Koninklijk Besluit van 31 januari 2003
gepubliceerd op 21 februari 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2003014034
pub.
21/02/2003
prom.
31/01/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

31 JANUARI 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, inzonderheid op artikel 24, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1984 en 13 september 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998 en 21 juni 2001;

Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de Raad van de Europese Unie (Vervoer, Telecommunicatie en Energie) op zijn 2 472ste zitting te Brussel op 5-6 december 2002 een beroep heeft gedaan op de lid-Staten om de omzetting van richtlijn 2001/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 2001 houdende wijziging van richtlijn 95/21/EG van de Raad betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruikmaken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lid-Staten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) te bespoedigen teneinde de versterkte controlemaatregelen onverwijld, en bij voorkeur vóór 1 januari 2003, toe te passen;

Overwegende dat de richtlijn immers onder meer voorziet in een verplichte uitgebreide inspectie van schepen die een duidelijk risico voor de veiligheid op zee en het mariene milieu vormen vanwege de slechte staat waarin zij zich bevinden, de vlag die zij voeren en hun antecedenten; dat de richtlijn aldus bepalingen bevat die het risico van een ongeval op zee van dergelijke schepen doen afnemen; dat de richtlijn bijgevolg dringend moet worden omgezet in nationaal recht;

Gelet op advies 34.682/4 van de Raad van State, gegeven op 13 januari 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998 en 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin worden de woorden « Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder » vervangen door de woorden « Voor de toepassing van dit besluit ter omzetting van richtlijn 95/21/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de scheepvaartcontrole door de havenstaat, gewijzigd bij richtlijn 98/25/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 april 1998, bij richtlijn 98/42/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 juni 1998, bij richtlijn 1999/97/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1999 en bij richtlijn 2001/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 2001 wordt verstaan onder : »;2° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt : « a) « verdragen » : - het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966 (LL 66); - het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (Solas 74); - het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973 en het daarop betrekking hebbende Protocol van 1978 (Marpol 73/78); - het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978 (STCW 78); - het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee van 1972 (Colreg 72); - het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen van 1969 (ITC 1969); - het Verdrag betreffende minimumnormen op koopvaardijschepen van 1976 (ILO nr. 147); - het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (CLC 1992); alsmede de op deze Verdragen betrekking hebbende protocollen, wijzigingen en voorschriften met dwingend karakter die op 19 december 2001 van kracht zijn; »; 3° de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt : « b) « MOU » : het op 26 januari 1982 te Parijs ondertekende Memorandum van Overeenstemming inzake havenstaatcontrole, in de versie die geldt op 19 december 2001;»; 4° de bepaling onder e) wordt vervangen als volgt : « e) « inspecteurs » : de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, die voldoen aan de in hoofdstuk VII van bijlage I bij dit besluit vermelde kwalificaties;»; 5° een bepaling onder k) wordt toegevoegd na de bepaling onder j) : « k) « bevoegde instantie » : de met de scheepvaartcontrole belaste dienst van het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer.»

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de woorden « de met de scheepvaartcontrole belast ambtenaren die daartoe aangesteld zijn » telkens vervangen door de woorden « de inspecteurs ».

Art. 3.In hetzelfde besluit, wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende : «

Art. 2bis.De bevoegde instantie beschikt voor de inspectie van schepen over het vereiste personeelsbestand, in het bijzonder inspecteurs en neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de taken vervuld worden overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. »

Art. 4.Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998 en 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.§ 1. Het totale aantal inspecties van de in § 2 en artikel 5 bedoelde schepen dat de bevoegde instantie jaarlijks verricht bedraagt ten minste 25 % van het gemiddelde jaarlijkse aantal afzonderlijke schepen die de Belgische havens hebben aangedaan, berekend op basis van de laatste drie kalenderjaren waarvoor statistieken beschikbaar zijn. § 2. a) De bevoegde instantie ziet er, met inachtneming van het bepaalde in artikel 5bis, op toe dat een inspectie overeenkomstig artikel 4 wordt uitgevoerd op ieder schip met een prioriteitsfactor van meer dan 50 in het Sirenac-informatiesysteem dat niet aan een uitgebreide inspectie is onderworpen, op voorwaarde dat een periode van tenminste één maand is verstreken na de laatste inspectie in een haven in het MOU-gebied. b) Bij het selecteren van andere schepen voor inspectie bepaalt de bevoegde instantie de prioriteit als volgt : - de eerste ter inspectie te selecteren schepen zijn de in hoofdstuk I, deel I van bijlage I bij dit besluit vermelde schepen, ongeacht hun prioriteitsfactor; - de in hoofdstuk I, deel II van bijlage I bij dit besluit vermelde schepen worden geselecteerd in afnemende volgorde, volgens hun prioriteitsfactor zoals vermeld in het Sirenac-informatiesysteem. § 3. Schepen die minder dan zes maanden tevoren door een lid-Staat geïnspecteerd zijn, worden niet geïnspecteerd, voorzover : - het schip niet op de lijst van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit staat, en - er geen tekortkomingen zijn gemeld na een voorgaande inspectie, en - er geen gegronde redenen zijn om een inspectie te verrichten, en - het schip niet onder het bepaalde in § 2, punt a) valt. § 4. § 3 is niet van toepassing op de operationele controles die specifiek in de verdragen genoemd worden. »

Art. 5.In artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de woorden « De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren, die daartoe aangesteld zijn, zorgen ervoor » vervangen door de woorden « De bevoegde instantie zorgt ervoor ».

