Ministerieel Besluit van 01 juli 2011
gepubliceerd op 27 juli 2011
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen

bron
vlaamse overheid
numac
2011035605
pub.
27/07/2011
prom.
01/07/2011
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

VLAAMSE OVERHEID

Landbouw en Visserij


1 JULI 2011. - Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen


De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, artikel 2, § 1, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999 en bij het decreet van 18 december 2009;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, artikel 8, 10, tweede lid, 13, § 2, 15, 21 en 22;

Gelet op het ministerieel besluit van 27 februari 2007Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/02/2007 pub. 26/04/2007 numac 2007035551 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 13 april 2011;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 7 april 2011, bekrachtigd door de Interministeriële Conferentie Landbouwbeleid op 2 mei 2011;

Gelet op advies nr. 49.664/3 van de Raad van State, gegeven op 24 mei 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op het voorstel van keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen van de afdeling Productkwaliteitsbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij van 6 april 2011, voorgeschreven op grond van artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, Besluit :

Artikel 1.Het keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen, vermeld in artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 2.Het ministerieel besluit van 27 februari 2007Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/02/2007 pub. 26/04/2007 numac 2007035551 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement van pootaardappelen, wordt opgeheven.

Art. 3.Dit besluit treedt in werking vanaf 1 juli 2011.

Brussel, 1 juli 2011.

De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, K. PEETERS

Bijlage 1. - Keurings- en certificeringsreglement van aardappelpootgoed INLEIDING De controle op aardappelpootgoed wordt uitgevoerd door de officiële instanties in alle stadia van de productie tot het gebruik. Elke overtreding van de bepalingen in dit reglement laat toe een productieveld of een partij te deklasseren of te weigeren en de certificaten of etiketten terug te nemen. Daarnaast kunnen alle maatregelen genomen worden die bepaald zijn in de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt.

Voor de activiteiten die uitgevoerd worden door de officiële instanties, worden retributies aangerekend overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende vaststelling van de retributies voor de inschrijving van de rassen in de nationale rassencatalogi, voor de uitoefening van bepaalde beroepen in de sector van het plantaardige teeltmateriaal en voor de keuring van dat materiaal (rekening houdend met de geldende index) (1). HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen 1.1 Officiële instanties 1.1.1 de bevoegde entiteit : de afdeling Productkwaliteitsbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, die bevoegd is voor de controle op het keurings- en certificeringsreglement van aardappelpootgoed 1.1.2 procesverantwoordelijke : het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat erop toeziet dat een proces verloopt zoals is vastgelegd in het keurings- en certificeringsreglement van aardappelpootgoed. Hij is zowel verantwoordelijk voor het volledige beheer van het proces als voor alle procesgerelateerde dossiers 1.1.3 dossierverantwoordelijke : het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat zorgt voor de concrete organisatie en validatie van de dossiers 1.1.4 controleur : het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat de officiële werkzaamheden die beschreven worden in dit reglement, uitvoert. Hij verzamelt informatie door waarnemingen uit te voeren op het veld en in de firma's, en door monsters te nemen. Die persoon beschikt over de nodige vakbekwaamheid, wat uit officiële examens gebleken is, haalt geen persoonlijk voordeel uit de controle, verbindt zich er schriftelijk toe alle reglementaire voorschriften na te leven en volgt regelmatig de informatieve studiedagen die door de bevoegde entiteit worden georganiseerd. 1.1.5 officieel laboratorium : onafhankelijk laboratorium door de bevoegde entiteit aangeduid wordt om controles op de aanwezigheid van plantenziekten bij aardappelpootgoed uit te voeren volgens de gangbare internationale methoden Een laboratorium moet aan de volgende voorwaarden voldoen : 1. beschikken over gekwalificeerd personeel en een persoon aanwijzen die verantwoordelijk is voor de instructies en de goede werking van de apparatuur.De studie- en beroepskwalificaties van het personeel en, in het bijzonder, van de verantwoordelijken voor de uitvoering van de diensten, inzonderheid voor het toetsen van plantaardig materiaal op de aanwezigheid van pathogene ziekteverwekkers en het gebruik van virologische testen of PCR-testen, moeten voorgelegd worden; 2. zich ertoe verbinden : - een boekhouding van de monsters en de ontledingsuitslagen te voeren; - de monsters gedurende minimaal zes weken ter beschikking te houden van de bevoegde entiteit; 3. beschikken over de nodige lokalen en apparatuur om de ontledingen uit te voeren;4. een beschrijving voorleggen van de maatregelen die het laboratorium treft om dekwaliteit van de onderzoeken te waarborgen, en van de mogelijkheden die het biedt. 1.2 Operatoren in de aardappelpootgoedsector 1.2.1 Verantwoordelijken voor de rassen : 1.2.1.1 kweker : natuurlijke persoon of rechtspersoon waarvan een ras tot de keuring is toegelaten (zie punt 1.5). 1.2.1.2 mandataris : natuurlijke persoon of rechtspersoon, aangewezen door de kweker, om in zijn naam te handelen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest als het een in Vlaanderen beschermd ras betreft. Het bewijs van de toegekende opdracht moet bij controle aan de bevoegde entiteit worden voorgelegd. 1.2.1.3 instandhouder : natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de instandhouding van een ras. Voor in Vlaanderen beschermde rassen moet hij aangewezen zijn door de kweker.

Het bewijs van de toegekende bevoegdheden moet bij controle aan de bevoegde entiteit worden voorgelegd. 1.2.2 Verantwoordelijken voor de productie en de handel : 1.2.2.1 inschrijvingsnemer : bevoegde natuurlijke persoon of rechtspersoon die teelten voor de productie van aardappelpootgoed ter keuring aanbiedt 1.2.2.2 producent : natuurlijke persoon (landbouwer) of rechtspersoon (landbouwbedrijf) die zelf verantwoordelijk is of door de inschrijvingsnemer aangewezen is als verantwoordelijke voor de teeltopvolging en de bijzondere zorg voor de productie van aardappelpootgoed 1.2.2.3 Leverancier : a) handelaar in aardappelpootgoed : door de bevoegde entiteit geregistreerde natuurlijke persoon of rechtspersoon die aardappelpootgoed in vrac opsplitst en distribueert naar de landbouwers b) producent-bereider van aardappelpootgoed : door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die door de inschrijvingsnemer is aangewezen als verantwoordelijke voor de teeltopvolging en de bijzondere zorg voor de productie, en die over de nodige installaties beschikt voor het opslaan, reinigen, drogen, bewerken, bereiden, ontsmetten of verpakken van aardappelpootgoed c) bereider van aardappelpootgoed : door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die over de nodige installaties beschikt voor het opslaan, reinigen, drogen, bewerken, bereiden, ontsmetten of verpakken van aardappelpootgoed voor derden d) verdeler van aardappelpootgoed in kleine verpakkingen : door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die over de nodige installaties beschikt om gecertificeerd aardappelpootgoed onder te brengen in kleine verpakkingen die bestemd zijn om verkocht te worden en niet om aardappelpootgoed voort te brengen 1.3 Registraties Alle personen, vermeld in 1.2, uitgezonderd de kweker, worden door de bevoegde entiteit geregistreerd onder een uniek nummer nadat hun activiteiten zijn vastgesteld.

