Koninklijk Besluit van 27 oktober 2016
gepubliceerd op 21 november 2016
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2016024257
pub.
21/11/2016
prom.
27/10/2016
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2016024257

FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU


27 OKTOBER 2016. - Koninklijk besluit betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, gewijzigd bij de wet van 17 september 2005;

Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 23 december 2015 en op 1 februari 2016;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 25 mei 2016;

Gelet op de adviesaanvraag binnen 30 dagen verlengd met 15 dagen die op 27 juli 2016 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die termijn;

Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 betreffende de voorwaarden, sluiting, uitvoering en beëindiging van gebruikersovereenkomsten en voor het opstellen van beleidsplannen voor de beschermde mariene gebieden in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;

Overwegende het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 tot instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;

Overwegende het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de mariene strategie voor de Belgische zeegebieden;

Overwegende het koninklijk besluit van 16 oktober 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 tot instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;

Overwegende het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden;

Overwegende het koninklijk besluit van 20 maart 2014 tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan;

Overwegende de beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio;

Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid, de Minister van Financiën, de Staatssecretaris voor Noordzee, en de Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna en de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° DG Leefmilieu: het directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;2° BMM: de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-Estuarium, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 29 september 1997 houdende overdracht van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-Estuarium naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;3° Europees te beschermen habitats: de habitattypes vermeld in bijlage I van de habitatrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen;4° Europees te beschermen soorten: de soorten, vermeld in bijlagen II en IV van de habitatrichtlijn en in bijlage I van de vogelrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen, en de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de vogelrichtlijn worden vermeld;5° instandhoudingsdoelstellingen: de verbeter- of behoudsdoelstellingen voor de beschermde soort of voor het beschermde mariene gebied, in voorkomend geval betrekking hebbend op de Europees te beschermen habitats of populaties van Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, waarvoor het Natura 2000-gebied is aangemeld of die in het Natura 2000-gebied voorkomen;6° habitatrichtlijn: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora;7° habitatrichtlijngebied: gebied dat aangewezen wordt in uitvoering van artikel 3 van de habitatrichtlijn;8° initiatiefnemer: degene die het voornemen heeft tot uitvoering van een project of degene die het voornemen heeft tot vaststelling van een plan;9° instandhoudingsmaatregel: maatregel die nodig is voor het behoud of herstel van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer: a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen;b) de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan;c) de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is. De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer: a) uit populatie dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven;b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden;c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.10° Natura 2000-gebied: een habitatrichtlijngebied of een vogelrichtlijngebied;11° plan: een plan dat beleid bepaalt of dat grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten met zich brengt of dat het kader vormt voor een project en dat wordt vastgesteld op initiatief of onder toezicht van de federale Staat, het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de gemeenten, of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Unie, de federale Staat, het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking;12° prioriteiten: een voorrangsorde van instandhoudingsdoelstellingen binnen een Natura 2000-gebied, gelet op de Europees te beschermen soorten en habitats waarvoor het gebied is aangeduid, gelet op de desbetreffende instandhoudingsdoelstellingen en gelet op de dreiging van achteruitgang en vernietiging met betrekking tot de in dat gebied te beschermen soorten en habitats;13° project: een activiteit die bestaat uit: a) de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken, inclusief ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen;of b) de exploitatie van een inrichting;of c) het uitvoeren van een activiteit die mogelijke effecten op het natuurlijke milieu kan teweeg brengen;14° vogelrichtlijn: richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;15° vogelrichtlijngebied: gebied dat aangewezen wordt in uitvoering van artikel 4 van de vogelrichtlijn;16° wet: de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijk planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;17° Natura 2000-toelating: een toelating die op basis van dit besluit vereist is om een project binnen de zeegebieden uit te voeren.18° de minister: de minister of de staatssecretaris tot wiens bevoegdheid de bescherming van het mariene milieu behoort. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen

Art. 3.Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor een Natura 2000-gebied. De zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen worden veroorzaakt, dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of te beperken of ongedaan te maken. HOOFDSTUK III. - Aanwijzing van Natura 2000-gebieden

Art. 4.§ 1. Het DG Leefmilieu maakt een voorstel op van welke gebieden worden aangewezen als Natura 2000-gebied.

