Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 29 maart 2000
gepubliceerd op 13 april 2000

Koninklijk besluit houdende nadere regels aangaande de verhoging van het presentiegeld van gemeenteraadsleden en van de wedde van burgemeesters en schepenen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2000000186
pub.
13/04/2000
prom.
29/03/2000
ELI
eli/besluit/2000/03/29/2000000186/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

29 MAART 2000. - Koninklijk besluit houdende nadere regels aangaande de verhoging van het presentiegeld van gemeenteraadsleden en van de wedde van burgemeesters en schepenen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de artikelen 12 en 19, § 1, van de nieuwe gemeentewet, dient als grond voor het besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen.

Deze wet kent aan de gemeente de macht toe om het bedrag te bepalen waarmee de presentiegelden van het gemeenteraadslid, enerzijds, of de wedde van de burgemeester of de schepen van de gemeenten met minder dan 50 000 inwoners, anderzijds, op de door de Koning te bepalen wijze, verhoogd worden, op voorwaarde dat zij daar zelf om verzoeken, ter compensatie van het inkomensverlies dat deze gezagsdragers lijden wanneer de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen die zij genieten, verminderd of geschrapt worden wegens die presentiegelden of die wedde.

Het ontworpen besluit strekt er precies toe deze modaliteiten te bepalen.

De Raad van State bracht zijn advies uit op 26 januari 2000.

Er werd rekening gehouden met de opmerkingen geformuleerd door het Hoge Rechtscollege.

Er werd ondermeer gevolg gegeven aan de door de Raad gedane suggestie volgens dewelke in het attest dat afgegeven wordt door de instellingen die andere inkomens uitbetalen, melding dient gemaakt van de verhogingen van presentiegeld of wedden waarin behoort te worden voorzien opdat de betrokken ambtsdrager, gelet op die verhogingen, geen enkel inkomensverlies zou lijden.

Deze suggestie stemt overeen met de filosofie van de artikelen 12 en 19, § 1 van de Nieuwe Gemeentewet. Uit de voorbereidende werken van « de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de artikelen 12 en 19, § 1 van de nieuwe gemeentewet » blijkt namelijk dat het de wil van de wetgever was dat de personen die een gemeentelijk mandaat opnemen, hiervoor niet financieel gestraft zouden worden.

Commentaar bij de artikelen

Artikel 1.De aanvraag die het gemeenteraadslid of de burgemeester of schepen formuleert om een verhoging van respectievelijk zijn presentiegelden of zijn wedde te verkrijgen, moet ingediend worden bij ter post aangetekende brief die gericht is aan het college van burgemeester en schepenen.

Deze gezagsdragers voegen bij hun aanvraag de documenten en attesten die het voor de gemeenteraad mogelijk zullen maken om met kennis van zake een uitspraak te doen, namelijk : - een attest van de ontvanger waarin het totale brutobedrag vermeld wordt van het presentiegeld of de wedde die toegekend of gestort werd tijdens het afgelopen jaar, of, als de aanvraag minder dan één jaar na hun indiensttreding ingediend is, het bedrag dat verkregen wordt door het gemiddelde maandelijkse bedrag van het presentiegeld of het maandelijkse brutobedrag van de wedde van burgemeester of schepen, te vermenigvuldigen met twaalf; als de burgemeester of schepen een vermindering van zijn wedde krachtens artikel 19, § 1, vierde lid, van de nieuwe gemeentewet, gevraagd en gekregen heeft, vermeldt het attest bovendien het bedrag van die vermindering; - een attest van elk van de instellingen die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetalen die deze gezagsdragers ontvangen, en die verminderd of geschrapt zijn wegens het presentiegeld van raadslid of de wedde van burgemeester of schepen die de ontvangen : elk van die attesten vermeldt, in voorkomend geval, het bedrag van die vermindering en, wanneer het gaat om burgemeesters en schepenen die een vermindering van hun wedde als gezagsdrager gekregen hebben, vermeldt het bovendien het aanvullende deel van die wedde waarvan zij afstand zouden moeten doen om het volledige voordeel van die andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen te kunnen behouden.

Tenslotte vermeldt het attest ook de verhoging van het presentiegeld en de wedden waarin moet voorzien worden opdat, rekening gehouden met deze verhogingen, de betrokken gezagsdrager geen enkel inkomensverlies zou lijden.

Art. 2.De aanvraag die ingediend wordt door het raadslid of door de burgemeester of schepen, wordt op de agenda van de gemeenteraad geplaatst die volgt op de dag waarop het college van burgemeester en schepenen haar ontvangen heeft.

