overheidsinstellingen die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of bij dat beheer betrokken zijn. ».

Art. 21.Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 26.Zijn onderworpen aan de door en krachtens de artikelen 27, 28 en 28bis bepaalde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden : 1° de Belgische kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;2° de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die onder het recht van een lidstaat van de EER ressorteren, voor hun transacties op het Belgisch grondgebied;3° de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van derde landen;4° de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van derde landen die rechtsgeldig diensten in België verstrekken, voor hun transacties op het Belgisch grondgebied;5° de in België gevestigde beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, voor hun beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 3, 10°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles. De in het eerste lid vermelde personen worden in de voornoemde artikelen aangeduid als « de gereglementeerde ondernemingen ».

Volgens door de Koning op advies van de CBFA nader bepaalde regels, mogen de voornoemde gereglementeerde ondernemingen wanneer zij orders voor rekening van cliënten uitvoeren en/of voor eigen rekening handelen en/of orders ontvangen en doorgeven, transacties met of tussen in aanmerking komende tegenpartijen tot stand brengen of sluiten zonder dat zij ertoe gehouden zijn met betrekking tot deze transacties of met betrekking tot rechtstreeks met deze transacties verband houdende nevendiensten de verplichtingen bepaald door en krachtens de artikelen 27 en 28 na te komen.

De regels bepaald door en krachtens artikel 27 en 28 zijn niet van toepassing op de volgens de regels van een MTF tussen diens leden of deelnemers of tussen de MTF en diens leden of deelnemers uitgevoerde transacties met betrekking tot het gebruik van de MTF. Deze regels gelden evenmin voor leden en deelnemers van gereglementeerde markten voor op deze markten onderling uitgevoerde transacties. De leden van of deelnemers aan een MTF of gereglementeerde markt dienen evenwel de verplichtingen bepaald door en krachtens de artikelen 27 en 28 na te leven ten aanzien van hun cliënten wanneer zij in naam van hun cliënten de orders van die cliënten via de systemen van een MTF of een gereglementeerde markt uitvoeren.

De in artikelen 27, 28 en 28bis bepaalde regels zijn niet van toepassing op de leden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en andere nationale instellingen met een soortgelijke functie, alsmede andere overheidsinstellingen die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of bij dat beheer betrokken zijn. ».

Art. 22.Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 27.§ 1. De gereglementeerde ondernemingen zetten zich bij het voor cliënten verrichten van beleggingsdiensten en/of, in voorkomend geval, nevendiensten, op loyale, billijke en professionele wijze in voor de belangen van hun cliënten en nemen inzonderheid de in de §§ 2 tot en met 12 neergelegde gedragsregels in acht. § 2. Alle aan cliënten of potentiële cliënten verstrekte informatie, met inbegrip van publicitaire mededelingen, moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn. Publicitaire mededelingen moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. § 3. In een voor de cliënten of potentiële cliënten begrijpelijke vorm wordt passende informatie verstrekt over : - de gereglementeerde onderneming en haar diensten; - financiële instrumenten en voorgestelde beleggingsstrategieën; hieronder vallen passende toelichting en waarschuwingen over de risico's verbonden aan beleggingen in deze instrumenten of aan bepaalde beleggingsstrategieën; - plaatsen van uitvoering en - kosten en bijbehorende lasten zodat zij redelijkerwijs in staat zijn de aard en de risico's van de aangeboden beleggingsdienst en van de specifiek aangeboden categorie van financieel instrument te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen. Deze informatie mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt. § 4. Bij het verstrekken van beleggingsadvies of het verrichten van vermogensbeheer, bekomt de gereglementeerde onderneming van de cliënt of potentiële cliënt de nodige informatie betreffende de kennis en ervaring van de cliënt of potentiële cliënt op beleggingsgebied met betrekking tot het specifieke soort product of dienst, zijn financiële situatie en zijn beleggingsdoelstellingen, teneinde de cliënt of potentiële cliënt de voor hem geschikte beleggingsdiensten en financiële instrumenten te kunnen aanbevelen of voor hem geschikt vermogensbeheer te verstrekken.

Wanneer een gereglementeerde onderneming bij de verrichting van beleggingsadvies of vermogensbeheer niet de op grond van het eerste lid vereiste informatie bekomt, beveelt zij de cliënt of potentiële cliënt geen beleggingsdiensten of financiële instrumenten aan en verstrekt zij geen vermogensbeheerdiensten. § 5. De gereglementeerde onderneming, die andere dan de in § 4 bedoelde beleggingsdiensten verricht, wint bij de cliënt of de potentiële cliënt informatie in over zijn ervaring en kennis op beleggingsgebied met betrekking tot het specifieke soort van product of dienst die men voornemens is aan te bieden of die wordt verlangd, zodat de onderneming kan beoordelen of het aangeboden product of de te verrichten beleggingsdienst passend is voor de cliënt.

Indien de gereglementeerde onderneming op grond van de uit hoofde van het eerste lid ontvangen informatie oordeelt dat het product of de dienst voor de cliënt of de potentiële cliënt niet passend is, waarschuwt zij de cliënt of de potentiële cliënt. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

Wanneer de cliënt of de potentiële cliënt ervoor kiest de in de eerste lid bedoelde informatie over zijn ervaring en kennis niet te verstrekken of wanneer hij onvoldoende informatie hierover verstrekt, waarschuwt de gereglementeerde onderneming de cliënt of de potentiële cliënt dat zij door diens beslissing niet kan vaststellen of de aangeboden dienst of het aangeboden product voor hem passend is. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt. § 6. Wanneer gereglementeerde ondernemingen beleggingsdiensten verrichten welke slechts bestaan in het uitvoeren van orders van cliënten en/of het ontvangen en doorgeven van deze orders, met of zonder nevendiensten, mogen zij die beleggingsdiensten voor hun cliënten verrichten zonder de in § 5 bedoelde informatie te hoeven inwinnen of de aldaar bedoelde beoordeling te hoeven doen wanneer aan de hieronder vermelde voorwaarden wordt voldaan : - bovenbedoelde diensten houden verband met aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt of op een gelijkwaardige markt van een derde land zijn toegelaten, geldmarktinstrumenten, obligaties of andere schuldinstrumenten (met uitzondering van obligaties of andere schuldinstrumenten die een afgeleid instrument behelzen), icbe's en andere niet-complexe financiële instrumenten. Onder een gelijkwaardige markt van een derde land wordt verstaan de markt die voorkomt op de door de Europese Commissie met toepassing van artikel 19, § 6, van de Richtlijn 2004/39/EG bekendgemaakte lijst; - de dienst wordt verricht op initiatief van de cliënt of potentiële cliënt; - de cliënt of de potentiële cliënt is er duidelijk van in kennis gesteld dat de gereglementeerde onderneming bij het verrichten van deze dienst niet verplicht is de passendheid van de te verrichten of aangeboden dienst of het aangeboden instrument te beoordelen en dat hij derhalve niet de bescherming van de toepasselijke gedragsregels geniet; deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt; - de gereglementeerde onderneming komt de belangenconflictenregeling na bepaald door en krachtens artikel 20bis, § 2, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en artikel 62bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen. § 7. De gereglementeerde onderneming legt een dossier aan met de tussen de onderneming en de cliënt overeengekomen documenten waarin de rechten en plichten van beide partijen worden beschreven, alsmede de overige voorwaarden waarop de onderneming diensten voor de cliënt zal verrichten.

De gereglementeerde onderneming die een nieuwe niet-professionele cliënt een andere beleggingsdienst dan beleggingsadvies verleent, gaat met de cliënt een schriftelijke basisovereenkomst aan, op papier of op een andere duurzame drager, waarin de belangrijkste rechten en plichten van de onderneming en de cliënt zijn vastgelegd.

De rechten en plichten van beide partijen bij de overeenkomst kunnen worden opgenomen door middel van verwijzing naar andere documenten of wetteksten.

De Koning kan, op advies van de CBFA, nadere regels bepalen in verband met de inhoud van de met cliënten af te sluiten overeenkomsten. Deze regels doen geen afbreuk aan de gemeenrechtelijke rechten en verplichtingen, met dien verstande dat zij mogen bepalen dat de overeenkomsten van vermogensbeheer geen vermindering van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid van de gereglementeerde onderneming mogen inhouden. § 8. De cliënt dient van de gereglementeerde onderneming deugdelijke verslagen over de voor haar cliënten verrichte diensten te ontvangen.

In voorkomend geval bevatten deze verslagen de kosten van de transacties en de diensten die voor de cliënt werden verricht. § 9. Wanneer een beleggingsdienst wordt aangeboden als onderdeel van een financieel product dat reeds ressorteert onder andere bepalingen van de communautaire wetgeving of onder gemeenschappelijke Europese normen betreffende kredietinstellingen en betreffende consumentenkredieten op het stuk van risicobeoordeling van cliënten en/of informatievereisten, zijn de verplichtingen van dit artikel niet eveneens van toepassing op deze dienst. § 10. De gereglementeerde ondernemingen met een vergunning om orders voor rekening van cliënten uit te voeren, passen procedures en regelingen toe die een onmiddellijke, billijke en vlotte uitvoering van orders van cliënten garanderen ten opzichte van orders van andere cliënten of de handelsposities van de gereglementeerde onderneming.

Deze procedures of regelingen moeten een gereglementeerde onderneming in staat stellen om overigens vergelijkbare orders van cliënten in de volgorde van het tijdstip van ontvangst uit te voeren. § 11. De Koning bepaalt, op advies van de CBFA en na open raadpleging, nadere regels ter uitvoering van de in §§ 1 tot 10 bepaalde gedragsregels, inzonderheid teneinde de uit de Richtlijnen 2004/39/EG en 2006/73/EG voortvloeiende verplichtingen te na te leven. Hij kan inzonderheid verschillende regels bepalen naargelang het gaat om professionele of niet-professionele cliënten. § 12. De Koning kan tevens, op advies van de CBFA en na open raadpleging, aanvullende gedragsregels bepalen met het oog op de bescherming van de belegger en de goede werking van de markt. ».

Art. 23.Artikel 28 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 28.§ 1. In het kader van de op haar toepasselijke bedrijfsuitoefenings voorwaarden neemt de gereglementeerde onderneming bij het uitvoeren van orders, overeenkomstig de bepalingen van § 2 tot § 6, alle redelijke maatregelen om het best mogelijke resultaat voor haar cliënten te behalen, rekening houdend met de prijs, de kosten, de snelheid, de waarschijnlijkheid van uitvoering en afwikkeling, de omvang, de aard van het order en alle andere voor de uitvoering van de order relevante aspecten. In geval van een specifieke instructie van de cliënt is de gereglementeerde onderneming evenwel verplicht de order volgens die specifieke instructie uit te voeren. § 2. De gereglementeerde onderneming bepaalt en handhaaft doeltreffende regelingen om aan § 1 te voldoen. Zij bepaalt en past inzonderheid een beleid inzake orderuitvoering toe dat haar in staat stelt om voor de orders van haar cliënten het best mogelijke resultaat te behalen overeenkomstig het bepaalde in § 1. § 3. Het orderuitvoeringsbeleid omvat voor elke klasse van instrumenten, informatie over de verschillende plaatsen waar de gereglementeerde onderneming de orders van haar cliënten uitvoert en de factoren die de keuze van de plaats van uitvoering beïnvloeden. Het omvat ten minste de plaatsen van uitvoering die de gereglementeerde onderneming in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat voor de uitvoering van orders van cliënten te behalen.

De gereglementeerde onderneming verstrekt haar cliënten deugdelijke informatie over haar orderuitvoeringsbeleid. De gereglementeerde onderneming verkrijgt vooraf de instemming van haar cliënten met haar orderuitvoeringsbeleid.