Het voorstel bevat een grafisch plan dat aangeeft over welk gebied of welke gebieden het gaat, evenals een wetenschappelijke omschrijving en een geografische afbakening. § 2. Voor de habitatrichtlijngebieden gebeurt de selectie op grond van de criteria van bijlage III van de habitatrichtlijn en van de relevante wetenschappelijke gegevens.

Voor de vogelrichtlijngebieden worden de gebieden geselecteerd die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van: 1° de vogelsoorten van bijlage I van de vogelrichtlijn die voorkomen in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;2° de niet in bijlage I van de vogelrichtlijn opgenomen in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België geregeld voorkomende trekvogels. § 3. De minister onderwerpt het voorstel aan de procedure voor de aanneming van een marien ruimtelijk plan, zoals bepaald in uitvoering van artikel 5bis van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. § 4. De Koning wijst de gebieden aan die in aanmerking komen als Natura 2000-gebied. De aanwijzing van vogelrichtlijngebieden is definitief. § 5. In het geval van de aanwijzing van een gebied dat in aanmerking komt als habitatrichtlijngebied, meldt de minister het gebied aan bij de Europese Commissie. § 6. Ten laatste zes jaar nadat de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard, wijst de Koning dit gebied definitief aan als habitatrichtlijngebied. § 7. Zodra de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard wordt het gebied als Natura 2000-gebied beschouwd voor de toepassing van de bepalingen van artikelen 14 tot 19. § 8. Elke federale overheidsdienst neemt de nodige maatregelen om een ernstige aantasting van de natuurkwaliteit te voorkomen van de gebieden waarvoor de Europese procedure tot aanduiding als gebied van communautair belang loopt. § 9. De vogelrichtlijngebieden bedoeld in artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 20 maart 2014 tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan en het habitatrichtlijngebied bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 3, van hetzelfde besluit worden geacht definitief te zijn aangewezen, in de zin van paragrafen 4 en 6. § 10. De bepalingen van dit besluit voor de voorlopige en definitieve aanwijzing van de Natura 2000-gebieden zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan. Enkel wanneer de natuurlijke ontwikkeling dat rechtvaardigt, kan een Natura 2000-gebied haar status verliezen.

Art. 5.Het aanwijzingsbesluit, als bedoeld in artikel 4, §§ 4 en 6, bevat minstens de volgende elementen: 1° de code van het Natura 2000-gebied;2° de naam van het gebied;3° de afbakening van het gebied;4° een wetenschappelijke omschrijving van het gebied;5° de soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen en, in voorkomend geval, andere Europees beschermde soorten en habitats die in het gebied voorkomen. HOOFDSTUK IV. - Instandhoudingsdoelstellingen

Art. 6.De minister stelt voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen vast. Deze worden uitgedrukt in termen van behoud- en verbeterdoelstellingen betreffende de kwaliteit, de oppervlakte, de populatieomvang of de verspreiding van de desbetreffende, Europees te beschermen habitats en soorten.

Art. 7.§ 1. De instandhoudingsdoelstellingen worden opgemaakt op basis van een rapport dat de volgende componenten bevat: 1° een analyse, met betrekking tot het gebied in kwestie, van de Europees te beschermen habitats en soorten waarvoor het gebied is aangewezen of die erin voorkomen, alsook, op basis van de beschikbare ecologische informatie, een verfijning en actualisering van de verkregen informatie;2° een analyse van de actuele staat van instandhouding;3° een inschatting van de potenties voor duurzame instandhouding in het gebied in kwestie en van de relevante te beschermen habitats en soorten;4° een beoordeling van het belang van het Natura 2000-gebied in kwestie voor elke relevante Europees te beschermen habitat en soort, en hieruit volgend een beoordeling van het belang van elke habitat en soort binnen het Europees te beschermen gebied in kwestie;5° een voorstel van instandhoudingsdoelstellingen per relevante Europees te beschermen habitat en soort in het gebied;6° een beschrijving van de bedreigingen en kansen met betrekking tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld onder 5°. Wanneer Natura 2000-gebieden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen, kunnen de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten voor die gebieden ontworpen worden op basis van een geïntegreerd rapport. § 2. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis waarover ze beschikt ter beschikking met het oog op de opmaak van die rapporten.

