Koninklijk Besluit van 28 maart 2012
gepubliceerd op 13 april 2012
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2012024133
pub.
13/04/2012
prom.
28/03/2012
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

28 MAART 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, hoofdstuk VI, afdeling 1, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 28 maart 2003;

Gelet op de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, subrubriek 31-2, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001 en bij de wetten van 19 juli 2001, 24 december 2002 en 28 maart 2003, 22 december 2003, 23 december 2005 en 8 juni 2008;

Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, artikelen 8 en 20bis, gewijzigd bij de wetten van 4 april 2001, 28 maart 2003, 9 juli 2004, 27 december 2004 en 27 juli 2011;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds van de grondstoffen en de producten;

Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 juli 2011 en op 7 oktober 2011;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting van 1 september 2011;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, d.d. 21 november 2011;

Gelet op advies 50.266/3 van de Raad van State, gegeven op 27 september 2011, en op advies 50.780/3 van de Raad van State, gegeven op 10 januari 2012 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid, de Minister van Landbouw en op advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1, § 6, van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds van de grondstoffen en de producten wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « Voor een aanvraag tot vernieuwing of tot uitbreiding van een dergelijke erkenning dient een retributie van 750 EUR te worden betaald. »

Art. 2.Artikel 1, § 12, van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt : « § 12. Iedere persoon die een aanvraag indient bij de FOD VVL betreffende een bestrijdingsmiddel voor landbouwkundig gebruik, een gewasbeschermingsmiddel of een toevoegingsstof waarvoor niet in een specifieke retributie is voorzien in de paragrafen 1 tot 11, is gehouden een retributie te betalen aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten. Deze retributie bedraagt : - 750 EUR voor aanvragen die administratief kunnen worden afgewerkt en/of een gelijkaardige of lagere werklast inhouden als de behandeling van een aanvraag voorzien door § 6, tweede lid; - 1.500 EUR voor aanvragen die een minimale beoordeling door experts vergen en/of een gelijkaardige werklast inhouden als de behandeling van een aanvraag voorzien door § 1, a, laatste streepje; - 3.000 EUR voor aanvragen die een beoordeling door experts vergen en/of een gelijkaardige of grotere werklast inhouden als de behandeling van een aanvraag voorzien door § 3, 3°, eerste streepje. »

Art. 3.In artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : a) de bepaling onder 2° wordt vervangen door een bepaling luidende : « 2° a) - 1.000 EUR voor de toelatingsaanvraag, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003, voor biociden die uitsluitend werkzame stoffen bevatten die reeds op de markt waren in de Europese Unie op 14 mei 2000, van dewelke de werkzame stof of stoffen nog niet opgenomen zijn in bijlage I of IA van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003 voor het beoogde productsoort; 2° b) - 10.000 EUR voor de toelatingsaanvraag, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003, voor biociden van welke de werkzame stof of stoffen opgenomen zijn in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003. Deze retributie is van toepassing voor het eerste toegelaten producttype indien het product een enkele werkzame stof bevat. Indien de toelatingsaanvraag een product betreft dat meerdere werkzame stoffen bevat of bestemd is voor aanvullende producttypes, moeten dit met de hieronder vermeldde retributies vermeerderd worden. Voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van de micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 124, 20 mei 2003, p. 36), bedraagt deze retributie 7.000 EUR voor het eerste toegelaten producttype indien het product één enkele werkzame stof bevat; - 2.000 EUR voor elke bijkomende werkzame stof die het product bevat; - 2.000 EUR voor elk bijkomend producttype per actieve stof; 2° c) - 4.000 EUR voor de toelatingsaanvraag, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003, voor biociden van dewelke de werkzame stof of stoffen opgenomen zijn in bijlage IA van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003 (aanvraag tot registratie), plus 2.000 EUR per bijkomend producttype; 2° d) - 12.500 EUR voor een aanvraag voor een kaderformulering, bedoeld in artikel 15 van het voornoemd koninklijk besluit van 22 mei 2003. Deze retributie omvat de retributie die verschuldigd is voor de toelatingsaanvraag voor het eerste product dat voortvloeit ui de kaderformulering.Deze retributie is van toepassing voor het eerste toegelaten producttype indien het product een enkele werkzame stof bevat. Indien de toelatingsaanvraag een product betreft dat meerdere werkzame stoffen bevat of bestemd is voor aanvullende producttypes, moeten dit met de hieronder vermeldde retributies vermeerderd worden.

Voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van de micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 124, 20 mei 2003, p. 36) bedraagt deze retributie 9.500 EUR voor het eerste toegelaten producttype indien het product één enkele werkzame stof bevat; - 5.000 EUR voor een aanvraag voor een kaderformulering, bedoeld in artikel 15 van het voornoemd koninklijk besluit van 22 mei 2003, voortvloeiende uit een volgens de artikelen 4 en 5 reeds toegelaten product dat een werkzame stof of stoffen die opgenomen is/zijn in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003 bevat/bevatten; - 2.000 EUR voor elke bijkomende werkzame stof die het product bevat; - 2.000 EUR voor elk bijkomend producttype; - onverminderd het eerste en het tweede streepje, 1.000 EUR voor een toelatingsaanvraag voor een nieuw product op basis van een reeds door de minister goedgekeurde kaderformulering; »; b) de bepaling onder 3° wordt vervangen door een bepaling luidende : « 3° a) - 1.500 EUR voor de aanvraag tot wederzijdse erkenning van toegelaten biociden bedoeld in artikel 14 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003; 3° b) - 500 EUR voor een product dat volledig identiek is aan een reeds toegelaten product en voor zover de toelatingshouder van het reeds toegelaten product de toestemming heeft gegeven te verwijzen naar het aanvraagdossier voor dit product;»; c) de bepaling onder 5° wordt vervangen door een bepaling luidende : « 5° a) - 250 EUR voor elke aanvraag tot aanvullende toelating bedoeld in artikel 9, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003, wanneer zij een wijziging betreffende de gehalten aan werkzame stoffen of het gebruik opgenomen in de toelatingsakte behelst of een uitbreiding van het toepassingsgebied van de toelating, voor biociden die uitsluitend werkzame stoffen bevatten die reeds op de markt waren in de Europese Unie op 14 mei 2000, van dewelke de werkzame stof of stoffen nog niet opgenomen zijn in bijlage I of I A van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003 voor het beoogde productsoort.Deze retributie is niet verschuldigd wanneer tot de wijziging wordt beslist door de Minister die het Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft; 5° b) - 7.500 EUR voor elke aanvraag tot aanvullende toelating bedoeld in artikel 9, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003, wanneer zij een wijziging betreffende de gehalten aan werkzame stoffen en/of niet-werkzame stoffen of het gebruik opgenomen in de toelatingsakte behelst of een uitbreiding van het toepassingsgebied van de toelating, voor biociden van dewelke de werkzame stof of stoffen opgenomen zijn in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 22 mei 2003 voor het beoogde productsoort. Voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in voornoemde Aanbeveling 2003/361/EG, bedraagt deze retributie 5.000 EUR; ».

Art. 4.In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt § 4 vervangen als volgt : « § 4. De Minister bevoegd voor het Leefmilieu, kan, op advies van het Comité voor advies inzake biociden en mits een met redenen omklede beslissing een vermindering of vrijstelling toestaan van het betalen van de retributies voor biociden die van wezenlijk belang zijn voor de bescherming van de volksgezondheid of het leefmilieu of die slechts het voorwerp uitmaken van een beperkt gebruik, evenals wanneer de biociden of de werkzame stoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong, afweermiddelen, lokmiddelen of feromonen zijn en dat dit bijzonder karakter het mogelijk maakt de werklast noodzakelijk voor hun evaluatie te beperken. ».

Art. 5.De Minister bevoegd voor Volksgezondheid en de Minister bevoegd voor Landbouw zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 28 maart 2012.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^