Koninklijk Besluit van 30 juli 2018
gepubliceerd op 23 augustus 2018
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en van de criteria voor erkenning van centra belast met deze onderzoeken

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2018031683
pub.
23/08/2018
prom.
30/07/2018
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2018031683

FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER


30 JULI 2018. - Koninklijk besluit tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en van de criteria voor erkenning van centra belast met deze onderzoeken


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Spoorcodex, artikel 127, vierde, vijfde en zesde lid, artikel 141, § 2, en artikel 151, 5° en 6° ;

Gelet op het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en treinbegeleiders en van de criteria voor erkenning van personen en centra belast met deze onderzoeken;

Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;

Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 17 januari 2018, met toepassing van artikel 152 van de Spoorcodex;

Gelet op advies nr. 63.559/4 van de Raad van State, gegeven op 18 juni 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat in zijn advies met betrekking tot artikel 16, § 1, tweede lid, de Raad van State oordeelt dat de bepaling volgens dewelke het centrum zelf in een interne herzieningsprocedure moet voorzien, neerkomt op het toekennen van een reglementaire bevoegdheid aan een openbare instelling of organen ervan wat moeilijk verenigbaar is met de algemene principes van het Belgische publiek recht aangezien daardoor geraakt wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht en ter zake iedere rechtstreekse parlementaire controle ontbreekt. De Raad laat opmerken dat het mechanisme nog meer ter discussie staat omdat het gaat om een delegatie aan een centrum dat ook een privépersoon kan zijn;

Overwegende dat het advies van de Raad van State aangaande artikel 16, § 1, tweede lid, niet gevolgd wordt omdat het hier niet gaat om het toekennen van een reglementaire bevoegdheid aan centra die enkel gehouden zijn om zelf te voorzien in een interne herzieningsprocedure met betrekking tot hun eigen medische en psychologische onderzoeken.

De Koning kan in het kader van zijn bevoegdheden nadere regels bepalen die voorzien dat een herzieningsmechanisme moet worden aangenomen en hij kan het aan het centrum overlaten om te bepalen op welke wijze deze herziening dient te worden uitgewerkt op dezelfde wijze als zij andere interne procedures instelt, rekening houdend met de wijze waarop zij functioneert. De verplichting voor het centrum om in zo'n procedure te voorzien, is overigens opgenomen in artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 22 juni 2011 dat door dit besluit gewijzigd wordt, wat nooit betwist werd;

Op de voordracht van de Minister van Mobiliteit, HOOFDSTUK 1. - Algemeen

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen.

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de treinbestuurders bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1, van de Spoorcodex.

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° centrum : een natuurlijke persoon of een rechtspersoon erkend op grond van dit besluit, die onderzoeken mag uitvoeren of laten uitvoeren onder zijn verantwoordelijkheid;2° kandidaat : de kandidaat-treinbestuurder of de treinbestuurder die een medisch of bedrijfspsychologisch onderzoek ondergaat;3° aanvrager: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een aanvraag doet om als centrum erkend te worden;4° arts : de geneeskundige die aan de voorwaarden van dit besluit voldoet om het medisch onderzoek te verrichten;5° psycholoog : de psycholoog die aan de voorwaarden van dit besluit voldoet om het bedrijfspsychologisch onderzoek te verrichten;6° richtlijn : Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen;7° TSI OPE : besluiten of verordeningen van de Europese Commissie wat betreft de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem "exploitatie en beheer van het treinverkeer";8° onderzoek : het medisch onderzoek of bedrijfspsychologisch onderzoek zoals bedoeld in bijlage 8 van de Spoorcodex. HOOFDSTUK 2. - Criteria voor artsen en psychologen en erkenningscriteria voor centra Afdeling 1. - Criteria voor artsen en psychologen

Art. 4.De arts moet: 1° gespecialiseerd zijn in de arbeidsgeneeskunde en gerechtigd zijn om zijn beroep uit te oefenen;2° kennis hebben van de specifieke gevaren die de betreffende werkzaamheden met zich meebrengen;3° inzicht hebben in de wijze waarop de lichamelijke gesteldheid van invloed kan zijn op de maatregelen ter uitsluiting of beperking van deze gevaren.

Art. 5.De psycholoog bezit een licentiaats- of masterdiploma van psychologie en is gerechtigd om zijn beroep uit te oefenen.

De psycholoog neemt de bedrijfspsychologische onderzoeken af, met inachtneming van de specifieke gevaren die de betreffende werkzaamheden met zich meebrengen. Afdeling 2. - Erkenningscriteria voor centra

Art. 6.Enkel een door de veiligheidsinstantie erkend centrum mag een kandidaat onderzoeken.