Wanneer het orderuitvoeringsbeleid voorziet in de mogelijkheid om orders buiten een gereglementeerde markt of een MTF uit te voeren, brengt de gereglementeerde onderneming haar cliënten of potentiële cliënten met name van deze mogelijkheid op de hoogte. De gereglementeerde onderneming behoeft de uitdrukkelijke toestemming van haar cliënten alvorens orders van cliënten buiten een gereglementeerde markt of een MTF uit te voeren. De gereglementeerde onderneming kan deze toestemming hetzij in de vorm van een algemene overeenkomst, hetzij met betrekking tot afzonderlijke transacties verkrijgen. § 4. De gereglementeerde onderneming houdt toezicht op de doeltreffendheid van haar regelingen en beleid voor orderuitvoering om in voorkomend geval mogelijke tekortkomingen te achterhalen en recht te zetten. Zij gaat inzonderheid op gezette tijden na of de in het orderuitvoeringsbeleid opgenomen plaatsen van uitvoering tot het best mogelijke resultaat voor de cliënt leiden dan wel of zij haar uitvoeringsregelingen moet wijzigen. De gereglementeerde onderneming geeft haar cliënten kennis van wezenlijke wijzigingen in haar orderuitvoeringsregelingen of haar orderuitvoeringsbeleid. § 5. De gereglementeerde onderneming toont haar cliënten desgevraagd aan dat zij hun orders heeft uitgevoerd in overeenstemming met het orderuitvoeringsbeleid van de onderneming. § 6. De Koning bepaalt, op advies van de CBFA en na open raadpleging, nadere regels ter uitvoering van de §§ 1 tot 5 inzonderheid teneinde de uit de de Richtlijnen 2004/39/EG en 2006/73/EG voortvloeiende verplichtingen te na te leven. Hij kan inzonderheid verschillende regels bepalen naargelang het gaat om professionele of niet-professionele cliënten. ».

Art. 24.In dezelfde wet wordt een artikel 28bis ingevoegd, luidende : «

Art. 28bis.§ 1. De gereglementeerde onderneming handelt op loyale, billijke en professionele wijze en op een manier die bevorderlijk is voor de integriteit van de markt.

De Koning kan, op advies van de CBFA en na open raadpleging, nadere regels ter uitvoering van het eerste lid bepalen, inzonderheid teneinde de uit de Richtlijnen 2004/39/EG en 2006/73/EG voortvloeiende verplichtingen na te leven. § 2. De gereglementeerde ondernemingen vereffenen hun transacties in vervangbare financiële instrumenten die tot de verhandeling op een Belgische gereglementeerde markt zijn toegelaten, onderling langs girale weg. ».

Art. 25.In artikel 30 van dezelfde wet worden de volgende aanpassingen aangebracht : 1° in het 1° worden de woorden « bepalingen van de artikelen 26 en 27 of van de bepalingen vastgesteld met toepassing van de artikelen 26, 28 en 29 » vervangen door de woorden « voorschriften bepaald door of krachtens de artikelen 26 tot 29 »;2° in het 2° worden de woorden « bepalingen van het artikel 26 of op de bepalingen vastgesteld met toepassing van de artikelen 26, 28 en 29 » vervangen door de woorden « voorschriften bepaald door of krachtens de artikelen 26 tot 29 ».

Art. 26.In artikel 31, § 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 15 december 2004, wordt de eerste zin vervangen als volgt : « Voor het plaatsen van financiële instrumenten door een financiële tussenpersoon op een rekening bij een gekwalificeerde tussenpersoon of bij een instelling als bedoeld in § 1 of § 2, waardoor deze instrumenten worden onderworpen aan het voorrecht van deze tussenpersoon of instelling, is de toestemming van de cliënt vereist als bedoeld in artikel 77bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen. ».

Art. 27.In dezelfde wet wordt een artikel 37bis ingevoegd, luidende : «

Art. 37bis.De CBFA staat in voor de taken als bevoegde autoriteit waarvan sprake in de verordening 1287/2006 en ziet toe op de naleving van deze verordening. De bepalingen van deze afdeling, artikel 41, 3°, en de afdelingen 6 en 7 van hoofdstuk III, zijn van overeenkomstige toepassing. ».

Art. 28.Artikel 43bis van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 29.In artikel 77 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt aangevuld als volgt : « In het kader van de samenwerkingsovereenkomsten die zijn afgesloten met de in § 1 bedoelde autoriteiten, is de CBFA gemachtigd om, wat de in artikel 77bis, § 1, b) bedoelde bevoegdheden betreft, een vrijstelling te verlenen van de naleving van de wettelijke of reglementaire bepalingen, mits de voorwaarden worden nageleefd die zij vaststelt, inzonderheid voor een gelijkwaardige bescherming van de beleggers.»; 2° er wordt een § 4 toegevoegd, luidende : « § 4.In het kader van haar opdrachten als bedoeld in artikel 77bis, § 1, b), treft de CBFA evenredige samenwerkingsregelingen met de andere betrokken marktautoriteiten van gereglementeerde markten, met name via evenredige samenwerkingsovereen-komsten, wanneer de werkzaamheden van een gereglementeerde markt die in een andere lidstaat voorzieningen heeft geïnstalleerd, in die lidstaat van aanzienlijk belang zijn geworden, in de zin van artikel 16 van de verordening 1287/2006, voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers, gelet op de toestand van de effectenmarkten in de lidstaat van ontvangst. ».

Art. 30.In dezelfde wet wordt een artikel 77bis ingevoegd, luidende : «

Art. 77bis.§ 1. Onverminderd de relevante bepalingen van afdeling 7 van hoofdstuk III van deze wet, zijn de volgende bepalingen van toepassing a) in het kader van de bestrijding van marktmisbruik, wat de wederzijdse samenwerking betreft tussen de CBFA en de overige bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, eerste lid van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik);b) in het kader van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, 3°, en 4°, wat de wederzijdse samenwerking betreft tussen de CBFA en de overige bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4, lid 1, 22) van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, en in artikel 4, (4) van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, teneinde de uit de voornoemde Richtlijn 2004/39/EG voortvloeiende verplichtingen na te leven : 1° Telkens wanneer dat noodzakelijk is voor het vervullen van hun taken, werkt de CBFA samen met de andere bevoegde autoriteiten, en maakt daarbij gebruik van de bevoegdheden die haar zijn verleend, hetzij krachtens de voornoemde Richtlijnen, hetzij ingevolge de nationale wetgeving.De CBFA beschikt hiertoe inzonderheid over de bevoegdheden die haar bij deze wet zijn toegekend. De CBFA verleent bijstand aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten. Zij wisselt met de andere bevoegde autoriteiten inzonderheid informatie uit en werkt met hen samen bij onderzoeks- of toezichtsactiviteiten, inclusief voor een inspectie ter plaatse, ook al houden de aldus onderzochte of geverifieerde praktijken geen schending van Belgische regelgeving in. 2° De CBFA verstrekt onmiddellijk alle informatie die voor het in het 1° genoemde doel noodzakelijk is.Daartoe neemt de CBFA, naast de passende organisatorische maatregelen voor een vlotte samenwerking als bedoeld in het 1°, onverwijld alle nodige maatregelen om de gevraagde informatie te verzamelen.

Indien de CBFA, wat de in § 1, a) bedoelde bevoegdheden betreft, niet bij machte is om de door een bevoegde autoriteit gevraagde informatie onmiddellijk te verstrekken, stelt zij deze autoriteit in kennis van de redenen hiervan.

Indien, meer in het bijzonder wat de in § 1, b) bedoelde bevoegdheden betreft, een verzoek wordt gericht aan de CBFA om een inspectie ter plaatste te verrichten of een onderzoek uit te voeren, geeft zij hier, binnen haar bevoegdheden, gevolg aan - door de inspectie of het onderzoek zelf te verrichten; - door de autoriteit die het verzoek heeft ingediend dan wel revisoren of deskundigen toe te staan de inspectie of het onderzoek zelf te verrichten. 3° De informatie die in het kader van de samenwerking wordt uitgewisseld, valt onder de bij artikel 74 opgelegde beroepsgeheim. Indien de CBFA informatie verstrekt in het kader van de samenwerking, kan zij aangeven dat die informatie alleen mag worden doorgegeven met haar uitdrukkelijke toestemming of voor de doeleinden waarmee zij heeft ingestemd. Zo ook moet de CBFA, wanneer zij informatie ontvangt, in afwijking van artikel 75, de beperkingen naleven die zouden zijn opgelegd door de buitenlandse autoriteit, wat de mogelijkheid betreft om de aldus ontvangen informatie door te geven. 4° Wanneer de CBFA ervan overtuigd is dat er op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van de voornoemde Richtlijnen, dan wel dat bepaalde handelingen van invloed zijn op financiële instrumenten die verhandeld worden op een gereglementeerde markt in een andere lidstaat, geeft zij hiervan zo specifiek mogelijk kennis aan de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat.Indien de CBFA er door een autoriteit van een andere lidstaat van in kennis wordt gesteld dat er in België gelijkaardige handelingen worden verricht, neemt zij de nodige maatregelen en brengt zij de kennisgevende autoriteit op de hoogte van het resultaat van deze maatregelen, alsmede, voor zover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen. De bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten die bevoegd zijn krachtens artikel 10 van voornoemde Richtlijn 2006/3/EG, raadplegen elkaar over de follow-up die zij aan hun optreden overwegen te geven. § 2. Bij de tenuitvoerlegging van § 1 kan de CBFA weigeren om gevolg te geven aan een verzoek om inlichtingen, onderzoek, inspectie ter plaatse of toezicht indien : - het gevolg geven aan dergelijke verzoeken gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of - indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid in België, dan wel - indien jegens deze personen voor dezelfde feiten reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan in België.

In dit geval stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekt over de procedure of uitspraak in kwestie. § 3. Wat de in § 1, a) bedoelde bevoegdheden betreft, 1° kan de CBFA, onverminderd artikel 226 van het EG-Verdrag, wanneer haar verzoek om inlichtingen niet binnen een redelijke termijn wordt gehonoreerd of wordt afgewezen, dit verzuim onder de aandacht brengen van het Comité van Europese Effectenregelgevers dat zal beraadslagen om een snelle en doeltreffende oplossing te vinden;2° mag de CBFA, onverminderd haar verplichtingen in het kader van strafrechtelijke procedures, de informatie die zij van een bevoegde autoriteit ontvangt, uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de artikelen 25 en 25bis, alsmede in het kader van administratieve of gerechtelijke procedures die daarmee verband houden.Wanneer de bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt daarin toestemt, mag de CBFA de informatie echter voor andere doeleinden gebruiken of doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten; 3° de CBFA kan verzoeken dat een onderzoek wordt verricht door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat op het grondgebied van die lidstaat.Verder kan zij verzoeken dat aan een aantal leden van haar personeel toestemming wordt verleend om de leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat gedurende het onderzoek te vergezellen.

Een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan verzoeken dat een onderzoek wordt verricht door de CBFA in België. Zij kan tevens verzoeken dat aan een aantal leden van haar personeel toestemming wordt verleend om de leden van het personeel van de CBFA gedurende het onderzoek te vergezellen.

Het onderzoek wordt evenwel verricht onder de eindverantwoordelijkheid van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onderzoek plaatsvindt.

De CBFA kan een verzoek om een onderzoek als bedoeld in het tweede lid van de hand wijzen wanneer een dergelijk onderzoek gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid in België, of indien jegens deze personen voor dezelfde feiten reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan in België. In dat geval stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit hiervan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekt over de procedure of uitspraak in kwestie.

Onverminderd het bepaalde in artikel 226 van het EG-Verdrag kan de CBFA, wanneer haar verzoek om een onderzoek of haar verzoek dat leden van haar personeel leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat vergezellen, niet binnen een redelijke termijn wordt gehonoreerd, of wordt afgewezen, dit verzuim laten vaststellen door het Comité van Europese Effectenregelgevers dat zal beraadslagen om een snelle en doeltreffende oplossing te vinden. § 4. Wat de in § 1, b) bedoelde bevoegdheden betreft, mag de CBFA, onverminderd de op haar rustende verplichtingen in gerechtelijke procedures van strafrechtelijke aard, de informatie die zij van een bevoegde autoriteit ontvangt enkel gebruiken om toezicht uit te oefenen op de naleving van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van de beleggingsondernemingen en de kredietinstellingen, alsook om het toezicht te vergemakkelijken, op individuele of geconsolideerde basis, op de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van deze activiteit, om zich te vergewissen van de goede werking van de verhandelingssystemen, om sancties op te leggen, in het kader van een administratieve beroepsprocedure of van een rechtsvordering ingesteld tegen een beslissing van de CBFA, en in het kader van het buitengerechtelijk mechanisme voor de behandeling van de klachten van beleggers. Wanneer de bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt er evenwel in toestemt, mag de CBFA deze informatie voor andere doeleinden gebruiken of doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van andere Staten. § 5. De paragrafen 1, 2 en 3, 2° en 3°, eerste tot vierde lid, zijn eveneens van toepassing, op de voorwaarden vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten, in het kader van de samenwerking met autoriteiten van derde Staten. ».