Het college doet een voorstel van beslissing voor elk van de ingediende aanvragen tot verhoging, en de raad spreekt zich uit over dit voorstel. De gemeenteraad is echter niet gebonden door het voorstel van het college : hij kan het voorstel als dusdanig goedkeuren, het wijzigen of het verwerpen op basis van de informatie die het college hem ter beschikking gesteld zal hebben.

De raad kan zijn beslissing ook uitstellen als hij van mening is dat het dossier onvolledig is. In dat geval wordt de aanvraag tot verhoging van het presentiegeld van raadslid of van de wedde van burgemeester of schepen die ingediend is door de gezagsdrager op de agenda van de gemeenteraad geplaatst zodra de door de raad gevraagde informatie, hetzij rechtstreeks aan de betrokken gezagsdrager, hetzij aan de instellingen die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetalen, hem meegedeeld is.

De beslissing van de raad wordt door het college, bij ter post aangetekende brief, betekend aan de betrokkene.

Art. 3 tot 5. Als de verhoging van het presentiegeld van het raadslid of van de wedde van burgemeester en schepen toegekend is door de gemeenteraad, gaat zij in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de beslissing tot verhoging goedgekeurd werd.

Tenslotte, gelet op het feit dat het ontwerp van besluit in werking zal treden op 1 augustus 1999 (artikel 5), kan de betrokken gezagsdrager, bij zijn aanvraag tot verhoging van zijn presentiegeld of zijn wedde, die hij bij de gemeenteraad zal indienen volgens de procedure beschreven in de artikelen 1 en 2, de wens uitdrukken, indien deze ingewilligd wordt, dat deze zal ingaan vanaf 1 augustus 1999.

Als de gezagsdrager wijzigingen van om het even welke aard ondergaat in zijn geldelijke situatie, moet hij dat onmiddellijk meedelen aan de gemeenteraad bij ter post aangetekende brief die gericht is aan het college.

In dat geval doet de raad uitspraak over het behoud, de wijziging of het schrappen van de verhoging die eerder toegekend is volgens de hierboven beschreven procedure (cf. commentaar bij artikel 2).

Ik heb de eer te zijn, Sire, van uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DEQUESNE

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 3 december 1999 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot bepaling van de modaliteiten tot verhoging van de presentiegelden van het gemeenteraadslid en de wedde van de burgemeesters en schepenen », heeft op 26 januari 2000 het volgende advies gegeven : Algemene opmerking Volgens de artikelen 12, § 1bis, en 19, § 1, vijfde lid, van de nieuwe gemeentewet, dient de aanvulling, naargelang van het geval, van het presentiegeld van gemeenteraadsleden of van de wedde van burgemeesters en schepenen « ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt ».

Uit de parlementaire voorbereiding (1) blijkt dat de wetgever in een compensatie wil voorzien voor het verlies van vervangingsinkomens ten gevolge van de toepassing van de regels inzake de beperking van de mogelijkheden om die vervangingsinkomens met andere inkomens te cumuleren, in casu het presentiegeld van gemeenteraadsleden en de wedde van burgemeesters en schepenen.

Er behoort te worden opgemerkt dat de verhogingen van presentiegeld of van wedden die, overeenkomstig onderhavig besluit, door de gemeente zullen worden toegekend, op hun beurt een verdere vermindering van die vervangingsinkomens tot gevolg kunnen hebben, wat een reden kan opleveren om wederom een verzoek om verhoging te doen om dat nieuwe inkomensverlies dat door de betrokkene is geleden, te compenseren.

Het gevaar bestaat dus dat de procedure waarin door het ontworpen besluit wordt voorzien voor elke betrokken gezagsdrager wordt overgedaan totdat het bedrag dat overeenstemt met het vervangingsinkomen door de gemeente ten laste wordt genomen of totdat, in het geval van wedden van burgemeesters en schepenen, de in artikel 19, § 1, laatste lid, bepaalde maximumgrens zal zijn bereikt.

Ten einde die herhaling van procedures te voorkomen, zou ongetwijfeld bepaald moeten worden dat in het attest dat afgegeven wordt door de instellingen die andere inkomens uitbetalen, melding gemaakt wordt van de verhogingen van presentiegeld of wedden waarin behoort te worden voorzien opdat de betrokken ambtsdrager, gelet op die verhogingen, geen enkel inkomensverlies lijdt.

Onderzoek van het ontwerp Aanhef In het eerste lid, in fine, schrijve men : « de wet van 4 mei 1999 », in plaats van « de wetten van 4 mei 1999 », aangezien de wet van 4 mei 1999 tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen (2) nog niet in werking is getreden.

Thans is alleen de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de artikelen 12 en 19, § 1, van de nieuwe gemeentewet (2) van kracht (3).

Artikel 1.1. Er behoort in paragraaf 1, tweede lid, 1°, tevens in het geval te worden voorzien dat de aanvrager een ander gemeenteraadslid vervangt wiens mandaat voortijdig onderbroken wordt of geëindigd is.