Art. 6.Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : «

Art. 5.§ 1. Een schip in één van de categorieën van hoofdstuk V, deel A, van bijlage I bij dit besluit, komt in aanmerking voor een uitgebreide inspectie na een periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een haven van een staat die het MOU heeft ondertekend. § 2. Als een dergelijk schip overeenkomstig artikel 3, § 2, punt b), ter inspectie wordt geselecteerd, wordt een uitgebreide inspectie verricht. In de periode tussen twee uitgebreide inspecties mag echter wel een inspectie overeenkomstig artikel 4 worden verricht. § 3. a) De exploitant of de kapitein van een schip dat valt onder § 1 deelt alle in hoofdstuk V, deel B, van bijlage I bij dit besluit vermelde informatie mee aan de bevoegde instantie in elke haven die na een periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie wordt aangedaan. Deze mededeling geschiedt ten minste drie dagen vóór de verwachte tijd van aankomst in de haven of, als de reis naar verwachting minder dan drie dagen in beslag zal nemen, vóór het vertrek uit de vorige haven. b) Elk schip dat niet aan het voorschrift van punt a) voldoet, wordt in de haven van bestemming aan een uitgebreide inspectie onderworpen. § 4. De bevoegde instantie zorgt er, met inachtneming van artikel 5bis, voor dat een schip waarop § 3 van toepassing is en waarvan de prioriteitsfactor 7 of meer bedraagt, aan een uitgebreide inspectie wordt onderworpen in de eerste haven die het aandoet na een periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie. § 5. Uitgebreide inspecties vinden plaats volgens de procedures in hoofdstuk V, deel C, van bijlage I bij dit besluit.

Art. 7.In hetzelfde besluit wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende : «

Art. 5bis.§ 1. Indien om operationele redenen een schip met een prioriteitsfactor van meer dan 50 niet kan worden onderworpen aan een inspectie als bedoeld in artikel 3, § 2, punt a) of een verplichte uitgebreide inspectie als bedoeld in artikel 5, § 4, niet kan worden uitgevoerd, meldt de bevoegde instantie het Sirenac-informatie-systeem onverwijld dat een dergelijke inspectie niet heeft plaatsgevonden. § 2. Dergelijke gevallen worden elke zes maanden aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen kenbaar gemaakt, met vermelding van de redenen waarom geen inspectie van de betrokken schepen heeft plaatsgevonden. § 3. Per kalenderjaar mag het aantal niet-uitgevoerde inspecties niet meer bedragen dan 5 % van het gemiddelde jaarlijkse aantal afzonderlijke schepen die in aanmerking komen voor de in § 1 bedoelde inspecties en die de Belgische havens hebben aangedaan, berekend op basis van de laatste drie kalenderjaren waarover statistieken beschikbaar zijn. § 4. Indien schepen met een prioriteitsfactor van meer dan 50 in een Belgische haven of in een haven in de Europese Gemeenschap niet konden worden geïnspecteerd overeenkomstig § 1, dan worden die schepen naar gelang van het geval aan de in § 1 bedoelde inspecties onderworpen in de volgende haven die zij in België aandoen.

Art. 8.In hetzelfde besluit wordt een artikel 5ter ingevoegd, luidende : «

Art. 5ter.§ 1. Een schip in één van de categorieën van hoofdstuk X, deel A, van bijlage I bij dit besluit, wordt de toegang tot de Belgische havens geweigerd, behalve in de situaties als omschreven in artikel 8, § 6, indien dat schip : ofwel : - de vlag voert van een staat die op de zwarte lijst van het jaarrapport van het MOU staat, en - meer dan tweemaal in de loop van de voorgaande vierentwintig maanden in een haven van een staat die het MOU heeft ondertekend, is aangehouden; ofwel : - de vlag voert van een staat die in de zwarte lijst van het jaarrapport van het MOU te boek staat als een staat "met een zeer hoog risico" of "met een hoog risico", en - meer dan eenmaal in de loop van de voorgaande zesendertig maanden in een haven van een staat die het MOU heeft ondertekend is aangehouden.