Art. 31.In dezelfde wet wordt een artikel 77ter ingevoegd, luidende : «

Art. 77ter.De Minister stelt de autoriteit aan die als contactpunt fungeert om ter uitvoering van artikel 77bis, § 1, b) verzoeken om uitwisseling van gegevens of verzoeken om samenwerking in ontvangst te nemen.

De Minister stelt de Europese Commissie en de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte hiervan in kennis. ». HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs

Art. 32.Het opschrift van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs » wordt vervangen als volgt : « Wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen ».

Art. 33.De artikelen 36 tot 39 van dezelfde wet worden opgeheven

Art. 34.Artikel 44 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 44.Onverminderd de uitzonderingen waarvan sprake in artikel 45, gelden de bepalingen van dit boek voor de ondernemingen naar Belgisch recht waarvan het gewone bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten of aanbieden van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten, alsook voor de ondernemingen naar buitenlands recht die dit bedrijf in België uitoefenen.

Deze ondernemingen worden hierna « beleggingsondernemingen » genoemd.

In afwijking van het eerste lid mag de beleggingsdienst bedoeld in artikel 46, 1°, 8 eveneens worden uitgeoefend door een marktonderneming die een gereglementeerde markt organiseert, mits door de CBFA is vastgesteld dat deze de bepalingen van de artikelen 57 tot 64, 66, 67, 69 en 90 naleeft. De artikelen 48, eerste lid, derde zin, 50, eerste lid, tweede zin, 83 tot 89, 92 tot 94 en 110 en 111 zijn van toepassing. De CBFA maakt de lijst van dergelijke ondernemingen, met aanduiding van de geëxploiteerde MTF's op en maakt deze en de wijzigingen erin bekend op haar website. Artikel 104 is van overeenkomstige toepassing als de CBFA vaststelt dat aan voornoemde voorwaarden niet langer is voldaan. ».

Art. 35.Artikel 45 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 45.§ 1. Dit boek geldt niet voor : 1° de kredietinstellingen bedoeld in de titels II tot IV van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;voor deze instellingen gelden niettemin de artikelen 55, §§ 1, 3 en 4, 77bis, 77ter en, wat hun beleggingsdiensten betreft, 79 en 80; 2° de verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1 van de Richtlijn 73/239/EEG of artikel 1 van de Richtlijn 2002/83/EG alsmede de ondernemingen die de in de Richtlijn 64/225/EEG bedoelde werkzaamheden van herverzekering en retrocessie uitoefenen;3° de ondernemingen die uitsluitend beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten voor hun moederonderneming, hun dochterondernemingen of een andere dochteronderneming van hun moederonderneming;4° de personen die een beleggingsdienst of -activiteit als incidentele activiteit verrichten in het kader van een beroepswerkzaamheid, indien deze werkzaamheid aan wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften of aan een beroepscode is onderworpen en het verrichten van de dienst of de activiteit op grond daarvan niet is uitgesloten;5° personen die geen beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten verrichten, anders dan handel voor eigen rekening, tenzij zij market makers of systematische internaliseerder zijn;6° de ondernemingen waarvan de beleggingsdiensten en -activiteiten uitsluitend bestaan in het beheer van een werknemersparticipatieplan;7° de ondernemingen waarvan de beleggingsdiensten en -activiteiten bestaan in het verstrekken van zowel de diensten en activiteiten bedoeld onder 3° als die bedoeld onder 6°;8° leden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en andere nationale instellingen met een soortgelijke functie, alsmede andere overheidsinstellingen die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of bij dat beheer betrokken zijn;9° de instellingen voor collectieve belegging en pensioenfondsen ongeacht of hiervoor op communautair niveau gecoördineerde bepalingen gelden, alsmede de bewaarders en beheerders van deze instellingen;10° personen die voor eigen rekening in financiële instrumenten handelen of beleggingsdiensten in van grondstoffen afgeleide instrumenten of derivatencontracten, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, j), van de wet van 2 augustus 2002 verrichten voor de cliënten van hun hoofdbedrijf, mits dit op groepsniveau als een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf is aan te merken en mits dit hoofdbedrijf niet bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten in de zin van artikel 46 of bankdiensten in de zin van de wet van 22 maart 1993;11° personen die tijdens het uitoefenen van een andere, niet onder deze wet vallende beroepsactiviteit beleggingsadvies verstrekken mits er niet specifiek voor deze adviesverstrekking wordt betaald;12° personen waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het voor eigen rekening handelen in grondstoffen en/of van grondstoffen afgeleide instrumenten.Deze uitzondering is niet van toepassing wanneer de personen die voor eigen rekening in grondstoffen en/of van grondstoffen afgeleide instrumenten handelen deel uitmaken van een groep waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het verrichten van andere beleggingsdiensten in de zin van deze wet of bankdiensten in de zin van de wet van 22 maart 1993; 13° ondernemingen waarvan de beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten uitsluitend bestaan in het voor eigen rekening handelen op markten voor financiële futures of opties of op andere derivatenmarkten en op markten in onderliggende financiële instrumenten met als enig doel het afdekken van posities op derivatenmarkten, of die voor rekening van andere leden van deze zelfde markten handelen, of deze laatsten een prijs geven, en die door clearing members van deze markten worden gegarandeerd, waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door deze ondernemingen gesloten contracten bij clearing members van deze zelfde markten berust. § 2. De in dit boek verleende rechten gelden niet voor het verrichten van diensten waarbij als tegenpartij wordt opgetreden bij transacties uitgevoerd door overheidsinstellingen die zich met de overheidsschuld bezighouden of door leden van het Europese stelsel van centrale banken in het kader van de uitoefening van hun taken overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de Statuten van het Europese stelsel van centrale banken en van de Europese centrale bank. » .

Art. 36.In artikel 45bis van dezelfde wet worden de woorden « artikel 45, 10° » vervangen door de woorden « artikel 45, § 1, 13° ».

Art. 37.Artikel 46 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 46.Voor de toepassing van dit boek en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder : 1° beleggingsdiensten en -activiteiten : iedere hierna genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op financiële instrumenten : 1.het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten, met inbegrip van het met elkaar in contact brengen van twee of meer beleggers waardoor tussen deze beleggers een verrichting tot stand kan komen; 2. het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten;3. het handelen voor eigen rekening;4. vermogensbeheer;5. beleggingsadvies;6. het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;7. het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;8. het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten;2° nevendienst : iedere hierna genoemde dienst : 1.bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer; 2. het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;3. advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames van ondernemingen;4. valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten;5. onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten;6. diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;7. de hierboven bedoelde beleggingsdiensten en -activiteiten alsmede nevendiensten die verband houden met de onderliggende waarde van de derivaten, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, e), f), g) en j) van de wet van 2 augustus 2002, wanneer verstrekt in samenhang met de verstrekking van beleggings- en nevendiensten.3° financieel instrument : de instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid,1°, van de wet van 2 augustus 2002;4° effecten : de effecten zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, 31°, van de wet van 2 augustus 2002;5° geldmarktinstrumenten : de instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, 32°, van de wet van 2 augustus 2002;6° uitvoering van orders voor rekening van cliënten : optreden om overeenkomsten te sluiten tot verkoop of aankoop van één of meer financiële instrumenten voor rekening van cliënten;7° handelen voor eigen rekening : met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;8° vermogensbeheer : het per cliënt op discretionaire basis beheren van portefeuilles op grond van een door de cliënten gegeven opdracht, voor zover die portefeuilles één of meer financiële instrumenten bevatten;9° beleggingsadvies : het doen van gepersonaliseerde aanbevelingen aan een cliënt, hetzij op diens verzoek hetzij op initiatief van de beleggingsonderneming, met betrekking tot één of meer verrichtingen die betrekking hebben op financiële instrumenten;10° een gepersonaliseerde aanbeveling : een aanbeveling die wordt voorgesteld als een aanbeveling die geschikt is voor de betrokken persoon, of berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden en als oogmerk heeft dat één van de volgende reeks stappen wordt gezet : - een bepaald financieel instrument wordt gekocht, verkocht, geruild, te gelde gemaakt, gehouden, overgenomen of er wordt daarop ingetekend; - een aan een bepaald financieel instrument verbonden recht wordt uitgeoefend of juist niet uitgeoefend om een financieel instrument te kopen, te verkopen, te ruilen, te gelde te maken of daarop in te tekenen.

Een aanbeveling is geen gepersonaliseerde aanbeveling als deze uitsluitend via distributiekanalen, in de zin van artikel 2, eerste lid, 26°, van de wet van 2 augustus 2002, of aan het publiek wordt gedaan; 11° cliënt : iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht;12° professionele cliënt : de professionele cliënten zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, 28°, van de wet van 2 augustus 2002;13° niet-professionele cliënt : de cliënt die niet als een professionele cliënt wordt behandeld;14° multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility - MTF) : een door een beleggingsonderneming, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van de wet van 2 augustus 2002 of titel II van de Richtlijn 2004/39/EG;15° « systematische internaliseerder » : een beleggingsonderneming die op een georganiseerde, frequente en systematische wijze voor eigen rekening cliëntenorders uitvoert buiten een gereglementeerde markt of een MTF;16° market maker : een persoon die op de financiële markten doorlopend blijk geeft van de bereidheid voor eigen rekening en met eigen kapitaal te handelen door financiële instrumenten tegen door hem vastgestelde prijzen te kopen en te verkopen;17° lidstaat van herkomst : a.indien de beleggingsonderneming een natuurlijke persoon is, de lidstaat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft; b. indien de beleggingsonderneming een rechtspersoon is, de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen;c. indien de beleggingsonderneming overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen;18° lidstaat van ontvangst : de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de beleggingsonderneming een bijkantoor heeft of diensten en/of activiteiten verricht;19° bevoegde autoriteit : de CBFA of de buitenlandse autoriteit die elke lidstaat overeenkomstig artikel 48 van de Richtlijn 2004/39/EG aanwijst, tenzij in de Richtlijn anders is gespecifieerd;20° kredietinstelling : iedere instelling bedoeld in de titels II tot IV van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;21° ICBE-beheervennootschap : een beheervennootschap in de zin van deel III van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;22° verbonden agent : een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt de beleggings- en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten promoot, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst en/of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten;23° bijkantoor : een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beleggingsonderneming en beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verricht, en ook nevendiensten kan verrichten waarvoor de beleggings-onderneming een vergunning heeft gekregen;alle bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beleggingsonderneming met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd; 24° gekwalificeerde deelneming : het rechtstreeks of onrechtstreeks bezitten van een deelneming in een beleggingsonderneming van ten minste 10% van het kapitaal of van de stemrechten, als bedoeld in de nationale bepalingen in uitvoering van de Richtlijn 2004/109/EG, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming waarin wordt deelgenomen;25° moederonderneming : een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening;26° dochteronderneming : een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, met inbegrip van elke dochteronderneming van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;27° controle : controle in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;28° nauwe banden : een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door : a.een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een controle houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming; of b. een controleband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een controleband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon; 29° financiële instelling : alle ondernemingen bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;voor de toepassing van de artikelen 95 en 95bis van deze wet worden met een financiële instelling gelijkgesteld, de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten die verstrekt worden door dergelijke vereffeningsinstellingen; 30° toezichthoudende overheid : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen;31° marktonderneming : een persoon of personen die het bedrijf van een gereglementeerde markt beheren en/of exploiteren waarbij de gereglementeerde markt de marktonderneming zelf kan zijn;32° gereglementeerde markt : een door een marktonderneming geëxploiteerd en/of beheerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem - samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van de markt tot de handel zijn toegelaten, en waaraan vergunning is verleend en die regelmatig werkt, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 of titel III van de Richtlijn 2004/39/EG;33° Richtlijn 64/225/EEG : Richtlijn 64/225/EEG van de Raad van 25 februari 1964 ter opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten, voor wat betreft herverzekering en retrocessie;34° Richtlijn 73/239/EEG : Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf met uitzondering van de levensverzekeringsbranche en de uitoefening daarvan;35° Richtlijn 93/22/EEG : Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten;36° Richtlijn 2002/83/EG : Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering;37° Richtlijn 2004/39/EG : de Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611 EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad;38° Richtlijn 2006/48/EG : de Richtlijn 2006/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen;39° de wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.».