Art. 8.§ 1. De instandhoudingsdoelstellingen worden aangenomen ten laatste zes jaar na de definitieve aanwijzing vermeld in artikel 4, §§ 4 en 6. § 2. De instandhoudingsdoelstellingen worden ten laatste zes jaar na hun aanneming geëvalueerd en eventueel herzien, zoveel als mogelijk samenlopend met de toetsing vermeld in artikel 13, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de mariene strategie voor de Belgische zeegebieden.

Art. 9.De aangenomen instandhoudingsdoelstellingen zijn bindend voor de federale overheid. HOOFDSTUK V. - Instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen

Art. 10.§ 1. De Koning kan instandhoudingsmaatregelen nemen in de zin van artikel 6, lid 1 van de habitatrichtlijn en artikel 3, lid 1 en lid 2, onder b), c) en d), en artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2 van de vogelrichtlijn, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de habitats en soorten die erin voorkomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. § 2. De Koning neemt de passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn om elke verslechtering van de natuurkwaliteit van de natuurlijke habitats en van de habitats van soorten en elke betekenisvolle verstoring van de beschermde soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, te vermijden. § 3. De maatregelen bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen onder meer: 1° gericht zijn op het creëren van een draagvlak voor maatregelen, acties op het vlak van natuurbehoud en soortenbehoud;2° gericht zijn op natuurherstel;3° het uitvoeren van een activiteit verbieden;4° voorwaarden aan een activiteit opleggen;5° gebodsbepalingen aan een overheid en/of een particulier opleggen.

Art. 11.§ 1. De minister stelt voor elk van de Natura 2000-gebieden een beheerplan vast. § 2. Dit plan bevat in elk geval de volgende elementen: 1° een evaluatie van het bestaande beschermingsregime, met inbegrip van de monitoringresultaten;2° een ontwerp van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen. Waar nodig zullen deze voorgelegd worden aan de Koning door het volgen van de procedure voorgeschreven door het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden;

Het eerste beheerplan wordt vastgesteld ten laatste zes jaar na de definitieve aanwijzing vermeld in artikel 4, §§ 4 en 6.

Wanneer Natura 2000-gebieden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen, kunnen de instandhoudingsmaatregelen en prioriteiten samengebracht worden in een geïntegreerd beheersplan. § 3. Het beheerplan wordt ten laatste na zes jaar geëvalueerd en herzien, zoveel als mogelijk samenlopend met de toetsing vermeld in artikel 13, § 2, 4°, van het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de mariene strategie voor de Belgische zeegebieden. § 4. De minister kan een beheerplan tussentijds wijzigen, met inachtneming van de procedure voorgeschreven door het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden.

Art. 12.§ 1. De minister stelt het ontwerp beheerplan alsook de actualisering daarvan op, maakt het bekend aan het publiek en biedt de mogelijkheid om commentaar te geven. § 2. Ten dien einde wordt een publieksraadpleging aangekondigd, uiterlijk vijftien dagen voor de aanvang ervan, door middel van een bij het Belgisch Staatsblad gevoegd bericht en een bericht op de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. De publieksraadpleging duurt zestig dagen en wordt opgeschort tussen 15 juli en 15 augustus. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad vermeldt de begin en einddatum van de publieksraadpleging en de wijze waarop het publiek zijn adviezen en opmerkingen kan kenbaar maken. § 3. De minister stelt een verklaring op die samenvat of en hoe de publieksadviezen en -opmerkingen werden geïntegreerd in het beheerplan. Deze verklaring wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt gepubliceerd op de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leermilieu.

