Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 30 april 2001
gepubliceerd op 30 mei 2001

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 juni 1999 gesloten in het Paritair Comité voor de steenbakkerij, betreffende de toekenning en wijze van uitkering van aanvullende sociale voordelen en vaststelling van het bedrag en de wijze van inning van de bijdragen van de werkgevers

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2001012308
pub.
30/05/2001
prom.
30/04/2001
ELI
eli/besluit/2001/04/30/2001012308/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

30 APRIL 2001. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 juni 1999 gesloten in het Paritair Comité voor de steenbakkerij, betreffende de toekenning en wijze van uitkering van aanvullende sociale voordelen en vaststelling van het bedrag en de wijze van inning van de bijdragen van de werkgevers (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 september 1990, gesloten in het Paritair Comité voor de steenbakkerij, houdende coördinatie van de statuten van het "Sociaal Fonds voor de baksteenindustrie", algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 mei 1991, inzonderheid op de artikelen 6 en 12;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de steenbakkerij;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 29 juni 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de steenbakkerij, betreffende de toekenning en wijze van uitkering van aanvullende sociale voordelen en vaststelling van het bedrag en de wijze van inning van de bijdragen van de werkgevers.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 30 april 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Koninklijk besluit van 21 mei 1991, Belgisch Staatsblad van 4 oktober 1991.

Bijlage Paritair Comité voor de steenbakkerij Collectieve arbeidsovereenkomst van 29 juni 1999 Toekenning en wijze van uitkering van aanvullende sociale voordelen en vaststelling van het bedrag en de wijze van inning van de bijdragen van de werkgevers (Overeenkomst geregistreerd op 8 oktober 1999 onder het nummer 52490/CO/114) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters, hierna werklieden genoemd, van de ondernemingen welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de steenbakkerij.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is niet van toepassing op de N.V. Scheerders-Van Kerchove's, Verenigde Fabrieken te Sint-Niklaas, en de werklieden die er zijn tewerkgesteld. HOOFDSTUK II. - Aanvullende sociale voordelen

Art. 2.In uitvoering van de statuten van het "Sociaal Fonds voor de baksteenindustrie", worden volgende sociale voordelen, door bemiddeling van het Sociaal Fonds toegekend. Afdeling 1. - Sociale premie.

a) Toekenningsmodaliteiten.

Art. 3.Aan de werklieden, tewerkgesteld door een werkgever bedoeld in artikel 1, wordt ten laste van voornoemd Sociaal Fonds en onder de hieronder bepaalde voorwaarden een sociale premie toegekend.

Art. 4.1. De sociale premie bedraagt voor alle werklieden met uitzondering van de bruggepensioneerden maximum 4 300 BEF in 1999 en 4 700 BEF in 2000. Zij wordt berekend door het aantal maanden en begonnen maanden inschrijving in het personeelsregister tijdens het in artikel 5, § 1, b) bepaalde dienstjaar, te vermenigvuldigen met 358,33 BEF in 1999 en met 391,67 BEF in 2000 voor de berekening van de premie van de jaren 1999 en 2000.

In toepassing van dit artikel 4.1 wordt de sociale premie als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2. De sociale premie bedraagt voor de bruggepensioneerden 3 500 BEF in 1999 en 2000.Zij wordt berekend door het aantal maanden recht tijdens het in artikel 5 bepaalde dienstjaar te vermenigvuldigen met 291,66 BEF voor de berekening van de premie van de jaren 1999 en 2000.