De weigering van toegang geldt zodra nadat een schip toestemming heeft gekregen om de haven te verlaten waar het naargelang van het geval voor een tweede of een derde keer is aangehouden. § 2. Ingeval de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat een toegangsverbod heeft opgelegd, kunnen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld het schip toestaan zich naar een Belgische haven te begeven, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk X, deel B, punt 3, tweede lid, van bijlage I bij dit besluit. § 3. Voor de toepassing van § 1 en § 2 zijn de procedures, vastgesteld in hoofdstuk X, deel B, van bijlage I bij dit besluit, van toepassing.

Art. 9.Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : «

Art. 6.Na voltooiing van een inspectie, een gedetailleerde inspectie of een uitgebreide inspectie stelt de inspecteur een rapport op conform hoofdstuk IX van bijlage I bij dit besluit. De kapitein van het schip ontvangt een exemplaar van het inspectierapport. »

Art. 10.In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Ten overstaan van de bevoegde instantie moet worden aangetoond dat de bij de inspectie als bedoeld in artikel 3, § 2, en artikel 5 bevestigde of aan het licht gekomen tekortkomingen in overeenstemming met de verdragen worden of zullen worden verholpen. ». 2° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.Bij zijn professioneel oordeel over de vraag of een schip al dan niet moet worden aangehouden, past de inspecteur de in hoofdstuk VI van bijlage I bij dit besluit vervatte criteria toe. In dit verband wordt het schip aangehouden wanneer het niet is uitgerust met een functionerend reisgegevens-recordersysteem, terwijl het gebruik daarvan op grond van hoofdstuk XI van bijlage I bij dit besluit verplicht is. Wanneer dit gebrek niet zonder meer in de haven van aanhouding kan worden verholpen, kunnen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn het schip toestaan verder te reizen naar de dichtstbijzijnde haven waar het gebrek wel zonder meer kan worden verholpen, of kunnen zij verlangen dat het gebrek wordt verholpen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen. Daartoe zijn de procedures van artikel 8 van toepassing. » 3° § 5 wordt vervangen als volgt : « § 5.Ingeval de in artikel 3, § 2, en artikel 5 bedoelde inspecties tot aanhouding leiden, dient de bevoegde instantie onmiddellijk schriftelijk onder overlegging van het inspectierapport de administratie van de staat onder wiens vlag het schip gerechtigd is te varen (de vlaggenstaatadministratie) of, wanneer dit niet mogelijk is, de consul, of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger van die staat in kennis te stellen van het geheel van omstandigheden waarin optreden noodzakelijk werd geacht. Bovendien moet, indien zulks van belang is, ook mededeling worden gedaan aan de aangewezen inspecteurs of de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de classificatiecertificaten of de certificaten die namens de vlaggenstaat overeenkomstig de internationale verdragen worden afgegeven. » 4° de volgende § 8 wordt toegevoegd : « § 8.Voor het uitvoeren van de inspecties, bedoeld in artikel 3, § 2, en in artikel 5, raadplegen de inspecteurs de openbare en particuliere databanken betreffende scheepsinspectie welke toegankelijk zijn via het Equasis-informatie-systeem. »

Art. 11.In artikel 7bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 december 1998 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, tweede zin, wordt vervangen als volgt : « Wanneer zo een beslissing wordt genomen, stelt de bevoegde instantie onmiddellijk de bevoegde instanties van de overige lid-Staten daarvan in kennis.»; 2° in § 3 worden de woorden « De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, zorgen » vervangen door de woorden « De bevoegde instantie zorgt ».

Art. 12.In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.In de in § 1 genoemde omstandigheden stelt de bevoegde instantie de bevoegde instantie van de Staat waar zich de reparatiewerf bevindt alsmede de in artikel 7, § 5, vermelde partijen en alle andere betrokken instanties in kennis van alle voorwaarden voor de reis. »; 2° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.De in § 2 genoemde kennisgeving dient in overeenstemming te zijn met bijlage 2 van het MOU. De bevoegde instantie die die kennisgeving ontvangt, licht de kennisgevende instantie in over de genomen maatregelen. »

Art. 13.In artikel 9, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, worden de woorden « Wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, niet de noodzakelijke beroepsdeskundigheid kunnen bieden, » vervangen door de woorden « Wanneer de bevoegde instantie niet de noodzakelijke beroepsdeskundigheid kan bieden ».

Art. 14.Artikel 11, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : « De informatie genoemd in hoofdstuk VIII, delen I en II van bijlage I bij dit besluit en de informatie betreffende de wijziging, schorsing of intrekking van de klassering van vaartuigen als bedoeld in artikel 3, § 3, van het ministerieel besluit van 30 juli 1998 betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties, zijn beschikbaar in het Sirenac-informatiesysteem en worden openbaar gemaakt via het Equasis-informatiesysteem, zo spoedig mogelijk nadat die inspectie is voltooid of de aanhouding is opgeheven. ».