Art. 13.§ 1. De minister stelt, rekening houdend met de publieksadviezen en -opmerkingen, het beheerplan vast. § 2. De minister doet het nodige opdat dit beheerplan publiek wordt gemaakt en indien relevant, aan andere overheden wordt overgemaakt. HOOFDSTUK VI. - Passende beoordeling van plannen en projecten - Natura 2000-toelating

Art. 14.§ 1. De initiatiefnemer stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien het een toelating of goedkeuring heeft verkregen volgens de bepalingen van artikel 15. § 2. Een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met een plan of andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-toelating. § 3. Voor een plan of een project zoals bedoeld in paragrafen 1 en 2, kan de initiatiefnemer aan de BMM, bij een gemotiveerd schrijven, verzoeken om aan te geven of de opmaak van een passende beoordeling verplicht is en, in het geval van een project, of een Natura 2000-toelating vereist is. Dergelijk gemotiveerd schrijven dient vergezeld te gaan van een screeningsnota, waarin de initiatiefnemer, op basis van de ecologische informatie aangeeft of bij het uitvoeren van het betrokken project of plan sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. De BMM zal op basis van dit verzoek én alle andere relevante informatie binnen de vijfenveertig dagen een beslissing nemen of er voor het betrokken plan of project een passende beoordeling en, in het geval van een project, een Natura 2000-toelating is vereist.

Art. 15.§ 1. Voor een plan of een project als bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 2, maakt de initiatiefnemer een ontwerp van passende beoordeling op basis van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. In voorkomend geval wordt ook rekening gehouden met de gevolgen die het plan of project kan hebben op Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen buiten de Belgische zeegebieden. § 2. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende toelating een nieuwe toelating moet worden aangevraagd, tenzij het plan of het project: 1° een herhaling of voortzetting is van een ander plan, respectievelijk project, of deel uitmaakt van een ander plan;2° al onderworpen is aan een passende beoordeling en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. § 3. Het ontwerp van passende beoordeling inventariseert, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen.

Indien voor het betrokken gebied nog géén instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, dienen als referentie de gegevens op basis waarvan de aanmelding van het Natura 2000-gebied is gebeurd, aangevuld met de relevante ecologische informatie.

Het ontwerp van passende beoordeling bevat: 1° een deel betreffende het project of plan waarin volgende zaken beschreven worden: a) de doelstelling van het plan of project;b) de fysische kenmerken in de ruimte en in de tijd en de wijze van uitvoering;c) de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven onder andere inzake lokalisatie, inzake wijze van uitvoering of inzake milieuvoorzieningen.2° een deel betreffende de effecten van de voorgenomen activiteit op de Natura 2000-gebieden: a) een beschrijving en waardering van de effecten van de activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen;b) een vergelijking tussen het project of plan en de beschreven alternatieven op grond van het onderzoek betreffende de impact op de instandhoudingsdoelstellingen;c) een beschrijving van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten significante effecten op de betreffende Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen bij het uitwerken van het project of plan en een beschrijving van de maatregelen die mogelijk zijn om nadelige effecten te vermijden te beperken en/of te compenseren;d) een beschrijving van de voorzieningen die kunnen worden getroffen om een behoorlijke monitoring te verzekeren van de effecten van de activiteit op de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden. Dit deel wordt per geval op passende wijze uitgewerkt. In voorkomend geval wordt het aangevuld met een overzicht van de moeilijkheden, zoals ontbrekende kennis, die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie; 3° een niet-technische samenvatting van beide voornoemde delen, bestaande uit: a) de beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de redelijker wijs in aanmerking te nemen alternatieven;b) de moeilijkheden die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste milieu-informatie;c) de resultaten van de vergelijking tussen het project of plan en de alternatieven;d) de wijze waarop rekening gehouden werd met de te verwachten significante effecten bij het uitwerken van de activiteit en de mogelijke maatregelen om nadelige effecten te vermijden, te beperken en/of zo mogelijk te compenseren;e) de voorzieningen die kunnen getroffen worden om de monitoring van de effecten van het project of plan te verzekeren. § 4. De BMM evalueert het ontwerp van passende beoordeling en maakt binnen de zestig dagen na ontvangst van het ontwerp de passende beoordeling over aan de minister. Indien het project machtigings-, vergunningsplichtig of concessieplichtig is, begint de termijn van zestig dagen te lopen na de voorafgaandelijke betaling van de geraamde retributie, voor zover van toepassing. § 5. Indien voor het plan een beoordeling van de effecten op het milieu moet worden opgemaakt op basis van de wet van 13 februari 2006 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in verband met het milieu dient het ontwerp van passende beoordeling, zoveel als mogelijk, binnen deze beoordeling herkenbaar geïntegreerd te worden.