Bij de registratie verbinden de betrokken personen zich er schriftelijk toe om voor hun activiteiten : - de geldende reglementering en de door de bevoegde entiteit gegeven instructies te eerbiedigen; - de bevoegde entiteit op de hoogte te brengen van de aanvang en het einde van de werkzaamheden die alleen door een geregistreerde persoon uitgevoerd mogen worden; - de bevoegde entiteit toe te staan hun bedrijven te bezoeken, alsook hun teelten te keuren; - aan de bevoegde entiteit alle noodzakelijke inlichtingen mee te delen; - de ligging en de oppervlakte van de vermeerderingspercelen mee te delen; - het pootgoed voor certificering aan te bieden zodat het aan de geldende normen beantwoordt; - een boekhouding te voeren en ter beschikking te houden van de bevoegde entiteit gedurende drie jaar; - gebruikte keuringsdocumenten volgens de instructies van de bevoegde entiteit te bewaren; - aan de bevoegde entiteit op het geschikte tijdstip de nodige monsters te leveren of door de bevoegde entiteit op het geschikte tijdstip de nodige monsters te laten nemen voor het laboratoriumonderzoek en voor de aanleg van controlevelden. 1.4 Erkenningen Producent-bereiders, bereiders en verdelers van aardappelpootgoed in kleine verpakkingen moeten door de bevoegde entiteit erkend worden.

Om erkend te kunnen worden, moeten de betrokken personen tijdens de procedure tot registratie of na hun registratie een aanvraag tot erkenning indienen bij de bevoegde entiteit. Erkende bedrijven moeten een voorraadboekhouding bijhouden over het binnenkomende en uitgaande pootgoed vanaf de oogst of de verwerving ervan, en ze moeten die boekhouding ter beschikking van de bevoegde entiteit houden gedurende drie jaar. 1.4.1 De producent-bereiders en de bereiders van aardappelpootgoed worden erkend als zij aan de volgende voorwaarden voldoen : 1) beschikken over zuivere, droge, goed verluchte lokalen die uitsluitend voorbehouden zijn voor het te certificeren pootgoed.Die lokalen zijn geïsoleerd tegen de vorst en voorzien van een voldoende luchtverversingssysteem. De oppervlakte van de opslag- en bewerkingsruimte moet in verhouding staan tot de omvang van de productie; 2) beschikken over de noodzakelijke inrichting en apparatuur voor de werkzaamheden waarvoor een erkenning gevraagd wordt.Er moet tijdens de triage minstens een trieur-calibreur en een leestafel aanwezig zijn. De installatie moet indien nodig beschikken over apparatuur om etiketten aan te brengen overeenkomstig de geldende reglementering.

Als de installatie ook voor andere activiteiten gebruikt wordt, moet dat voorafgaand aan de geplande activiteit aangevraagd worden bij de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit kan bijkomende voorwaarden opleggen om die activiteiten uit te voeren; 3) zich ertoe verbinden alleen plantgoed ter certificering aan te bieden dat beantwoordt aan de geldende normen voor identiteit en raszuiverheid, afstamming, technologische en gezondheidsnormen;4) gebruikmaken van verpakkingen die overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen kunnen worden gesloten en kunnen worden voorzien van certificaten die de voorgeschreven vermeldingen dragen;5) een persoon aanwijzen die verantwoordelijk is voor het geven van instructies aan het personeel en voor de goede werking van de installaties;6) voor de duur van de triagewerkzaamheden aan de bevoegde entiteit een degelijk lokaal ter beschikking stellen om controlewerkzaamheden te verrichten. 1.4.2 De verdelers van aardappelpootgoed in kleine verpakkingen kunnen erkend worden als ze zich ertoe verbinden : 1) de bevoegde entiteit op de hoogte te brengen van de aanvang en de beëindiging van hun werkzaamheden telkens als er activiteiten worden uitgevoerd;2) de keuringsdocumenten die de te splitsen verpakkingen van het aardappelpootgoed dekken, gedurende twee jaar ter beschikking te houden van de bevoegde entiteit;3) de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 8, strikt toe te passen. Voor ze een erkenning toekent, stelt de bevoegde entiteit een onderzoek ter plaatse in. Daarbij wordt een inventaris opgesteld van lokalen, inrichtingen en personeel. De erkenning is geldig van 1 juli tot en met 30 juni van het jaar daarop. De erkenning wordt uitdrukkelijk jaarlijks verlengd zolang de opgelegde voorwaarden vervuld blijven en de aangegane verbintenissen gerespecteerd blijven.

Daarvoor vindt jaarlijks ten minste één inspectiebezoek plaats.

In geval van belangrijke wijzigingen in de activiteiten of de installaties of bij verandering van de betrokken verantwoordelijke personen moet de bevoegde entiteit daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht worden. Wijzigingen in de activiteiten of de installaties geven aanleiding tot een bijkomend inspectiebezoek.

De erkenning wordt ingetrokken als de opgelegde voorwaarden niet meer vervuld zijn. 1.5 Tot de keuring toegelaten rassen 1.5.1 Rassen die voorkomen in een van de volgende rassenlijsten De rassen die voorkomen in een van de volgende rassenlijsten, zijn tot de keuring toegelaten : a) nationale rassenlijst voor landbouwgewassen;b) gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen. 1.5.2 Rassen in procedure van inschrijving voor opname in een rassenlijst a) Rassen die in procedure van inschrijving zijn voor opname in de nationale rassenlijst of, als het gaat om een ras van een Belgische kweker, voor opname in rassenlijsten van andere landen, zijn tot de keuring toegelaten.Het bewijs dat ze in procedure van inschrijving zijn, moet worden geleverd.

Partijen van die rassen kunnen pas officieel goedgekeurd worden nadat de rassen effectief zijn opgenomen in een van de vermelde rassenlijsten. Het bewijs daarvan moet worden geleverd. b) Onder bepaalde voorwaarden kan er voor rassen die in procedure van inschrijving zijn voor opname in de nationale rassenlijst, toestemming worden gegeven om partijen van die rassen in de handel te brengen.De toestemming kan alleen gegeven worden voor het uitvoeren van proeven op landbouwbedrijven om gegevens over de teelt of het gebruik van het ras te verzamelen.

