Koninklijk Besluit van 29 mei 2015
gepubliceerd op 18 juni 2015
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuur en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2015014166
pub.
18/06/2015
prom.
29/05/2015
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2015014166

FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER


29 MEI 2015. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuur en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur


ADVIES 57.381/4 VAN 6 MEI 2015 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 9 DECEMBER 2004 BETREFFENDE DE VERDELING VAN DE SPOORWEGINFRASTRUCTUUR EN DE RETRIBUTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SPOORWEGINFRASTRUCTUUR' Op 7 april 2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Mobiliteit verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuur en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur'.

Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 6 mei 2015.

De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck en Jacques Englebert, assessoren, en Colette Gigot, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Yves Chauffoureaux, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 mei 2015.

Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voorafgaande vormvereisten 1. Overeenkomstig artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen' moeten de drie gewestregeringen bij het uitwerken van het voorliggende ontwerp worden betrokken. In het dossier dat bij de adviesaanvraag is gevoegd, bevinden zich evenwel alleen de niet-gedagtekende afschriften van de brieven die aan de verschillende gewestregeringen zijn gezonden.

De steller van het ontwerp moet erop toezien dat dit voorafgaand vormvereiste naar behoren wordt vervuld. 2. In het achtste lid van de aanhef wordt verwezen naar de uitvoering van de impactanalyse betreffende de regelgeving, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 `houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging'. Die impactanalyse bevindt zich echter niet in het dossier dat bij de adviesaanvraag is gevoegd.

De steller van het ontwerp moet bijgevolg nagaan of dit voorafgaande vormvereiste naar behoren vervuld is. 3. De akkoordbevinding van de minister van Begroting gaat gepaard met de volgende opmerking, die bepalend is voor de strekking ervan: "Comme indiqué par l'Inspection des finances, l'article 25 introduisant la rétroactivité de ce projet d'arrêté royal au 1er janvier 2014 est contestable car celle-ci n'entre pas dans des conditions juridiques recevables". Dienaangaande wordt verwezen naar de tweede opmerking infra, in het kader van het onderzoek van het ontwerp.

Onderzoek van het ontwerp 1.1. In zoverre het voorliggende ontwerp strekt tot wijziging van de bepalingen van hoofdstuk IV/1 - Prestatieregeling, van het koninklijk besluit van 9 december 2004 `betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur', ontleent het zijn rechtsgrond aan artikel 23, vijfde lid, van de Spoorcodex dat luidt als volgt : "Na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels voor de berekening en betalingswijze van de heffingen die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling". 1.2. Artikel 29, 3°, van het ontwerp van wet `tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex en van enkele andere bepalingen inzake spoor' (1) beoogt die machtiging evenwel ongedaan te maken door artikel 23, vijfde lid, te vervangen door de volgende bepaling : "Overeenkomstig bijlage 24, punt 2 bepaalt de infrastructuurbeheerder de grondbeginselen van de prestatieregeling in overleg met de kandidaten".

De commentaar op die ontworpen bepaling preciseert in dat verband het volgende (2) : "Artikel 23 van de Spoorcodex wordt gewijzigd om artikel 35, in combinatie met bijlage VI, punt 2, van de richtlijn 2012/34/EU om te zetten dat voorziet dat het aan de infrastructuurbeheerder toekomt om een prestatieregeling te ontwikkelen en toe te passen. Het systeem moet uiterlijk op 1 januari 2017 van toepassing zijn. Deze termijn moet de infrastructuurbeheerder de kans geven om lessen te trekken uit de prestatieregeling die op dit ogenblik in werking is. Tijdens de periode tussen de datum van het einde van de termijn van omzetting van de richtlijn 2012/34/EU (16 juni 2015) en 1 januari 2017, zal de prestatieregeling vastgesteld door het koninklijk besluit van 6 juli 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur van toepassing blijven. Bovendien liggen louter budgettaire overwegingen aan de basis van het vastleggen van de termijn voor tenuitvoerlegging op 1 januari 2017.

In dat kader is de bewegingsvrijheid van de infrastructuurbeheerder beperkt tot bijlage 24 van de Spoorcodex die de bijlage VI van de richtlijn 2012/34/EU omzet en die de grondbeginselen van dit systeem bepaalt". 1.3. De afdeling Wetgeving heeft in haar advies 56.239/4, op 25 juni 2014 gegeven over een voorontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het ontwerp van de voornoemde wet, inzonderheid de volgende opmerking geformuleerd (3) : "Het ontworpen artikel 23, zevende lid, in fine, (artikel 29, 3°, van het voorontwerp) bepaalt dat de regels voor de berekening en betalingswijze van de retributies die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling, worden toegepast vanaf 1 januari 2017.

Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk op basis van welke bepaling van richtlijn 2012/34/EU die toepassing zou kunnen worden uitgesteld tot na de datum van 16 juni 2015 die is vastgelegd in artikel 64, lid 1, van dezelfde richtlijn". 1.4. In plaats van de prestatieregeling die is vastgesteld bij hoofdstuk IV/1 van het koninklijk besluit van 9 december 2004 te wijzigen en de toepassing ervan (zoals die aldus is herzien) tot 1 januari 2017 te handhaven, moet artikel 35 van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 `tot instelling van één Europese spoorwegruimte (herschikking)', waarvan de omzettingstermijn op 16 juni 2015 verstrijkt, zo spoedig mogelijk worden omgezet. 1.5. De afdeling Wetgeving kan enkel maar de opmerking herhalen die ze eerder al heeft gemaakt. 2. In artikel 12 van het ontwerp (ontworpen artikel 31/9, tweede lid) is de verwijzing naar " § 1" verkeerd.De bepaling moet worden verbeterd. 3.1. Luidens artikel 25 van het ontwerp werkt dat artikel gedeeltelijk terug tot 1 januari 2014; de elfde overweging van de aanhef preciseert dat die terugwerking raakt aan het recht van sommige spoorwegondernemingen op de uitbetaling van een bonus voor het jaar 2014 in het kader van de thans geldende prestatieregeling. 3.2. Zoals de inspecteur van Financiën in zijn advies van 25 maart 2015 en de minister van Begroting in zijn akkoordbevinding van 27 maart 2015 opmerken, is het niet aanvaardbaar dat aldus met terugwerkende kracht inbreuk wordt gemaakt op de rechten die bepaalde spoorwegondernemingen in het kader van de thans geldende regelgeving hebben verworven. (1) Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-0984/001, 92. (2) Ibid., 9 en 10. (3) Ibid., 71.

De griffier, C. Gigot.

De voorzitter, P. Liénardy.

29 MEI 2015. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuur en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Spoorcodex, artikelen 8, derde lid, 23, vijfde lid, 43, eerste lid en 46;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur;

Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 25 maart 2015;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 27 maart 2015;

Gelet op het advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder, gegeven op 17 maart 2015;

Gelet op advies nr. 57.381/4 van de Raad van State, gegeven op 6 mei 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging.

Overwegende dat het bovengenoemde koninklijk besluit in overeenstemming moet gebracht worden met de Spoorcodex;

Overwegende dat de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, in toepassing van hetzelfde besluit, de prestatieregeling bedoeld in dit besluit heeft geëvalueerd nadat zij gedurende twee kalenderjaren is toegepast;

Overwegende dat sinds de opstelling van de bepalingen over de prestatieregeling en de invoeging ervan in hetzelfde besluit, de Belgische spoorwegsector belangrijke veranderingen heeft ondergaan, waarvan de impact op de prestatieregeling onvoldoende werd geanticipeerd;

Overwegende dat, mede door deze belangrijke veranderingen in de Belgische spoorwegsector, de brongegevens voor de door elke partij aantallen minuten veroorzaakte vertraging, voor de eerste jaren van de in hetzelfde besluit beschouwde referentieperiode van vijf jaren onvoldoende verfijnd zijn om bij de berekening van de spilwaarden een exact onderscheid te maken tussen het reizigers- en het goederenvervoer;

Overwegende dat dezelfde prestatieregeling uiterst gevoelig is voor storingen van grote omvang en dat mede hierdoor de betrokken partijen onmogelijk kunnen voorspellen of zij recht zullen hebben op een bonus dan wel een malus zullen moeten betalen, en hoe groot die bonus of malus zal zijn, hetgeen voor hen een financiële onzekerheid betekent;

Overwegende dat het mechanisme van overdracht naar de volgende jaren, toegepast wanneer voor een bepaald jaar het totale bedrag te storten boni groter is dan het totale bedrag te innen mali, er, tijdens de toepassing ervan tot vandaag, toe leidt dat het tekort op de bonus/malusrekening zodanig groot wordt dat voor vele partijen de kans dat zij de boni waarop zij recht hebben, uitbetaald zullen krijgen, erg klein is;

Overwegende dat omwille van de bovenstaande redenen de beoogde stimulans van de prestatieregeling, namelijk de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder ertoe aanzetten om verstoringen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het spoorwegnet te verbeteren, verdwijnt;

Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat het bestaande systeem van prestatieregeling tot ongewenste effecten leidt welke niet werden onderkend bij de invoering ervan;

Overwegende dat omwille van de goede werking van spoorvervoerdiensten dient vermeden te worden dat dit systeem nog een tweede jaar van toepassing blijft, reden waarom de aanpassing van het bovengemelde koninklijk besluit met terugwerkende kracht dient te gebeuren vanaf 1 januari 2014;

Overwegende dat met die terugwerkende kracht vermeden wordt dat het tekort op de bonus/malusrekening zodanig groot wordt dat voor vele partijen de kans dat zij de boni waarop zij recht hebben, uitbetaald zullen krijgen, erg klein is, waardoor de beoogde stimulans van de prestatieregeling volledig verdwijnt;

Overwegende dat met die terugwerkende kracht geraakt wordt aan het recht van sommige spoorwegondernemingen op de uitbetaling van een bonus voor het jaar 2014;

Overwegende echter dat voormeld recht gesteund is op berekeningen en parameters waarvan de evaluatie van de FOD Mobiliteit en Vervoer niet alleen heeft aangetoond dat zij contraproductief zijn ten opzichte van de doelstelling van de prestatieregeling, maar die bovendien niet objectief en rechtvaardig zijn, zodat het niet aanpassen van het systeem met terugwerkende kracht, onbillijk zou zijn. De toepassing van het huidige systeem zou er immers toe leiden, volgens simulaties van de FOD Mobiliteit en Vervoer, dat voor prestaties in 2014 sommige spoorwegondernemingen recht zouden hebben op een bonus, terwijl zij objectief gezien niet optimaal presteerden;

Overwegende dat de Raad van State in de punten 1.1. tot 1.5. van zijn voormeld advies heeft opgemerkt dat artikel 35, gelezen in samenhang met de bijlage VI, punt 2, van de richtlijn 2012/34/EU, bepaalt dat het toekomt aan de infrastructuurbeheerder om de prestatieregeling te ontwikkelen en toe te passen en dat deze bepalingen dienen te worden omgezet uiterlijk op 16 juni 2015, maar dat het ontwerp van wet tot wijziging van de Spoorcodex waarin deze bepalingen zullen worden omgezet de datum van inwerkingtreding vaststelt op 1 januari 2017.

Overwegende dat de Raad van State niet begrijpt op basis van welke bepaling van de richtlijn 2012/34/EU de toepassing zou mogen worden uitgesteld en dat, in de plaats van de prestatieregeling te wijzigen en zijn toepassing (in gewijzigde vorm) te behouden tot 1 januari 2017, het beter zou zijn om zo spoedig mogelijk werk te maken van de omzetting van artikel 35 van de richtlijn 2012/34/EU, waarvan de omzettingsdatum verstrijkt op 16 juni 2015. Overwegende dat met de opmerkingen van de Raad van State geen rekening kan worden gehouden omdat het nodig is dat de infrastructuurbeheerder de tijd krijgt om lessen te trekken uit de thans van kracht zijnde prestatieregeling.

Bovendien is het vanuit boekhoudkundig oogpunt beter om het begin van de nieuwe prestatieregeling te laten samenvallen met het begin van een boekhoudkundig jaar;

Overwegende dat de Raad van State in de punten 3.1. en 3.2. van zijn voormeld advies opgemerkt heeft dat het niet toegelaten is om met terugwerkende kracht te raken aan de verworven rechten van bepaalde spoorwegondernemingen in het kader van de regelgeving die thans van kracht is. Overwegende dat dit standpunt niet kan worden gevolgd. Voor wat de sinds 1 januari 2014 verworven subjectieve rechten van de betrokken partijen betreft, wordt opgemerkt dat bij de uitwerking van de voorgestelde bijsturing van het huidige systeem alles in het werk werd gesteld om mogelijke nadelen voor de betrokkenen tot een minimum te herleiden.

Op de voordracht van de Minister van Mobiliteit, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuur en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 1° wordt opgeheven; 2° een punt 9° wordt toegevoegd, luidende : "9° "Dienst Arbitrage" : de dienst opgericht binnen de infrastructuurbeheerder, belast met de arbitrage van de betwistingen tussen partijen over de toewijzing van oorzaken van een storing en van de daarmee gepaard gaande vertragingen.".

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, worden de woorden "36 van de wet" vervangen door de woorden " 36 van de Spoorcodex".

Art. 3.In artikel 5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt het woord "wet" vervangen door het woord "Spoorcodex".