In toepassing van dit artikel 4.2 wordt de sociale premie als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 5.§ 1. De werklieden, zonder onderscheid van leeftijd, hebben recht op de sociale premie indien zij beantwoorden aan de volgende voorwaarden : a) lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal vlak verbonden zijn;b) tijdens het dienstjaar, dat ingaat op 1 juli van het vorig jaar en eindigt op 30 juni van het lopend jaar, ingeschreven zijn geweest in het personeelsregister van een in artikel 1 bedoelde onderneming;c) niet ontslagen zijn wegens dringende redenen. Voldoen eveneens aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, b), de werklieden : 1° waarvan de arbeidsovereenkomst is geschorst wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval of arbeidsongeval en die tijdens voormeld dienstjaar werkelijke of daarmede gelijkgestelde arbeidsprestaties hebben geleverd;2° De bruggepensioneerden.Zij ontvangen voor de laatste maal de sociale premie zoals voorzien in artikel 4.1 voor het dienstjaar tijdens hetwelk zij op brugpensioen worden gesteld. Zij ontvangen voor de laatste maal de sociale premie zoals voorzien in artikel 4.2 in het dienstjaar tijdens hetwelk zij op pensioen worden gesteld. Zoals voorzien in 3° worden de werklieden die op pensioen worden gesteld tijdens de periode die ingaat op 1 januari en eindigt op 30 juni, eveneens beschouwd als zijnde ingeschreven in het personeelsregister tot 30 juni; 3° die op pensioen zijn gesteld, overeenkomstig de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde bepalingen betreffende de rust- en overlevings-pensioenen, tijdens de periode die ingaat op 1 januari en eindigt op 30 juni, aangezien zij worden beschouwd als zijnde ingeschreven in het personeelsregister tot 30 juni.Zij ontvangen de sociale premie zoals voorzien in het artikel 4.2. § 2. De werklieden waarvan de arbeidsovereenkomst werd geschorst wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval of arbeidsongeval en tijdens voornoemd dienstjaar geen werkelijke of daarmede gelijkgestelde arbeidsprestaties hebben geleverd, hebben recht op de sociale premie. Deze is vastgesteld in verhouding tot de anciënniteit welke zij hebben bereikt bij dezelfde werkgever bedoeld in artikel 1 op de laatste dag van hun tewerkstelling en is bepaald als volgt : Anciënniteit : de sociale premie wordt nog voor de volgende termijn toegekend na de uitkering voorzien in §1, 1° : van 10 tot minder dan 15 jaar : 2 dienstjaren; van 15 tot minder dan 20 jaar : 3 dienstjaren; van 20 tot minder dan 25 jaar : 4 dienstjaren; van 25 jaar en meer : 5 dienstjaren.

De voorwaarden voorzien in § 1, a) en b), zijn van toepassing op de gevallen voorzien in onderhavige paragraaf.

Art. 6.De begonnen maand waarvan sprake in artikel 4, wordt als volgt bepaald : de werklieden die voor de 16e van de maand in dienst zijn getreden en de werklieden die na de 15e van de maand uit dienst zijn getreden, worden beschouwd als hebbende een maand inschrijving in het personeelsregister.

Art. 7.Voor de toepassing van artikel 5, § 1, 1°, worden met arbeidsprestaties gelijkgesteld : 1° de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht wanneer de duur van de dagelijkse prestaties acht uren overschrijdt en het aantal dezer dagen wekelijks minder dan 5 beloopt, wordt het aantal effectief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door 8 te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, dan wordt het tot de hogere eenheid afgerond;2° de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werknemer een loon moet betalen, dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen.Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen klein verlet, de dagen verlof om dwingende redenen, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.; 3° de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van 40 uren of minder te brengen;4° de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone activiteit;5° de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten, behorende tot bovenvermelde categorieën 1° tot 4° wanneer de wekelijkse arbeid van de werknemer nu eens over 5 dagen, dan weer over meer dan vijf dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld; Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien. b) Uitkeringsmodaliteiten.

Art. 8.1° Het Fonds zendt aan alle werkgevers bedoeld in artikel 1 een "eerste lijst", in tweevoud, waarop reeds de namen, adressen, bankrekeningnummer en geboortedatum voorkomen van de werklieden die voorkwamen op de lijsten van het vorig jaar.