Om de toestemming kan worden verzocht door de kweker of zijn mandataris die een geldige aanvraag tot opname van het ras in de nationale rassenlijst heeft ingediend. Daarbij verstrekt hij de volgende gegevens : 1) informatie over de geplande proeven;2) de namen van de lidstaten waarin die proeven moeten worden uitgevoerd;3) een beschrijving van het ras;4) informatie over de instandhouding van het ras. De technische voorwaarden waaraan de partijen moeten voldoen, de wijze van monsterneming, de verpakking, verzegeling en etikettering worden verder beschreven in hoofdstuk 7. De naleving van die voorwaarden wordt gecontroleerd aan de hand van een officieel onderzoek door de bevoegde entiteit op basis van de verstrekte rasbeschrijving of, indien van toepassing, de voorlopige rasbeschrijving op basis van de resultaten van de onderzoeken die in het kader van de toelating tot de nationale rassenlijst uitgevoerd worden.

De hoeveelheid waarvoor per ras toestemming wordt gegeven, bedraagt ten hoogste 0,1 % van het aardappelpootgoed dat jaarlijks wordt gebruikt in de lidstaten waarin de proeven worden uitgevoerd. De bevoegde entiteit zal jaarlijks de hoeveelheid bekendmaken die daarvoor in aanmerking komt.

De toestemming wordt verleend voor maximaal één jaar en kan telkens met één jaar worden verlengd. Bij de aanvraag tot verlenging worden de volgende documenten gevoegd : 1) een verwijzing naar de oorspronkelijke toestemming;2) alle beschikbare aanvullende informatie over de beschrijving, de instandhouding en de teelt of het gebruik van het ras volgens de oorspronkelijke toestemming;3) gegevens waaruit blijkt dat de beoordeling voor de opname van het ras in de rassenlijst nog loopt. De toestemming vervalt zodra de aanvraag tot opname in de nationale rassenlijst wordt ingetrokken of geweigerd, of zodra het ras in de rassenlijst wordt opgenomen.

Als voor een ras aan de kweker of zijn mandataris toestemming is verleend door de bevoegde entiteit van een andere lidstaat om het te gebruiken in het Vlaamse Gewest, kan de bevoegde entiteit van het Vlaamse Gewest het gebruik van dat ras op het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest of een deel daarvan verbieden of passende voorwaarden vaststellen voor de teelt van het ras en voor het gebruik van de producten uit die teelt in een van de volgende gevallen : 1) als vaststaat dat de teelt van het ras de gezondheid van andere geteelde rassen of soorten kan schaden;2) als uit officiële veldproeven in het Vlaamse Gewest blijkt dat het ras nergens op zijn grondgebied de resultaten oplevert die worden verkregen met een vergelijkbaar ras dat op zijn grondgebied is toegelaten, of als algemeen bekend is dat het ras wegens zijn aard of rijpheidsklasse nergens op zijn grondgebied voor de teelt geschikt is;3) als er goede redenen zijn om aan te nemen dat het ras een gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu inhoudt. Als voor een ras aan de kweker of zijn mandataris toestemming is verleend door de bevoegde entiteit van het Vlaamse Gewest om het te gebruiken in een ander gewest of in een andere lidstaat, kan de bevoegde entiteit van dat gewest of die lidstaat het gebruik van dat ras op zijn gehele grondgebied verbieden of, zoals hierboven wordt vermeld, passende voorwaarden stellen voor de teelt en het gebruik van de producten uit die teelt.

De kweker of zijn mandataris die toestemming heeft gekregen om een ras, dat in procedure van inschrijving is voor opname in de nationale rassenlijst, in de handel te brengen, moet jaarlijks een verslag overhandigen aan de bevoegde entiteit over : 1) de proeven op landbouwbedrijven om gegevens over de teelt of het gebruik van het ras te verzamelen;2) de hoeveelheid pootgoed die in de handel is gebracht in de periode waarvoor de toestemming geldig was en de lidstaat waarvoor het bestemd was.Die gegevens worden vertrouwelijk behandeld. 1.6 Categorieën en klassen 1.6.1 De productie van aardappelpootgoed in het Vlaamse Gewest is het resultaat van instandhouding door vegetatieve vermeerdering overeenkomstig het onderstaande schema :

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.6.2 Het officieel goedgekeurde aardappelpootgoed wordt gerangschikt volgens de generatie en de bijzondere kwalitatieve vereisten in een van de volgende categorieën en klassen : 1.6.2.1 kwekersmateriaal : niet-gecertificeerd materiaal dat voortgebracht is door genealogische selectie en dat behoort tot een generatie die aan het prebasispootgoed voorafgaat, en dat in verschillende families (F) ingedeeld kan zijn 1.6.2. 2 prebasispootgoed : pootgoed, geproduceerd uit kwekersmateriaal, dat bestemd is om basispootgoed voort te brengen.

Als het prebasispootgoed voortgebracht werd uit materiaal dat in vitro geproduceerd werd, wordt de categorie aangegeven als prebasispootgoed-CT. 1.6.2.3 basispootgoed : pootgoed, geproduceerd uit prebasispootgoed of uit kwekersmateriaal, dat voornamelijk bestemd is om, door een of meer vermeerderingen, gecertificeerd pootgoed voort te brengen.

De categorie basispootgoed is onderverdeeld in de klassen : a) basispootgoed S;b) basispootgoed SE;c) basispootgoed E. Naast die klassen kunnen de communautaire klassen EEG 1, EEG 2 en EEG 3 toegekend worden als aan de eisen van Richtlijn EEG 93/17 van 30 maart 1993 is voldaan. 1.6.2.4 gecertificeerd pootgoed : pootgoed, geproduceerd uit basispootgoed of pootgoed van een voorafgaande generatie, dat normaal bestemd is voor een andere productie dan die van pootaardappelen.

De categorie van het gecertificeerde pootgoed is volgens de hoedanigheidskenmerken van het pootgoed onderverdeeld in twee klassen : a) gecertificeerd pootgoed A;b) gecertificeerd pootgoed B. Met het oog op de keuring worden de categorieën of klassen van aardappelpootgoed die van buiten de Europese Gemeenschap ingevoerd worden, gelijkgesteld met de gemeenschappelijke categorieën en klassen overeenkomstig de beschikkingen van de Europese Gemeenschap inzake gelijkstelling van aardappelpootgoed uit derde landen. Een bewijs dat aan de gezondheidsvoorschriften is voldaan, moet voorgelegd worden. 1.6.2.5. Aardappelpootgoed van instandhoudingsrassen : pootgoed van landrassen en rassen in de landbouw dat zich op een natuurlijke wijze heeft aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en dat door genetische erosie wordt bedreigd. Dit pootgoed wordt niet onderverdeeld in categorieën. Het moet echter altijd voldoen aan de normen van gecertificeerd pootgoed. HOOFDSTUK 2. - Instandhouding van een ras 2.1 Elk jaar moeten de personen die verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van een ras in het Vlaamse Gewest, aan de bevoegde entiteit, voor elk betrokken ras, het instandhoudingprogramma schriftelijk meedelen, met opgave van de toegepaste methode en het aangewende materiaal (ligging van het perceel, oppervlakte, geproduceerde hoeveelheden,...). Zij staan de bevoegde entiteit toe om ter plaatse toezicht uit te oefenen. Monsters kunnen officieel genomen worden.