Art. 15.Artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt : « Indien een schip wordt aangehouden wegens tekortkomingen of het ontbreken van geldige certificaten als bedoeld in artikel 7 en hoofdstuk VI van bijlage I bij dit besluit, worden alle kosten in verband met de aanhouding in de haven gedragen door de eigenaar of de exploitant van het schip. »

Art. 16.Hoofdstuk I, deel II, van bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : « II. Totale prioriteitsfactor De volgende schepen komen bij voorrang voor inspectie in aanmerking : 1. Schepen die een haven van een lid-Staat voor de eerste maal of na een afwezigheid van twaalf maanden of meer aandoen.Bij toepassing van dit criterium moeten de lid-Staten ook rekening houden met de inspecties die zijn uitgevoerd door de partijen bij het MOU. Wanneer de voor uitvoering van deze taak benodigde gegevens ontbreken, moeten de lid-Staten zich op de beschikbare Sirenac-gegevens baseren en de schepen inspecteren die na de inwerkingtreding van de Sirenac-databank op 1 januari 1993 niet in die databank zijn opgenomen. 2. Schepen die de afgelopen zes maanden door geen enkele lid-Staat geïnspecteerd zijn.3. Schepen waarvan de overeenkomstig de verdragen afgegeven wettelijk voorgeschreven certificaten inzake de scheepsbouw en -uitrusting en de classificatiecertificaten zijn afgegeven door een organisatie die geen erkende organisatie is overeenkomstig artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 juli 1998 betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties.4. Schepen die onder de vlag varen van een staat die voorkomt op de zwarte lijst die gepubliceerd is in het jaarverslag van het MOU.5. Schepen die toestemming hebben gekregen om de haven van een lidstaat te verlaten onder bepaalde voorwaarden, met name : a) voor tekortkomingen die voor het vertrek moeten worden verholpen;b) voor tekortkomingen die in de volgende haven die zij aandoen moeten worden verholpen;c) voor tekortkomingen die binnen veertien dagen moeten worden verholpen;d) voor tekortkomingen waarvoor andere voorwaarden zijn aangegeven. Indien met betrekking tot het schip maatregelen zijn genomen en alle tekortkomingen zijn verholpen, wordt daar rekening mee gehouden. 6. Schepen waarbij tijdens een vorige inspectie tekortkomingen zijn vastgesteld, naar gelang van het aantal tekortkomingen.7. Schepen die in een vorige haven zijn aangehouden.8. Schepen die onder de vlag varen van een land dat niet alle desbetreffende in artikel 1 genoemde verdragen heeft geratificeerd.9. Schepen die geklasseerd zijn bij een classificatiebureau waarvan het aantal tekortkomingen boven het gemiddelde liggen.10. Schepen van de categorieën, vermeld in hoofdstuk V, onder A .11. Schepen van meer dan dertien jaar oud. Ter bepaling van de volgorde voor de inspectie van de hierboven vermelde schepen houdt de bevoegde instantie, overeenkomstig bijlage I, deel I, van het MOU, rekening met de door het Sirenac-informatiesysteem aangegeven totale prioriteitsfactor. Een hogere prioriteitsfactor betekent hogere prioriteit. De totale prioriteitsfactor is de som van de toepasselijke prioriteitsfactorwaarden zoals vastgesteld in het kader van het MOU. De punten 5, 6 en 7 gelden alleen voor de inspecties die de laatste 12 maanden zijn verricht. De totale prioriteitsfactor mag niet lager zijn dan de som van de punten 3, 4, 8, 9, 10 en 11.

In het kader van artikel 5, § 4, mag voor de totale prioriteitsfactor echter geen rekening worden gehouden met punt 10. »

Art. 17.In hoofdstuk II van bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998 en 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 10 wordt vervangen door de volgende punten : « 10.Document inzake minimumbemanning. 10bis. Certificaten, afgegeven krachtens het STCW-verdrag. »; 2° het volgende punt 35 wordt toegevoegd : « 35.Certificaat van verzekering of andere financiële zekerheid terzake van wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992). »

Art. 18.In hoofdstuk III, punt 1, van bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 december 1998, worden de woorden « 8 en 11 » vervangen door de woorden « en 8 ».

Art. 19.Hoofdstuk V, van bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK V A. CATEGORIEEN SCHEPEN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR UITGEBREIDE INSPECTIE (zoals bedoeld in artikel 5, § 1) 1. Gas- en chemicaliëntankers die ouder zijn dan tien jaar, bepaald op basis van de datum van constructie op de veiligheidscertificaten van het schip.2. Bulkschepen die ouder zijn dan twaalf jaar, bepaald op basis van de datum van constructie op de veiligheidscertificaten van het schip.3. Olietankers met een brutotonnage van ten minste 3 000, die ouder zijn dan vijftien jaar, bepaald op basis van de datum van constructie op de veiligheidscertificaten van het schip.4. Andere passagiersschepen die ouder zijn dan 15 jaar dan de passagiersschepen, bedoeld in artikel 2, onder a) en b), van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met roro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen. B. AAN DE BEVOEGDE INSTANTIE TE VERSTREKKEN INFORMATIE (zoals bedoeld in artikel 5, § 3, a) A. naam;

