Koninklijk Besluit van 28 april 2017
gepubliceerd op 02 juni 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot vaststelling van boek IV Arbeidsmiddelen van de codex over het welzijn op het werk

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2017011104
pub.
02/06/2017
prom.
28/04/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017011104

FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG


28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek IV Arbeidsmiddelen van de codex over het welzijn op het werk


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro o type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, onderteken sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012421 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012419 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten sluiten betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012421 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012419 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten sluiten betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten;

Gelet op het koninklijk besluit van 31 augustus 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/08/2005 pub. 15/09/2005 numac 2005012415 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte sluiten betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte;

Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 11 december 2015;

Gelet op het advies nr. 59.806/1 van de Raad van State, gegeven op 6 oktober 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Boek IV. - Arbeidsmiddelen van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt : "BOEK IV. - ARBEIDSMIDDELEN TITEL 1. - Definities Artikel IV.1-1. Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder gebruik van arbeidsmiddelen : elke activiteit met betrekking tot een arbeidsmiddel, zoals ingebruikneming of buitengebruikstelling, aanwending, vervoer, reparatie, het ombouwen, het in goede staat houden, en het onderhoud waaronder met name ook reiniging.

TITEL 2. - Bepalingen van toepassing op alle arbeidsmiddelen Art. IV.2-1. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen die in de onderneming of in de inrichting ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik van deze arbeidsmiddelen kunnen worden gewaarborgd.

Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die hij overweegt te gebruiken, houdt de werkgever rekening met de arbeidsomstandigheden en de specifieke kenmerken van de arbeid en met de in de onderneming of inrichting, met name op de werkpost, bestaande risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en, in voorkomend geval, de risico's die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.

Wanneer het niet mogelijk is de veiligheid en de gezondheid van de werknemers aldus volledig te waarborgen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, treft de werkgever passende maatregelen om de risico's tot een minimum te beperken.

Art. IV.2-2. De werkpost en de houding van de werknemers bij het gebruik van arbeidsmiddelen, alsmede de ergonomische beginselen, moeten door de werkgever ten volle in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de algemene minimumvoorschriften van bijlage IV.2-2 en de specifieke minimumvoorschriften van titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I van dit boek.

Art. IV.2-3. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de arbeidsmiddelen worden opgesteld, gebruikt en, in voorkomend geval, gemonteerd en gedemonteerd, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage IV.2-1.

Wanneer het gebruik van een arbeidsmiddel een specifiek gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers kan opleveren, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat : 1° het gebruik van het arbeidsmiddel voorbehouden blijft aan de werknemers die met het gebruik belast zijn;2° de betrokken werknemers in geval van herstelling, het ombouwen, het in goede staat houden of het onderhoud daartoe een specifieke bekwaamheid bezitten. Art. IV.2-4. Onverminderd de bepalingen van de artikelen I.2 16 tot I.2-21 neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers, bedoeld in artikel IV.2-3, tweede lid, 2°, een adequate specifieke opleiding krijgen.

Art. IV.2-5. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers over voldoende informatie en, in voorkomend geval, over gebruiksaanwijzingen betreffende de op het werk gebruikte arbeidsmiddelen beschikken.

Deze informatie en deze gebruiksaanwijzingen moeten ten minste bevatten: 1° de omstandigheden waaronder de arbeidsmiddelen dienen te worden gebruikt;2° voorzienbare abnormale situaties;3° de conclusies die, in voorkomend geval, kunnen worden getrokken uit de bij het gebruik van arbeidsmiddelen opgedane ervaringen. Deze informatie en deze gebruiksaanwijzingen moeten voor de betrokken werknemers begrijpelijk zijn.

De werknemers dienen te worden gewezen op de gevaren die zij lopen, op de arbeidsmiddelen in hun onmiddellijke werkomgeving en op de veranderingen die voor hen van belang zijn, voor zover die betrekking hebben op de in hun onmiddellijke werkomgeving gesitueerde arbeidsmiddelen, ook al maken de werknemers hiervan geen rechtstreeks gebruik.

Voor elke installatie, machine of gemechaniseerd werktuig moeten de nodige schriftelijke instructies bestaan voor hun werking, hun gebruikswijze, hun inspectie en hun onderhoud. De inlichtingen betreffende de veiligheidstoestellen worden gevoegd bij die instructies.

De instructies worden "voor gezien" getekend door de preventieadviseur arbeidsveiligheid en, als het past, door hem aangevuld.

Art. IV.2-6. Iedere bestelling van installaties, machines en gemechaniseerde werktuigen omvat in de bestelbon of in het lastenkohier de eis van de naleving van: 1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne; 2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2.

De preventieadviseur arbeidsveiligheid neemt deel aan de werkzaamheden voor het opstellen van de bestelbon. In voorkomend geval, doet hij aanvullende vereisten bijvoegen op het gebied van de veiligheid en hygiëne na raadpleging, indien nodig, van andere deskundigen.

De bestelbon wordt "voor gezien" getekend door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst of, in voorkomend geval, van de afdeling van de interne dienst.

Art. IV.2-7. Bij de levering geeft de leverancier aan de klant een document, waarin de naleving van de bij de bestelling geformuleerde vereisten inzake veiligheid en hygiëne verantwoord wordt.

Art. IV.2-8. Vóór elke indienststelling is de werkgever in het bezit van een verslag dat de naleving vaststelt van: 1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne; 2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2.

Het verslag wordt opgesteld door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst of, in voorkomend geval, van de afdeling van de interne dienst, in overleg met de preventieadviseur arbeidsveiligheid, en na raadpleging, indien nodig, van andere deskundigen.

Art. IV.2-9. Wat betreft de installaties, de machines en de gemechaniseerde werktuigen reeds in exploitatie op 25 juli 1975 wordt bij ontstentenis van een reeds bestaand gelijkaardig verslag een verslag opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel IV.2-8.

Art. IV.2-10. De bepalingen van de artikelen IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 zijn niet van toepassing : 1° voor de machines, gemechaniseerde werktuigen, onderdelen van machines of van installaties die voorzien zijn van een merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht bij toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten;2° voor de machines, toestellen, installaties en onderdelen van machines, van toestellen en van installaties, gecontroleerd in toepassing van het ARAB door een EDTC; 3° voor de voorwerpen bedoeld in artikel IV.2-6 inzake veiligheid en hygiëne gelijkvormig aan een exemplaar waarvoor aan de vereisten van de artikelen IV.2-6, IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 reeds voldaan werd; althans wat de aspecten betreft die gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht in toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten, gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van het ARAB werd uitgevoerd door een EDTC of gedekt zijn ingevolge een in toepassing van het ARAB verleende erkenning.