Een instandhoudingsras mag alleen in zijn gebied van oorsprong systematisch in stand worden gehouden.

Om aardappelpootgoed, vanuit de instandhouding, in de handel te kunnen brengen, moet de kweker, de instandhouder of zijn mandataris de teelt ervan ter keuring aanbieden.

Het perceel en het uitgangsmateriaal moeten vrij zijn van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.

Als de instandhouding in het buitenland plaatsvindt, moet bij het materiaal dat behoort tot een generatie die voorafgaat aan het basispootgoed, dat voor vermeerdering in het Vlaamse Gewest wordt aangeboden, een verklaring van de instandhouder gevoegd worden die de volgende elementen bevat : 1) de geleverde hoeveelheden materiaal;2) het referentienummer van de partij;3) de beschrijving van het etiket op de verpakkingen (of een specimen van dat etiket);4) de categorie en de klasse van het pootgoed dat met het materiaal mag worden geproduceerd;5) een bewijs dat aan de gezondheidsvoorschriften is voldaan. Al die inlichtingen moeten bezorgd zijn aan de bevoegde entiteit bij de inschrijving van de teelt. 2.2 De instandhouder houdt een register bij waarin iedere generatie van elke familie wordt ingeschreven. 2.3 De F0-generatie is het vertrekmateriaal voor de selectie. Dat materiaal moet door een erkend laboratorium als vrij van plantenziekten worden erkend.

Voor de F0 moeten knollen gebruikt worden van een partij pootgoed die geselecteerd is uit F-generaties (prebasis) of die minstens als klasse S gecertificeerd is.

Wegens onvoorziene omstandigheden kan de bevoegde entiteit, op gemotiveerd verzoek van de instandhouder of zijn mandataris, een afwijking daarvan toelaten. 2.4 De generaties die afkomstig zijn van iedere F0, vormen de families. 2.5 Het in-vitro geproduceerd materiaal is instandhoudingsmateriaal dat tot degenealogische selectie behoort. 2.6 Het door het laboratorium afgeleverde in-vitromateriaal (knollen) wordt beschouwd als F1. Dat materiaal moet op het gebied van gezondheid beantwoorden aan de vereisten van de klasse prebasispootgoed.

De rasechtheid moet door de instandhouder gewaarborgd worden. 2.7 Met behoud van de toepassing van de bepalingen die gelden voor de productie van officieel gecertificeerd prebasispootgoed (zie hoofdstukken 4 tot 7) kan de bevoegde entiteit, op verzoek van de instandhouder of zijn mandataris, een attest uitreiken waarin wordt verklaard dat het materiaal afkomstig is van vermeerderingen die gerealiseerd zijn door een bij de bevoegde entiteit geregistreerde verantwoordelijke persoon, en dat de teelten door de bevoegde entiteit zijn gevolgd.

De resultaten van de gezondheidsonderzoeken moeten voorgelegd worden. 2.8 Het uitgangsmateriaal (F0), alsook het geproduceerde instandhoudingsmateriaal en de mogelijk tussenliggende generaties moeten vrij zijn van : 1) Pectobacterium atrosepticum;2) Dickeya dianthicola en Dickeya solani;3) bladrol PLRV;4) A-, M-, S-, X- en Y-virus. Daarvan moet een bewijs geleverd worden.

Het materiaal kan alleen als prebasismateriaal ingeschreven worden als het volledig vrij bevonden is. Als het materiaal niet vrij is van bladrol PLRV A-, M-, S-, X- en Y-virus, kan het ingeschreven worden voor de productie van pootgoed van de andere klassen : daarvoor wordt de tabel, vermeld in 5.4., toegepast. 2.9 Na minstens twee jaar vermeerdering in volle grond mogen de producties van verschillende families gemengd worden.

Het gemengde product kan alleen nog in aanmerking komen voor de productie van basispootgoed of gecertificeerd pootgoed. HOOFDSTUK 3. - Inschrijving ter keuring 3.1 Inschrijvingsvoorwaarden 3.1.1 Fytosanitaire eisen voor het pootgoed en het te beplanten perceel Voor de inschrijving moeten het perceel en het uitgangsmateriaal vrij bevonden worden van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. 3.1.2 Bevoegde personen (inschrijvingsnemers) Teelten voor de productie van prebasispootgoed, alsook rassen in proef, moeten ingeschreven worden door de kweker, de instandhouder of hun mandataris in België.

Teelten voor de productie van basis- en gecertificeerd pootgoed moeten ingeschreven worden door de kweker, de instandhouder of zijn mandataris in Vlaanderen, door een landbouwer, een producent-bereider of een bereider.

Door de inschrijving machtigt de inschrijvingsnemer de bevoegde entiteit om aan de kwekers, de instandhouders of hun mandatarissen, op hun verzoek, over in Vlaanderen beschermde rassen de volgende gegevens te melden : a) de identiteit van de inschrijvingsnemer;b) de ter keuring aangeboden en bij de veldkeuring aanvaarde oppervlakten;c) de hoeveelheden officieel goedgekeurd aardappelpootgoed in elke categorie en klasse. De overdracht van teelten of van hun opbrengsten die niet aan de keuring zijn onttrokken, brengt ook de overdracht van die toestemming mee. 3.1.3 Oorsprong van het gebruikte aardappelpootgoed (uitgangsmateriaal) Het aardappelpootgoed moet voortkomen van een teelt in volle grond.

De landbouwer die de teelt heeft aangelegd, moet de identiteit van het gebruikte aardappelpootgoed (uitgangsmateriaal) kunnen bewijzen. Dit gebeurt aan de hand van officiële keuringsdocumenten voor officieel goedgekeurd materiaal. Voor uitgangsmateriaal, voorafgaand aan het prebasismateriaal wordt het bewijs geleverd, hetzij via een genealogische selectie, verricht in het Vlaamse Gewest en voorafgaandelijk aan de bevoegde entiteit gemeld, hetzij door een verklaring van de verantwoordelijke van een ander gewest of van de buitenlandse verantwoordelijke waarin melding wordt gemaakt van de hoeveelheid opgestuurd materiaal, bestemd om in het Vlaamse Gewest prebasispootgoed te produceren, en gedekt door een officiële verklaring van de keuringsdienst van het gewest of land in kwestie.