Art. 38.Artikel 47 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 47.§ 1. Iedere beleggingsonderneming naar Belgisch recht die haar werkzaamheden in België wenst uit te oefenen, moet, vooraleer die aan te vatten, één van de volgende vergunningen verkrijgen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen : 1° een vergunning als beursvennootschap;2° een vergunning als vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. § 2. Onverminderd de voorschriften inzake kapitaal, mogen de beursvennootschappen alle in artikel 46 bedoelde beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten verrichten. § 3. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies mogen de in artikel 46, 1°, 1, 2, 4, 5 en 7 bedoelde beleggingsdiensten verrichten, alsook de in artikel 46, 2°, 3, 5 en 7, bedoelde nevendiensten.

Om hun eigen middelen te beleggen mogen zij posities houden in financiële instrumenten, buiten de handelsportefeuille. § 4. Er kan geen vergunning als beleggingsonderneming worden verstrekt voor het uitsluitend verrichten van nevendiensten. ».

Art. 39.Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 48.De aanvragers duiden aan welke in artikel 47 bedoelde vergunning zij wensen te verkrijgen en welke in artikel 46 en andere in artikel 58, § 1, tweede en derde lid, bedoelde beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten zij voornemens zijn te verrichten of aan te bieden. Daarbij verduidelijken zij op welke financiële instrumenten deze diensten en activiteiten betrekking hebben. Bij de vergunningsaanvraag wordt een programma van werkzaamheden gevoegd dat beantwoordt aan de door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen gestelde voorwaarden en waarin met name de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de onderneming worden vermeld en de nauwe banden die zij heeft met andere personen. De aanvragers moeten alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op de aanvragen van beleggingsondernemingen die reeds over een vergunning beschikken, die ertoe strekken bijkomende diensten en activiteiten bedoeld in artikel 46 waarvoor zij nog geen vergunning hebben te mogen verrichten. De artikelen 49 tot 53 zijn van toepassing. ».

Art. 40.In artikel 50 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, tweede zin, wordt vervangen als volgt : « Zij spreekt zich uit over de vergunning binnen de zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag.» 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De beslissingen inzake vergunning vermelden de beleggingsdiensten en -activiteiten evenals de nevendiensten die de onderneming mag verrichten.».

Art. 41.Artikel 51 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 51.Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen de vergunning van de beleggingsonderneming beperken tot bepaalde diensten, activiteiten of tot bepaalde financiële instrumenten, alsook in haar vergunning voor het verrichten van bepaalde diensten of activiteiten met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten voorwaarden stellen. ».

Art. 42.Artikel 53, tweede lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « De lijst van de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht bevat volgende rubrieken : a. beursvennootschappen;b. vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.».

Art. 43.In artikel 54 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid worden de woorden « artikel 7,§§ 4 en 5, eerste lid van de Richtlijn 93/22/EEG » vervangen door de woorden « artikel 15, §§ 2 en 3, van de Richtlijn 2004/39/EG »;2° in het derde lid worden de woorden « artikel 7, § 5, tweede en vierde lid, van dezelfde Richtlijn » vervangen door de woorden « artikel 15, § 3, tweede en derde lid, van dezelfde Richtlijn ».

Art. 44.In artikel 55 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 worden de woorden « artikel 46, 1°, 1, b) » vervangen door de woorden « artikel 46, 1°, 2 »;2° in § 3 worden de woorden « vennootschappen voor vermogensbeheer » vervangen door de woorden « vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingadvies »;3° in § 3 worden de woorden « artikel 46, 1°, 3 » vervangen door de woorden « artikel 46, 1°, 4 »;4° § 4 wordt vervangen als volgt : « § 4.Alleen de volgende vennootschappen en instellingen mogen in België openbaar gebruik maken van de woorden « beleggingsadviseur », « beleggingsadvies » of enig andere term die naar deze werkzaamheid verwijst, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame : a) de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;b) de beursvennootschappen;c) de kredietinstellingen;d) de in België krachtens titels III en IV werkzame buitenlandse beleggingsondernemingen waarvan de vergunning de in artikel 46, 1°, 5,bedoelde beleggingsdienst dekt;e) de makelaars in bank- en beleggingsdiensten als bedoeld in de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.»; 5° § 5 wordt opgeheven.

Art. 45.Artikel 58 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 58.§ 1. Om een vergunning als beleggingsonderneming te verkrijgen moet, het volstort gedeelte van het kapitaal voor beursvennootschappen 250.000 EUR bedragen en voor de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies 125.000 EUR. § 2. Beursvennootschappen dienen te beschikken over een volstort kapitaal van ten minste 730.000 EUR om : - transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening te verrichten; - uitgiften van financiële instrumenten over te nemen; - borg te staan voor de plaatsing hiervan; - een MTF uit te baten; - als bewaarder op te treden voor financiële instrumenten van verzekeringsondernemingen, voor instellingen voor collectieve belegging evenals voor kredietinstellingen voor zover deze laatsten handelen voor rekening van hun cliënteel.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties voor eigen rekening : a) het houden van posities in financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te beleggen;b) het houden van financiële instrumenten voor eigen rekening, mits : 1° dergelijke posities uitsluitend het resultaat zijn van het feit dat de beursvennootschap niet bij machte is een ontvangen order exact af te sluiten;2° de totale marktwaarde van deze posities niet meer dan 15 pct.van het aanvangskapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt; 3° de vennootschap de vereisten in acht neemt die bij een krachtens artikel 90 genomen reglement zijn opgelegd voor de controle van de solvabiliteit en de beperking van de risico's verbonden aan het bedrijf van de beleggingsondernemingen;4° deze posities een incidenteel en voorlopig karakter hebben en strikt beperkt blijven tot de tijd die voor de uitvoering van de bewuste transactie nodig is. § 3. Voor bestaande instellingen die een vergunning als beleggingsonderneming aanvragen, worden voor de toepassing van § 1 de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat gelijkgesteld met kapitaal. ».

Art. 46.Artikel 59 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 59.Een vergunning wordt pas verleend nadat de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen in kennis is gesteld van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming bezitten. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten. Wanneer verschillende personen de deelneming gezamenlijk of in onderling overleg bezitten, zijn de artikelen 2, § 2 en 3, tweede zin, van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen van toepassing alsmede de maatregelen die met toepassing van deze artikelen krachtens genoemde wet zijn genomen.

Artikel 2, § 1, van dezelfde wet is van toepassing.

De vergunning wordt geweigerd wanneer de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de beleggingsonderneming, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen.

Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de beleggingsonderneming en andere natuurlijke of rechtspersonen, wordt de vergunning pas verleend indien deze banden de juiste uitoefening van de toezichthoudende taak van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen niet belemmeren.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen weigert de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de onderneming nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van haar toezichthoudende taken. ».

Art. 47.Artikel 60 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: «

Art. 60.§ 1. De effectieve leiding van een beleggingsonderneming moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen; voor de uitoefening van deze functies moeten zij de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende ervaring bezitten teneinde het gezond en voorzichtig beleid van de beleggingsonderneming te verzekeren.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen verleent geen vergunning indien zij er niet van overtuigd is dat de personen die het bedrijf van de beleggingsonderneming effectief zullen leiden, als voldoende betrouwbaar bekend staan en over voldoende ervaring beschikken, dan wel indien er objectieve en aantoonbare redenen zijn om aan te nemen dat eventuele voorgenomen wijzigingen in het bestuur van de onderneming een bedreiging vormen voor het gezond en voorzichtig beleid ervan. § 2. Wanneer een marktonderneming de toelating tot exploitatie van een MTF aanvraagt en de personen die de MTF effectief leiden dezelfde personen zijn als degenen die feitelijk het bedrijf van de gereglementeerde markt leiden, worden die personen geacht te voldoen aan de vereisten van § 1. ».

Art. 48.In dezelfde wet wordt een artikel 62bis ingevoegd, luidende : «

Art. 62bis.§ 1. Iedere beleggingsonderneming legt passende beleidslijnen en procedures vast om de naleving van de wettelijke voorschriften inzake beleggingsdiensten en -activiteiten door de onderneming, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers, verbonden agenten en gevolmachtigden te verzekeren.

Zij werkt passende regels uit voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.

Op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op : - de relevante personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn; - de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet; - de modaliteiten waaronder de relevante personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de beleggingsonderneming; - de wijze waarop de beleggingsondernemingen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren. § 2. Iedere beleggingsonderneming neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten inzake beleggingsdiensten en -activiteiten tussen de onderneming, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliënteel anderzijds, of tussen haar cliënten onderling, de belangen van deze laatsten zouden schaden.

Op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen ter voorkoming van belangenconflicten en wanneer de beleggingsonderneming onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt. § 3. Iedere beleggingsonderneming neemt passende maatregelen om de continuïteit van haar beleggingsdiensten en -activiteiten te verzekeren. § 4. Wanneer een beleggingsonderneming operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening inzake beleggingsdiensten en -activiteiten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken.

De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de interne controleprocedures van de onderneming en aan het vermogen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen om te controleren of de onderneming haar wettelijke verplichtingen nakomt.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen publiceert een beleidsverklaring waarin zij haar beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet. § 5. Iedere beleggingsonderneming houdt de gegevens bij over alle door haar verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten om de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen in staat te stellen na te gaan of de onderneming de bepalingen van deze wet naleeft, inzonderheid of de onderneming haar verplichtingen tegenover haar cliënteel of potentieel cliënteel nakomt. § 6. Wanneer een beleggingsonderneming financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren in geval van haar insolventie. Zij neemt passende maatregelen om te voorkomen dat financiële instrumenten toebehorend aan een cliënt voor haar eigen rekening worden gebruikt, tenzij de cliënt hiermee uitdrukkelijk instemt.

Wanneer een beleggingsonderneming gelden aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren en om te voorkomen dat de gelden die aan de cliënt toebehoren voor haar eigen rekening gebruikt worden. § 7. De personen belast met de effectieve leiding van de beleggingsonderneming, in voorkomend geval het directiecomité, nemen onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan van de onderneming de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 tot 6. Het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, dient minstens jaarlijks te controleren of de beleggingsonderneming aan het bepaalde bij deze paragrafen beantwoordt, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen.

De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid en over de genomen passende maatregelen De informatieverstrekking aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Commissie bepaalt.

De erkende commissaris brengt bij het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, tijdig verslag uit over de belangrijke kwesties die bij de wettelijke controleopdracht aan het licht zijn gekomen. § 8. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan nadere bepalingen van dit artikel vaststellen met een reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3, en 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ».

Art. 49.Artikel 65 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: «

Art. 65.De beleggingsondernemingen moeten aansluiten bij de beleggersbeschermingsregeling bedoeld in titel V. ».

Art. 50.In artikel 66 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° § 2 wordt opgeheven;2° § 3, dat § 2 wordt, wordt vervangen als volgt : « § 2.Wanneer het eigen vermogen niet meer het peil bereikt zoals vastgesteld bij § 1 kan de toezichthoudende overheid een termijn vaststellen waarbinnen dit opnieuw op het betrokken peil moet worden gebracht. ».