Indien voor het project een vergunning of machtiging vereist is op basis van het koninklijk besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België dient het ontwerp van passende beoordeling, zoveel als mogelijk, herkenbaar geïntegreerd te worden binnen de milieueffectenbeoordeling die opgemaakt moet worden volgens het koninklijk besluit van 9 september 2003 houdende regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling.

Indien voor een project een concessie vereist is op basis van het koninklijk besluit van 1 september 2004 betreffende de voorwaarden en de toekenningsprocedure van concessies voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen in de territoriale zee op het continentaal plat dient het ontwerp van passende beoordeling, zoveel als mogelijk, herkenbaar geïntegreerd te worden binnen de milieueffectenbeoordeling die opgemaakt moet worden volgens het koninklijk besluit van 1 september 2004 houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat. § 6. De minister verleent voor het project uitsluitend een Natura 2000-toelating, indien uit de passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast zullen worden. De minister kan aan deze toelating voorwaarden koppelen. De minister betekent zijn beslissing aan de aanvrager binnen vijftien dagen na ontvangst van de passende beoordeling van de BMM. § 7. In afwijking van paragraaf 6 kan, indien uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, de Natura 2000-toelating worden verleend indien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden: 1° er zijn geen alternatieve oplossingen;2° het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van de Natura 2000-gebieden bewaard blijft. De toepassing van deze afwijking gebeurt op gemotiveerde aanvraag door de aanvrager, binnen de vijftien dagen na ontvangst van de negatieve beslissing van de minister, zoals vermeld in paragraaf 6. De minister betekent, na overleg met het DG Leefmilieu en de BMM, zijn beslissing aan de aanvrager binnen de dertig dagen: 1° indien de motivering van de aanvrager onvoldoende aantoont dat aan de drie bovenvermelde voorwaarden is voldaan, om de toelating te weigeren;2° indien het project geen significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, om de toelating te verlenen;3° indien het project significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, om paragraaf 8 toe te passen. § 8. Ingeval het project significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt de voorwaarde dat de realisatie van het project nodig is vanwege: 1° argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met het milieu wezenlijk gunstige effecten;of 2° andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. § 9. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in paragraaf 8, 2°, wordt door de minister gevraagd. § 10. Compenserende maatregelen als bedoeld in de paragraaf 7, 3°, zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijke milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief wordt ontwikkeld. § 11. Ingeval de compenserende maatregelen voorzien in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied worden deze gebieden aangewezen als een Natura 2000-gebied, of als een onderdeel van een Natura 2000-gebied volgens de bepalingen van artikel 4. § 12. De minister verleent voor een plan uitsluitend zijn goedkeuring, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast zullen worden. De minister kan aan deze goedkeuring voorwaarden koppelen. De minister betekent zijn beslissing aan de initiatiefnemer binnen vijftien dagen na ontvangst van de passende beoordeling van de BMM. § 13. In afwijking van paragraaf 12 kan, indien uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, de minister zijn goedkeuring verlenen als voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden: 1° er zijn geen alternatieve oplossingen;2° het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van de Natura 2000-gebieden bewaard blijft. De toepassing van deze afwijking gebeurt op gemotiveerde vraag van de initiatiefnemer, binnen de vijftien dagen na ontvangst van de beslissing van de minister, zoals vermeld in paragraaf 12. § 14 De minister betekent binnen de dertig dagen, na overleg met het DG Leefmilieu en de BMM, zijn beslissing aan de aanvrager: 1° indien het plan geen significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, om de goedkeuring te verlenen;2° indien het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, om paragraaf 15 toe te passen. § 15. Ingeval het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijk habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt de voorwaarde dat de realisatie nodig is vanwege: 1° argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met het milieu wezenlijk gunstige effecten;of 2° andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. § 16. De minister vraagt een advies aan de Europese Commissie als bedoeld in paragraaf 15, 2°. § 17. Compenserende maatregelen als bedoeld in paragraaf 13, 3°, zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijke milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief wordt ontwikkeld. § 18. Ingeval de compenserende maatregelen voorzien in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied worden deze gebieden aangewezen als een Natura 2000-gebied, of als een onderdeel van een Natura 2000-gebied volgens artikel 4.