De werkgever zal op deze lijst : 1. de nodige wijzigingen aanbrengen aan de vermelde namen en adressen;2. de werklieden schrappen die geen recht meer hebben op sociale premie;3. de namen en adressen bijvoegen van de werklieden die in dienst zijn gekomen tijdens het dienstjaar en die bijgevolg tijdens de gehele periode of een gedeelte ervan ingeschreven waren in het personeelsregister;4. voor alle werklieden nagaan of de geboortedatum juist is en deze aanvullen waar nodig;5. voor alle werklieden het aantal, in de loop van het dienstjaar, gewerkte en gelijkgestelde maanden, opgeven zoals deze worden bepaald in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van onderhavige overeenkomst;6. het banknummer van de werklieden verifiëren en indien nodig aanvullen of verbeteren. Eén exemplaar van de aldus verbeterde en aangevulde lijst wordt teruggezonden aan het secretariaat van het Sociaal Fonds voor de datum, vermeld op de lijst. Het tweede exemplaar blijft in het bezit van de werkgever. 2° Na de verwerking van deze gegevens zendt het Fonds aan alle werkgevers een definitieve lijst in tweevoud, met vermelding per werkman van : het brutobedrag van de verschuldigde bijdrage aan het Sociaal Fonds zoals deze werd vastgesteld in artikel 20, het netto bedrag van de sociale premie waarop de werkman recht heeft, en ten slotte het bedrag van de verhoging van de nettobijdrage. Onderaan deze lijst worden de totalen gemaakt van deze bedragen. 3° Het Fonds zendt, in bijlage aan deze definitieve lijsten, eveneens de voorgedrukte kaarten van rechthebbende.Deze kaarten van rechthebbende worden door de werkgever onmiddellijk na ontvangst aan de werklieden overhandigd.

Art. 9.De werklieden bieden hun kaart in dubbel exemplaar aan, om te worden gestempeld bij één van de in artikel 5, § 1 a) beoogde, werknemersorganisaties, overeenkomstig de onderrichtingen welke hen door deze organisaties worden gegeven. De stempel geldt als bewijs van rechthebbende ten laste van het Fonds. De niet of ongeldig gestempelde kaarten geven geen recht op uitkering.

De afgestempelde kaarten van rechthebbende worden onmiddellijk na afstempeling door bedoelde werknemersorganisaties aan het Fonds gezonden. Het dubbel van deze kaarten blijft in het bezit van voormelde werknemersorganisaties.

Art. 10.Na ontvangst van de door de representatieve werknemersorganisaties gestempelde kaarten van rechthebbende gaat het Fonds over tot de uitbetaling van de op de kaart vermelde sociale premie, door overschrijving op het bankrekeningnummer van de werkman, of bij gebreke aan een bankrekeningnummer, door uitschrijving van een betalingsorder, uiterlijk één maand volgend op de datum van ontvangst van de kaart van rechthebbende. Afdeling 2. - Afscheidspremie aan georganiseerde werklieden

Art. 11.Aan de werklieden bedoeld in artikel 1 wordt een éénmalige afscheidspremie toegekend ten laste van het Sociaal Fonds, waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden hierna zijn vastgesteld. a) Bedrag van de afscheidspremie - Berekening.

Art. 12.De afscheidspremie wordt verworven op basis van 550 BEF per jaar tewerkstelling in een onderneming bedoeld in artikel 1 tijdens de laatste twintig jaar voor de pensionering, overeenkomstig de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde bepalingen betreffende de rust- en overlevingspensioenen en op voorwaarde dat de betrokkene gelijktijdig lid is van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal vlak zijn verbonden.

De afscheidspremie bedraagt aldus ten hoogste 11 000 BEF.