Art. 51.In artikel 67 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid wordt vervangen als volgt : « Onverminderd artikel 12 en de nationale bepalingen in uitvoering van de Richtlijn 2004/109/EG van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten moet iedere natuurlijke of rechtspersoon, die het voornemen heeft om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming te verwerven, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen daarvan in kennis stellen onder vermelding van de resulterende deelneming.Tot kennisgeving aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen is eveneens gehouden iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van zijn stemrechten of aandelen 10%, 20%, 33% of 50% bereikt of overschrijdt, of dat de beleggingsonderneming zijn dochteronderneming wordt. »; 2° § 4 wordt vervangen als volgt : « § 4.Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming bezit en die voornemens is zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van zijn stemrechten of aandelen onder de 10%, 20%, 33% of 50% zou dalen of waardoor de beleggingsonderneming zijn dochteronderneming niet meer zou zijn, moet ten minste één maand vóór deze vervreemding aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen meedelen welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten enerzijds bij deze vervreemding zijn betrokken en anderzijds na afloop hiervan nog in zijn bezit zullen zijn; voor zover de identiteit van de verwerver(s) bekend is, deelt hij die mee aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. »; 3° § 6, tweede lid wordt vervangen als volgt : « Tevens stellen beleggingsondernemingen de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen ten minste eens per jaar in kennis van de namen van de aandeelhouders en vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen. zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen met toepassing van de nationale bepalingen in uitvoering van de Richtlijn 2004/109/EG van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten. »; 4° § 7, eerste lid, eerste zin, in limine, wordt vervangen als volgt : « Wanneer de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen grond heeft om aan te nemen dat de personen die overeenkomstig § 1 een kennisgeving dienen te doen, een gezond en voorzichtig beleid van de beleggingsonderneming zou kunnen belemmeren, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen : ».

Art. 52.Artikel 68 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 68.Op verzoek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen brengt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen haar in kennis van : - elke vergunningsaanvraag door een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming van een moederonderneming die ressorteert onder een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte; - elke op grond van artikel 67, § 1, door een dergelijke moederonderneming aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen voorgelegd voornemen tot verwerving van een deelneming in een beleggingsonderneming uit de Europese Economische Ruimte, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen beperkt of schorst de verwerving van een deelneming door rechtstreekse of onrechtstreekse moederondernemingen die ressorteren onder een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte in de gevallen en onder de voorwaarden en de duur die bepaald zijn in artikel 15, §§ 3 en 5 van de Richtlijn 2004/39/EG. Bij verwerving of vergroting van een deelneming, ondanks de maatregelen die de toezichthoudende overheid heeft genomen overeenkomstig het tweede lid, is artikel 67, § 5, van toepassing. ».

Art. 53.In artikel 69 van dezelfde wet worden de woorden « artikel 54, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen » en de woorden « dezelfde gecoördineerde wetten » respectievelijk vervangen door de woorden « artikel 522, § 1, eerste lid, van het wetboek van vennootschappen » en de woorden « hetzelfde wetboek van vennootschappen ».

Art. 54.In artikel 70, paragraaf 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 3 mei 2002 en 20 juli 2004, worden de woorden « en artikel 62bis » ingevoegd tussen de woorden « 62 » en « mogen ».

Art. 55.In artikel 75 van dezelfde wet worden tussen de woorden « Buiten de diensten » en de woorden « die zij » de woorden « en activiteiten » ingevoegd.

Art. 56.In artikel 77 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De in § 1, tweede lid bedoelde deposito's dienen te worden gedeponeerd bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van : 1° centrale bank;2° kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;3° kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte;4° erkend geldmarktfonds. De in het vorige lid bedoelde deponeringsverplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare gelden, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare gelden en ter dekking van verplichtingen van cliënten verstrekte gelden.

De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de beursvennootschap die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de beursvennootschap op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. »; 2° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de beursvennootschap, worden de gelden die met toepassing van § 2 zijn gedeponeerd op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van de individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de deposito's die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de deposito's als bedoeld in § 1, tweede lid, met uitsluiting van de in § 2, tweede lid bedoelde deposito's. »; 3° er wordt een § 4 toegevoegd, luidende : « § 4.De Koning kan, na advies van de CBFA, de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de gelddeposito's door cliënten bij beursvennootschappen moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die de beursvennootschappen met deze gelden mogen verrichten. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze gelden door de beursvennootschappen en hun belegging bij andere bemiddelaars betreft. ».

Art. 57.In dezelfde wet wordt een artikel 77bis ingevoegd, luidende : «

Art. 77bis.§ 1. Een beursvennootschap of een kredietinstelling mag enkel op om het even welke wijze gebruik maken van financiële instrumenten die aan een cliënt toebehoren mits deze hier vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming voor heeft verleend. De financiële instrumenten van de cliënt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de voorwaarden waarmee de cliënt instemt. § 2. De Koning kan, na advies van de CBFA, nadere voorwaarden en regels vaststellen waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen of kredietinstellingen verrichte deponeringen van financiële instrumenten moeten voldoen, evenals nadere voorwaarden en regels voor de handelingen die de beursvennootschappen of kredietinstellingen mogen verrichten met betrekking tot deze financiële instrumenten, inzonderheid wat de vereisten betreft inzake de in § 1 bedoelde toestemming. De Koning kan meer bepaald de regels vaststellen voor het verlenen van de in § 1 bedoelde toestemming. Daarnaast kan de Koning tevens regels uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze financiële instrumenten door de beursvennootschappen en de kredietinstellingen en hun deponering bij andere bemiddelaars betreft. ».

Art. 58.In dezelfde wet wordt een artikel 77ter ingevoegd, luidende : «

Art. 77ter.§ 1. De beursvennootschappen en de kredietinstellingen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliënt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliënten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.

Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen.

De beursvennootschappen en de kredietinstellingen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden. § 2. De Koning kan, na advies van de CBFA, nadere voorwaarden en regels vaststellen voor de in § 1 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van gelden bij beursvennootschappen of van financiële instrumenten bij beursvennootschappen of kredietinstellingen. ».

Art. 59.Artikel 78, tweede lid, 1°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « 1° voor kredieten en leningen als bedoeld in artikel 46, 2°, 2; ».

Art. 60.Artikel 79 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 79.§ 1. De beleggingsondernemingen mogen geen beroep doen op in België gevestigde tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten die niet zijn ingeschreven overeenkomstig artikel 5, § 1, van de wet van 22 maart 2006.

Indien zij een beroep wensen te doen op een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verbonden agent dienen zij zich ervan te vergewissen dat deze persoon in de betrokken lidstaat is ingeschreven in een daartoe bestemd openbaar register. Zij vergewissen zich van de beperkingen die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn op de verbonden agenten.

Indien de betrokken lidstaat waar de agent gevestigd is geen wettelijke regeling heeft die beleggingsondernemingen toelaat om verbonden agenten aan te wijzen, dient de beleggingsonderneming zich ervan te vergewissen dat de betrokken tussenpersoon als agent in bank- en beleggingsdiensten is ingeschreven in het Belgische register als bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 maart 2006. § 2. Beleggingsondernemingen die samenwerken met een verbonden agent blijven volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk voor elke handeling of elk verzuim van deze verbonden agent die voor hun rekening optreedt, in het bijzonder wanneer zij deze verbonden agent toelaten om te gaan met gelden en financiële instrumenten van cliënten.

De beleggingsondernemingen zien erop toe dat de verbonden agenten waarmee zij samenwerken kenbaar maken in welke hoedanigheid zij optreden voordat zij zaken doen met een cliënt. § 3. De beleggingsondernemingen dienen de werkzaamheden van de verbonden agenten te controleren. Zij treffen daarbij afdoende maatregelen ter voorkoming van eventuele negatieve gevolgen die de gebeurlijke bijkomende activiteiten van de verbonden agenten zouden hebben op de werkzaamheden die deze voor hun rekening verrichten. § 4. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan de bepalingen van dit artikel aanvullen met een reglement genomen met toepassing van de artikelen 49, § 3, en 64 van de wet van 2 augustus 2002. Dit reglement kan inzonderheid de verplichtingen bepalen die op de beleggingsondernemingen rusten die samenwerken met verbonden agenten.».

Art. 61.Artikel 80 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 80.De Koning kan, na advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, bepalen welke verplichtingen en verbodsbepalingen gelden voor de beleggingsondernemingen die ten aanzien van professionele cliënten, actief zijn in het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten waarbij deze activiteit gericht is op het met elkaar in contact brengen van deze professionele cliënten waardoor er tussen hen een verrichting tot stand kan komen.

Dit besluit kan inzonderheid de gedragsregels en onverenigbaarheidsregels bepalen die van toepassing zijn op deze ondernemingen evenals de regels voor de administratieve en boekhoudkundige verwerking van deze verrichtingen. ».

Art. 62.Artikel 81 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 81.De beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend moeten te allen tijde voldoen aan de voorwaarden voor de initiële vergunningverlening.

Ze dienen de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen op de hoogte te brengen van elke betekenisvolle wijziging met betrekking tot de voorwaarden voor de initiële vergunningverlening. ».

Art. 63.Artikel 82 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 82.De beursvennootschappen dienen de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling aanvatten of stopzetten. ».

Art. 64.Artikel 83 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 83.§ 1. Iedere beleggingsonderneming die een bijkantoor op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte wenst te vestigen om er alle of een deel van de in artikel 46 opgesomde beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten of nevendiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen daarvan in kennis.

Zij verstrekt hierbij de volgende gegevens : 1° de lidstaten op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;2° een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aangeboden financiële instrumenten, de aangeboden beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld en wordt aangegeven of het bijkantoor voornemens is gebruik te maken van verbonden agenten;3° het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;4° de namen van de leiders van het bijkantoor. § 2. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de administratieve structuur of de financiële positie van de beleggingsonderneming. § 3. De beslissing van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen moet, uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in § 1, tweede lid, bedoelde gegevens, met een ter post aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de beleggingsonderneming. Indien de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de beleggingsonderneming. § 4. Dit artikel geldt ook voor de opening van bijkantoren in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, welke ook de geplande werkzaamheden voor deze bijkantoren zijn. ».

Art. 65.Artikel 84 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 84.Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor lid is van de Europese Economische Ruimte, doet de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, tenzij zij, gelet op de voorgenomen werkzaamheden, redenen heeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van een beleggingsonderneming, binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de betrokken beleggingsonderneming hiervan in kennis.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen doet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van de gegevens over het erkende compensatiestelsel waarvan de beleggingsonderneming lid is overeenkomstig Richtlijn 97/9/EG. Eventuele wijzigingen in de gegevens worden door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst gemeld. ».

Art. 66.Artikel 85 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 85.Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lid is van de Europese Economische Ruimte, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met de toezichthoudende overheden voor de beleggingsondernemingen van dit land, regels overeenkomen voor de opening en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling met naleving van de artikelen 74 tot 77bis van de wet van 2 augustus 2002. ».

Art. 67.Artikel 86 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 86.Iedere beleggingsonderneming die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend stelt, in geval van wijziging van de overeenkomstig artikel 83, § 1, tweede lid, verstrekte gegevens, ten minste één maand vóór de doorvoering van de wijziging de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen schriftelijk van deze wijziging in kennis.

Indien het een bijkantoor betreft geopend in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, stelt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van deze wijziging in kennis.

Artikel 83, §§ 2 en 3, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 84, naar gelang van de wijzigingen in de in artikel 83 bedoelde gegevens of in de geldende beleggersbeschermingsregeling. ».