De bepalingen van de artikelen IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 zijn wel van toepassing wat betreft de verklaringen en de vaststellingen met betrekking tot de naleving van de aanvullende voorwaarden gesteld met het oog op het bereiken van het objectief vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2 en tot de aspecten die niet gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht in toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten, niet gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van het ARAB werd uitgevoerd door een EDTC of niet gedekt zijn ingevolge een in toepassing van het ARAB verleende erkenning.

Deze verklaringen en vaststellingen bedoeld in het tweede lid zijn respectievelijk: 1° het attest van de leverancier bedoeld in artikel IV.2-7; 2° het verslag van de interne dienst of, in voorkomend geval, de afdeling ervan bedoeld in artikel IV.2-8.

Art. IV.2-11. De documenten en attesten bedoeld in de artikelen IV.2-6, IV.2-7, IV.2-8, IV.2-9 en IV.2-10 worden ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren en medegedeeld aan het Comité.

Art. IV.2-12. Onverminderd de bepalingen van artikel IV.2-1, moeten de arbeidsmiddelen die ter beschikking van de werknemers zijn gesteld in de onderneming of inrichting, voldoen aan de bepalingen van de besluiten genomen in uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn.

Voor zover de bepalingen bedoeld in het eerste lid niet of slechts ten dele van toepassing zijn moeten de arbeidsmiddelen die ter beschikking van de werknemers zijn gesteld in de onderneming of inrichting voldoen aan de algemene minimumvoorschriften bedoeld in de bijlage IV.2-2, aan de bepalingen van het ARAB die er op van toepassing zijn en aan de specifieke minimumvoorschriften die er op van toepassing zijn bedoeld in titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I van dit boek.

Art. IV.2-13. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen door een adequaat onderhoud in zodanige staat worden gehouden dat zij tijdens de gehele gebruiksduur voldoen aan de toepasselijke bepalingen.

Art. IV.2-14. De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie, worden onderworpen, na de installatie en vóór de eerste ingebruikneming, aan een eerste controle, alsmede aan een controle na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek, teneinde ervoor te zorgen dat deze arbeidsmiddelen op de juiste wijze worden geïnstalleerd en goed functioneren.

De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen die onderhevig zijn aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, worden onderworpen aan: 1° periodieke controles en, in voorkomend geval, aan periodieke proeven;2° bijzondere controles, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel, zoals het ombouwen, ongevallen, natuurverschijnselen en lange perioden van buitengebruikstelling. De in het tweede lid bedoelde controles hebben tot doel te garanderen dat de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften worden nageleefd en deze verslechteringen tijdig worden opgespoord en hersteld.

De resultaten van de controles moeten schriftelijk worden vastgelegd en ter beschikking worden gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. Zij moeten gedurende een gepaste tijd worden bewaard.

Wanneer de betrokken arbeidsmiddelen buiten de onderneming worden gebruikt, moeten zij vergezeld gaan van een materieel bewijs van de laatste controle.

Onverminderd de wettelijke verplichtingen inzake controles door EDTC's, worden de in dit artikel bedoelde controles uitgevoerd door deskundigen, intern of extern aan de onderneming of inrichting.

TITEL 3. - Mobiele arbeidsmiddelen al dan niet met eigen aandrijving HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen Art. IV.3-1. Mobiele arbeidsmiddelen waarop een of meer werknemers worden meegevoerd, moeten zodanig uitgevoerd zijn dat het risico voor de werknemer(s) tijdens de verplaatsing beperkt wordt.

Onder dit risico valt ook het risico dat de werknemers in aanraking komen met banden of rupsbanden, of daartussen beklemd raken.

Art. IV.3-2. Wanneer er bij het onverhoeds blokkeren van de elementen voor de energieoverbrenging tussen een mobiel arbeidsmiddel en zijn hulpstukken en/of aanhangers specifieke risico's kunnen ontstaan, moet dit arbeidsmiddel zodanig uitgerust of uitgevoerd zijn dat wordt verhinderd dat de elementen voor energieoverbrenging blokkeren.

Wanneer een dergelijke blokkering niet kan worden verhinderd, moeten alle mogelijke maatregelen worden genomen om te vermijden dat schadelijke gevolgen voor de werknemers ontstaan.

Art. IV.3-3. Wanneer de elementen voor de energieoverbrenging tussen mobiele arbeidsmiddelen vervuild of beschadigd dreigen te worden doordat zij over de grond slepen, moeten bevestigingsmiddelen voorhanden zijn.

Art. IV.3-4. Mobiele arbeidsmiddelen met een of meer meerijdende werknemers moeten zodanig zijn uitgevoerd dat onder de werkelijke gebruiksomstandigheden de risico's als gevolg van het kantelen of omvallen van het arbeidsmiddel worden beperkt door: 1° hetzij een beschermingsconstructie die verhindert dat het arbeidsmiddel meer dan een kwartslag kantelt;2° hetzij een constructie die ervoor zorgt dat er rond de meegevoerde werknemer(s) voldoende vrije ruimte voorhanden is, wanneer het arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan bewegen;3° hetzij door een andere voorziening van gelijke waarde. Deze beschermingsconstructies kunnen een integrerend onderdeel van het arbeidsmiddel zijn.

Deze beschermingsconstructies zijn niet vereist wanneer het arbeidsmiddel tijdens het gebruik wordt gestabiliseerd of wanneer het arbeidsmiddel zodanig is ontworpen dat het niet kan kantelen of omvallen.

Als het risico bestaat dat een meerijdende werknemer bij kanteling of omslaan wordt platgedrukt tussen de delen van het arbeidsmiddel en de grond, moet een systeem worden geïnstalleerd waarmee de meegevoerde werknemer(s) kan (kunnen) worden tegengehouden.