Art. 13.Door "per jaar tewerkstelling" moet worden begrepen een dienstverband dat ten minste honderd tweeëndertig effectieve of gelijkgestelde arbeidsdagen telt per kalenderjaar. § 1. De gelijkgestelde arbeidsdagen zijn : a) de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht, wanneer de duur van de dagelijkse prestaties 8 uren overschrijdt en het aantal dezer dagen wekelijks minder dan 5 beloopt wordt het aantal effectief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door 8 te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, dan wordt het tot de hogere eenheid afgerond;b) de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werknemer een loon moet betalen, dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen.Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen van klein verlet, de dagen verlof om dwingende redenen, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.; c) de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van 40 uren of minder te brengen;d) de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone activiteit;e) de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten, behorende tot bovenvermelde categorieën a) tot d), wanneer de wekelijkse arbeid van de werknemer nu eens over 5 dagen dan weer over meer dan 5 dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld. Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestatie of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien. § 2. De dagen tijdens welke de arbeidsovereenkomst werd geschorst wegens economische redenen, slecht weer of technische stoornis, worden met effectief gepresteerde arbeidsdagen gelijkgesteld voor het vaststellen van het aantal effectieve of gelijkgestelde dagen voorzien in dit artikel. § 3. De volgende gelijkstellingen gelden voor de rechthebbenden die hun recht hebben verworven in een onderneming gelegen in het gewest Rupel, omvattende de gemeenten, Boom, Niel en Rumst : a) voor de werklieden die op 31 maart 1975 arbeidsongeschikt zijn wegens ziekte, ongeval of arbeidsongeval wordt de volledige periode van arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld met arbeidsprestaties;b) de werklieden die arbeidsongeschikt worden na 31 maart 1975 hebben, in afwijking op artikel 12 de bewijsmogelijkheid om de jaren van tewerkstelling bepaald in dit artikel 12 te doen gelden over hun gehele beroepsloopbaan in de ondernemingen bedoeld in artikel 1;c) voor de werklieden die minder dan 20 jaar tewerkstelling zoals bepaald in artikel 12 kan doen gelden in een onderneming bedoeld in artikel 1, wordt elk jaar van arbeidsongeschiktheid tijdens hun beroepsloopbaan in zulke onderneming wegens ziekte, ongeval of arbeidsongeval gelijkgesteld met één jaar arbeidsprestaties. De bepalingen van § 3 gelden tot beloop van het maximum aantal jaren waarvoor de afscheidspremie kan worden verworven bij toepassing van artikelen 12 en 13, paragrafen 1 en 2. b) Toekenningsvoorwaarden.

Art. 14.Hebben recht op uitkering van de in artikel 12 bedoelde afscheidspremie, de werklieden die : 1° op pensioen, of op brugpensioen gaan;2° aantonen dat de onderneming, waarbij zij in het personeelsregister zijn ingeschreven op het ogenblik van de pensionering of brugpensioen, ressorteert onder het Paritair Comité voor de steenbakkerij;3° lid zijn van één van de representatieve werknemersorganisaties.

Art. 15.Worden gelijkgesteld met rechthebbenden op de uitkering van de afscheidspremie : 1° de werklieden die, in afwijking van artikel 14, 2°, op het ogenblik van de pensionering volledig uitkeringsgerechtigde werkloze zijn, ingevolge een beslissing getroffen door een werkgever van een onderneming bedoeld in artikel 1;2° de werklieden die, in afwijking van artikel 14, 2°, op het ogenblik van de pensionering arbeidsongeschikt zijn, hetzij ingevolge ziekte of ongeval, hetzij ingevolge arbeidsongeval en laatst waren tewerkgesteld in een onderneming bedoeld in artikel 1;3° de werklieden die, op het ogenblik van de pensionering niet zijn tewerkgesteld in een onderneming bedoeld in artikel 1, omdat hun arbeidsovereenkomst in zulke onderneming werd verbroken, hetzij door de werkgever om andere dan dringende redenen welke de onmiddellijke verbreking van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen, hetzij door de werkman zelf in een periode van tijdelijke schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens economische oorzaken of wegens weersomstandigheden, hetzij omdat de arbeidsovereenkomst ingevolge een geval van overmacht een einde nam.Deze afwijking is slechts van toepassing voor zover de aanspraakmakende werklieden bewijzen vijftien jaar te hebben gewerkt in een onderneming bedoeld in artikel 1 tijdens de laatste twintig jaar voor de pensionering.

Indien de werklieden een afscheidspremie genieten in de sector waar zij laatst werden tewerkgesteld voor het ogenblik van de pensionering, wordt het bedrag van de toe te kennen afscheidspremie echter beperkt tot beloop van het maximumbedrag voorzien door deze collectieve arbeidsovereenkomst, rekening houdend met het eventueel toegekend bedrag in de sector waar de betrokkene laatst werd tewerkgesteld. 4° de samenwonende echtgenote of echtgenoot van de rechthebbende die overleden is in dienst van een onderneming bedoeld in artikel 1 en nà de leeftijd van 55 jaar voor de mannen en 50 jaar voor de vrouwen te hebben bereikt, voor zover de overleden rechthebbende ten minste tien jaar dienst telt in een onderneming bedoeld in artikel 1.c) Uitkeringsmodaliteiten.