Art. 4.In artikel 6, § 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, van hetzelfde besluit worden de woorden "van de wet" vervangen door de woorden "van de Spoorcodex".

Art. 5.In artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "van de wet" vervangen door de woorden "van de Spoorcodex";2° in het tweede lid, 2°, worden de woorden "21 van de wet" vervangen door de woorden "20 van de Spoorcodex".

Art. 6.In artikel 28 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 5 worden de woorden "artikelen 21 tot 23 van de wet" vervangen door de woorden "de artikelen 20 tot 22 van de Spoorcodex";2° in § 6, tweede lid, worden de woorden "van de wet" vervangen door de woorden "van de Spoorcodex";3° in § 6, tweede lid, in de Nederlandse tekst wordt het woord "optimiseren" vervangen door het woord "optimaliseren".

Art. 7.In artikel 31/3, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de woorden "wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen" vervangen door het woord "Spoorcodex".

Art. 8.In artikel 31/4, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt in de Nederlandse tekst 6° vervangen als volgt : "oorzaak waren van de volledige of gedeeltelijke afschaffing van één of verscheidene reizigers- of goederentreinen.".

Art. 9.In artikel 31/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt de zin "Elke betwisting door een spoorwegonderneming of door de spoorweginfrastructuurbeheerder van de lijst van storingen van de maand M moet ten laatste op de 10e dag van de maand M+1 per brief, per fax of per e-mail aan de infrastructuurbeheerder worden meegedeeld." vervangen door de zin "Elke betwisting door een spoorwegonderneming of door de spoorweginfrastructuurbeheerder van de lijst van storingen van de maand M moet ten laatste op de tiende dag van de maand M+1 per brief, per e-mail of via een beveiligde website aan de Dienst Arbitrage worden meegedeeld.".

Art. 10.Artikel 31/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt vervangen als volgt : "

Art. 31/7.De Dienst Arbitrage onderzoekt elke betwisting. Hij kan de betrokken partijen vragen bijkomende gegevens, nodig voor zijn onderzoek, voor te leggen. De partijen bezorgen deze gegevens zo spoedig mogelijk aan de Dienst Arbitrage, maar niet later dan dertig dagen na de aanvraag. Na het verstrijken van deze termijn, kan de Dienst Arbitrage, op basis van zijn beoordeling van het dossier, dit ambtshalve afsluiten.

Zo nodig overlegt de Dienst Arbitrage met de partijen die een toewijzing van de oorzaak of van het totaal aantal minuten vertraging betwisten. Indien het overleg niet slaagt en een partij een aantal minuten vertraging toegewezen krijgt dat zij betwist, dan legt de Dienst Arbitrage de zienswijzen van beide partijen voor aan het toezichthoudende orgaan opdat het beslist over het aantal minuten vertraging dat moet worden toegekend. Het toezichthoudende orgaan beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het ogenblik dat de betwisting haar werd voorgelegd, om haar beslissing aan de betrokken partijen mee te delen.".

Art. 11.In artikel 31/8 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt het woord "infrastructuurbeheerder" vervangen door de woorden "Dienst Arbitrage".

Art. 12.Artikel 31/9 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt vervangen als volgt : "

Art. 31/9.Door middel van het in artikel 31/8 bedoelde verslag licht de Dienst Arbitrage elke partij in over de resultaten die hen aanbelangen, met name : 1° het totaal aantal minuten vertraging;2° het aantal minuten vertraging, vergeleken met de door haar te bereiken kwaliteitsdoelstelling;3° de betwistingen bedoeld in artikel 31/8;4° de bonus/malus berekend overeenkomstig afdeling 2;5° de voorlopige spilwaarde en de waarden voorzien in artikel 31/14 en de definitieve spilwaarde van het voorbije jaar, vergezeld van de gegevens waarmee deze spilwaarden werden berekend;6° het totale bedrag aan boni en mali van alle partijen. De Dienst Arbitrage maakt de jaarlijkse verslagen bedoeld in het eerste lid over aan het toezichthoudende orgaan en aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.".

