Koninklijk Besluit van 30 april 2013
gepubliceerd op 08 mei 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot aanpassing van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 inzake de bedoelde beleggingsvennootschappen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2013003151
pub.
08/05/2013
prom.
30/04/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

30 APRIL 2013. - Koninklijk besluit tot aanpassing van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 inzake de bedoelde beleggingsvennootschappen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat ter ondertekening aan uwe Majesteit wordt voorgelegd is van toepassing op de volledige verzaking aan de in artikel 106, § 7, eerste lid, KB/WIB 92 bedoelde inning van de roerende voorheffing op de dividenden met betrekking tot beleggingsvennootschappen en heeft als voornaamste doelstelling het vervangen van de verwijzingen naar de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten in dit artikel door de verwijzingen naar de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

De wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles heeft het wettelijk kader voor instellingen voor collectieve belegging gewijzigd. Ze heeft, onder andere, in het Boek II, een Titel III ingevoegd, "Institutionele instellingen voor collectieve belegging" genaamd die juist na Titel II "Openbare instellingen voor collectieve belegging" komt.

De wet van 20 juli 2004 betrachtte aldus de modernisering van het wettelijk kader voor instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht. De wet van 20 juli 2004 trad bijgevolg in de plaats van Boek III van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten dat tot op het moment van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2004 het statuut van en de toezichtsregeling voor de instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht regelde, alsook het kader voor de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht die hun rechten van deelneming in België verhandelen.

In samenhang met artikel 185bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt voorgesteld om voortaan in artikel 106, § 7, eerste lid, KB/WIB 92 telkens de openbare beleggingsvennootschappen en de institutionele beleggingsvennootschappen te beogen.

De situatie moet dringend worden verduidelijkt en deze verzaking moet op dezelfde manier worden verleend aan de verschillende beleggingsvennootschappen, of ze nu openbare beleggingsvennootschappen of institutionele beleggingsvennootschappen zijn.

De Raad van State was in zijn advies nr. 52.626/1 van 21 januari 2013, van mening dat het ontwerp tot aanpassing een "fundamentele tekortkoming" vertoonde doordat hierin verwezen werd naar de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles terwijl een nieuwe wet, met name de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, deze had vervangen Het ontwerp wordt dus aangepast met de verwijzing naar de relevante artikelen van deze nieuwe wet.

De Raad van State heeft op 29 maart 2013 een nieuw advies nr. 52.964/3 gegeven, waarin hij opmerkt dat dit ontwerp er niet toe strekt de verzaking aan de inning van de roerende voorheffing uit te breiden tot de dividenden die aan niet-ingezeten beleggingsvennootschappen worden toegekend en dat de in de ogen van de Europese instellingen laakbare maatregelen, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 oktober 2012, zo spoedig mogelijk moeten worden aangepast.

Gelet op de hoogdringendheid van deze verduidelijking en de vertraging als gevolg van deze "fundamentele tekortkoming", wordt voorgesteld dat dit besluit van toepassing blijft op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2013.

Artikel 1 past artikel 106, § 7, eerste lid, KB/WIB 92 aan wat de verwijzing betreft naar de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten die werden opgeheven door de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, die, met uitzondering van de artikelen 212 tot 228, zelf vervangen is door de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

Dit besluit is van toepassing op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2013.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, K. GEENS

ADVIES 52.964/3 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, VAN 29 MAART 2013 OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT 'TOT AANPASSING VAN ARTIKEL 106, § 7, EERSTE LID, VAN HET KB/WIB 92 INZAKE DE BEDOELDE BELEGGINGSVENNOOTSCHAPPEN' Op 27 februari 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot aanpassing van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 inzake de bedoelde beleggingsvennootschappen'.

Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 19 maart 2013.

De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jan Smets en Bruno Seutin, staatsraden, Jan Velaers en Lieven Denys, assessoren, en Greet Verberckmoes, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Frédéric Vanneste, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jo Baert, kamervoorzitter.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 29 maart 2013. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe in artikel 106, § 7, eerste lid, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 'tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992'(hierna : KB/WIB 92) de verwijzing naar de opgeheven artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 'op de financiële transacties en de financiële markten' te vervangen door een verwijzing naar de artikelen 15, 20, 26, 119, 122 en 126 van de wet van 3 augustus 2012 'betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles' (artikel 1 van het ontwerp).Die wijziging is van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 2013 (artikel 2 van het ontwerp).