De woorden « na de vernieuwing van de gemeenteraad » behoren derhalve vervangen te worden door de woorden « na hun indiensttreding ». 2. In de Franse tekst van paragraaf 1, tweede lid, 2°, schijve men « traitements, pensions, indemnités ou allocations légaux ou réglementaires » in plaats van « traitements, pensions, indemnités ou allocations légales et réglementaires ».Bovendien behoort het woord « exact » te worden weggelaten.

Dezelfde opmerkingen gelden voor paragraaf 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde artikel.

Art. 2.1. In het eerste lid schrijve men : « Het college van burgemeester en schepenen plaatst de in artikel 1 bedoelde aanvraag... ».

Deze opmerking geldt ook voor het vijfde lid. 2. In het eerste lid, in fine, schrijve men : « ... die volgt op de dag waarop die aanvraag ontvangen is. ». 3. Ook zou het beter zijn het tweede en derde lid als volgt te stellen : « Voor elk van die aanvragen doet het een voorstel. De raad stemt over het voorstel dat door het college gedaan is. Hij kan dit voorstel wijzigen... ». 4. In het derde en vierde lid behoort niet te worden gepreciseerd dat de raad uitspraak doet bij volstrekte meerderheid van stemmen.Dit voorschrift blijkt immers reeds uit artikel 99 van de nieuwe gemeentewet en het gaat niet aan dat in een koninklijk besluit een wetsbepaling wordt overgenomen.

Slotopmerkingen Uit een oogpunt van correct taalgebruik valt op nagenoeg alle bepalingen van het ontwerp iets aan te merken. Ongerekend de tekstvoorstellen die hiervoren in het advies gedaan zijn, worden de hierna volgende tekstvoorstellen gedaan.

Opschrift Het opschrift zou aldus gesteld moeten worden : « Koninklijk besluit houdende nadere regels aangaande de verhoging van het presentiegeld van gemeenteraadsleden en van de wedde van burgemeesters en schepenen ».

Artikel 1.Paragraaf 1 zou aldus gesteld moeten worden : « Gemeenteraadsleden die ... schepenen. ».

In onderdeel 1° schrijve men « brutobedrag » in één woord en « gezagsdrager » in plaats van « mandataris ». De laatste opmerking geldt voor heel het ontwerp.

In paragraaf 2, eerste lid, schrijve men : « Burgemeesters en schepenen van gemeenten ... schepenen. ».

In het tweede lid van dezelfde paragraaf schrijve men « brutowedde ».

Art. 2.In het vijfde lid schrijve men « zodra » in plaats van « van zodra », dat niet tot de standaardtaal behoort.

In het zesde lid schrijve men : « ... brengt de beslissing van de raad ter kennis van de betrokkene ... brief. »

Art. 3.Men schrijve : « toegekend is » in plaats van « toegekend werd ».

Art. 4.In het tweede lid schrijve men « vastgestelde procedure » in plaats van « voorziene procedure ».

De kamer was samengesteld uit : de heren : J.-J. Stryckmans, eerste voorzitter;

Y. Kreins en P. Quertainmont, staatsraden;

F. Delperee en J.-M. Favresse, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. J. Gielissen, toegevoegd griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer H.C. Amelynck, referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en deNederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. Stryckmans.

De griffier, J. Gielissen.

De eerste voorzitter, J.-J. Stryckmans.

29 MAART 2000. - Koninklijk besluit houdende nadere regels aangaande de verhoging van het presentiegeld van gemeenteraadsleden en leden van de wedde van burgemeesters en schepenen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de nieuwe gemeentewet, gecodificeerd door het koninklijk besluit van 24 juni 1988 en bekrachtigd door de wet van 26 mei mei 1989, inzonderheid op artikel 12, § 1bis, ingevoegd door de wet van 4 mei 1999, en artikel 19, § 1, gewijzigd door de wet van 28 december 1989 en door de wet van 4 mei 1999;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.§ 1. Gemeenteraadsleden die ten laste van de gemeente een verhoging van hun presentiegeld als raadslid wensen te genieten, vragen dat bij ter post aangetekende brief aan bij het college van burgemeester en schepenen.