B. vlag;

C. eventueel IMO-identificatienummer;

D. ton draagvermogen (tdwt);

E. jaar waarin het schip gebouwd is, bepaald op basis van de datum op de veiligheidscertificaten van het schip;

F. voor tankers : F.a. configuratie : enkelwandig, enkelwandig met SBT, dubbelwandig;

F.b. conditie van de lading en ballasttanks; vol, leeg, gevuld met inerte gassen;

F.c. volume en aard van de lading;

G. waarschijnlijke tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie;

H. geplande duur van het verblijf in de haven;

I. geplande handelingen in de haven van bestemming (laden, lossen, andere);

J. geplande wettelijk voorgeschreven inspectie en belangrijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, uit te voeren in de haven van bestemming.

C. PROCEDURES VOOR DE UITGEBREIDE INSPECTIE VAN BEPAALDE CATEGORIE"N SCHEPEN (zoals bedoeld in artikel 5, § 5) Afhankelijk van de praktische uitvoerbaarheid of van beperkingen in verband met de veiligheid van personen, het schip of de haven, dienen ten minste de volgende punten deel uit te maken van de uitgebreide inspectie. Inspecteurs dienen te beseffen dat bij bepaalde werkzaamheden aan boord, bijvoorbeeld laad- en loswerkzaamheden, de veiligheid in gevaar kan komen als er beproevingen moeten worden uitgevoerd die op die werkzaamheden een rechtstreekse invloed hebben. 1. ALLE SCHEPEN (alle categorieën van deel A) : - black-out en het starten van de noodgenerator; - inspectie van de noodverlichting; - werking van de noodbrandbluspomp met twee brandslangen, aangesloten op de hoofdbrandblusleiding; - werking van de lenspompen; - sluiting van de waterdichte deuren; - het strijken van een reddingsboot; - beproeving van de afstandbediende noodstop voor bijvoorbeeld ketels, ventilatie en brandstofpompen; - beproeving van de stuurinrichting en hulpstuurinrichting; - inspectie van de noodvoedingsbron voor radio-installaties; - inspectie en, voorzover mogelijk, beproeving van de olieseparator in de machinekamer. 2. GAS- EN CHEMICALIENTANKERS Naast de in punt 1 genoemde punten dient de uitgebreide inspectie van gas- en chemicaliëntankers ook onderstaande punten te omvatten : - bewakings- en veiligheidsinrichtingen van de ladingstank die verband houden met temperatuur, druk en ullage; - apparatuur voor zuurstofanalyse en explosiemeters, met inbegrip van de ijking daarvan. Beschikbaarheid van uitrusting voor de detectie van chemicaliën (balg), met een voor de specifieke vracht die wordt vervoerd passend aantal geschikte gasdetectiebuizen; - middelen voor ademhalings- en oogbescherming, voor elke persoon aan boord (indien vereist voor de producten die voorkomen op het internationaal certificaat van geschiktheid of het certificaat van geschiktheid voor het vervoer van chemicaliën in bulk of vloeibaar gas in bulk, naargelang van het geval); - vermelding van het vervoerde product op het internationaal certificaat van geschiktheid of het certificaat van geschiktheid voor het vervoer van chemicaliën in bulk of vloeibaar gas in bulk, naar gelang van het geval; - de vaste brandblusinstallatie aan dek, met schuim, droge chemische stof of met een andere stof, zoals vereist voor het vervoerde product. 3. BULKSCHEPEN Naast de in punt 1 genoemde punten dient de uitgebreide inspectie van bulkschepen ook onderstaande punten te omvatten : - mogelijke corrosie van de fundaties van dekwerktuigen; - mogelijke vervorming en/of corrosie van luiken; - mogelijke scheuren of corrosieplekken in dwarsschotten; - toegangen tot de laadruimten; - controle op de aanwezigheid aan boord van de onderstaande documenten, verificatie van die documenten en bevestiging dat de vlagstaat of het classificatiebureau ze heeft bekrachtigd : 1) rapporten van structurele inspecties;2) rapporten ter beoordeling van de conditie van het schip;3) diktemetingsrapporten; 4) de beschrijving, bedoeld in IMO-resolutie A.744(18). 4. OLIETANKERS Naast de onder punt 1 genoemde punten dient een uitgebreide inspectie van olietankers ook de onderstaande punten te omvatten : - vast aangebracht dekschuimbrandblussysteem; - brandblusmiddelen in het algemeen; - inspectie van de brandkleppen in de machinekamer, de pompkamer en accommodatie; - controle van de druk van het inertgas en het zuurstofgehalte; - ballasttanks : ten minste een van de ballasttanks in het ladingsgedeelte dient in eerste instantie via het tankmangat/de dektoegang te worden onderzocht; indien de inspecteur op duidelijke gronden verdere inspectie nodig acht, moet een inspectie binnen in de tank plaatsvinden; - controle op de aanwezigheid aan boord van de volgende documenten, verificatie van die documenten en bevestiging dat de vlagstaat of het classificatiebureau ze heeft bekrachtigd : 1) rapporten van structurele inspecties;2) rapporten ter beoordeling van de conditie van het schip;3) diktemetingsrapporten; 4) de beschrijving, bedoeld in IMO-resolutie A.744(18). 5. PASSAGIERSSCHEPEN DIE NIET ONDER DE ONDER DEEL A GENOEMDE RICHTLIJN 1999/35/EG VALLEN Naast de onder deel C, punt 1 genoemde punten kan de uitgebreide inspectie van passagiersschepen ook de onderstaande punten omvatten : - beproeving van het branddetectie- en alarmsysteem; - beproeving of de branddeuren naar behoren sluiten; - beproeving van het boordomroepsysteem; - brandoefening waarbij ten minste alle persoonlijke brandweeruitrusting wordt gedemonstreerd en waaraan ook een deel van het cateringpersoneel deelneemt; - demonstratie dat bemanningsleden op sleutelposten bekend zijn met de instructies bij beschadiging van het schip.