Bij de strekking van het ontwerp gaf de gemachtigde volgende toelichting : « [Le projet présent] vise [...] uniquement à traduire le fait que, dans l'article 106, § 7, AR/CIR 92, les sociétés d'investissement visés aux articles 114, 118, et 119quinquies de la loi du 4 décembre 1990 sont les sociétés d'investissement visés aux articles 15, 20, 26, 119, 122 et 126 de la loi du 3 août 2012. Cela revient à considérer que lorsqu'elles sont apparues spécifiquement, les sociétés d'investissement institutionnelles n'étaient qu'une sous-catégorie des sociétés d'investissement publiques en ce sens que les mesures de renonciation à la perception du précompte mobilier les concernaient aussi. » De volledige verzaking aan de inning van de roerende voorheffing op de dividenden met betrekking tot beleggingsvennootschappen geldt dus zowel voor collectieve beleggingsvennootschappen van de types BEVEK (artikel 15 van de wet van 3 augustus 2012), BEVAK (artikel 20 van de wet van 3 augustus 2012) of VBS (artikel 26 van de wet van 3 augustus 2012), als voor bepaalde types van institutionele beleggingsvennootschappen (institutionele beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal : artikel 119 van de wet van 3 augustus 2012; institutionele beleggingsvennootschap met een vast aantal rechten van deelneming : artikel 122 van de wet van 3 augustus 2012; institutionele beleggingsvennootschap voor belegging in schuldvorderingen : artikel 126 van de wet van 3 augustus 2012).

Rechtsgrond 3. Voor het te nemen besluit kan in beginsel rechtsgrond worden gevonden in artikel 266 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 92), waarbij de Koning wordt gemachtigd om in bepaalde gevallen en onder de voorwaarden en binnen de grenzen die hij bepaalt, geheel of ten dele af te zien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten.4. Vermits uit artikel 172, tweede lid, van de Grondwet volgt dat vrijstelling van belasting door de wetgever dient te worden verleend en artikel 266 van het WIB 92 grondwetsconform dient te worden geïnterpreteerd, kan de Koning aan die bepaling niet de bevoegdheid ontlenen om vrij te stellen van belasting. In het stelsel van de belasting van niet-inwoners vormt de voorheffing in een aantal gevallen niet een voorschot, maar een echte belasting (zie artikel 248, § 1, van het WIB 92).

Voor zover bij het te nemen besluit slechts wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing en dit geen gevolgen heeft voor het verschuldigd zijn van de belasting, en de Koning aldus niet vrijstelt van belasting, kan worden aanvaard dat artikel 266 van het WIB 92 rechtsgrond biedt voor de ontworpen wijzigingen.

Onderzoek van de tekst Artikel 1 5. De ontworpen wijziging van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 strekt er niet toe de volledige verzaking aan de inning van de roerende voorheffing op de dividenden met betrekking tot beleggingsvennootschappen uit te breiden tot de dividenden die aan niet-ingezeten beleggingsvennootschappen worden toegekend. Op de vraag of dit, wat de EU- en EER-beleggingsvennootschappen betreft, geen probleem stelt in het licht van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal (zie de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 31 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsook HvJ 25 oktober 2012, C-387/11, Europese Commissie v. België), antwoordde de gemachtigde het volgende : « Le projet présenté ici n'a pas pour objectif de répondre à cette problématique. Il est exact que le gouvernement va devoir se prononcer quant à la façon de traiter le problème de discrimination relevé par la Commission européenne. Les pistes possibles pour solutionner dans l'avenir cette problématique : a) Supprimer le PrM pour toutes les entrées quelle que soit la Sicav bénéficiaire (voire l'OPCVM);b) Rembourser le PrM des SICAV de droit étranger sans établissement stable sur base de réclamations;c) Rendre le PrM à l'entrée non imputable et non remboursable pour toute Sicav (voire tout OPCVM).Art 279 et 304, CIR 92. » Gelet op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde schending van het EU-recht en van de EER-overeenkomst (zie het reeds vermelde arrest van 25 oktober 2012), zal de gewraakte regeling zo spoedig mogelijk aangepast moeten worden.

De griffier, G. Verberckmoes.

De voorzitter, J. Baert.

30 APRIL 2013. - Koninklijk besluit tot aanpassing van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 inzake de bedoelde beleggingsvennootschappen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 266, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 4 april 1995 en 4 juli 2004 en bij het koninklijk besluit van 7 december 2007;

Gelet op het KB/WIB 92;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 15 oktober 2012;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 18 december 2012;

Gelet op het advies 52.964/3 van de Raad van State, gegeven op 29 maart 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92, vervangen bij koninklijk besluit van 10 april 1995, worden de woorden « in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten » vervangen door de woorden « in de artikelen 15, 20, 26, 119, 122 en 126 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles ».

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2013.

Art. 3.De minister die bevoegd is voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 30 april 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, K. GEENS _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992, Belgisch Staatsblad van 30 juli 1992. Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, Belgisch Staatsblad van 13 september 1993.

Wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, Belgisch Staatsblad van 9 maart 2005.

Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973, Belgisch Staatsblad van 21 maart 1973.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^