Die inlichtingen moeten opgenomen zijn op het document dat bij het ingevoerde materiaal is gevoegd. Een specimen van het etiket dat het materiaal identificeert, moet bij dat document worden gevoegd.

De documenten worden aan de bevoegde entiteit bezorgd door de inschrijvingsnemer op het moment van de inschrijving ter keuring van de teelt. 3.1.4 Rasbeschrijving Om de controle uit te voeren, moet de bevoegde entiteit over een officiële rasbeschrijving beschikken. Elke mogelijke wijziging van die beschrijving moet ook worden meegedeeld. 3.1.5 Ligging van de teelt De teelt moet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest gelegen zijn.

Bij een doorkruising van de gewest- of landsgrens zal het perceel gekeurd worden door de entiteit die bevoegd is voor de keuring van het gewest of het land waar het perceel door de inschrijvingsnemer is aangegeven ter keuring. 3.1.6 Vruchtafwisseling Het perceel mag gedurende de drie jaar die aan de keuring voorafgaan, geen aardappelteelt hebben gedragen.

De te certificeren teelten worden aangelegd in volle grond. 3.1.7 Categorieën en klassen Elk vermeerderingsperceel mag slechts met één enkel ras beplant zijn met het oog op de productie van plantgoed van een welbepaalde categorie of klasse.

De percelen worden aangelegd met pootgoed dat behoort tot een van de volgende categorieën of klassen :

MINIMALE CATEGORIE OF KLASSE VAN HET GEBRUIKTE MATERIAAL

VOOR DE PRODUCTIE VAN DE CATEGORIE OF KLASSE

prebasispootgoed (1) basispootgoed S basispootgoed SE basispootgoed E (2) (4)

basispootgoed S basispootgoed SE basispootgoed E gecertificeerd pootgoed A (3) (4) of B


(1) prebasispootgoed : onder voorbehoud van het bewijs van de oorsprong, vermeld in hoofdstuk 3, punt 3.1.3 (2) Onder de volgende voorwaarden kan uit de klasse E opnieuw een klasse E-pootgoed geproduceerd worden, als de bevoegde entiteit toestemming verleent. - Het uitgangsmateriaal van het oorsprongspootgoed klasse E moet rechtstreeks voortkomen van pootgoed klasse SE of hoger.

Die oorsprong moet bewezen worden. - De teelt die het gebruikte pootgoed heeft voortgebracht en het gebruikte pootgoed moeten voldoen aan de eisen, gesteld voor basispootgoed SE, virustesten inbegrepen. (3) Onder de volgende voorwaarden kan gecertificeerd pootgoed A opnieuw gebruikt worden om gecertificeerd pootgoed voort te brengen, als de bevoegde entiteit toestemming verleent. - Het uitgangsmateriaal moet op het eigen bedrijf gewonnen zijn. De bevoegde entiteit kan een afwijking van die voorwaarde toestaan als de kweker of mandataris toestemming verleent voor in Vlaanderen beschermde rassen. - De teelt die het gebruikte pootgoed heeft voortgebracht en het gebruikte pootgoed moeten voldoen aan de eisen, gesteld voor basispootgoed E, virustesten inbegrepen. - Het aldus voortgebrachte pootgoed kan niet meer gebruikt worden om gecertificeerd pootgoed voort te brengen (zie opmerking 4). (4) Bij een tekort aan vermeerderingsmateriaal ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde entiteit een verdere vermeerdering toestaan als de kweker of mandataris toestemming verleent voor in Vlaanderen beschermde rassen. De gelijkwaardigheid van klassen van pootgoed, afkomstig uit andere lidstaten, wordt bepaald door de bevoegde entiteit op basis van de beschikbare informatie.

Als bij het planten verschillende klassen van aardappelpootgoed gemengd worden, zal de laagste klasse in aanmerking genomen worden. 3.2 Inschrijvingsprocedure De inschrijving ter controle van vermeerderingspercelen houdt in dat de inschrijvingsnemers aan de hand van inschrijvingsformulieren de bevoegde entiteit, uiterlijk op 15 mei, alle nodige gegevens bezorgen die het mogelijk maken om de keuring van de teelten te organiseren en uit te voeren.

Als wegens bijzondere omstandigheden vertraging verantwoord is, of voor aanplanting buiten het normale plantseizoen, worden de inschrijvingen aanvaard tot drie werkdagen na het planten.

Bewijzen dat het uitgangsmateriaal vrij bevonden is van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, moeten ter beschikking gesteld worden van de bevoegde entiteit.

De gegevens die meegedeeld moeten worden, zijn : 1) identificatie van de inschrijvingsnemer : - naam inschrijvingsnemer; - adres inschrijvingsnemer; - operatornummer inschrijvingsnemer; - landbouwernummer inschrijvingsnemer : uniek identificatienummer, toegekend door de afdeling Markt- en Inkomensbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij; 2) identificatie van de landbouwer : - naam landbouwer; - operatornummer landbouwer; - landbouwernummer landbouwer : uniek identificatienummer toegekend door de afdeling Markt- en Inkomensbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij; - volledig adres landbouwer; - telefoonnummer landbouwer; 3) identificatie van het bemonsteringsperceel : - identificatienummer bemonsteringsperceel : uniek nummer, toegekend in het kader van de verzamelaanvraag door de afdeling Markt- en Inkomensbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, bestaande uit campagnejaar, landbouwernummer en volgnummer van het perceel; - oppervlakte bemonsteringsperceel in overeenstemming met de oppervlakte die wordt aangegeven in de verzamelaanvraag; 4) Globodera bemonstering : - Monsternummers;5) vermeerderingsperceel : van een bemonsteringsperceel kunnen een of meer vermeerderingspercelen voortkomen.De gegevens van al die vermeerderingspercelen moeten op het inschrijvingsformulier opgenomen worden. - oppervlakte vermeerderingsperceel; - rasnaam of de kwekersreferentie voor rassen in procedure van inschrijving voor opname in een nationale lijst; - te produceren klasse; - controle vroege export : ja/nee; - partijnummer van de moederpartijen : van elke moederpartij moeten de volgende gegevens vermeld worden : . klasse; . calibrage; . hoeveelheid (kg); . de nummers van de certificaten, of het nummer van het attest, opgemaakt door de afdeling bij gebruik van eigen pootgoed, of verklaringen voor materiaal voorafgaand aan het prebasismateriaal; . het aantal certificaten; . nummer bacteriologisch onderzoek.