Art. IV.3-5. Heftrucks met een of meer meerijdende werknemers moeten zodanig worden uitgevoerd of uitgerust, dat het gevaar voor kanteling wordt beperkt, bijvoorbeeld: 1° hetzij door de installatie van een bestuurderscabine;2° hetzij door een inrichting die verhindert dat de heftruck kantelt;3° hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat, wanneer de heftruck kantelt, er voor de meerijdende werknemer(s) voldoende vrije ruimte is tussen de grond en bepaalde delen van de heftruck;4° hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat de werknemer(s) op de bestuurdersstoel wordt (worden) vastgehouden, zodat hij (zij) niet door delen van de kantelende heftruck kan (kunnen) worden gegrepen. Art. IV.3-6. Mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving waarvan de verplaatsing risico's voor de werknemers kan opleveren, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: a) uitgerust zijn met middelen om te vermijden dat zij door onbevoegden in werking kunnen worden gesteld;b) uitgerust zijn met passende middelen ter beperking van de gevolgen van een eventuele botsing, ingeval verschillende, op rails rijdende arbeidsmiddelen tegelijkertijd worden verplaatst;c) uitgerust zijn met een rem- en stopvoorziening;voor zover dit om veiligheidsredenen nodig is, moet een door gemakkelijk toegankelijke besturingsorganen of via automatische systemen in werking gestelde noodvoorziening worden aangebracht, waarmee bij het uitvallen van het hoofdsysteem het arbeidsmiddel kan worden afgeremd en tot stilstand kan worden gebracht; d) uitgerust zijn met adequate hulpmiddelen die een toereikend zicht mogelijk maken wanneer het directe gezichtsveld van de bestuurder ontoereikend is om de veiligheid te waarborgen;e) als zij 's nachts of op donkere plaatsen gebruikt moeten worden, moeten zij zijn voorzien van een verlichtingsinstallatie die aangepast is aan het uit te voeren werk, en aan de werknemers voldoende veiligheid bieden;f) indien zij zelf of door hun aanhangers en/of ladingen brandrisico's opleveren waardoor werknemers in gevaar kunnen worden gebracht, moeten zij van passende brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien, tenzij de plaats van gebruik hiermee op voldoende korte afstand van het arbeidsmiddel is uitgerust;g) wanneer zij op afstand worden bediend, moeten zij automatisch tot stilstand komen, wanneer zij het controlegebied verlaten;h) wanneer zij op afstand worden bediend en onder normale gebruiksomstandigheden werknemers kunnen aan- of klemrijden, moeten zij zijn uitgerust met voorzieningen die bescherming tegen deze risico's bieden, tenzij er andere geschikte inrichtingen aanwezig zijn om het gevaar voor aanrijdingen te beperken. HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen Art. IV.3-7. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de mobiele arbeidsmiddelen worden gebruikt in overeenstemming met volgende specifieke bepalingen: 1° mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving mogen alleen worden bestuurd door werknemers die een adequate opleiding voor het veilig besturen van deze arbeidsmiddelen hebben gekregen;2° wanneer een arbeidsmiddel zich binnen een werkzone beweegt, moeten adequate verkeersregels worden vastgesteld en nageleefd;3° er moeten organisatorische maatregelen worden genomen om te vermijden dat zich werknemers te voet bevinden in de werkzone van arbeidsmiddelen met eigen aandrijving.Indien de aanwezigheid van blootgestelde werknemers te voet voor de goede uitvoering van de werkzaamheden vereist is, moeten passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat deze door de arbeidsmiddelen worden verwond; 4° het meerijden van werknemers op mechanisch voortbewogen mobiele arbeidsmiddelen is slechts toegestaan op speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen.Als tijdens de verplaatsing werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, moet de snelheid zo nodig worden aangepast; 5° met een verbrandingsmotor uitgeruste mobiele arbeidsmiddelen mogen in de werkzones slechts worden gebruikt als er wordt gezorgd voor voldoende lucht die geen gevaar oplevert voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers. TITEL 4. - Arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten Art. IV.4-1. Wanneer arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten vast worden opgesteld, moet er worden gezorgd voor hun stevigheid en stabiliteit tijdens het gebruik, met name rekening houdend met de te hijsen of te heffen lasten en de belastingen waaraan de ophangings- of bevestigingspunten aan de draagconstructies worden onderworpen.

Art. IV.4-2. Op machines voor het hijsen of heffen van lasten moet de nominale last op een duidelijk zichtbare wijze worden aangegeven en, in voorkomend geval, moet op een plaat de nominale last voor elke configuratie van de machine worden vermeld.

Hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden gemarkeerd dat de voor een veilig gebruik essentiële kenmerken daarvan kunnen worden geïdentificeerd.

Wanneer een arbeidsmiddel niet bestemd is voor het hijsen of heffen van werknemers en er een mogelijkheid tot verwarring bestaat, moet een passende signalering op zichtbare wijze worden aangebracht.

Art. IV.4-3. Vast opgestelde arbeidsmiddelen moeten zodanig worden opgesteld dat het risico beperkt wordt dat de lasten: a) de werknemers raken;b) ongewild, op gevaarlijke wijze uit hun baan of in vrije val geraken;of c) ongewild losraken. Art. IV.4-4. Arbeidsmiddelen voor het hijsen, heffen of verplaatsen van werknemers, moeten zodanig worden uitgerust dat : a) met behulp van passende voorzieningen wordt voorkomen dat de kooi, indien aanwezig, naar beneden valt;b) wordt voorkomen dat de gebruiker uit de eventuele kooi valt;c) wordt voorkomen dat de gebruiker wordt verpletterd, beklemd geraakt of wordt aangestoten, met name als gevolg van een onopzettelijk contact met een voorwerp;d) de veiligheid van de bij een ongeval in de kooi opgesloten werknemers wordt gegarandeerd en hun bevrijding mogelijk wordt gemaakt. Wanneer de in het eerste lid, onder a) vermelde risico's om redenen in verband met de terreinomstandigheden en het hoogteverschil niet met behulp van een veiligheidsvoorziening kunnen worden vermeden, moet een kabel met een verhoogde veiligheidscoëfficiënt worden geïnstalleerd en moet de goede staat daarvan elke werkdag worden gecontroleerd. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten Art. IV.4-5. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten worden gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van de hoofdstukken II tot V van deze titel.

Art. IV.4-6. Demonteerbare of mobiele arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van lasten moeten zodanig worden gebruikt dat de stabiliteit van het arbeidsmiddel tijdens het gebruik onder alle voorzienbare omstandigheden, rekening houdend met de aard van de bodem, wordt gewaarborgd.

Art. IV.4-7. Het hijsen of heffen van werknemers is uitsluitend toegestaan met behulp van speciaal daarvoor bestemde arbeidsmiddelen.

Bij wijze van uitzondering mogen niet daarvoor bestemde arbeidsmiddelen worden gebruikt voor het hijsen of heffen van werknemers, mits passende maatregelen zijn genomen om de veiligheid te waarborgen, overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van deze titel.

Art. IV.4-8. Er moeten maatregelen worden getroffen opdat werknemers zich niet ophouden onder hangende lasten, tenzij zulks is vereist voor het goede verloop van de werkzaamheden.

Het is niet toegestaan hangende lasten te verplaatsen boven niet beschermde werkplekken waar zich gewoonlijk werknemers bevinden.

Indien het goede verloop van de werkzaamheden anders niet kan worden gewaarborgd, moeten passende procedures worden vastgesteld en toegepast.

Art. IV.4-9. De hijs- en hefhulpstukken moeten worden gekozen op grond van de te hanteren lasten, de aanvatpunten, de haakvoorziening en de weersomstandigheden, daarbij rekening houdend met de wijze van aanslaan van de last en het gebruikte soort hijs- of hefmiddel.