Art. 68.Afdeling VII van Hoofdstuk II van titel II van boek II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Afdeling VII - Vrij verrichten van diensten in een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte

Art. 87.Elke beleggingsonderneming die voor de eerste maal alle of een deel van de in artikel 46 opgesomde beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten of nevendiensten op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte wil verrichten die haar in België zijn toegestaan of die de soort van al daar verrichte diensten of activiteiten wenst uit te breiden, verstrekt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen de volgende informatie: 1° de lidstaat waarin zij voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;2° een programma van werkzaamheden waarin met name wordt aangegeven welke beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten zij voornemens is te verrichten, in welke financiële instrumenten ze diensten wil verstrekken, alsook of zij van plan is om gebruik te maken van verbonden agenten op het grondgebied van de lidstaat waar zij voornemens is diensten te verrichten. Ingeval de beleggingsonderneming voornemens is gebruik te maken van verbonden agenten deelt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, binnen een redelijke termijn de identiteitsgegevens mee van de verbonden agenten die de beleggingsonderneming voornemens is in die lidstaat te gebruiken. De lidstaat van ontvangst kan die informatie openbaar maken.

Art. 88.In het in artikel 87 bedoelde geval doet de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen deze informatie binnen een maand na de ontvangst ervan toekomen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, waarna de beleggingsonderneming kan aanvangen met het verrichten van de betrokken beleggingsdiensten in de lidstaat van ontvangst.

Art. 89.In geval van wijziging van de overeenkomstig artikel 87 verstrekte gegevens stelt de beleggingsonderneming de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen schriftelijk van de desbetreffende wijziging in kennis, zulks ten minste een maand voordat de wijziging plaatsvindt.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van die wijziging. ».

Art. 69.In artikel 101 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 4°, wordt aangevuld als volgt : « d) beslissingen of feiten met betrekking tot de beleggingsonderneming die van aard zijn de bedrijfscontinuïteit ervan aan te tasten; Met betrekking tot de gevallen bedoeld onder a) tot d) dienen zij tevens bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen melding te maken van feiten en besluiten waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitvoering van één van de in dit artikel vermelde taken bij een onderneming die nauwe banden heeft met de beleggingsonderneming waar zij bovengenoemde taak uitvoeren. »; 2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « 5° brengen zij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de regelingen die de beleggingsonderneming heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten in toepassing van de artikelen 77, 77bis en 77ter en van de op grond daarvan door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen.».

Art. 70.Artikel 102, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « De regeling bepaald in de artikelen 96 tot 101 is niet van toepassing op de beleggingsondernemingen die een vergunning hebben als vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. ».

Art. 71.In artikel 104 van dezelfde wet wordt § 1, eerste zin, in limine, vervangen als volgt : « § 1. Wanneer de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen vaststelt dat : - een beleggingsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen; - het beleid of de financiële positie van een beleggingsonderneming de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit; - de beleidsstructuren, administratieve of boekhoudkundige organisatie of interne controle van een beleggingsonderneming ernstige leemten vertonen; - een beleggingsonderneming de gedragsregels bedoeld bepaald door en krachtens de artikelen 26 tot 28bis van de wet van 2 augustus 2002, systematisch en op ernstige wijze overtreedt; - een beleggingsonderneming haar vergunning verworven heeft door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien na afloop van deze termijn de toestand niet is verholpen, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen : ».

Art. 72.In artikel 105 van dezelfde wet wordt de verwijzing naar Richtlijn « 93/22/EEG" vervangen door de verwijzing naar Richtlijn « 2004/39/EG ».

Art. 73.Het opschrift van boek III van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Boek III. De bemiddelaars inzake valutahandel ».

Art. 74.Boek III, Titels I en II, alsmede artikel 138 van dezelfde wet worden opgeheven.

Art. 75.In artikel 148, § 3, van dezelfde wet worden de woorden « en daarbij in het voordeel van de bemiddelaar, in zijn eigen voordeel of in het voordeel van derden, financiële instrumenten van een cliënt, zonder zijn schriftelijke toelating, in prolongatie geeft of op om het even welke wijze gebruikt » vervangen door de woorden « en daarbij in het voordeel van de bemiddelaar, in zijn eigen voordeel of in het voordeel van derden, financiële instrumenten van een cliënt zonder de krachtens artikel 77bis vereiste toestemming, op om het even welke wijze gebruikt ».

Art. 76.Artikel 163 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art 163. § 1. De beursvennootschappen en de vennootschappen voor vermogensbeheer die op 31 oktober 2007 over een vergunning beschikken, behouden deze vergunning voor de met hun bestaande vergunning overeenstemmende beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten zoals opgenomen in artikel 46, 1° en 2°.

Indien de beleggingsondernemingen vóór 1 november 2007 reeds de nevendiensten bedoeld in artikel 46, 2°, 5) en 7) verrichten, mogen zij deze diensten verderzetten mits zij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen hiervan op de hoogte brengen. § 2. De vennootschappen voor de plaatsing van orders in financiële instrumenten die voor 1 november 2007 over een vergunning beschikken, krijgen de vergunning van vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies voor de met hun bestaande vergunning overeenstemmende beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten zoals opgenomen in artikel 46, 1° en 2°, mits zij hiervoor een verzoek bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen indienen. § 3. De vennootschappen voor beleggingsadvies die op 31 oktober 2007 aan de vereisten van de artikelen 58, 60, 62, 62bis en 65 voldoen, worden per 1 november 2007 ingeschreven op de lijst van de beleggingsondernemingen, rubriek vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies waarbij hun vergunning betrekking heeft op de beleggingsdienst « beleggingsadvies », bedoeld in artikel 46, 1°, 5), mits zij hiervoor een verzoek bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen indienen.

De vennootschappen voor beleggingsadvies die op 31 oktober 2007 niet beantwoorden aan de vereisten van artikel 58, 60, 62, 62bis en 65, worden niet ingeschreven op de lijst van de beleggingsondernemingen.

Zij mogen hun bedrijf voortzetten mits zij vóór 31 maart 2008 het statuut hebben verworven van beleggingsonderneming met toepassing van artikel 47 en volgende.

De bepalingen van boek II, met uitzondering van de artikelen 47, 53, 60 en 65, zijn van toepassing op deze ondernemingen zolang zij geen vergunning hebben verkregen. De ondernemingen bedoeld in dit lid worden door de toezichthoudende overheid opgenomen in een aparte lijst, overeenkomstig dezelfde regels als de lijst bedoeld in artikel 53. In afwijking van artikel 55 mogen zij gebruik maken van de benamingen die betrekking hebben op het door hen uitgeoefende bedrijf. § 4. De beleggingsondernemingen die op 31 oktober 2007 over een vergunning beschikken als vennootschap voor makelarij in financiële instrumenten behouden voorlopig deze vergunning voor de met hun bestaande vergunning overeenstemmende beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten zoals opgenomen in artikel 46, 1° en 2°. De vergunning van deze ondernemingen vervalt op 31 maart 2008, tenzij zij voor die datum een vergunning hebben bekomen als beursvennootschap, of als vennootschap voor vermogensbeheer of beleggingsadvies. Zolang dit niet is gebeurd blijven de bepalingen van boek II, met uitzondering van de artikelen 47, 53 en 58, van toepassing op deze ondernemingen. Het volstorte gedeelte van het kapitaal van deze vennootschappen dient ten minste 125.000 EUR te bedragen. § 5. De beleggingsondernemingen die op 31 oktober 2007 over een vergunning beschikken waarbij het uitbaten van een MTF deel uitmaakt van hun activiteiten, worden ingeschreven op de lijst van de beursvennootschappen met een vergunning voor het uitbaten van een MTF, mits zij hiervoor een verzoek bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen indienen. § 6. De marktondernemingen van gereglementeerde markten verkrijgen, voor de door hen georganiseerde markten die op 31 oktober 2007 krachtens artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002 waren erkend, van rechtswege de toelating waarvan sprake in artikel 44, derde lid, om een MTF uit te baten als bedoeld in artikel 46, 1°, 8, mits zij hiervoor een verzoek bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen indienen. § 7. De beleggingsondernemingen die voor 1 november 2007 beleggingsdiensten, -activiteiten en nevendiensten verrichtten die betrekking hebben op de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, e) tot j) van de wet van 2 augustus 2002, dienen met toepassing van artikel 81 van deze wet de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen hiervan in te lichten voor 31 januari 2008. Artikel 51 is op hen van toepassing. ».

Art. 77.De artikelen 164 tot 167 van dezelfde wet worden opgeheven.

Art. 78.Artikel 168 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 168.Beleggingsondernemingen naar Belgisch recht die met toepassing van de artikelen 83 en 87 vóór 1 november 2007 in één of meer Lid-Staten van de Europese Economische Ruimte beleggingsdiensten of -activiteiten of nevendiensten bedoeld in artikel 46 uitvoerden, via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, mogen deze diensten en activiteiten verder zetten voor de overeenstemmende diensten en activiteiten waarvoor zij een kennisgeving hebben gedaan.

Indien deze ondernemingen vóór 1 november 2007 in één of meer Lid-Staten van de Europese Economische Ruimte reeds de beleggingsdiensten en -activiteiten geviseerd in artikel 46, 1°, 8) of de nevendiensten bedoeld in artikel 46, 2°, 5) en 7) verrichten, dienen zij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen hiervan in kennis te stellen vóór 31 januari 2008.

Indien deze ondernemingen voor 1 november 2007 in één of meer Lid-Staten van de Europese Economische Ruimte reeds beleggingsdiensten, -activiteiten en nevendiensten hebben verricht die betrekking hebben op de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, e) tot j) van de wet van 2 augustus 2002, dienen zij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen hiervan in kennis te stellen vóór 31 januari 2008. ».

Art. 79.Artikel 169 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 80.Artikel 172 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 81.Artikel 174 van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen

Art. 82.In artikel 3 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld als volgt : « 14° « systematische internaliseerder » : een kredietinstelling die frequent op georganiseerde, regelmatige en systematische wijze voor eigen rekening cliëntenorders uitvoert buiten een gereglementeerde markt of een MTF.». 2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid : « Wanneer in het eerste lid wordt verwezen naar de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, vallen de diensten en activiteiten vermeld in artikel 46, 1° en 2° van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, onder de wederzijdse erkenning van deze wet.».

Art. 83.In dezelfde wet wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende : «

Art. 20bis.§ 1. Iedere kredietinstelling legt passende beleidslijnen en procedures vast om de naleving van de wettelijke voorschriften inzake beleggingsdiensten en -activiteiten door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers, verbonden agenten en gevolmachtigden te verzekeren.

Zij werkt passende regels uit voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.

Op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op : - de relevante personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn; - de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet; - de modaliteiten waaronder de relevante personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de kredietinstelling; - de wijze waarop de kredietinstellingen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren. § 2. Iedere kredietinstelling neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten inzake beleggingsdiensten en -activiteiten tussen de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliënteel anderzijds, of tussen haar cliënten onderling, de belangen van deze laatsten zouden schaden.

Op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen wanneer de kredietinstelling onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt. § 3. Iedere kredietinstelling neemt passende maatregelen om de continuïteit van haar beleggingsdiensten en -activiteiten te verzekeren. § 4. Wanneer een kredietinstelling operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening inzake beleggingsdiensten en -activiteiten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken.

De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de instelling en aan het vermogen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen om te controleren of de instelling haar wettelijke verplichtingen nakomt.

De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen publiceert een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet. § 5. Iedere kredietinstelling houdt de gegevens bij over alle door haar verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten om de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen in staat te stellen na te gaan of de instelling de bepalingen van deze wet naleeft, inzonderheid of de instelling haar verplichtingen tegenover haar cliënteel of potentieel cliënteel nakomt. § 6. Wanneer een kredietinstelling financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren in geval van haar insolventie. Zij neemt passende maatregelen om te voorkomen dat financiële instrumenten toebehorend aan een cliënt voor haar eigen rekening worden gebruikt, tenzij de cliënt hiermee uitdrukkelijk instemt. § 7. De personen belast met de effectieve leiding van de kredietinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, nemen onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan van de instelling de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 tot 6. Het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, dient minstens jaarlijks te controleren of de kredietinstelling aan het bepaalde bij deze paragrafen beantwoordt, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid en over de genomen passende maatregelen De informatieverstrekking aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Commissie bepaalt.

De erkende commissaris brengt bij het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, tijdig verslag uit over de belangrijke kwesties die bij de wettelijke controleopdracht aan het licht zijn gekomen. § 8. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan nadere bepalingen van dit artikel vaststellen met een reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3, en 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ».