In voorkomend geval moeten de volgende gegevens ook bij het inschrijvingsformulier worden gevoegd : 1) de toelating van de kweker, instandhouder of zijn mandataris voor de productie van basispootgoed als het een in Vlaanderen beschermd ras betreft;2) uitslagen bacteriologisch onderzoek van : - binnengebrachte moederpartijen; - Belgisch prebasispootgoed (F-materiaal); 3) de gegevens van de rassenproeven voor rassen als vermeld in punt 1.5.2.a ; 4) een kopie van de toestemming tot het in de handel brengen voor rassen als vermeld in punt 1.5.2.b.

Per bemonsteringsperceel wordt één inschrijvingsformulier opgemaakt.

Daarop kunnen een of meer vermeerderingspercelen worden opgenomen. Een vermeerderingsperceel is een niet-onderverdeeld stuk land dat een teelt draagt, bestemd om aardappelpootgoed voort te brengen van een welbepaald ras of een welbepaalde klasse, gescheiden van elke aangrenzende teelt, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Als tijdens de veldkeuring vastgesteld wordt dat de inschrijving betrekking heeft op meer dan een vermeerderingsperceel, zal de inschrijving teruggetrokken worden uit de keuring. De initiële inschrijving zal vervangen worden door een nieuw aantal inschrijvingen - naar rato van het aantal vermeerderingspercelen waarop de oorspronkelijke inschrijving betrekking had - met de overeenkomende landbouwernummers en perceelsidentificatienummers. 3.3 Terugtrekking Ingeschreven vermeerderingspercelen die niet meer voor veldkeuring in aanmerking kunnen komen of waarvoor de veldkeuring niet meer gevraagd wordt, moeten door de inschrijvingsnemer bij de bevoegde entiteit schriftelijk worden opgegeven, met vermelding van de bestemming van de oogst die er eventueel nog van kan voortkomen. 3.4 Bijzonderheden voor de inschrijving van de instandhoudingsrassen, vermeld in de rassenlijst voor landbouwgewassen Bij de aanvaarding van de teeltinschrijving wordt rekening gehouden met de kwantitatieve beperkingen, vermeld in artikel 15 van het ministerieel besluit van 2 juni 2009Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 02/06/2009 pub. 09/07/2009 numac 2009203018 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit betreffende de nadere regels voor de uitvoering van artikel 72 van het besluit van de Waalse Regering van 5 juli 2007 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit type ministerieel besluit prom. 02/06/2009 pub. 23/09/2009 numac 2009035903 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit houdende wijziging van het ministerieel besluit van 8 maart 2007 betreffende de herverdeling van de steunbedragen via de reserve sluiten tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen. HOOFDSTUK 4. - Veldkeuring 4.1 Identificatie van de vermeerderingspercelen Een vermeerderingsperceel waarvan de inschrijving ontvankelijk verklaard is, kan gekeurd worden op voorwaarde dat het door de inschrijvingsnemer duidelijk zichtbaar is aangegeven door middel van een identificatiebordje waarop, in codevorm, de volgende gegevens zijn vermeld : - het vermeerderingsperceelsnummer, toegekend door de bevoegde entiteit; - de beoogde klasse; - de rasbenaming; - de oppervlakte.

De bevoegde entiteit kan weerbestendige kleefstroken met die gegevens ter beschikking stellen van de inschrijvingsnemers. Die moeten ervoor zorgen dat ze worden aangebracht bij de ingang van het perceel waar ze zullen blijven tot aan de oogst.

Op verzoek van de inschrijvingsnemer kan de bevoegde entiteit vrijstelling verlenen van die verplichting als hij een alternatief aanbiedt waardoor de ligging van het perceel in kwestie ondubbelzinnig wordt aangegeven. 4.2 Melding aan de landbouwer De controleur die belast is met de keuring, zal de landbouwer ten minste 48 uur voor zijn bezoek verwittigen.

De controleur zal de aandacht van de landbouwer vestigen op de volgende belangrijke punten : - het vermeerderingsperceel moet geïdentificeerd zijn, zoals bepaald in 4.1; - het moet duidelijk afgescheiden zijn van andere teelten; - de nodige opzuivering moet vóór het veldkeuringsbezoek zijn uitgevoerd; - als het vermeerderingsperceel nog niet in orde is voor een van de hiervoor vermelde punten, kan de landbouwer voor hoogstens één week uitstel vragen; - de landbouwer moet voor elk vermeerderingsperceel de nodige identificatiedocumenten van de gebruikte moederpartij ter beschikking houden van de controleur.

De landbouwer zal de controleur inlichten over de pesticiden die hij gebruikt heeft bij de te keuren teelten.

Als de keuring niet moet worden uitgevoerd wegens terugtrekking van het vermeerderingsperceel, moet de landbouwer dat melden aan de controleur. De eventuele terugtrekking moet door de inschrijvingsnemer onmiddellijk schriftelijk bevestigd worden. 4.3 Veldkeuringen Veldkeuringen worden uitgevoerd door controleurs.

De veldkeuring bestaat uit minstens twee bezoeken op de door de bevoegde entiteit vastgestelde tijdstippen, met als doel zich te vergewissen van : - de scheiding van andere teelten; - de stand van de teelt; - de rasechtheid; - de raszuiverheid; - de gezondheidstoestand van de teelt; - de juiste behandeling van het vermeerderingsperceel voor de productie van pootgoed van de beoogde categorie of klasse.

Bij de veldkeuring moet het vermeerderingsperceel in een zodanige toestand verkeren dat de waarnemingen juist kunnen worden uitgevoerd.

Op aanvraag van de inschrijvingsnemer kan een vermeerderingsperceel om technische redenen onderverdeeld worden in twee of meer vermeerderingspercelen. In dat geval wordt de oorspronkelijke inschrijving geschrapt en vervangen door twee of meer laattijdige inschrijvingen. 4.3.1 Buurtschap 4.3.1.1 Voor de productie van prebasispootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 50 meter verwijderd zijn van elke niet-ingeschreven aardappelteelt. 4.3.1.2 Voor de productie van basispootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 30 meter verwijderd zijn van elke niet-ingeschreven aardappelteelt, tenzij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van besmetting. 4.3.1.3 Voor de productie van gecertificeerd pootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 10 meter verwijderd zijn van elke niet-ingeschreven aardappelteelt, tenzij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van besmetting. 4.3.1.4 Aanpalende vermeerderingspercelen moeten voldoende van elkaar verwijderd zijn om mechanische vermenging te voorkomen. 4.3.1.5 Voor de productie van basispootgoed van gemeenschappelijke klassen moeten aangrenzende teelten van pootgoed ten minste beantwoorden aan de normen voor dezelfde klasse als die van het vermeerderingsperceel in kwestie. Bij een officiële veldkeuring moet vastgesteld worden of aan die norm voldaan is. 4.3.1.6 Als de bevoegde entiteit vaststelt dat er gevaar voor besmetting bestaat, kunnen specifieke eisen voor de testen worden voorgeschreven. 4.3.1.7 Bij niet-naleving van de isolatievoorschriften wordt het vermeerderingsperceel geweigerd of gedeklasseerd naar gelang van de werkelijk vastgestelde afstand. 4.3.2 Raszuiverheid en gezondheidstoestand 4.3.2.1 De teelt moet zodanig zijn dat het goed mogelijk is de raszuiverheid en de gezondheidstoestand na te gaan.