De tot een geheel samengevoegde hijs- en hefhulpstukken moeten duidelijk worden gemarkeerd om de gebruiker in staat te stellen de kenmerken daarvan te kennen, wanneer zij na gebruik niet worden losgemaakt.

Art. IV.4-10. De hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden opgeslagen dat zij niet kunnen worden beschadigd of aangetast. HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten Art. IV.4-11. Wanneer twee of meer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten zodanig op een arbeidsplaats worden geïnstalleerd of gemonteerd dat hun werkgebieden elkaar overlappen, moeten passende maatregelen worden genomen om botsingen tussen de lasten en/of delen van de arbeidsmiddelen zelf te voorkomen.

Art. IV.4-12. Tijdens het gebruik van een mobiel arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moeten maatregelen worden genomen om te vermijden dat het arbeidsmiddel kantelt, omkipt en eventueel in beweging komt of wegglijdt. Er moet op worden toegezien dat de maatregelen naar behoren worden uitgevoerd.

Art. IV.4-13. Wanneer de bediener van een arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten noch rechtstreeks noch door middel van de nodige informatie verstrekkende hulpmiddelen de volledige baan van de last kan volgen, moet een met de bediener in verbinding staande seingever worden aangewezen om hem te leiden en moeten organisatorische maatregelen worden genomen om botsingen van de last te voorkomen die de werknemers in gevaar kunnen brengen.

Art. IV.4-14. De werkzaamheden moeten zodanig worden georganiseerd dat, wanneer een werknemer een last met de hand vast- of losmaakt, deze handelingen in alle veiligheid kunnen worden verricht, door er met name voor te zorgen dat de werknemer hierover direct of indirect de controle behoudt.

Art. IV.4-15. Alle handelingen voor het hijsen of heffen moeten correct gepland en onder adequaat toezicht worden uitgevoerd teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen.

Met name wanneer een last gelijktijdig moet worden gehesen of geheven door twee of meer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moet een procedure worden opgesteld en toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners te waarborgen.

Art. IV.4-16. Wanneer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten bij het geheel of gedeeltelijk uitvallen van de energietoevoer de lasten niet meer kunnen houden, moeten passende maatregelen worden genomen om te vermijden dat de werknemers aan de daarmee gepaard gaande risico's worden blootgesteld.

De aan een hijs- of hefwerktuig hangende lasten mogen niet zonder toezicht blijven, tenzij de toegang tot de gevarenzone wordt verhinderd en de last volkomen veilig is vastgemaakt en wordt vastgehouden.

Art. IV.4-17. In de open lucht gebruikte arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moeten worden stilgelegd zodra de weersomstandigheden zodanig verslechteren dat de bedrijfsveiligheid in gevaar wordt gebracht en de werknemers aan risico's worden blootgesteld. Er moeten adequate beschermingsmaatregelen, met name om te verhinderen dat het arbeidsmiddel omkantelt, worden genomen om risico's voor de werknemers te voorkomen. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen bestemd voor het hijsen of heffen van lasten die uitzonderlijk gebruikt worden voor het hijsen of heffen van personen Art. IV.4-18. In toepassing van artikel IV.2-1 en van de voorschriften van artikel IV.4-7 moet vermeden worden arbeidsmiddelen te gebruiken voor het hijsen of heffen van personen die hiervoor niet ontworpen of bestemd zijn. Dit kan derhalve slechts worden toegepast voor uitzonderlijke situaties waarvoor de risicoanalyse bovendien heeft aangetoond dat, mits naleving van de toepasselijke reglementaire bepalingen alsook van gepaste maatregelen en procedures, de veiligheid van de betrokken werknemers wordt verzekerd, in het bijzonder ten aanzien van het val- en knellingsrisico.

Alleen de volgende arbeidsmiddelen kunnen voor dit gebruik in aanmerking komen: de kranen, de vorkheftrucks, de teleporters, de mobiele kranen met telescopische giek en de hijswerktuigen van het type autolaadkraan.

Het gebruik van andere arbeidsmiddelen die niet bestemd zijn voor het hijsen of heffen van personen, inzonderheid van bouwterreinmachines, is verboden voor het hijsen of heffen van personen.

Art. IV.4-19. De arbeidsmiddelen bestemd voor het hijsen of heffen van lasten die door het gebruik van hulpmiddelen aangepast worden voor het hijsen of heffen van personen worden gelijkgesteld met hefwerktuigen zoals bedoeld in artikel 267.2.1. van het ARAB. De reglementaire bepalingen inzake controle voor ingebruikname en periodieke controles zijn derhalve van toepassing op het geheel, arbeidsmiddel en werkbak, en moeten de aspecten van het vervoer van personen dekken.

De totale nuttige belasting van deze arbeidsmiddelen mag niet groter zijn dan de helft van de nuttige belasting voorzien voor het hijsen of heffen van lasten. Voor de bepaling van de nuttige last in de werkbak wordt rekening gehouden met een gewicht van 80 kg per persoon en van minstens 40 kg uitrusting en materieel per persoon.

Art. IV.4-20. Wanneer werknemers aanwezig zijn in een geheven werkbak moet de bedieningspost van het arbeidsmiddel permanent zijn bemand.

De werknemers die worden gehesen of geheven moeten over een geschikt communicatiemiddel beschikken.

De nodige voorzieningen worden getroffen om de werknemers veilig te kunnen evacueren. HOOFDSTUK V. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van werkbakken en werkplatformen opgehangen aan een kraan Art. IV.4-21. De bepalingen van artikel 453, inzonderheid artikel 453.1, van het ARAB, zijn van toepassing.

De bepalingen van artikel 453.12 van het ARAB inzake het maximaal aantal personen dat toegelaten is in de draaginrichting is niet van toepassing bij het louter vervoer van personen naar een hoger- of lagergelegen werkpost. Aanbevolen wordt evenwel het aantal personen dat in eenmaal vervoerd wordt te beperken.

TITEL 5. - ARBEIDSMIDDELEN VOOR TIJDELIJKE WERKZAAMHEDEN OP HOOGTE HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen Art. IV.5-1. De werkgever treft, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen I.2-6 en I.2-7, de nodige materiële en organisatorische maatregelen opdat de arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte die ter beschikking van de werknemers worden gesteld geschikt zijn voor het uit te voeren werk zodat het welzijn van de werknemers bij het gebruik van deze middelen wordt verzekerd.

Art. IV.5-2. § 1. Bij de vaststelling van de materiële maatregelen houdt de werkgever rekening met de principes bedoeld in §§ 2 tot 6. § 2. De werkgever zorgt ervoor dat de uitvoering van de werkzaamheden onder passende ergonomische omstandigheden gebeurt van op een daartoe geschikte werkvloer die zodanig ontworpen, geïnstalleerd en uitgerust is dat de veiligheid wordt gewaarborgd en dat doorgang mogelijk is zonder gevaar. § 3. De afmetingen, eigenschappen en kenmerken van het arbeidsmiddel worden aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de voorzienbare belastingen. § 4. De werkgever voorziet in het aanbrengen van beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen, waarbij voorrang wordt gegeven aan collectieve beschermingsmaatregelen boven persoonlijke beschermingsmaatregelen.