Art. 7.Om te kunnen worden erkend door de veiligheidsinstantie, voldoet de aanvrager aan de volgende criteria: 1° aantonen dat de bijgebrachte artsen of de psychologen voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 4 of 5;2° beschikken over specifieke maatregelen om de professionele vaardigheden te onderhouden;3° over een dekking van zijn burgerlijke aansprakelijkheid beschikken.

Art. 8.Indien een instelling uit meerdere juridische entiteiten bestaat, vraagt elke entiteit die onderzoeken wenst uit te voeren een afzonderlijke erkenning aan. HOOFDSTUK 3. - Initiële aanvraag, hernieuwing, of bijwerking van de erkenning

Art. 9.§ 1. Om een erkenning te bekomen dient de aanvrager een aanvraag in bij de veiligheidsinstantie per aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.

Ingeval van elektronische verzending, wordt de aanvraag opgesteld in het formaat opgelegd door de veiligheidsinstantie. De veiligheidsinstantie deelt het vereiste formaat mee via haar internetsite.

De aanvraag bevat alle passende documenten bedoeld in bijlage 4.

Indien de aanvraag niet alle voorgeschreven documenten en informatie bevat, brengt de veiligheidsinstantie de aanvrager hier onmiddellijk van op de hoogte.

In dit geval, begint de termijn bedoeld in paragraaf 3 pas te lopen eens de aanvrager alle ontbrekende stukken heeft overgemaakt aan de veiligheidsinstantie. § 2. Indien de veiligheidsinstantie, nadat de termijn van paragraaf 3 is beginnen lopen, vaststelt dat het onderzoek van de aanvraag bijkomende informatie vereist, meldt zij dit schriftelijk aan de aanvrager en vraagt hem aanvullende of verklarende stukken te bezorgen.

De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort tot aan de ontvangst van de gevraagde stukken. § 3. Zonder afbreuk te doen aan de tweede paragraaf, brengt de veiligheidsinstantie de aanvrager binnen de vier maanden na ontvangst van de volledige aanvraag op de hoogte van zijn beslissing tot erkenning, hernieuwing of bijwerking van de erkenning.

In geval van een gunstige beslissing, stuurt zij hem in dezelfde zending een document dat conform is met bijlage 3.

De erkenning is geldig voor vijf jaar en kan worden hernieuwd.

Art. 10.§ 1. De aanvraag voor hernieuwing van de erkenning wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, § 1, en minstens vijf maanden voor de vervaldatum van de erkenning.

De veiligheidsinstantie behandelt de aanvraag voor hernieuwing overeenkomstig artikel 9. § 2. Bij elke substantiële wijziging van een voorwaarde voor erkenning, dient het centrum zonder verwijl een aanvraag tot bijwerking in per aangetekende zending.

Hij voegt bij zijn aanvraag elke nuttige informatie met betrekking tot deze wijziging toe.

De bijwerking heeft niet tot gevolg dat de geldigheidsduur van de erkenning wordt verlengd. HOOFDSTUK 4. - Schorsing of intrekking van de erkenning

Art. 11.§ 1. De veiligheidsinstantie controleert de centra regelmatig.

Wanneer zij vaststelt dat het centrum niet meer voldoet aan de erkenningscriteria of aan haar verplichtingen dan stelt zij het centrum hiervan in kennis en geeft het een termijn om zich in regel te stellen.

Als het centrum binnen de gegeven termijn niet de nodige maatregelen neemt, kan de veiligheidsinstantie, na het centrum te hebben gehoord, de gehele of gedeeltelijke schorsing van de erkenning uitspreken.

Zij geeft in haar beslissing tot schorsing de termijn aan die het centrum heeft voor het nemen van de nodige maatregelen. § 2. Zodra de veiligheidsinstantie vaststelt dat het centrum terug voldoet aan de erkenningscriteria of aan zijn verplichtingen, stelt ze het centrum hiervan op de hoogte en wordt de schorsing opgeheven.

Art. 12.§ 1. De veiligheidsinstantie kan, na het centrum te hebben gehoord, de gehele of gedeeltelijke intrekking van de erkenning uitspreken in de volgende situaties: 1° als zij vaststelt dat het centrum niet meer in staat is om onderzoeken in te richten;2° als zij vaststelt dat het centrum waarvan de erkenning is geschorst in uitvoering van artikel 11, § 1, derde lid, opnieuw niet voldoet aan de erkenningscriteria of aan zijn verplichtingen binnen de termijn bedoeld in artikel 11, § 1, vierde lid. § 2. Wanneer het centrum vaststelt dat het niet meer voldoet aan de erkenningscriteria, licht het de veiligheidsinstantie hierover onmiddellijk in. HOOFDSTUK 5. - Regels voor onderzoeken

Art. 13.De arts en psycholoog voeren de onderzoeken uit met behoud van hun onafhankelijk oordeel ten opzichte van het centrum, de kandidaat of zijn werkgever.