Opslag van vorige teeltjaren wordt als rasonzuiverheid beschouwd, alsook elke plant die een afwijkend uitzicht heeft ten gevolge van een chemische behandeling of door een andere oorzaak.

Alle zieke en afwijkende planten moeten volledig (inclusief de knol) uit de grond worden verwijderd. Op dezelfde wijze moeten gedeeltelijk aangetaste planten verwijderd worden. Zieke en afwijkende planten (inclusief de knollen) worden dagelijks in luisdichte zakken van het veld verwijderd om verspreiding van de bladluizen tegen te gaan. De zakken worden geleegd op een plaats waar de zieke planten of knollen geen gevaar voor besmetting opleveren.

Een onzorgvuldige opzuivering kan leiden tot deklassering of afkeuring van het perceel. 4.3.2.2 Een slechte stand van de teelt en in het bijzonder de aanwezigheid van onkruid, ziekten, overdreven ontwikkeling van het loof, zwakke groei en wijziging in het uitzicht van de planten, te wijten aan een chemische behandeling of aan een andere oorzaak, kunnen aanleiding geven tot weigering van de teelt.

In geval van vernietiging van de bladeren door vorst, hagel, storm of insecten is het toegelaten te wachten tot de groeiherneming om een definitieve beslissing te nemen. 4.3.2.3 Normen a) De teelt moet volledig vrij zijn van ringrot (Clavibacter michiganensis subsp.sepedonicus) en bruinrot (Ralstonia solanacearum Smith). b) De volgende toleranties worden toegestaan (% van het aantal planten) bij de laatste veldkeuring. TE PRODUCEREN CATEGORIE

prebasis- pootgoed

basispootgoed

gecert. pootgoed

S

SE

E

A

B

rasonzuiverheden

0

0

0,01

0,02

0,05

0,05

ziekten


zwakke planten

0,00

1,00

2,00

3,00

5,00

10,00

virusziekten (Y, X, bladrol...

0,00

0,10

0,20

0,40

1,00

3,00

bacterieziekten (Pectobacterium spp., Dickeya spp.)

0,00

0,00

0,00

0,10*

0,30

0.60

Rhizoctonia

0,00

0,50

1,00

3,00

5,00

5,00

verwelking, veroorzaakt door schimmelziekten

0,00

0,30

0,50

1,00

2,00

2,00


* als bacteriezieke planten aangetroffen worden, moet vóór de partijkeuring een representatief monster nagenoeg vrij zijn van infectie met Dickeya spp. als de partij definitief gecertificeerd wordt als basispootgoed.

De tellingen worden uitgevoerd op honderd opeenvolgende planten in één rij. Er zijn ten minste : - vier tellingen per 25 aren, voor de percelen van 1 ha en minder; - tien tellingen per ha, of gedeelte daarvan voor de percelen van meer dan 1 ha.

Het percentage wordt vervolgens berekend volgens de formule : totaal aantal abnormale planten/aantal tellingen = X % 4.4 Teeltrangschikking Na elk bezoek worden de uitgevoerde waarnemingen meegedeeld aan de inschrijvingsnemer.

Na de laatste veldkeuring wordt de teelt gerangschikt door de bevoegde entiteit op basis van de vaststellingen die gedaan zijn op het vermeerderingsperceel.

Als de rangschikking niet overeenkomt met de door de inschrijvingsnemer vooropgestelde klasse of als de teelt geweigerd wordt, worden de inschrijvingsnemer en de landbouwer door middel van een kopie van het veldkeuringsverslag, binnen twee werkdagen na de veldkeuring, door de bevoegde entiteit op de hoogte gebracht. De reden van deklassering of weigering wordt op het veldkeuringsverslag genoteerd.

In het uitzonderlijke geval dat de inschrijvingsnemer over voldoende technische redenen beschikt om een bijkomend onderzoek aan te vragen, kan een nieuwe veldkeuring worden aangevraagd. Een met redenen omklede aanvraag moet schriftelijk bij de bevoegde entiteit ingediend worden binnen drie werkdagen na de melding van het resultaat. De bijkomende veldkeuring moet in normale omstandigheden uitgevoerd kunnen wordenn.

De bijkomende veldkeuring zal plaatsvinden nadat de nodige aanpassingen zijn uitgevoerd.

Als de inschrijvingsnemer of de landbouwer de vaststellingen van de veldkeuring of de bijkomende veldkeuring betwist, kan een tegenkeuring aangevraagd worden. De schriftelijke aanvraag daarvoor moet gericht worden aan de bevoegde entiteit binnen drie werkdagen na de mededeling van het resultaat, met de vermelding van de betwiste vaststellingen.

In voorkomend geval is het verboden wijzigingen in het vermeerderingsperceel of in het gewas aan te brengen (opzuivering, een fysische handeling,/...). De tegenkeuring zal uitgevoerd worden door een controleur die aangewezen is door de bevoegde entiteit, vergezeld van de controleur die de vorige vaststellingen heeft gedaan, en bij voorkeur in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de inschrijvingsnemer.

Als wordt vastgesteld dat een opzuivering of een andere fysische handeling heeft plaatsgehad, blijven de vaststellingen van het vorige bezoek behouden en zijn ze onherroepelijk.

Bij weigering moet de bestemming van het aardappelpootgoed dat voortgebracht is van de vermeerderingspercelen, door de inschrijvingsnemer worden opgegeven.

De rangschikking van een partij na de veldkeuring is voorlopig. 4.5 Loofvernietiging In overleg met de sector adviseert de bevoegde entiteit een datum waarvoor het loof het best vernietigd kan worden. Die datum is afhankelijk van het verschijnen en de ontwikkeling van de populatie van de bladluizen, de dragers van virussen, de te produceren klasse en de vroegrijpheid van het ras. De bevoegde entiteit kan in samenspraak met de sector ook een vaste datum opleggen bij specifieke omstandigheden.