Deze beveiligingsmiddelen hebben een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat lichamelijk letsel bij de werknemers wordt voorkomen.

De collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen mogen alleen onderbroken worden waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt. § 5. De werkgever kiest, in functie van de frequentie van het verkeer, de te bereiken hoogte en de gebruiksduur, de meest geschikte toegangsmiddelen tot de werkposten voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte.

Het gekozen toegangsmiddel biedt de mogelijkheid van ontruiming bij dreigend gevaar.

Het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd mag geen bijkomende risico's op vallen opleveren. § 6. Wanneer de uitvoering van specifieke werkzaamheden vereist dat een collectief beveiligingsmiddel om vallen te voorkomen tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd voor doeltreffende vervangende veiligheidsvoorzieningen.

De werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen.

Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de specifieke werkzaamheden worden de collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen weer aangebracht.

Art. IV.5-3. De organisatorische maatregelen hebben inzonderheid tot doel ervoor te zorgen dat: 1° bij de keuze van elk arbeidsmiddel dat ter beschikking wordt gesteld voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, voorrang wordt gegeven aan de arbeidsmiddelen die gebouwd zijn, overeenkomstig de bepalingen van de besluiten genomen ter uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn, of bij ontstentenis van dergelijke bepalingen, overeenkomstig gelijkwaardige technische voorschriften;2° tijdelijke werkzaamheden op hoogte alleen worden uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet in gevaar brengen. HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van ladders, trapladders en platformladders Art. IV.5-4. De werkgever beperkt het gebruik van ladders, trapladders en platformladders als werkpost op hoogte tot omstandigheden waarin, gelet op de bepalingen van artikel IV.5-1, het gebruik van andere, veiligere arbeidsmiddelen niet verantwoord is, gelet op het geringe risico en gelet op, hetzij de korte gebruiksduur, hetzij de bestaande kenmerken van de arbeidsplaats en werkposten die de werkgever niet kan veranderen.

Art. IV.5-5. Onverminderd de bepalingen van artikel IV.5-3, 1°, zorgt de werkgever ervoor dat de ladders, trapladders en platformladders worden gebruikt binnen de grenzen die worden opgelegd door het ontwerp ervan en zodanig worden geïnstalleerd en uitgerust dat het vallen van hoogte wordt voorkomen.

De ladders, trapladders en platformladders worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit bij de toegang en tijdens het gebruik ervan gewaarborgd is en dat hun sporten of trappen horizontaal blijven.

Draagbare ladders worden ondersteund en rusten op stabiele en stevige steunpunten met passende afmetingen zodanig dat zij, inzonderheid, onbeweeglijk blijven.

Het wegglijden van de voet van draagbare ladders tijdens het gebruik wordt tegengegaan hetzij door de boven- of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, hetzij door middel van een antislipinrichting of een andere gelijkwaardige doeltreffende oplossing.

Hangladders worden stevig vastgemaakt en wel op dergelijke wijze dat zij, met uitzondering van touwladders, niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.

Toegangsladders steken voldoende boven het toegangsniveau uit, tenzij andere voorzieningen werden getroffen om een veilige houvast te waarborgen.

Meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen bewegen.

Beweegbare ladders worden vastgezet voordat zij worden betreden.

Art. IV.5-6. Ladders worden zodanig gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben.

Met name blijft het dragen van lasten beperkt tot lichte lasten en mag het een veilige houvast niet belemmeren. HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van steigers Art. IV.5-7. De werkgever die de steiger gebruikt wijst een persoon aan, hierna de bevoegde persoon genoemd, die door middel van een opleiding de vereiste kennis heeft verworven voor het uitvoeren van de volgende taken: 1° waken over de toepassing van de maatregelen ter preventie van de risico's dat personen of voorwerpen vallen;2° waken over de toepassing van de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;3° waken over de naleving van de voorwaarden inzake toelaatbare belasting; 4° uitvoeren van controles vereist om de bepalingen van artikel IV.5-13 na te leven.

Onverminderd de toepassing van het eerste lid is de bevoegde persoon die aangewezen wordt door de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt tevens belast met het opstellen en het aanpassen van een montage-, demontage- en ombouwschema van een steiger.

Art. IV.5-8. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt moet beschikken over de gebruiksaanwijzing van de fabrikant, opdat de montage, demontage of het ombouwen van de steiger zou gebeuren overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant.

De gebruiksaanwijzing van de fabrikant is vergezeld van een nota die een sterkte- en stabiliteitsberekening bevat.

Indien deze berekeningsnota niet beschikbaar is of niet voorziet in de overwogen structuurconfiguratie, dan moet een sterkte- en stabiliteitsberekening worden uitgevoerd door een persoon die kan aantonen dat hij over de nodige kennis beschikt om deze berekeningen uit te voeren.

Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de berekeningsnota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

Art. IV.5-9. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt ervoor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, tweede lid een montage-, demontage- en ombouwschema opstelt, wanneer dit niet aanwezig is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Dit schema neemt de vorm aan van een algemeen uitvoeringsschema, maar wordt aangevuld met elementen die betrekking hebben op de details die eigen zijn aan de betrokken steiger, indien de complexiteit van de steiger dit vereist.

Het schema wordt gedurende de ganse duur van de werken ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

Art. IV.5-10. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt ervoor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, tweede lid een instructienota opstelt betreffende het gebruik van de steiger.

Deze nota bevat alle nuttige instructies die moeten nageleefd worden om de risico's verbonden aan, al naargelang het geval, hetzij de montage, de demontage of het ombouwen, hetzij het gebruik van de steiger te ondervangen.

Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de instructienota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

Art. IV.5-11. § 1. Elke steiger wordt zodanig opgebouwd dat geen enkel onderdeel, tijdens het gebruik van de steiger, ten opzichte van het geheel kan bewegen.

De steigers worden zodanig opgebouwd dat zij de lasten waaraan ze worden blootgesteld kunnen dragen en ze kunnen weerstaan aan de belasting die voortvloeit uit atmosferische omstandigheden, inzonderheid de invloed van de wind.

Ze moeten verankerd of bevestigd zijn aan een punt dat voldoende weerstand biedt of beschermd zijn tegen elk risico van wegglijden of omvallen door elk ander middel met een gelijkwaardige doeltreffendheid.