Art. 16.De aanvraag tot uitkering van de in artikel 11 bedoelde afscheidspremie aan de werklieden bedoeld in artikel 14 en 15, wordt ingediend door één van de representatieve werknemersorganisaties, bij het Sociaal Fonds op een daartoe bestemd formulier.

De aanvraag geschiedt op het ogenblik waarop de werklieden een van de in artikel 14 vermelde stelsels genieten.

Voor de toepassing van artikel 15, 4°geschiedt de aanvraag bij het overlijden van de rechthebbende.

De aanvragen welke niet worden ingediend binnen de periode van één jaar volgend op de datum vanaf welke de werklieden een van de in artikel 14 vermelde stelsels genieten of van overlijden, zijn niet meer ontvankelijk.

Art. 17.De uitbetaling van de in artikel 11 bedoelde afscheidspremie geschiedt ten laste van het Sociaal Fonds door bemiddeling van de betrokken syndicale organisatie, binnen de drie maanden na het indienen van de aanvraag.

Art. 18.Alle bijzondere gevallen welke voortspruiten uit de toepassing van deze afdeling worden aan de raad van bestuur van het Sociaal Fonds voorgelegd. HOOFDSTUK III. - Inning van de bijdragen

Art. 19.In uitvoering van de bepalingen van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst, worden het bedrag en de wijze van inning van de bijdragen van de werkgevers, voor de uitkering van aanvullende sociale voordelen door bemiddeling van het "Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie", voor de dienstjaren 1999 en 2000 als volgt vastgesteld : Afdeling 1. - Sociale premie

Art. 20.1. De bijdrage van de werkgevers aan het Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie wordt, wat betreft de sociale premie voor het dienstjaar 1999 vastgesteld op maximum 4 300 BEF en voor het dienstjaar 2000 vastgesteld op maximum 4 700 BEF per werkman, ingeschreven in het personeelsregister.

Voor de bruggepensioneerden wordt de bijdrage vanaf het dienstjaar dat volgt op datgene tijdens hetwelk zij op brugpensioen zijn gegaan vastgesteld op maximum 3 500 BEF voor de dienstjaren 1999 en 2000.

Deze bijdrage wordt verhoogd met 200 BEF per werkman.

Ingeval de werklieden niet gedurende de gehele periode van het dienstjaar ingeschreven zijn geweest in het personeelsregister, wordt de bijdrage voor de sociale premie, voor de betrokken werkman met uitzondering van de bruggepensioneerden, berekend door het aantal maanden of begonnen maanden inschrijving in het personeelsregister tijdens het dienstjaar te vermenigvuldigen met 358,33 BEF per werkman in 1999 en met 391,67 BEF in 2000.

In toepassing hiervan is de afgeronde bijdrage voor de sociale premie als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de bruggepensioneerden waaraan de sociale premie wordt toegekend zoals voorzien in artikel 4.2. wordt de sociale premie voor de betrokken bruggepensioneerde berekend door het aantal maanden recht tijdens het dienstjaar te vermenigvuldigen met 291,67 BEF in 1999 en 2000. In toepassing hiervan is de afgeronde bijdrage voor de sociale premie van de bruggepensioneerden als volgt vastgesteld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2.De bijdrage voor de sociale premie ten gunste van werklieden bedoeld in artikel 5, 2 is niet verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst van deze werklieden sinds meer dan twee jaar is geschorst wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval of arbeidsongeval en indien een bijdrage werd gestort tijdens elk van de eerste twee jaren volgend op het dienstjaar in de loop waarvan genoemde arbeidsongeschiktheid is ontstaan.