Art. 84.In dezelfde wet wordt een artikel 46bis ingevoegd, luidende : «

Art. 46bis.De kredietinstellingen dienen de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling in de zin van artikel 3, § 1, 14°, aanvatten of stopzetten. ».

Art. 85.Artikel 55, eerste lid van dezelfde wet wordt aangevuld met een 5°, luidende : « 5° brengen zij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de kredietinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten in toepassing van de artikelen 77bis en 77ter van de wet van 6 april 1995 en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen. ».

Art. 86.Artikel 57, § 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op de kredietinstellingen die de gedragsregels bepaald door en krachtens de artikelen 26 tot 28bis van de wet van 2 augustus 2002, systematisch en op ernstige wijze overtreden. ».

Art. 87.Artikel 75 wordt vervangen als volgt : «

Art. 75.§ 1. Wanneer de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een kredietinstelling die op haar grondgebied door middel van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, de verplichtingen schendt die uit de ter uitvoering van de Richtlijn 2004/39/EG vastgestelde bepalingen voortvloeien, of dat een kredietinstelling met een bijkantoor op haar grondgebied de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de ter uitvoering van de voornoemde Richtlijn vastgestelde bepalingen waarbij aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen geen bevoegdheden worden verleend, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.

Indien de kredietinstelling, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het om de in artikel 57, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3° en § 2 van de wet bedoelde maatregelen; ten aanzien van kredietinstellingen die bedrijvig zijn via het verrichten van diensten betreft het de in artikel 57, § 1, tweede lid, 2° en § 2 bedoelde maatregelen. De Europese Commissie wordt onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld. § 2. Wanneer de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Commissie behoren, maant zij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.

Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, brengt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen haar opmerkingen ter kennis van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling. § 3. Wanneer de overtredingen, geviseerd in § 2, van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, na de in § 2 bedoelde autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de in artikel 57, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen treffen.

Artikel 57, §§ 2 tot 4, is van toepassing.

Wanneer de overtredingen, geviseerd in § 2, van een kredietinstelling die bedrijvig is via het verrichten van diensten, blijven aanhouden, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, na de in § 2 bedoelde autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, deze instelling verbieden om nog nieuwe verrichtingen in het land uit te voeren. Zij kan de geldigheidsduur van dit verbod beperken en het opheffen. Artikel 57, § 1, tweede lid, 2°, en § 2 zijn van toepassing op deze beslissingen. Dit lid is eveneens van toepassing in de gevallen als bedoeld bij artikel 57, § 3. § 4. In spoedeisende gevallen waarin de termijnen van de bij de §§ 2 en 3 geregelde procedure niet kunnen worden toegepast, kan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen alle nodige bewarende maatregelen treffen om de belangen van de spaarders en andere cliënten van de bijkantoren te beschermen. Zij stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling en van de vestigingslanden van andere bijkantoren, hiervan onmiddellijk in kennis. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen wijzigt deze maatregelen of trekt ze in, wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar daartoe aanmaant in overeenstemming met de Europeesrechtelijke regels ter zake. § 5. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan, op verzoek van de ter zake bevoegde overheid, de §§ 2 tot 4 toepassen op een in artikel 65 of 66 bedoelde kredietinstelling, wanneer zij in België handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen als bedoeld in artikel 69 of in de wettelijke of reglementaire bepalingen die, om redenen van algemeen belang, gelden op andere gebieden dan bedoeld in de artikelen 68 en 71, eerste en tweede lid. § 6. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen deelt aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, volgens de frequentie die laatstgenoemde bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig § 3. ». HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles

Art. 88.In artikel 3 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 1°, a), ii), worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt »;2° het 6° wordt vervangen als volgt : « 6° « multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility - MTF) » : een door een beleggingsonderneming, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van de wet van 2 augustus 2002 of titel II van de Richtlijn 2004/39;»; 3° het 24° wordt vervangen als volgt : « 24° « wet van 6 april 1995 » : de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;»; 4° er wordt een 32° ingevoegd, luidende : « 32° « Richtlijn 2004/39/EG » : de Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/ EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad;»; 5° er wordt een 33° ingevoegd, luidende : « 33° « wet van 22 maart 2006 » : de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten;».

Art. 89.In artikel 5, § 3, 3°, b), van dezelfde wet worden de woorden « beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten » vervangen door de woorden « beroepsmatig verrichten of aanbieden van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten ».

Art. 90.In artikel 10, 3°, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 91.In artikel 41, § 1, 5°, a), van dezelfde wet worden de woorden « artikel 46, 1°, 3 van de wet van 6 april 1995 » vervangen door de woorden « artikel 46, 1°, 4 van de wet van 6 april 1995 ».

Art. 92.In artikel 43 van dezelfde wet worden de woorden « passende beheerstructuur, noch over de in materieel, menselijk en technisch opzicht vereiste middelen voor een eigen en voor haar voorgenomen werkzaamheden passende administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie » vervangen door de woorden « passende beleidsstructuur, noch over de in materieel, menselijk en technisch opzicht vereiste middelen voor een eigen en voor haar voorgenomen werkzaamheden passende administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie en interne controle ».

Art. 93.Artikel 62bis, eerste lid, f), van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « f) de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies bedoeld in Boek II, Titel II van de wet van 6 april 1995 ».

Art. 94.In dezelfde wet wordt artikel 69 vervangen als volgt : «

Art. 69.De Koning kan, na advies van de CBFA en na open raadpleging, gedragsregels vaststellen die de instelling voor collectieve belegging moet naleven bij de uitoefening van haar beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, desgevallend rekening houdend met de aard van de betrokken beheertaak. Daarbij kan Hij aan de instelling voor collectieve belegging onder meer de verplichting opleggen tot naleving van de artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002, en de ter uitvoering genomen besluiten. ».

Art. 95.Artikel 70 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 96.Artikel 71 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 71.De CBFA kan, in individuele gevallen en mits zij het gevolgde afwijkingsbeleid op passende wijze, op geregelde tijdstippen en op niet-nominatieve wijze bekendmaakt, afwijkingen verlenen van de bepalingen vastgesteld door of krachtens artikel 27 of 28bis van de wet van 2 augustus 2002, indien zij van oordeel is dat de betrokken bepalingen niet aangepast zijn aan de activiteiten of aan de situatie van een instelling voor collectieve belegging en op voorwaarde dat de instelling passende alternatieve maatregelen treft die een gelijkwaardige bescherming bieden voor de houders van effecten en voor de integriteit van de markt. ».

Art. 97.In artikel 73, § 3, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 98.In artikel 92, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « haar beheerstructuren » vervangen door de woorden « haar beleidsstructuren ».

Art. 99.In artikel 96, § 1, a) van dezelfde wet worden de woorden « haar beheerstructuur » vervangen door de woorden « haar beleidsstructuur ».

Art. 100.In artikel 97, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 101.In artikel 100, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 102.In artikel 103, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 103.In artikel 113, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 104.In artikel 116, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 105.In artikel 119, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « georganiseerde markt » vervangen door de woorden « MTF of gereglementeerde markt ».

Art. 106.In artikel 139 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 1° worden de woorden « de beleggingsdienst bedoeld in artikel 46, 1°, 3 van de wet van 6 april 1995 » vervangen door de woorden « de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 46, 1°, 4 », en worden de woorden « voor deze ondernemingen gelden niettemin de artikelen 147, 153, § 1, vierde tot zesde leden, 153, § 2, 154, § 3, 168, 170 en 174 » vervangen door de woorden « voor deze ondernemingen gelden niettemin de artikelen 147, 153, § 3, derde lid, 153, § 4, derde lid, 153, § 5, 154, § 3, 168, 170 en 174 »;2° in het 2° worden de woorden « de beleggingsdienst bedoeld in artikel 46, 1°, 3 van de wet van 6 april 1995 » vervangen door de woorden « de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 46, 1°, 4 » en worden de woorden « de artikelen 147, 153, § 1, vierde tot zesde leden, 153, § 2, 154, § 3, 168, 170 en 174 zijn niettemin van toepassing » vervangen door de woorden « de artikelen 147, 153, § 3, derde lid, 153, § 4, derde lid, 153, § 5, 154, § 3, 168, 170 en 174 zijn niettemin van toepassing ».

Art. 107.In dezelfde wet wordt artikel 153 vervangen als volgt : «

Art. 153.§ 1. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet beschikken over een eigen en voor haar beheertaken en beleggingsdiensten of voorgenomen beheertaken en beleggingsdiensten passende beleidsstructuur.

Onder passende beleidsstructuur dient inzonderheid te worden verstaan : - een coherente en transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; - een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; - passende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van, en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden. § 2. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet ook beschikken over de in materieel, menselijk en technisch opzicht vereiste middelen voor een eigen en voor haar voorgenomen beheertaken en beleggingsdiensten passende administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie. Zij moet met name beschikken over controle- en beveiligingsmechanismen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle. Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico's. § 3. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging dient een passende interne controle te organiseren, waarvan de werking minstens jaarlijks dient te worden beoordeeld.

De interne controleprocedures omvatten met name een regeling voor het beheer van de beleggingen in financiële instrumenten met het oog op het beleggen van het eigen vermogen.

Deze procedures moeten onder meer waarborgen dat elke transactie waarbij een beheerde instelling voor collectieve belegging of, in voorkomend geval, één van haar compartimenten betrokken is, kan worden gereconstrueerd wat betreft de oorsprong en de aard van de transactie, de betrokken partijen, en het tijdstip en de plaats waar zij heeft plaatsgevonden, en dat de activa van de beheerde instellingen voor collectieve belegging worden belegd, naargelang het geval, overeenkomstig het reglement van het gemeenschappelijk beleggingsfonds of de statuten van de instelling voor collectieve belegging en de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen.

Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingproces, zodat inzonderheid de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering.

Iedere beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interne auditfunctie. § 4. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging werkt een passend integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd. Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie, om de naleving door de vennootschap, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in verband met de integriteit van haar bedrijf.

Een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging dient te beschikken over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie.

Iedere beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten die zich voordoen : - tussen haarzelf, met inbegrip van haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliënteel anderzijds; - tussen haarzelf, met inbegrip van haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en de beheerde instellingen voor collectieve belegging anderzijds; - tussen haar cliënten onderling; - tussen de beheerde instellingen voor collectieve belegging onderling; - tussen haar cliënten en de beheerde instellingen voor collectieve belegging; - de belangen van de beheerde instellingen voor collectieve belegging of van haar cliënten zouden schaden.

Op advies van de CBFA bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen ter voorkoming van belangenconflicten en wanneer de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt. § 5. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet een methode voor risicobeheer toepassen die specifiek is afgestemd op de categorie van toegelaten beleggingen van de beheerde instellingen voor collectieve belegging en waarmee zij te allen tijde het risico van de posities kan controleren en meten en kan nagaan wat het aandeel daarvan is in het totale-risicoprofiel van de portefeuille van de beheerde instellingen voor collectieve belegging of, in voorkomend geval, van de verschillende compartimenten van die instellingen voor collectieve belegging.