Het draagvlak moet voldoende stevig zijn om elke vervorming van de ondersteunende delen te voorkomen. § 2. De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een steiger zijn aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de te dragen lasten, opdat er veilig verkeer kan plaatsvinden en er veilig kan worden gewerkt.

De vloeren van de steigers zijn zodanig gemonteerd dat hun onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen. § 3. Tussen de randen van de vloeren en het bouwwerk waartegen de steiger is geplaatst, mogen geen gevaarlijke openingen voorkomen.

Wanneer de configuratie van het bouwwerk of het arbeidsmiddel niet toelaat deze afstand te eerbiedigen moet het risico op vallen worden voorkomen door middel van beschermingsmaatregelen waarbij voorrang wordt gegeven aan de collectieve beschermingsmaatregelen boven de persoonlijke beschermingsmaatregelen. § 4. Er worden veilige toegangswegen die in voldoende aantal aanwezig zijn voorzien tussen de verschillende vloeren van de steiger. § 5. Tijdens de montage, de demontage, het ombouwen en het gebruik van de steiger wordt er een aangepaste bescherming tegen het risico van vallen en tegen het risico van vallende voorwerpen aangebracht op elk niveau van de steiger. § 6. Ongewilde bewegingen van rolsteigers tijdens werkzaamheden op hoogte worden door een passende voorziening voorkomen.

Wanneer een rolsteiger verplaatst wordt, mag er zich geen enkele werknemer op bevinden, tenzij de rolsteiger speciaal ontworpen is zodanig dat de veiligheid van de werknemers op de rolsteiger niet in het gedrang komt door de verplaatsing.

Art. IV.5-12. Als bepaalde gedeelten van een steiger niet gebruiksklaar zijn, bijvoorbeeld tijdens de montage, demontage of het ombouwen, markeert de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt deze met waarschuwingssignalen voor algemeen gevaar, overeenkomstig de voorschriften inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van boek III. Deze gedeelten worden behoorlijk afgebakend door materiële elementen die de toegang tot de gevarenzone beletten.

Art. IV.5-13. De werkgever die de steiger gebruikt zorgt er, onder zijn verantwoordelijkheid, voor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, eerste lid nagaat of de steiger, in alle omstandigheden, blijft beantwoorden aan de berekeningsnota bedoeld in artikel IV.5-8.

De werkgever die de steiger gebruikt zorgt ervoor dat de steiger, tijdens het gebruik, te allen tijde blijft beantwoorden aan de bepalingen van artikel IV.5-11 en dat zijn werknemers geen toegang hebben tot de gedeelten van de steiger die niet gebruiksklaar zijn.

Indien de werkgever die de steiger gebruikt aan die steiger wijzigingen aanbrengt die betrekking hebben op de montage, demontage of het ombouwen van die steiger moet hij de verplichtingen die opgelegd worden aan de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt naleven.

Art. IV.5-14. § 1. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen werken op een steiger zorgt ervoor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.

Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op: 1° de maatregelen ter preventie van de risico's dat personen of voorwerpen vallen;2° de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;3° de voorwaarden inzake toelaatbare belasting. § 2. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen meewerken aan de montage, de demontage of het ombouwen van een steiger zorgt ervoor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.

Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op: 1° het begrijpen van het montage-, demontage- of ombouwschema van de betreffende steiger;2° het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de betreffende steiger;3° de maatregelen bedoeld in § 1, tweede lid;4° ieder ander risico dat de montage-, demontage- of ombouwwerkzaamheden met zich kunnen brengen. Art. IV.5-15. Alleen werknemers die de in artikel IV.5-14 bedoelde kennis en vaardigheden hebben verworven mogen op een steiger werken of meewerken aan de montage, de demontage of het ombouwen ervan.

De werknemers moeten de instructies naleven die voorkomen in het montage-, demontage- en ombouwschema bedoeld in artikel IV.5-9 en in de instructienota bedoeld in artikel IV.5-10. HOOFDSTUK IV. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen Art. IV.5-16. Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen voor het uitvoeren van werkzaamheden op hoogte die een systematisch of herhaaldelijk karakter hebben, is verboden.

Art. IV.5-17. In afwijking van artikel IV.5-16 mogen de toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden in de volgende gevallen : 1° wanneer de risicoanalyse heeft aangetoond dat de toegang tot de werkpost onmogelijk is of gevaarlijker is bij gebruik van een veiliger arbeidsmiddel en de plaats waar het werk wordt verricht niet dermate kan gewijzigd worden dat het gebruik van een veiliger arbeidsmiddel mogelijk wordt of minder gevaarlijk is dan de toegangs- en positioneringstechnieken op basis van touwen;2° wanneer de risico's verbonden aan het opstellen van deze veiligere arbeidsmiddelen groter zijn dan de risico's verbonden aan de uitvoering van het werk. Art. IV.5-18. Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebeurt met eerbiediging van de volgende principes en voorwaarden: 1° de samenstellende delen die de werknemer toelaten om zich te verplaatsen of te positioneren, de samenstellende delen die deze werknemer beschermen tegen het vallen van op hoogte, alsook alle andere samenstellende delen die gebruikt worden bij de opbouw van het systeem stemmen overeen met deze waarvan het gebruik is opgelegd door titel 2 van boek IX;2° het systeem omvat tenminste twee afzonderlijk verankerde lijnen, waarvan de ene dient om op of uit de werkplek te komen en als steun (werklijn), terwijl de andere als flexibele ankerlijn dient voor een valbeveiligingsmechanisme (veiligheidslijn);3° de werknemers beschikken over en maken gebruik van een antivalharnas waardoor zij verbonden zijn met de veiligheidslijn via een beweegbaar valbeveiligingsmechanisme dat de werknemer in zijn bewegingen volgt;4° de werklijn is voorzien van een veilig stijg- en daalmechanisme en is uitgerust met een zelfblokkerend en zelfregelend systeem van de snelheid waardoor de gebruiker, wanneer hij de controle over zijn bewegingen verliest, niet kan vallen; 5° onverminderd de bepalingen van artikel IV.2-1, hebben de verankeringspunten die bij deze techniek gebruikt worden een weerstand die ten minste gelijk is aan de verankeringspunten waarvan het gebruik is opgelegd door titel 2 van boek IX; 6° er wordt voorzien in een zitje met voetsteunen en met geschikte toebehoren, rekening houdend met de risicoanalyse en inzonderheid in functie van de duur van de werkzaamheden en de ergonomische vereisten;7° de gereedschappen en andere hulpstukken die de werknemer moet gebruiken, zijn verbonden met het zitje van de werknemer, of indien er geen zitje aanwezig is, met het harnas of ze worden op een andere passende wijze bevestigd;8° geen enkele werkzaamheid op hoogte waarbij toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden mag toevertrouwd worden aan een afgezonderd tewerkgestelde werknemer.De aanwezigheid van een andere werknemer die in staat is snel alarm te geven en de nodige kennis heeft van de procedures voor reddingsoperaties is verplicht; 9° de betrokken werknemers ontvangen een adequate en specifieke opleiding voor de beoogde werkzaamheden, inzonderheid op het vlak van de procedures voor reddingsoperaties;10° de opbouw van het systeem om werken uit te voeren met toegangs- en positioneringstechnieken met touwen en de uitvoering van deze werken gebeurt onder het toezicht van een bevoegd persoon die door de werkgever werd aangewezen en waarvan de ervaring en de technische kennis hem moeten toelaten het werk op de juiste wijze te programmeren en te waken over de naleving van de voorwaarden bedoeld in dit artikel. Art. IV.5-19. § 1. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht tijdens de redding van personen, indien de omstandigheden dit vereisen om de plaats waar de te redden persoon zich bevindt te kunnen bereiken.