Art. 16.§ 1. Een Natura 2000-toelating kan worden gewijzigd, opgeschort of ingetrokken indien: 1° de Natura 2000-toelating niet nageleefd wordt;2° de gegevens op grond waarvan de Natura 2000-toelating is verleend zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;3° de Natura 2000-toelating in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend;of 4° blijkt uit de monitoringsresultaten, als bedoeld in artikel 19, dat de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de Natura 2000-toelating is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden of slechts onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de Natura 2000-toelating is verleend, zouden hebben bestaan. § 2. Een Natura 2000-toelating wordt in elk geval ingetrokken of gewijzigd indien dit nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. § 3. De minister neemt zijn beslissing ambtshalve of op verzoek van de BMM. De minister betekent het ontwerpbesluit aan de toelatingshouder.

Binnen een termijn van hoogstens dertig dagen na de betekening kan deze zijn opmerkingen en bezwaren aan de BMM betekenen. De BMM zendt zijn beoordeling van de opmerkingen en bezwaren naar de minister.

Binnen een termijn van hoogstens negentig dagen na de betekening van het ontwerpbesluit aan de toelatingshouder betekent de minister hem zijn beslissing.

Art. 17.§ 1. De toelatingsplicht, zoals beschreven in artikel 15, is niet van toepassing op de door de minister bij besluit aangewezen projecten, voor zover voldaan is aan regels die minstens betrekking hebben op: 1° de wijze waarop een project wordt gerealiseerd;2° de ligging van de locatie waar een project wordt gerealiseerd ten opzichte van een Natura 2000-gebied, een natuurlijke habitat of een habitat van een soort in dat gebied;3° de te verrichten onderzoeken naar de gevolgen van de realisatie van een project voor de natuurlijke kenmerken van het gebied;4° de voor of tijdens de realisatie van een project te treffen maatregelen om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast;en, 5° de melding van het voornemen aan het DG Leefmilieu, de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan en de wijze waarop, en de daarbij te overleggen gegevens. § 2. In voorkomend geval kunnen de regels bedoeld in paragraaf 1 de vorm aannemen van een gedragscode. Een gedragscode kan door bepaalde gebruikers of een organisatie van gebruikers van een Natura 2000-gebied worden opgemaakt en voorgelegd aan de minister. De minister kan nadere regels vastleggen inzake de procedure tot aanneming van een gedragscode. § 3. Op grond van de paragrafen 1 en 2 kunnen uitsluitend categorieën van projecten in rekening worden gebracht ten aanzien waarvan op voorhand kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. § 4. De activiteiten vermeld in artikel 25, § 3, met uitzondering van punt (iv) en artikel 27 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden vallen niet onder de toelatingsplicht zoals beschreven in artikel 15 indien deze activiteiten beoordeeld werden in de passende beoordeling uitgevoerd bij het aannemen van het marien ruimtelijk plan. HOOFDSTUK VIII. - Monitoring en rapportering

Art. 18.De BMM is belast met de permanente monitoring van de toestand van het mariene milieu en in het bijzonder deze in de vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebieden.

Art. 19.§ 1. Na het verlenen van de toelatingen respectievelijk het goedkeuren van de plannen als bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 2, worden de door de toelatingen respectievelijk de plannen gevatte activiteiten onderworpen aan toezichtsprogramma's en permanente natuureffectenonderzoeken. § 2. De toezichtsprogramma's en permanente natuureffectenonderzoeken worden uitgevoerd door of in opdracht van de toelatingverlenende respectievelijk goedkeurende bevoegde overheid op kosten van de initiatiefnemer. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen

Art. 20.De minister bevoegd voor de bescherming van het mariene milieu en de Minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid zijn ieder wat hem of haar betreft belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 27 oktober 2016.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid en Sociale zaken, M. DE BLOCK De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT De Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, E. SLEURS De Staatssecretaris voor Noordzee, P. DE BACKER


begin


Publicatie : 2016-11-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^