De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet een methode hanteren die een accurate en onafhankelijke evaluatie moet toelaten van de waarde van de OTC-derivaten in de portefeuille of, in voorkomend geval, in de portefeuille van de verschillende compartimenten, van elke beheerde instelling voor collectieve belegging. Zij moet de CBFA volgens de gedetailleerde regels en de periodiciteit die de CBFA heeft vastgelegd bij reglement genomen conform artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, in kennis stellen van de soorten financiële derivaten, de onderliggende risico's, de kwantitatieve begrenzingen en de gekozen methodes voor de raming van de inherente risico's aan de derivaten voor elke beheerde instelling voor collectieve belegging of, in voorkomend geval, voor de verschillende compartimenten van deze beheerde instellingen voor collectieve belegging. § 6. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet dusdanig georganiseerd zijn dat zij, naast de informatie die is bekendgemaakt in het prospectus en in de jaar- en halfjaarlijkse verslagen van de beheerde instellingen voor collectieve belegging, op verzoek van de effectenhouders aanvullende inlichtingen kan verstrekken over de kwantitatieve begrenzingen die gelden voor het risicobeheer van de beheerde instellingen voor collectieve belegging, over de gehanteerde methoden om deze begrenzingen na te leven en over de recente ontwikkelingen op het vlak van risico's en rendement van de activa die de categorie van toegelaten beleggingen vormen waarvoor de beheerde instellingen voor collectieve belegging geopteerd hebben. § 7. De CBFA kan, in voorkomend geval bij reglement genomen conform artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passende onafhankelijke compliancefunctie en een passende risicobeheerfunctie. § 8. Iedere beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging houdt de gegevens bij over de door haar verrichte beleggingsdiensten om de CBFA in staat te stellen na te gaan of de vennootschap de bepalingen van deze wet naleeft, inzonderheid of de vennootschap haar verplichtingen tegenover haar cliënteel nakomt. § 9. De beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging neemt passende maatregelen om de continuïteit van haar beheertaken en beleggingsdiensten te verzekeren. § 10. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het wetboek van vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 tot en met 6, 8 en 9, en het bepaalde bij artikel 154, § 5.

Onverminderd de bepalingen van het wetboek van vennootschappen, dient het wettelijke bestuursorgaan van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, in voorkomend geval via het auditcomité, minstens jaarlijks te controleren of de vennootschap beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 tot en met 6 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt het kennis van de genomen passende maatregelen.

De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de CBFA en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.

De informatieverstrekking aan de CBFA en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de CBFA bepaalt. § 11. De erkende commissaris brengt bij het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, tijdig verslag uit over de belangrijke kwesties die aan het licht zijn gekomen bij de wettelijke controleopdracht, in het bijzonder over ernstige tekortkomingen in het financiële verslaggevingproces. § 12. De CBFA kan nadere bepalingen van dit artikel vaststellen met een reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3 en 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ».

Art. 108.In artikel 154 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 5°, a) worden de woorden « artikel 46, 1°, 3, van de wet van 6 april 1995 » vervangen door de woorden « artikel 46, 1°, 4, van de wet van 6 april 1995 »;2° het artikel wordt aangevuld met de volgende paragraaf : « § 5.Wanneer een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening inzake beleggingsdiensten aan haar cliënten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken.

De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de interne controleprocedures van de vennootschap en aan het vermogen van de CBFA om te controleren of de vennootschap haar wettelijke verplichtingen nakomt.

De CBFA kan nadere bepalingen van dit artikel vaststellen met een reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3 en 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ».

Art. 109.Artikel 169 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 169.§ 1. De Koning kan, na advies van de CBFA en na open raadpleging, gedragsregels vaststellen die beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging moeten naleven bij de uitoefening van beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, desgevallend rekening houdend met de aard van de betrokken beheertaak. Daarbij kan Hij aan de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging onder meer de verplichting opleggen tot naleving van de voorschriften bepaald door en krachtens artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002. § 2. De artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002, en de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, zijn van toepassing op beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, wat de uitoefening van de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 3, 10° betreft. § 3. Iedere beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging legt passende beleidslijnen en procedures vast om de naleving van §§ 1 en 2 en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, door de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren.

Zij werkt passende regels uit voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.

Op advies van de CBFA bepaalt de Koning de desbetreffende nadere regels en verplichtingen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op : - de relevante personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn; - de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet; - de modaliteiten waaronder de relevante personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging; - de wijze waarop de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging de gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren. ».

Art. 110.In dezelfde wet wordt artikel 172 opgeheven.

Art. 111.Artikel 173 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 173.De CBFA kan, in individuele gevallen en mits zij het gevolgde afwijkingsbeleid op passende wijze, op geregelde tijdstippen en op niet-nominatieve wijze bekendmaakt, afwijkingen verlenen van de bepalingen vastgesteld door of krachtens artikel 27 of 28bis van de wet van 2 augustus 2002, indien zij van oordeel is dat de betrokken bepalingen niet aangepast zijn aan de activiteiten of aan de situatie van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging en op voorwaarde dat deze beheervennootschap passende alternatieve maatregelen treft die een gelijkwaardige bescherming bieden voor de belangen van de instellingen voor collectieve belegging die zij beheert, alsook voor de cliënten en voor de integriteit van de markt. ».

Art. 112.Artikel 197 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « § 9. Paragrafen 1 tot en met 5 zijn van toepassing op de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die bij de uitoefening van beleggingsdiensten bedoeld in artikel 3, 10° de gedragsregels vervat in de artikelen 27 en 28bis van de wet van 2 augustus 2002 en de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, systematisch en op ernstige wijze overtreden.

Paragrafen 1 tot en met 5 zijn van toepassing op de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die bij de uitoefening van beheertaken bedoeld in artikel 3, 9° de door en krachtens artikel 169, § 1 vastgestelde gedragsregels, systematisch en op ernstige wijze overtreden. ».

Art. 113.In artikel 202, § 1, a), van dezelfde wet wordt het woord « beheerstructuur » vervangen door het woord « beleidsstructuur ».

Art. 114.In artikel 204, § 2, b), eerste lid, van dezelfde wet wordt het woord « beheerstructuur » vervangen door het woord « beleidsstructuur ».

Art. 115.In artikel 231, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 46, 1°, 1, a) en b) en 3 van de wet van 6 april 1995 en de nevendiensten bedoeld in artikel 46, 2°, 6 van de wet van 6 april 1995 » vervangen door de woorden « de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 46, 1°, 1, 2, 4 en 5 van de wet van 6 april 1995 ».

Art. 116.In dezelfde wet wordt artikel 241 opgeheven. HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten

Art. 117.Artikel 4, 1°, b), van de wet van 22 maart 2006 wordt vervangen als volgt : « b) de beleggingsdiensten en -activiteiten evenals de nevendiensten, in de zin van artikel 46, 1°, 1, 5 en 7 van de wet op de beleggingsdiensten; ».

Art. 118.Artikel 5, § 1, vierde lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ressorterende beleggingsondernemingen of kredietinstellingen mogen in België, overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn 2004/39/EG betreffende financiële instrumenten, beroep doen op met toepassing van het eerste lid ingeschreven tussenpersonen die in hun naam en voor hun rekening optreden.

De onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ressorterende in België gevestigde agenten in bank- en beleggingsdiensten die, overeenkomstig de voornoemde Richtlijn, handelen in naam en voor rekening van een beleggingsonderneming worden gelijkgesteld aan een bijkantoor in de zin van artikel 46, 23° van de wet op de beleggingsdiensten. De voorschriften bepaald door en krachtens artikel 110 van dezelfde wet zijn van toepassing.

Een aanvraag tot inschrijving in het in het eerste lid bedoeld register kan worden verricht door in een andere lidstaat van de EER gevestigde verbonden agent waarop een Belgische beleggingsonderneming of kredietinstelling een beroep wil doen met toepassing van artikel 79 van de wet op de beleggingsdiensten, indien de betrokken lidstaat waar de agent gevestigd is geen wettelijke regeling heeft die beleggingsondernemingen of kredietinstellingen toelaat om verbonden agenten aan te wijzen. De Koning kan specifieke regels voor deze categorie van agenten bepalen. »

Art. 119.Artikel 11, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Bovendien moet hij de volgende verplichtingen naleven : 1° de beleggingsdiensten bedoeld in artikel 4, 1°, b) zijn beperkt tot effecten en tot rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging;2° hij mag op geen enkel ogenblik in contanten of op rekening gelden en financiële instrumenten ontvangen en bijhouden, of in een debetpositie staan ten aanzien van de spaarder of belegger;hij mag geen mandaat of volmacht hebben op rekening van zijn cliënten, tenzij van inwonende gezinsleden, noch zelf waarden of rekeningboekjes van cliënten bijhouden of in open bewaargeving houden. ».

Art. 120.Artikel 12, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Een makelaar in bank- en beleggingsdiensten kan bovendien : - niet bemiddelen inzake de nevendienst bedoeld in artikel 46, 2°, 1) van de wet op de beleggingsdiensten; - in afwijking van het eerste lid, voor eigen rekening diensten van beleggingsadvies aanbieden bedoeld in artikel 46, 1°, 5) van de wet op de beleggingsdiensten, met betrekking tot effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging;

De Koning kan specifieke organisatorische regels evenals gedragsregels opleggen aan de makelaars in bank- en beleggingsdiensten die voor eigen rekening diensten van beleggingsadvies aanbieden. ». HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt

Art. 121.Artikel 9 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt wordt aangevuld als volgt : « 8° « multilaterale handelsfaciliteit » : een Multilateral Trading Facility of MTF in de zin van artikel 2, eerste lid, 4° van de voormelde wet van 2 augustus 2002. ».

Art. 122.In artikel 15 van dezelfde wet van 16 juni 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 worden de woorden « markt(en) die Hij bepaalt en die voor het publiek toegankelijk, maar geen gereglementeerde markten zijn » vervangen door de woorden « multilaterale handelsfaciliteit(en) die Hij bepaalt »;2° in § 3 worden de woorden « op een buitenlandse markt die voor het publiek toegankelijk, maar geen gereglementeerde markt is » vervangen door de woorden « op een multilaterale handelsfaciliteit die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gevestigd of een handelsfaciliteit die buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd, die toegankelijk is voor het publiek en een vergelijkbare functie vervult als een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit ».

Art. 123.In artikel 46 van dezelfde wet van 16 juni 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 2° worden de woorden « op bepaalde Belgische markten die toegankelijk zijn voor het publiek, maar geen gereglementeerde markten of compartimenten van dergelijke markten zijn, waarbij die beleggingsinstrumenten, markten of marktcompartimenten door Hem worden bepaald » vervangen door de woorden « op Belgische multilaterale handelsfaciliteiten of compartimenten van dergelijke faciliteiten, waarbij die beleggingsinstrumenten, multilaterale handelsfaciliteiten of compartimenten door Hem worden bepaald »;2° in het 3° worden de woorden « op bepaalde buitenlandse markten die toegankelijk zijn voor het publiek, maar geen gereglementeerde markten of compartimenten van dergelijke markten zijn, waarbij die beleggingsinstrumenten, markten of marktcompartimenten door Hem worden bepaald » vervangen door de woorden « op multilaterale handelsfaciliteiten die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd of op handelsfaciliteiten die buiten de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, die toegankelijk zijn voor het publiek en een vergelijkbare functie vervullen als een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, of op compartimenten van dergelijke faciliteiten, waarbij die beleggingsinstrumenten, handelsfaciliteiten of compartimenten door Hem worden bepaald ».

Art. 124.In artikel 56, f), van dezelfde wet van 16 juni 2006 worden de woorden « vennootschappen voor plaatsing van orders in financiële instrumenten » vervangen door de woorden « vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies ». HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 125.De markten die op 31 oktober 2007 erkend waren als gereglementeerde markten met toepassing van artikel 3 van de wet van 2 augustus 2002, worden van rechtswege vergund voor de toepassing van artikel 3 van de wet van 2 augustus 2002, als gewijzigd door onderhavig besluit.

Art. 126.Artikel 51 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 127.Dit besluit treedt in werking op 1 november 2007, behoudens artikelen 27 en 126 die in werking treden op de datum van bekendmaking van dit besluit.

Evenwel, blijft artikel 15, vierde lid van de wet van 2 augustus 2002 van toepassing tot de inwerkingtreding van de op de financiële informatieverstrekking betrekking hebbende bepalingen tot omzetting van de Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG. Het artikel 15, zesde lid, van dezelfde wet blijft van overeenkomstige toepassing.

Evenwel, blijft artikel 15, vijfde lid, van de wet van 2 augustus 2002 van toepassing tot de inwerkingtreding van de op de transparantie van het aandeelhouderschap betrekking hebbende bepalingen tot omzetting van de Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG. Het artikel 15, zesde lid, van dezelfde wet blijft van overeenkomstige toepassing.

De Koning bepaalt de inwerkingtreding van artikelen 117, 119 en 120.

Art. 128.Onze Minister, bevoegd voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 27 april 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^