Bij de evacuatie van redder en geredde moet een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme worden aange-bracht.

Indien door het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme de evacuatie echter gevaarlijker wordt, is het toegelaten één enkele lijn te gebruiken. § 2. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht bij werkzaamheden op niet verticale wanden waar het gebruik van een veiligheidslijn uitgerust met een valbeveiligingsmechanisme onmogelijk is.

De werknemer die de werkzaamheid uitvoert moet beschermd worden door een andere werknemer. § 3. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht voor het uitvoeren van snoeiwerken, wanneer de risicoanalyse bedoeld in artikel IV.5-17, 1° bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld waaruit blijkt dat het gebruik van een dergelijke lijn gevaarlijker is.

In dat geval moet de gebruikte techniek een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de veiligheid van de werknemers waarborgen.

Deze werken moeten steeds uitgevoerd worden onder het toezicht van een bevoegd persoon bedoeld in artikel IV.5-18, 10°. "

Art. 2.Worden opgeheven: 1° het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 juni 1997, 4 mei 1999 en 28 augustus 2002;2° het koninklijk besluit van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012421 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012419 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten sluiten betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 2002;3° het koninklijk besluit van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012421 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen type koninklijk besluit prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999012419 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten sluiten betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 2002;4° het koninklijk besluit van 31 augustus 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/08/2005 pub. 15/09/2005 numac 2005012415 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte sluiten betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte.

Art. 3.De verwijzingen naar de bepalingen van de koninklijke besluiten die opgeheven worden door artikel 2 en die inzonderheid voorkomen in alle documenten die in toepassing van of naar aanleiding van die besluiten werden opgesteld blijven geldig tot ze in overeenstemming zijn gebracht met de bepalingen van dit besluit en dit gedurende een termijn van twee jaar die begint te lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 4.De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 28 april 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, K. PEETERS

BIJLAGE IV.2-1 Bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen conform artikel IV.2-3, eerste lid 0. Voorafgaande opmerking De bepalingen van deze bijlage en de bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen bedoeld in boek IV, titels 3, 4 en 5 zijn van toepassing met inachtneming van het bepaalde in boek IV, titel 2 en wanneer het overeenkomstige risico voor het betrokken arbeidsmiddel bestaat.1. Arbeidsmiddelen moeten zodanig geïnstalleerd, opgesteld en gebruikt worden dat de gevaren voor de gebruikers van het arbeidsmiddel en de andere blootgestelde werknemers beperkt worden, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat er voldoende vrije ruimte is tussen de bewegende delen van de arbeidsmiddelen en de vaste of de bewegende delen van hun omgeving en dat alle gebruikte of geproduceerde energieën of stoffen op veilige wijze kunnen worden aan en/of afgevoerd.2. De montage en de demontage van arbeidsmiddelen moeten op veilige wijze plaatsvinden, met name onder naleving van de eventuele aanwijzingen van de fabrikant.3. Arbeidsmiddelen die bij gebruik door bliksem kunnen worden getroffen, moeten door passende inrichtingen of maatregelen tegen blikseminslag worden beschermd. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van boek IV - Arbeidsmiddelen van de codex over het welzijn op het werk.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, K. PEETERS

BIJLAGE IV.2-2 Algemene minimumvoorschriften bedoeld in de artikelen IV.2-2 en IV.2-12 1. Voorafgaande opmerking De in deze bijlage genoemde algemene minimumvoorschriften en de specifieke minimumvoorschriften bedoeld in boek IV, titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I zijn van toepassing met inachtneming van de voorschriften van artikel IV.2-12 en wanneer het overeenkomstig gevaar voor het betrokken arbeidsmiddel bestaat.

De onderstaande algemene minimumvoorschriften en de specifieke minimumvoorschriften bedoeld in boek IV, titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I, voor zover van toepassing op arbeidsmiddelen die in gebruik zijn, vergen niet noodzakelijkerwijs dezelfde maatregelen als de essentiële eisen die van toepassing zijn op nieuwe arbeidsmiddelen. 2. Voor deze bijlage verstaat men onder: 2.1. gevaarlijke zone: elke zone in of rondom een arbeidsmiddel waar de aanwezigheid van een blootgestelde werknemer een gevaar voor diens veiligheid of gezondheid oplevert; 2.2. bij het gebruik van een arbeidsmiddel blootgestelde werknemer: elke werknemer die zich geheel of gedeeltelijk in een gevaarlijke zone bevindt; 2.3. bediener: de werknemer(s) die tot taak heeft (hebben) een arbeidsmiddel te gebruiken. 3. Algemene minimumvoorschriften voor de arbeidsmiddelen 3.1. De bedieningssystemen van een arbeidsmiddel die van invloed zijn op de veiligheid, moeten duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en, waar nodig, op passende wijze zijn gemerkt.

De bedieningssystemen dienen zich buiten de gevaarlijke zones te bevinden, behalve zo nodig in bepaalde gevallen, en zodanig te zijn geplaatst dat de bediening geen extra gevaren met zich brengt. Zij mogen bij onopzettelijke handelingen geen gevaar opleveren.

Zo nodig moet de bedienaar vanaf de hoofdbedieningspost kunnen vaststellen of zich personen in de gevaarlijke zones bevinden.

Indien dit onmogelijk is, moet elke inschakeling automatisch worden voorafgegaan door een veilig systeem zoals een waarschuwend geluids- of lichtsignaal.

De blootgestelde werknemer moet de tijd of de middelen hebben om het gevaar dat ontstaat door het starten of stoppen van het arbeidsmiddel snel te ontlopen.

De bedieningssystemen moeten veilig zijn en bij de keuze moet rekening worden gehouden met defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik kunnen worden verwacht. 3.2. Het in werking stellen van een arbeidsmiddel mag alleen kunnen geschieden door een opzettelijk verrichte handeling met een hiervoor bestemd bedieningssysteem.