Art. 13.In artikel 31/13 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : "In het begin van elk jaar wordt aan elke partij een voorlopige spilwaarde toegekend, in afwachting van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel 31/8.Zij is uitgedrukt in aantal minuten en is gelijk aan : 1° voor de infrastructuurbeheerder, het totaal aantal door hem in de afgelopen drie jaren veroorzaakte minuten vertraging, gedeeld door het totaal aantal treinkilometer dat alle spoorwegondernemingen samen in diezelfde drie jaren op het netwerk van de infrastructuurbeheerder gereden hebben, vermenigvuldigd met het totaal aantal door alle spoorwegondernemingen bij de infrastructuurbeheerder aangevraagde treinkilometer voor het beschouwde jaar;2° voor een spoorwegonderneming in het reizigersvervoer, het gemiddelde globale aantal minuten vertraging per treinkilometer, verkregen door het totaal aantal minuten vertraging toegewezen aan alle spoorwegondernemingen in het reizigersvervoer zoals voorzien in artikel 31/4 te delen door het totaal aantal treinkilometer dat alle spoorwegondernemingen in het reizigersvervoer samen in de afgelopen drie jaren op het netwerk van de infrastructuurbeheerder gereden hebben, vermenigvuldigd met het door de desbetreffende spoorwegonderneming voor het beschouwde jaar aangevraagde aantal treinkilometer; 3° voor een spoorwegonderneming in het goederenvervoer, het gemiddelde globale aantal minuten vertraging per treinkilometer, verkregen door het totaal aantal minuten vertraging toegewezen aan alle spoorwegondernemingen in het goederenvervoer zoals voorzien in artikel 31/4 te delen door het totaal aantal treinkilometer dat alle spoorwegondernemingen in het goederenvervoer samen in de afgelopen drie jaren op het netwerk van de infrastructuurbeheerder gereden hebben, vermenigvuldigd met het door de desbetreffende spoorwegonderneming voor het beschouwde jaar aangevraagde aantal treinkilometer."; 2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende : "De partijen kunnen de hen toegewezen voorlopige spilwaarde betwisten bij het toezichthoudende orgaan, binnen een termijn van tien dagen na mededeling door de Dienst Arbitrage.Het toezichthoudende orgaan spreekt zich uit over de betwiste voorlopige spilwaarde binnen een termijn van dertig dagen na indiening van de betwisting."; 3° het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt opgeheven.

Art. 14.In artikel 31/14 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de woorden "20 %" vervangen door de woorden "40 %".

Art. 15.Artikel 31/15 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt aangevuld met een lid, luidende : "Indien de globale bonus kleiner is dan de globale malus voor datzelfde jaar, wordt de malus voor elke partij evenredig beperkt zodat het aantal van de uit te betalen boni gelijk is aan het totaal van de te ontvangen mali.".

Art. 16.Artikel 31/16 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt aangevuld met een lid, luidende : "Indien de globale malus kleiner is dan de globale bonus voor datzelfde jaar, wordt de bonus voor elke partij evenredig beperkt zodat het aantal van de uit te betalen boni gelijk is aan het totaal van de te ontvangen mali.".

Art. 17.In artikel 31/17 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : "Elke partij stort uiterlijk op 30 juni het bedrag van de aan haar voor het afgelopen kalenderjaar toegekende malus, op een speciaal voor deze prestatieregeling geopende bankrekening, op naam van de infrastructuurbeheerder maar volledig gescheiden van diens boekhouding."; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : "De Dienst Arbitrage, die deze bankrekening beheert, informeert de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer van de verrichtingen op deze rekening.".

Art. 18.In artikel 31/18, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt het woord "infrastructuurbeheerder" vervangen door de woorden "Dienst Arbitrage".

Art. 19.Artikel 31/20 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt opgeheven.

Art. 20.Artikel 31/21 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt vervangen als volgt : "

Art. 31/21.De niet gestorte boni worden jaarlijks vermeerderd met de rente van toepassing op de rekening geopend op naam van de infrastructuurbeheerder bedoeld in artikel 31/17.".

Art. 21.Artikel 31/22 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt vervangen als volgt : "

Art. 31/22.De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer evalueert jaarlijks de toepassing van de prestatieregeling.".

Art. 22.In artikel 31/23, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, worden de woorden "9 van de wet" vervangen door de woorden "8 van de Spoorcodex".

Art. 23.In bijlage 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt de formule "Malus = M(p) x (M(p) - D(p))/(D(p) x 20 %)" vervangen door de formule "Malus = M(p) x {Mv(p) - D(p)}/{D(p) x 40 %}".

Art. 24.In bijlage 2 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 6 juli 2011, wordt de formule "Bonus = M(p) x (D(p) - Mv(p))/(D(p) x 20 %)" vervangen door de formule "Bonus = M(p) x {D(p) - Mv(p)}/{D(p) x 40 %}".

Art. 25.Dit besluit treedt in werking de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 1, 2°, 8 tot en met 21, 23 en 24, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014.

Art. 26.De minister bevoegd voor het spoorwegvervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 29 mei 2015.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, Mevr. J. GALANT


begin


Publicatie : 2015-06-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^