Indien zulks nuttig wordt geacht, kan de inspectie, met de toestemming van de kapitein of de eigenaar, worden voortgezet terwijl het schip naar de haven van de lidstaat vaart of daaruit afvaart. De inspecteurs mogen de activiteit op het schip niet hinderen en mogen geen situaties doen ontstaan die volgens de kapitein de veiligheid van de passagiers, de bemanning of het schip in gevaar brengen. »

Art. 20.In hoofdstuk VI van bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 2 van de inleiding worden de woorden « het districtshoofd van de dienst van de zeevaartinspectie » vervangen door de woorden « de bevoegde instantie »;2° in punt 3 van de inleiding worden de woorden « het districtshoofd van de dienst van de zeevaartinspectie » vervangen door de woorden « de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangeteld zijn »;3° in punt 4 van de inleiding worden de woorden « Het districtshoofd van de dienst van de zeevaartinspectie, na in kennis van de uitvoering van de herstelmaatregelen te zijn gesteld, zich ervan heeft vergewist » vervangen door de woorden « De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, na in kennis van de uitvoering van de herstelmaatregelen te zijn gesteld, zich ervan hebben vergewist »;4° het volgende wordt toegevoegd aan punt 2 (toepassing van de belangrijkste criteria) : « 14.bij een ongeluk zoveel mogelijk informatie verstrekken. » 5° in punt 3.1 worden de woorden « Het ontbreken van geldige certificaten » vervangen door de woorden « Het ontbreken van geldige certificaten en documenten »; 6° het volgende wordt toegevoegd aan punt 3.2 : « 15. Het niet uitvoeren van het uitgebreide inspectieprogramma overeenkomstig Solas 74, hoofdstuk XI, voorschrift 2. 16. Het ontbreken of het niet goed werken van een reisgegevensrecorder (VDR), wanneer het gebruik daarvan verplicht is.» 7° het volgende wordt toegevoegd aan punt 3.6 : « 5. Het inspectierapport ontbreekt of is niet in overeenstemming met voorschrift 13 G (3) (b ) van het Marpol-verdrag. »

Art. 21.Hoofdstuk VII, punt 1) van bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : « 1. De inspecteur wordt gemachtigd havenstaatcontrole uit te voeren. »

Art. 22.Hoofdstuk VIII van bijlage I bij hetzelfde besluit, toegevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK VIII Publicatie van informatie in verband met aanhoudingen en inspecties in de havens van de lidstaten (zoals bedoeld in artikel 11) I. Informatie die gepubliceerd wordt in overeenstemming met artikel 11, eerste lid, moet het volgende omvatten : - naam van het schip; - IMO-nummer; - type van het schip; - tonnage (gt); - bouwjaar, bepaald op basis van de datum op de veiligheidscertificaten van het schip; - naam en adres van de eigenaar of de exploitant van het schip; - in het geval van schepen die vloeistoffen of vaste lading in bulk vervoeren, de naam en het adres van de bevrachter die verantwoordelijk is voor de keuze van het schip en het type bevrachtingsovereenkomst; - vlaggenstaat; - het classificatiebureau of de classificatiebureaus, voor zover van toepassing, dat/die voor dit schip de eventuele classificatiecertificaten heeft/hebben afgegeven; - het classificatiebureau of de classificatiebureaus, en/of elke andere partij die namens de vlaggenstaat certificaten heeft/hebben afgegeven voor dit schip in overeenstemming met de toepasselijke verdragen, met vermelding van de afgegeven certificaten; - haven waar en datum waarop de laatste uitgebreide inspectie heeft plaatsgevonden met eventueel de vermelding of er een aanhouding werd bevolen; - haven waar en datum waarop de laatste speciale inspectie heeft plaatsgevonden en de naam van de organisatie die deze inspectie heeft uitgevoerd; - aantal aanhoudingen gedurende de voorgaande vierentwintig maanden; - land en haven van aanhouding; - datum waarop de aanhouding is opgeheven; - duur van de aanhouding, in dagen; - aantal geconstateerde tekortkomingen en de redenen voor aanhouding, in duidelijke en expliciete bewoordingen; - beschrijving van de maatregelen die door de bevoegde instantie zijn genomen, en voorzover van toepassing, door het classificatiebureau als maatregel volgend op de aanhouding; - indien voor het schip een weigering van toegang tot iedere haven binnen de Europese Gemeenschap geldt, de redenen voor deze maatregel, in duidelijke en expliciete bewoordingen; - voorzover van toepassing, aanwijzingen omtrent de vraag of het classificatiebureau, of een andere particuliere instelling die de desbetreffende controle heeft verricht, verantwoordelijkheid draagt in verband met de tekortkoming, of de combinatie van tekortkomingen, die tot de aanhouding heeft geleid; - beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen ten aanzien van een schip dat toestemming heeft gekregen om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen, of waaraan de toegang tot een haven in de Europese Gemeenschap is geweigerd.