Dit geldt ook: - voor het opnieuw in werking stellen na stilstand, ongeacht de oorzaak daarvan; - voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de werking (bijvoorbeeld snelheid, druk, enz. ), behalve indien dit opnieuw inwerking stellen of deze wijziging geen risico voor de blootgestelde werknemers inhoudt.

Het opnieuw in werking stellen of wijzigen van de werking in het kader van het normale programma van een automatische cyclus valt niet onder dit voorschrift. 3.3. Elk arbeidsmiddel moet voorzien zijn van een bedieningssysteem waarmee het op veilige wijze binnen de kortst mogelijke tijd volledig kan worden stopgezet.

De bediening van deze systemen moet geplaatst zijn binnen handbereik van de bediener.

Elke werkpost moet voorzien zijn van een bedieningssysteem waarmee, naargelang van het risico, hetzij het gehele arbeidsmiddel, hetzij een deel daarvan kan worden stilgelegd, zodat het arbeidsmiddel in veilige toestand is.

De stopopdracht aan het arbeidsmiddel moet voorrang hebben op startopdrachten.

Wanneer het arbeidsmiddel of gevaarlijke onderdelen ervan tot stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijfmechanismen onderbroken zijn. 3.4. Indien dit nodig is met het oog op de gevaren van het arbeidsmiddel en de normale uitschakeltijd, moet een arbeidsmiddel voorzien zijn van een noodstopinrichting. 3.5. Een arbeidsmiddel dat gevaar van vallende of wegschietende voorwerpen oplevert, moet voorzien zijn van geschikte veiligheidsinrichtingen die op dat gevaar zijn afgestemd.

Een arbeidsmiddel dat gevaar van gas-, damp- of stofontwikkeling dan wel het vrijkomen van vloeistoffen oplevert, moet voorzien zijn van geschikte opvang- of afvoerinrichtingen nabij de bron van die gevaren. 3.6. Arbeidsmiddelen en hun onderdelen moeten, door bevestiging of met andere middelen, gestabiliseerd zijn, indien zulks noodzakelijk is voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers. 3.7. Indien het risico bestaat dat delen van het arbeidsmiddel uiteenspringen of breken, waardoor reële gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers zouden kunnen ontstaan, moeten passende beveiligingsmiddelen worden genomen.

De gereedschappen van werktuigmachines die aan de invloed van de middelpuntvliedende kracht onderworpen zijn moeten zodanig bevestigd zijn dat zij niet uitgeslingerd kunnen worden. 3.8. Wanneer bij bewegende delen van een arbeidsmiddel het risico bestaat van mechanisch contact waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, moeten zij uitgerust zijn met schermen of inrichtingen waarmee de toegang tot de gevaarlijke zones wordt verhinderd of de bewegingen van gevaarlijke delen worden stilgezet voordat de gevaarlijke zones worden bereikt.

De schermen en beveiligingsinrichtingen: - moeten stevig zijn uitgevoerd; - mogen geen bijkomende gevaren met zich brengen; - mogen niet op eenvoudige wijze omzeild of buiten werking kunnen worden gesteld; - moeten voldoende ver van de gevaarlijke zone verwijderd zijn; - moeten het zicht op het verloop van het werk zo min mogelijk belemmeren; - moeten de noodzakelijke handelingen voor het aanbrengen of de vervanging van de delen alsmede voor de verzorgingswerkzaamheden mogelijk maken, waarbij de toegang wordt beperkt tot de sector waar het werk moet worden verricht en, zo mogelijk, demontage van het scherm of de beveiligingsinrichting niet nodig is. 3.9. De werk- en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel moeten voor de te verrichten werkzaamheden voldoende zijn verlicht. 3.10. Delen van een arbeidsmiddel met een hoge of zeer lage temperatuur moeten zo nodig tegen gevaar van aanraking of nabijheid van werknemers zijn beveiligd. 3.11. De waarschuwings- en alarmsignalen van een arbeidsmiddel moeten overeenstemmen met de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van boek III; inzonderheid moeten zij gemakkelijk en zonder onduidelijkheid waarneembaar en te begrijpen zijn. 3.12. Een arbeidsmiddel mag niet worden gebruikt voor bewerkingen en onder omstandigheden waarvoor het niet geschikt is. 3.13. Onderhoudswerkzaamheden moeten kunnen plaatsvinden wanneer het arbeidsmiddel uitgeschakeld is.

Indien dat niet mogelijk is, moeten er passende beveiligingsmaatregelen voor het verrichten van deze werkzaamheden worden genomen of moeten de werkzaamheden buiten de gevaarlijke zones kunnen plaatsvinden.

Terwijl de werktuigen of toestellen in beweging zijn, is het verboden: - ze te reinigen of te herstellen; - de wiggen, bouten of andere dergelijke stukken vast te draaien, wanneer deze verrichtingen ongevallen kunnen veroorzaken of indien zij op of nabij gevaarlijke, in beweging zijnde werktuigdelen moeten geschieden.

Het is insgelijks verboden de in werking zijnde gevaarlijke delen van drijfwerken, drijf- of andere machines te smeren, tenzij de daarvoor aangenomen procédés al de wenselijke veiligheidswaarborgen bieden.

Bij arbeidsmiddelen horende onderhoudsboekjes dienen consequent te worden bijgehouden. 3.14. Elk arbeidsmiddel moet voorzien zijn van duidelijk identificeerbare inrichtingen waarmee het van elk van zijn krachtbronnen kan worden losgekoppeld.

De herverbinding mag geen gevaar voor de betrokken werknemers opleveren. 3.15. Arbeidsmiddelen moeten voorzien zijn van de waarschuwingen en signaliseringen die noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de werknemers. 3.16. Voor het verrichten van productie-, afstel- en onderhoudswerkzaamheden met of aan de arbeidsmiddelen moeten de werknemers onder voortdurend veilige omstandigheden alle nodige punten kunnen bereiken. 3.17. Elk arbeidsmiddel moet de werknemers op passende wijze beschermen tegen de gevaren van brand of verhitting van de arbeidsmiddelen, gas-, stof- of dampontwikkeling dan wel het vrijkomen van vloeistoffen of andere stoffen die in het arbeidsmiddel worden gebruikt of opgeslagen of tegen schadelijke stralingen. 3.18. Elk arbeidsmiddel moet op passende wijze voorkomen dat er risico's van ontploffing van het arbeidsmiddel of van in het arbeidsmiddel vrijkomende, gebruikte of opgeslagen stoffen bestaat. 3.19. Elk arbeidsmiddel moet de blootgestelde werknemers op passende wijze beschermen tegen het gevaar van rechtstreeks of indirect contact met elektriciteit.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van boek IV - Arbeidsmiddelen van de codex over het welzijn op het werk.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, K. PEETERS


begin


Publicatie : 2017-06-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^