Art. 21.De storting van de bijdrage voor de sociale premie heeft plaats op : 1° de eerste betaaldag volgend op 1 juli door de werkgevers van de ondernemingen van het gewest Rupel, omvattende de gemeenten Boom, Niel en Rumst;2° 15 november door de werkgevers van de ondernemingen van het gewest Kempen, omvattende de gemeenten Beerse, Brecht, Essen, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Oud-Turnhout en Rijkevorsel;3° 1 september door de werkgevers van de ondernemingen niet vermeld onder 1° en 2° van onderhavig artikel, zijnde telkens uiterlijk een maand na de ontvangst van de formulieren bedoeld in artikel 8 die aan de genoemde ondernemingen worden toegezonden door het Sociaal Fonds. Uiterlijk één maand na ontvangst van de definitieve lijst dient de werkgever één exemplaar van de definitieve lijst aan het Fonds terug te zenden.

De werkgever behoudt één exemplaar als boekhoudkundig document tot staving van zijn betaling.

De werkgever stort op de bankrekening van het "Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie", het totaal bedrag van de verschuldigde bijdrage zoals voorzien in artikel 8 en zoals vastgesteld op de definitieve lijst vermeld in artikel 8, 2°, totaal van de kolom "bedrag der verschuldigde bijdrage". Afdeling 2. - Afscheidspremie aan georganiseerde werklieden

Art. 22.De financiële lasten van de bij artikel 12 bedoelde afscheidspremie worden gedragen door het Sociaal Fonds, dat hiervoor bijdragen int, waarvan het bedrag en de inningsmodaliteiten ieder jaar worden vastgesteld bij beslissing van de raad van bestuur van het Sociaal Fonds, per werkman in dienst van de ondernemingen bedoeld in artikel 1 en volgens de modaliteiten welke zijn voorzien voor het vaststellen van het bedrag van de sociale premie. Afdeling 3. - Sectorieel conventioneel brugpensioen

Art. 23.1. De bijdrage van de werkgevers aan het Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie, voor de jaren 1999 en 2000 wordt als volgt vastgesteld : 1° voor de "seizonaal" werkende bedrijven, op 88 BEF, vermenigvuldigd met het aantal "dagen-werklieden-arbeid" dat in de ondernemingen werd getotaliseerd gedurende de periode respectievelijk : - ingaande van 1 oktober 1998 tot 30 september 1999; - ingaande van 1 oktober 1999 tot 30 september 2000; met een maximum van 19 800 BEF per werkman.

Door "seizonaal" werkende bedrijven dient verstaan de bedrijven waar de bakstenen met natuurlijke middelen worden gedroogd. 2° voor de bedrijven bedoeld in de beslissing van 5 maart 1962 van het Nationaal Paritair Comité voor de steenbakkerij, tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden in de ondernemingen waar bakstenen worden gemaakt aan de tafel of met de motorpers en/of gebakken in veldovens, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 28 augustus 1962, verlengd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 1970, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 4 november 1970 : a) voor de werklieden verbonden door een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, op 88 BEF vermenigvuldigd zoals voorzien in 1°;b) voor de werklieden verbonden door een voor een bepaald werk of voor een bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, op 88 BEF per dag vermenigvuldigd met een aantal werkelijk aan de arbeid bestede dagen per werkman gedurende de periode respectievelijk : - ingaande van 1 oktober 1998 tot 30 september 1999; - ingaande van 1 oktober 1999 tot 30 september 2000; 3° voor de andere bedrijven, op 88 BEF vermenigvuldigd met het aantal "dagen-werklieden-arbeid" dat in de ondernemingen werd getotaliseerd gedurende de periode respectievelijk : - ingaande van 1 oktober 1998 tot 30 september 1999; - ingaande van 1 oktober 1999 tot 30 september 2000; met een maximum van 19 800 BEF per werkman en een minimum van 9 900 BEF per werkman. 2. De in § 1 vermelde bijdrage dient aan het Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie te worden gestort voor 31 oktober van de in § 1 vermelde jaren. HOOFDSTUK IV. - Geldigheidsduur

Art. 24.Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 2001, met uitzondering van de artikelen betreffende de "afscheidspremie" die voor onbepaalde tijd worden gesloten.

Bovengenoemde artikelen betreffende de afscheidspremie die voor onbepaalde tijd werden gesloten kunnen worden opgezegd door een van de partijen mits een opzeggingstermijn van één jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de betekening van de opzegging. Deze opzegging wordt bij een ter post aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de steenbakkerij en aan elk van de ondertekenende partijen betekend.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 30 april 2001 De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^