II. Informatie betreffende geïnspecteerde schepen die in overeenstemming met artikel 11, tweede lid, openbaar wordt gemaakt dient het volgende te omvatten : - naam van het schip; - IMO-nummer; - type van het schip; - tonnage (gt); - bouwjaar; - naam en adres van de eigenaar of de exploitant van het schip; - in het geval van schepen die vloeistoffen of vaste lading in bulk vervoeren, de naam en het adres van de bevrachter die verantwoordelijk is voor de keuze van het schip en het type charter; - vlaggenstaat; - het classificatiebureau of de classificatiebureaus, voorzover van toepassing, dat/die voor dit schip de eventuele classificatiecertificaten heeft/hebben afgegeven; - het classificatiebureau of de classificatiebureaus, en/of elke andere partij die namens de vlaggenstaat certificaten heeft/hebben afgegeven voor dit schip in overeenstemming met de toepasselijke verdragen, met vermelding van de afgegeven certificaten; - land, haven en datum van inspectie; - aantal en aard van de tekortkomingen. »

Art. 23.De volgende hoofdstukken IX, X en XI worden aan bijlage I bij hetzelfde besluit toegevoegd : « HOOFDSTUK IX Inspectierapport, opgesteld overeenkomstig artikel 6 Het inspectierapport moet ten minste de volgende punten omvatten : I. Algemeen 1. bevoegde instantie die het rapport heeft geschreven;2. datum en plaats van inspectie 3.naam van het geïnspecteerde schip; 4. vlag;5. type van het schip;6. IMO-nummer;7. roepletters;8. tonnage (gt);9. draagvermogen (voorzover van toepassing) 10.bouwjaar, bepaald op basis van de datum op de veiligheidscertificaten van het schip; 11. het classificatiebureau of de classificatiebureaus, voorzover van toepassing, dat/die voor dit schip de eventuele classificatiecertificaten heeft/hebben afgegeven;12. het classificatiebureau of de classificatiebureaus, en/of elke andere partij die namens de vlaggenstaat certificaten heeft afgegeven voor dit schip in overeenstemming met de toepasselijke verdragen;13. naam en adres van de eigenaar of de exploitant van het schip;14. naam en adres van de bevrachter die verantwoordelijk is voor de keuze van het schip en het type charter indien de schepen vloeistoffen of vaste lading in bulk vervoeren;15. definitieve datum waarop het inspectierapport is geschreven;16. vermelding dat informatie over een inspectie of een aanhouding bekend kan worden gemaakt. II. Informatie over de inspectie 1. certificaten welke zijn afgegeven overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen, instantie of organisatie die het/de betrokken certificaat/certificaten heeft afgegeven, met inbegrip van de datum van afgifte en de datum waarop deze aflopen;2. delen of elementen van het schip welke geïnspecteerd werden (in het geval van een gedetailleerde of uitgebreide inspectie);3. soort inspectie (inspectie, gedetailleerde inspectie, uitgebreide inspectie);4. aard van de tekortkomingen;5. genomen maatregelen. III. Aanvullende informatie in geval van aanhouding 1. datum van het aanhoudingsbevel;2. datum waarop het aanhoudingsbevel is opgeheven;3. aard van de tekortkomingen die een aanhoudingsbevel wettigen (verwijzingen naar verdragen, indien van toepassing);4. informatie over de laatste tussentijdse of jaarlijkse inspectie;5. aanwijzingen omtrent de vraag of het classificatiebureau, of een andere particuliere instelling die de desbetreffende controle heeft verricht, verantwoordelijkheid draagt in verband met de tekortkoming, of de combinatie van tekortkomingen, die tot de aanhouding heeft geleid;6. genomen maatregelen. HOOFDSTUK X A. CATEGORIE"N VAN SCHEPEN WAARVOOR EEN WEIGERING VAN TOEGANG TOT HAVENS VAN DE GEMEENSCHAP GELDT (zoals bedoeld in artikel 5ter, § 1 en § 2) 1. gas- en chemicaliëntankers;2. bulkschepen;3. olietankers;4. passagiersschepen. B. PROCEDURES VOOR HET WEIGEREN VAN DE TOEGANG TOT DE HAVENS VAN DE GEMEENSCHAP (als bedoeld in artikel 5ter, § 3) 1. Indien aan de in artikel 5ter beschreven voorwaarden wordt voldaan, moet de bevoegde instantie van de haven waar het schip voor de tweede of de derde maal, naargelang van het geval, is aangehouden, de kapitein en de eigenaar of de exploitant van het schip schriftelijk in kennis stellen van het toegangsverbod dat tegen het schip werd uitgesproken. De bevoegde instantie moet ook de administratie van de vlaggenstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lidstaten, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het administratief centrum voor maritieme zaken en het secretariaat van het MOU daarvan in kennis stellen.