De arts en psycholoog zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen over de kandidaat bekend is en dragen zorg voor een zodanige bewaring van de desbetreffende gegevens dat deze niet voor derden toegankelijk zijn.

De arts en de psycholoog stellen van de onderzoeken voldoende gedocumenteerde processen-verbaal op die bewaard worden in de gegevensbank bedoeld in artikel 17.

De onderzoeken hebben een gepaste duurtijd om alle relevante aspecten die door de Spoorcodex aan treinbestuurders zijn opgelegd te kunnen behandelen.

Art. 14.De arts en psycholoog mogen in hun processen-verbaal externe medische of paramedische adviezen opnemen en deze betrekken bij hun besluitvorming.

Art. 15.Zodra een spoorwegonderneming of een spoorweginfrastructuurbeheerder, in toepassing van artikel 141, § 2, van de Spoorcodex, een onderzoek aanvraagt voor de treinbestuurder die hij tewerkstelt, organiseert het centrum zonder verwijl deze onderzoeken.

Het centrum stelt zowel de werkgever als de kandidaat in kennis van de resultaten van onderzoeken.

Art. 16.§ 1. De kandidaat of zijn werkgever kunnen een aanvraag tot herziening indienen tegen een beslissing van dit centrum.

Het centrum voorziet in dat opzicht in een interne herzieningsprocedure. § 2. Ingeval een herziening wordt gevraagd, kan het onderzoek niet uitgevoerd worden door artsen of psychologen die betrokken waren bij het betwiste onderzoek.

Het centrum kan beroep doen op externe artsen of psychologen om de aanvraag tot herziening te onderzoeken.

Deze artsen en psychologen voldoen aan de criteria bepaald in de artikelen 4 en 5, wat het centrum nagaat vooraleer te beslissen om met hen samen te werken.

Art. 17.Het centrum beschikt over een administratieve procedure voor het beheer en de archivering en over een gegevensbank en is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die daarin zijn opgenomen, te weten: de identiteit van elke kandidaat, de aard, de datum, het uur van het georganiseerde onderzoek, het proces-verbaal van het onderzoek en het resultaat ervan.

De verwerking van persoonsgegevens in de gegevensbank heeft als doelstelling de controle van de lichamelijke en bedrijfspsychologische geschiktheid van kandidaten en van treinbestuurders mogelijk te maken.

Bij de verwerking van gegevens die de gezondheid betreffen, opgenomen in de processen-verbaal, is het centrum tot geheimhouding verplicht.

Het centrum hanteert een strikt gebruikers- en toegangsbeheer en neemt de gepaste technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.

Het centrum bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid gedurende tien jaar volgend op de dag van het onderzoek.

Enkel de veiligheidsinstantie kan de gegevensbank raadplegen, met uitzondering van de processen-verbaal en dit telkens zij het in het kader van de uitoefening van haar controlebevoegdheid nodig acht.

Art. 18.De inschrijving voor een onderzoek gebeurt door de kandidaat of, in zijn naam, door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder die hem tewerkstelt.

Binnen de vijftien dagen na inschrijving, deelt het centrum aan de kandidaat en in voorkomend geval aan de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die hem in dienst heeft, de voorziene datum van het onderzoek mee.

Het centrum organiseert het onderzoek binnen de maand na de inschrijving en bepaalt de plaats van het onderzoek.

Art. 19.De resultaten van de onderzoek zijn voldoende of onvoldoende.

Het centrum maakt een attest dat conform is met bijlage 1 of 2 over aan de kandidaat of aan de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die hem in dienst heeft.

De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder deelt de datum en de resultaten van elk onderzoek mee aan de veiligheidsinstantie. HOOFDSTUK 6. - Centrum voor onderzoeken erkend in een andere Lidstaat

Art. 20.Wordt gelijkgesteld aan een centrum, wat de certificering betreft van een treinbestuurder door de veiligheidsinstantie, de instelling die belast is met onderzoeken in een andere lidstaat voor zover de natuurlijke persoon of de rechtspersoon belast met onderzoeken door een lidstaat erkend is volgens de voorwaarden van de richtlijn. HOOFDSTUK 7. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

Art. 21.Het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en treinbegeleiders en van de criteria voor erkenning van personen en centra belast met deze onderzoeken wordt opgeheven.

Art. 22.De aanvragen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend op grond van het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en treinbegeleiders en van de criteria voor erkenning van personen en centra belast met deze onderzoeken, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 juni 2011.

Art. 23.De erkenningen afgeleverd overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot bepaling van de regels met betrekking tot medische onderzoeken en bedrijfspsychologische onderzoeken voor treinbestuurders en treinbegeleiders en van de criteria voor erkenning van personen en centra belast met deze onderzoeken, blijven geldig tot aan hun vervaltermijn.

Art. 24.De minister bevoegd voor het spoorvervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te L'Ile d'Yeu, 30 juli 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld


begin


Publicatie : 2018-08-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^