Bij die aanvraag voegen zij : 1° een attest van de gemeenteontvanger waarin het totale brutobedrag vermeld wordt van de presentiegelden die hen toegekend zijn tijdens het jaar dat voorafgaat aan de indiening van de aanvraag of, als die minder dan een jaar na hun indiensttreding ingediend is, het bedrag dat verkregen wordt door het gemiddelde maandelijke bedrag van de presentiegelden met twaalf te vermenigvuldigen;het attest vermeldt tevens het aantal vergaderingen van de raad waaraan de betrokken gezagsdrager deelgenomen heeft tijdens de beschouwde periode; 2° een attest van elk van de instellingen die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetalen die de betrokkene ontvangt, en die verminderd of geschrapt worden wegens de presentiegelden die aan de gezagsdrager toegekend worden; elk van die attesten vermeldt bovendien : a) in voorkomend geval, het bedrag van die vermindering;b) de verhogingen van presentiegeld waarin behoort te worden voorzien opdat de betrokken gezagsdrager, gelet op die verhogingen, geen enkel inkomensverlies lijdt. § 2. Burgemeesters en schepenen van de gemeenten met minder dan 50 000 inwoners die ten laste van de gemeente een verhoging van hun wedde als burgemeester of schepen wensen te genieten, vragen dat bij ter post aangetekende brief aan bij het college van burgemeester en schepenen.

Bij die aanvraag voegen zij : 1° een attest van de gemeenteontvanger waarin het bedrag van de brutowedde vermeld wordt die zij ontvangen hebben tijdens het jaar dat voorafgaat aan de indiening van de aanvraag of, als zij sinds minder dan een jaar een mandaat van burgemeester of schepen hebben, het bedrag dat verkregen wordt door het bruto maandelijks bedrag van de wedde van burgemeester of schepen, naar gelang van het geval, te vermenigvuldigen met twaalf, als de aanvrager een vermindering van zijn wedde als burgemeester of schepen gevraagd en gekregen heeft, vermeldt het attest bovendien het bedrag van die vermindering;2° een attest van elk van de instellingen die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetalen die de betrokkene ontvangt, en die verminderd of geschrapt worden wegens de wedde van burgemeester of schepen die de aanvrager ontvangt; elk van die attesten vermeldt bovendien : a) in voorkomend geval, het bedrag van die vermindering;b) als de aanvrager een vermindering van zijn wedde als burgemeester of schepen gevraagd en gekregen heeft, het aanvullende deel van de wedde als burgemeester of schepen waarvan de betrokken gezagsdrager afstand zou moeten doen om het volledige voordeel van zijn andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen te kunnen behouden;c) de verhogingen van de wedde van burgemeester of schepen waarin dient te worden voorzien opdat, rekening gehouden met deze verhogingen die toegekend zouden worden binnen de grenzen vastgelegd in artikel 19, § 1, laatste lid, van de nieuwe gemeentewet, de betrokken gezagsdrager geen enkel inkomensverlies zou lijden.

Art. 2.Het college van burgemeester en schepenen plaatst de in artikel 1 bedoelde aanvraag op de agenda van de vergadering van de gemeenteraad die volgt op de dag waarop die aanvraag ontvangen is.

Voor elk van die aanvragen doet het een voorstel.

De raad stemt over het voorstel dat door het college gedaan is. Hij kan dit voorstel wijzigen of verwerpen op basis van de informatie waarover hij beschikt.

De raad kan ook van oordeel zijn dat het dossier niet in orde is. Hij kan bij de betrokken gezagsdrager en bij de betalingsinstellingen die bedoeld worden in artikel 1, alle documenten opeisen die hij nodig vindt voor het vaststellen van het bedrag van de gevraagde verhoging.

Hij kan tevens bij die gezagsdrager en bij die instellingen alle inlichtingen die daarvoor van nut zijn, inwinnen.

In het geval dat bedoeld wordt in het vorig lid, plaatst het college de aanvraag op de agenda van de gemeenteraad zodra de gevraagde inlichtingen en documenten verstrekt zijn.

Het college brengt de beslissing van de raad ter kennis van de betrokkene bij per de post aangetekende brief.

Art. 3.De verhoging van de presentiegelden van het raadslid of van de wedde van burgemeester of schepen, naar gelang van het geval, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de verhoging toegekend is door de raad.

Art. 4.Bij wijziging van zijn geldelijke situatie, moet de begunstigde van de verhoging van de presentiegelden of van de wedde van burgemeester of schepen, naar gelang van het geval, dat onmiddellijk meedelen aan de raad bij ter post aangetekende brief die aan het college gericht is.

In dat geval beraadslaagt de raad over het behoud, de wijziging of het afschaffen van de verhoging die toegekend is volgens de in artikel 2 vastgestelde procedure.

Art. 5.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 augustus 1999.

Art. 6.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 29 maart 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE _______ Nota (1) Gedr.St., Kamer, 1410/1 tot 1410/3 - 97/98 en 1684/4 - 97/98, bl. 6. (2) Belgisch Staatsblad van 28 juli 1999, bl.28.226 en 28.236. (3) Ze is krachtens artikel 4 ervan, op 1 augustus 1999 in werking getreden.

^