Het toegangsverbod wordt van kracht zodra aan het schip toestemming is verleend om de haven te verlaten nadat de tekortkomingen die aanleiding waren voor aanhouding zijn verholpen. 2. Om het toegangsverbod te laten opheffen moet de eigenaar of de exploitant een formeel verzoek indienen bij de bevoegde instantie.Dit verzoek dient vergezeld te gaan van een certificaat van de administratie van de vlaggenstaat of van het namens die administratie optredende classificatiebureau, waarin wordt aangetoond dat het schip volledig aan de eisen in de toepasselijke bepalingen van de internationale verdragen voldoet. Het verzoek om het toegangsverbod op te heffen, dient eventueel ook te worden vergezeld van een certificaat van het classificatiebureau dat het schip heeft geclassificeerd en waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de classificatienormen die door dat bureau zijn vastgesteld. 3. Het toegangsverbod kan slechts worden opgeheven na een nieuwe inspectie van het schip in een overeengekomen haven door de inspecteurs en indien ten genoegen van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld, wordt aangetoond dat het schip volledig voldoet aan de toepasselijke eisen van de internationale verdragen. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld, kunnen met de instemming van de bevoegde autoriteit van de lid-Staat die een toegangsverbod heeft opgelegd het schip toestaan zich naar een Belgische haven te begeven, uitsluitend om na te gaan of het schip aan de voorwaarden van punt 2 voldoet.

De hernieuwde inspectie bestaat uit een uitgebreide inspectie die ten minste de relevante punten van hoofdstuk V, deel C , dient te omvatten.

Alle kosten van deze uitgebreide inspectie worden door de eigenaar of de exploitant van het schip gedragen. 4. Indien de resultaten van de uitgebreide inspectie de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld voldoen in overeenstemming met punt 2, moet het toegangsverbod worden opgeheven.De eigenaar of de exploitant van het schip moet daarvan schriftelijk in kennis worden gesteld.

De bevoegde instantie moet haar beslissing ook schriftelijk meedelen aan de administratie van de vlaggenstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lid-Staten, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het administratief centrum voor maritieme zaken en het secretariaat van het MOU. 5. De informatie over schepen met toegangsverbod moet in het Sirenac-informatiesysteem beschikbaar worden gesteld en worden bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 en van hoofdstuk VIII. HOOFDSTUK XI Internationale en communautaire vereisten met betrekking tot reisgegevensrecordersystemen Schepen van de navolgende categorieën moeten, wanneer zij een Belgische haven aandoen, uitgerust zijn met een reisgegevensrecordersysteem dat voldoet aan de prestatienormen van resolutie A.861(20) van de IMO en de testnormen zoals vastgelegd in norm 61996 van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) : - passagiersschepen die zijn gebouwd op of na 1 juli 2002; - ro-ro-passagiersschepen die zijn gebouwd voor 1 juli 2002, uiterlijk bij de eerste controle op of na 1 juli 2002; - andere dan ro-ro-passagiersschepen, die zijn gebouwd vóór 1 juli 2002, uiterlijk 1 januari 2004; - andere dan passagiersschepen van 3 000 ton en meer, die zijn gebouwd op of na 1 juli 200 2.

Schepen van de navolgende categorieën die gebouwd zijn voor 1 juli 2002, moeten, wanneer zij een Belgische haven aandoen, uitgerust zijn met een reisgegevensrecordersysteem dat voldoet aan de desbetreffende IMO-normen : - vrachtschepen van 20.000 ton en meer, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum of, bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2007; - vrachtschepen van 3 000 ton en meer, doch minder dan 20 000 ton, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum of, bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2008. ».

Art. 24.In artikel 24 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1984 en 13 september 1998, wordt punt 1 vervangen als volgt : « 1. Wat het toezicht over de vreemde schepen betreft, zijn de bepalingen van dit besluit en het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement van toepassing. »

Art. 25.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 26.Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 31 januari 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^