Koninklijk Besluit van 27 juli 2011
gepubliceerd op 24 augustus 2011
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2011022274
pub.
24/08/2011
prom.
27/07/2011
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

27 JULI 2011. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Artikel 1 van het ontwerp van koninklijk besluit dat ter uwer handtekening is voorgelegd, beoogt een vereenvoudiging van de procedure tot regularisatie van de gevallen van hervatting, door een zelfstandige, van een activiteit zonder de voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling of van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, gedurende een periode van erkende arbeidsongeschiktheid. Deze vereenvoudiging bestaat in het afschaffen van de procedure tot medische regularisatie voor de verstreken periode van niet toegelaten arbeid. Er zal niet meer worden onderzocht of de zelfstandige gerechtigde die een niet toegelaten activiteit heeft hervat gedurende zijn arbeidsongeschiktheid, vanuit geneeskundig oogpunt nog een vermindering van zijn vermogen van tenminste 50 % behoudt voor het tijdvak van niet toegelaten arbeid. De procedure tot regularisatie van het tijdvak van niet toegelaten arbeid zal zich beperken tot een zuiver administratieve procedure (beperking van het onverschuldigd bedrag tot de dagen of de periode van niet toegelaten arbeid). Bovendien zal de betrokkene onderworpen worden aan een geneeskundig onderzoek om na te gaan of hij nog altijd de voorwaarden tot erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid vervult op de datum van het geneeskundig onderzoek waartoe hij zal opgeroepen worden ingevolge de vaststelling van de niet toegelaten activiteit en later.

Onderhavig ontwerp van koninklijk besluit beoogt in het kader van de uitkeringsverzekering voor de zelfstandigen een gelijkaardige wijziging aan te brengen als deze die werd aangebracht in het stelsel van de werknemers, door de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen, die artikel 101 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 heeft gewijzigd. De wijziging aangebracht in het algemeen stelsel is in werking getreden op 31 december 2010 en er wordt voorgesteld om dezelfde datum vast te stellen voor de inwerkingtreding van deze vereenvoudigde procedure tot regularisatie van niet toegelaten werkhervattingen, in het stelsel van de zelfstandigen.

Artikel 2 van het ontwerp van koninklijk besluit beoogt de opheffing van artikel 23quater van het K.B. van 20 juli 1971 wegens het feit dat de situaties van niet toegelaten werkhervatting die zich voordeden vóór de inwerkingtreding van artikel 23ter nu geregeld zijn. Een gelijkaardige wijziging werd aangebracht in het stelsel van de werknemers, door de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (opheffing van artikel 102 van de gecoördineerde wet die eveneens in werking is getreden op 31 december 2010).

In zijn advies 49.799/2 van 14 juni 2011 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State voorbehoud geformuleerd wat betreft de retroactieve inwerkingtreding van de voormelde wijzigingen in de regularisatieprocedure.

Teneinde het parallellisme met de regeling voor de werknemers (die reeds in werking is getreden op 31 december 2010), te behouden en rekening houdend met het gegeven dat het gaat om een administratieve vereenvoudiging van de regularisatieprocedure die bovendien tot voordeel strekt van de sociaal verzekerden, werd niettemin beslist om in artikel 8 van het ontwerp van koninklijk besluit, 31 december 2010, als datum van inwerkingtreding te behouden.

Artikel 3 van het ontwerp van koninklijk besluit beoogt een aanpassing van de organen van de dienst voor administratieve controle zoals opgenomen in artikel 52 van het K.B. van 20 juli 1971 in functie van de wijzigingen aangebracht door de wet van 19 mei 2010 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid die de bevoegdheden van het Comité van de dienst voor administratieve controle heeft overgedragen aan het Algemeen beheerscomité (beslissingsbevoegdheid) en aan de Technische Commissie ingesteld door de voornoemde wet van 19 mei (adviesbevoegdheid).

Artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit beoogt de aanpassing van artikel 61 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 aan de Europese context. Vanaf 1 mei 2010 zijn er ingevolge de nieuwe Europese Verordeningen nrs. 883/2004 en 987/2009 wijzigingen aangebracht aan de procedure tot aangifte van de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde die in een andere lidstaat van de Europese unie verblijft of woont dan in de lidstaat die bevoegd is voor de toekenning van de uitkeringen. In dit kader wordt voorgesteld om een § 4 in te voegen in artikel 61 van het K.B. van 20 juli 1971 teneinde voor de adviserend geneesheer de mogelijkheid te voorzien tot het beëindigen van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van een gerechtigde die bij de aanvang ervan in een andere lidstaat van de Europese Unie (dan België) verblijft of woont, vanaf de einddatum van de ongeschiktheid die staat vermeld op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid dat is opgesteld door de buitenlandse behandelend geneesheer of door het buitenlandse bevoegd orgaan, zonder een voorafgaand geneeskundig onderzoek te moeten uitvoeren.

De artikelen 5, 6 en 7 van het ontwerp van koninklijk besluit beogen een aanpassing van de artikelen 67, 69 en 71 van het K.B. van 20 juli 1971 ingevolge de wijzigingen aangebracht aan de regeling van de administratieve sancties die toepasselijk zijn op de sociaal verzekerden onderworpen in de regeling van de werknemers, door de wet van 19 mei 2010 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid. De omschrijving van de inbreuken werd aangepast, het aantal sancties werd verminderd en de regeling van de sancties werd opgenomen in artikel 168quinquies van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Het koninklijk besluit van 10 januari 1969 tot vaststelling van de administratieve sancties die toepasselijk zijn op de rechthebbenden van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, werd opgeheven. De artikelen 69 en 71 van het K.B. van 20 juli 1971 die verwijzen naar het koninklijk besluit van 10 januari 1969 dienen bijgevolg eveneens te worden gewijzigd om te verwijzen naar het nieuwe artikel 168quinquies van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.

Er is voorgesteld om de bepaling onder 5° van artikel 67 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 op te heffen teneinde te vermijden dat administratieve sancties worden uitgesproken ten aanzien van een verzekerde die een activiteit heeft uitgeoefend die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een correctionele of criminele straf, met het oog op de naleving van het principe 'non bis in idem', naar analogie van een gelijkaardige wijziging die werd aangebracht in het stelsel van de werknemers, door de voornoemde wet van 19 mei 2010 (invoering van het artikel 168sexies in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994).

De artikelen 5, 6 en 7 van onderhavig ontwerp van koninklijk besluit brengen geen echte wijziging ten gronde aan aan de regeling van de sancties van toepassing op de zelfstandigen, maar eerder formele aanpassingen die noodzakelijk zijn ingevolge de opheffing van het voormelde K.B. van 10 januari 1969 en de integratie van de regeling van de sancties van toepassing op de werknemers, waarnaar de artikelen 69 en 71 van het K.B. van 20 juli 1971 verwijzen, in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE

27 JULI 2011. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkerings verzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 86, § 3, gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen, gegeven op 26 oktober 2010;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 14 januari 2011;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 26 mei 2011;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat de bepalingen tot wijziging van de procedure tot regularisatie van de situatie van de zelfstandige die een niet toegelaten activiteit heeft hervat, in navolging van de gelijkaardige bepalingen van artikel 101 van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, van toepassing in het algemeen stelsel, moeten in werking treden op 31 december 2010 en dat het bijgevolg aangewezen is dat die bepalingen zo snel mogelijk ter kennis worden gebracht van de sociaal verzekerden en van de verzekeringsinstellingen, teneinde deze laatsten toe te laten de nieuwe bepalingen toe te passen binnen de vereiste termijnen;

Door deze maatregelen wordt een parallellisme gecreëerd met de regeling voor de werknemers die reeds in werking trad op 31 december 2010;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van haar wijze van toepassing in werking zijn getreden op 1 mei 2010 en dat het bijgevolg aangewezen is dat de nieuwe Belgische toepassingsmaatregelen zo snel mogelijk ter kennis worden gebracht van de sociaal verzekerden en van de verzekeringsinstellingen;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat de organen van de Dienst voor administratieve controle gewijzigd werden door de wet van 19 mei 2010 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid en dat het bijgevolg aangewezen is de bepalingen van artikel 52, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 aan te passen;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat een artikel 168sexies door voornoemde wet van 19 mei 2010 werd ingevoegd in de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, teneinde geen administratieve sancties uit te spreken ten aanzien van een verzekerde die al strafrechtelijk zou zijn gestraft en dat het bijgevolg aangewezen is om, per analogie, de bepaling onder 5° van artikel 67 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 op te heffen;

Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door het feit dat het koninklijk besluit van 10 januari 1969 tot vaststelling van de administratieve sancties die toepasselijk zijn op de rechthebbenden van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering opgeheven werd door voornoemde wet van 19 mei 2010 en dat het bijgevolg aangewezen is de artikelen 69 en 71 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 die ernaar verwijzen, aan te passen.

Gelet op het advies nr. 49.799/2 van de Raad van State, gegeven op 14 juni 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Zelfstandigen, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 23ter van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschaps-verzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, ingevoegd door het koninklijk besluit van 17 november 2000, wordt vervangen als volgt : « Artikel 23ter, § 1. De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die arbeid heeft verricht zonder de in artikelen 20bis, 23 en 23bis bedoelde voorafgaande toelating, of zonder de voorwaarden van de toelating te respecteren, wordt onderworpen aan een geneeskundig onderzoek om na te gaan of de erkenningsvoorwaarden voor de arbeidsongeschiktheid zijn vervuld op de datum van het onderzoek.

Het geneeskundig onderzoek moet plaatsvinden binnen dertig werkdagen, te rekenen vanaf de vaststelling, door de verzekeringsinstelling, van de niet toegelaten activiteit of vanaf de mededeling ervan aan de verzekeringsinstelling.

Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van de erkenning ter kennis gebracht aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 61, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 189, tweede lid, en 190, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt. § 2. De gerechtigde bedoeld in § 1 moet de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht.

De dagen of de periode, bedoeld in het vorige lid, worden gelijkgesteld met vergoede dagen voor de vaststelling van de rechten op sociale zekerheidsprestaties van de gerechtigde, alsook van de personen die hij ten laste heeft. »

Art. 2.Artikel 23quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 17 november 2000, wordt opgeheven.

Art. 3.In artikel 52, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « de Algemene Raad, het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, het Comité van de Dienst voor administratieve controle » vervangen door de woorden « het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, het Algemeen Beheerscomité en de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle ».

Art. 4.Artikel 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 september 1998, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende als volgt : « § 4. Indien de gerechtigde die valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van haar wijze van toepassing, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België verblijft of woont, kan de adviserend geneesheer, zonder over te gaan tot een voorafgaand geneeskundig onderzoek, een einde stellen aan de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid vanaf de datum van einde van ongeschiktheid zoals vermeld op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid dat is opgesteld door de behandelend geneesheer van de Staat van de verblijf- of woonplaats of door het bevoegde orgaan van de verblijf- of woonplaats.

De adviserend geneesheer brengt zijn beslissing onmiddellijk ter kennis aan de gerechtigde met een ter post aangetekend schrijven, onder de voorwaarden vastgesteld in § 1, 3de lid van onderhavig artikel. »

Art. 5.In artikel 67 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 april 1986, wordt de bepaling onder 5° opgeheven.

Art. 6.Artikel 69 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 69.Artikel 168quinquies, § 3, tweede tot vijfde lid, § 4, § 5, § 6 en § 8 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, is van toepassing op de administratieve sancties bedoeld in de artikelen 67 en 68 van onderhavig besluit. »

Art. 7.Artikel 71 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 71.De bepalingen betreffende de herhaling, de verzachtende en verzwarende omstandigheden, het uitstel en de samenloop van inbreuken, zoals opgenomen in artikel 168quinquies, § 3, tweede tot vijfde lid, en § 4, van voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing door zowel rekening te houden met de sancties bedoeld in de artikelen 67 en 68 van onderhavig besluit als met de sancties bedoeld in artikel 168quinquies, § 2, van de gecoördineerde wet. »

Art. 8.De artikelen 1 en 2 van dit besluit hebben uitwerking met ingang van 31 december 2010 en zijn van toepassing op de niet toegelaten werkhervattingen die zijn vastgesteld vanaf die datum.

Art. 9.Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Zelfstandigen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 27 juli 2011.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^