De data worden aan de inschrijvingsnemers bekendgemaakt.

Als de bemonstering, vermeld in 5.1, nog niet is uitgevoerd, moet de inschrijvingsnemer, ten minste 48 uur op voorhand, het tijdstip van het rooien meedelen aan de bevoegde entiteit.

Elke teelt waarvan het loof niet vernietigd is binnen twintig dagen na de vastgelegde datum, zal worden geweigerd.

In uitzonderlijke gevallen kan op verzoek van de inschrijvingsnemer de loofdoding later uitgevoerd worden op voorwaarde dat de bevoegde entiteit voorafgaand op de hoogte gebracht wordt van de precieze loofdodingsdatum, zodat een bijkomende keuring uitgevoerd kan worden.

Percelen die na 1 oktober niet gerooid zijn, moeten gemeld worden bij de bevoegde entiteit.

Door de bevoegde entiteit wordt een uiterste rooidatum vastgelegd op basis van de weersomstandigheden. HOOFDSTUK 5. - Virologische onderzoeken 5.1 Bemonstering Bij de controle op het vernietigen van het loof of het rooien van de knollen neemt de controleur per vermeerderingsperceel monsters voor virologisch onderzoek. De procedure voor de bemonstering wordt meegedeeld door de bevoegde entiteit.

De monsters worden genomen op vermeerderingspercelen waarvan het loof werd vernietigd, en op verzoek van de producent, die eventueel zijn medewerking verleent bij de monstername. 5.2 Materiaal onderworpen aan test - aanvraag voor ontleding De voorlopige rangschikking van het geoogste aardappelpootgoed, toegekend bij het laatste veldkeuringsbezoek, moet worden bevestigd door de resultaten van de virologische onderzoeken in het laboratorium. Die onderzoeken worden uitgevoerd met de ELISA-methode.

Als de normen voor klasse E en A onderzocht moeten worden, kan gebruikgemaakt worden van PCR-testen.

Ten minste de volgende onderzoeken moeten worden uitgevoerd :

TE ONDERZOEKEN VIRUSSEN

VOORLOPIG TOEGEKENDE CATEGORIE EN KLASSE

prebasispoot- goed

basispootgoed

gecertificeerd pootgoed

S

SE

E

A B

(1)

(2)

(3)

(4)


AARD VAN DE TEST (5) (6) (7)

bladrol (PLRV)

T

T

t

t

t

t

t

t

virus A (PVA)

T

t

t

t

t

t

-

-

virus M (PVM)

T

t

t

t

t

t

-

-

virus S (PVS)

T

T

T

T

-

-

-

-

virus X (PVX)

T

T

T

T

T

T

-

-

virus Y (PVY)

T

T

T

T

T

T

T

T


(1) E, bestemd om opnieuw E voort te brengen (2) E, bestemd om A voort te brengen (3) A, bestemd om opnieuw A voort te brengen (4) A, niet bestemd om pootgoed voort te brengen (5) T, ELISA-methode verplicht;indien de normen voor de klassen E en A onderzocht dienen te worden, mag ook gebruik gemaakt wordt van PCR-testen (6) t : virologisch onderzoek facultatief (steekproefsgewijs) (7) - : geen onderzoek De bevoegde entiteit kan beslissen om monsters die afkomstig zijn van twijfelachtige vermeerderingspercelen, te onderwerpen aan de onderzoeken die ze nodig acht. De test op bladrol (PLRV) gebeurt enkel bij bladrolgevoelige rassen (de bevoegde entiteit stelt jaarlijks een lijst op) en bij de oogst van vermeerderingspercelen waarop bij de veldkeuring bladrol is vastgesteld.

De inschrijvingsnemer mag een bemonstering vragen om een attest te verkrijgen over de gezondheidstoestand van het aardappelpootgoed. 5.3 Hergroei Als bij het rooien hergroei wordt vastgesteld bij meer dan 0,5 % van de struiken, neemt de controleur nieuwe monsters op het veld, zoals hierboven bepaald. Die monsters vervangen de eerder genomen monsters. 5.4 Normen Bij de virologische testen zijn de onderstaande toleranties van toepassing (zie tabel).

De rangschikking vindt plaats op basis van die toleranties.

Als verschillende analyses uitgevoerd worden met dezelfde methode, wordt het gemiddelde van de uitslagen in aanmerking genomen.

De partij wordt geweigerd als tijdens de opkweek in de serre voor de virologische testen rasonzuiverheden of planten met vervormd loof worden waargenomen.

VIRUSSEN CATEGORIE/ KLASSE

PLRV %

PVA %

PVM %

PVS %

PVX %

PVY %

TOTAAL %

prebasispootgoed

0,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,5

0,5

basispootgoed S

0,5

X

X

0,0

0,5

0,5

1,0

basispootgoed SE

1,0

X

X

1,0

1,0

1,0

2,0

basispootgoed E

2,0

X

X

X

2,0

2,0

3,0

gecert.pootgoed A

4,0

X

X

X

X

6,0

6,0

gecert.pootgoed B

5,0

X

X

X

X

10,0

10,0


X = geen onderzoek 5.5 Beroepsmogelijkheden Als de inschrijvingsnemer de resultaten van de virologische test betwist, kan hij binnen vijf werkdagen schriftelijk een nieuwe analyse aanvragen bij de bevoegde entiteit. Voor de nieuwe analyse neemt de controleur nieuwe monsters als de partij duidelijk geïdentificeerd is, zoals in punt 6.1. De testen moeten uitgevoerd worden in een officieel laboratorium, zoals bepaald in 1.1.5.

Bij een nieuwe analyse kunnen de testen beperkt blijven tot het kenmerk dat aan de basis ligt van het ongunstige resultaat als er geen interactie mogelijk is met de andere kenmerken en op voorwaarde dat de oorspronkelijke analyse heeft aangetoond dat de andere virussen niet aanwezig zijn.

Als uiteindelijk resultaat van de virologische test wordt het gemiddelde genomen van de resultaten van de betwiste en nieuwe analyse, als dezelfde methode gebruikt is.

Als voor de nieuwe analyse gebruikgemaakt wordt van een PCR-test kan de partij alleen gecertificeerd worden in de klasse basispootgoed (bestemd voor de productie van gecertificeerd pootgoed) of gecertificeerd pootgoed. HOOFDSTUK 6. - Toezicht op het brutoaardappelpootgoed 6.1 Algemene bepalingen Alle nodige maatregelen moeten getroffen worden opdat : - de pootgoedpartij duidelijk geïdentificeerd is; - geen enkele mogelijkheid tot besmetting of niet-geoorloofde vermenging bestaat; - de verwisseling van partijen onmogelijk is.

De inontvangstname en de opslag vallen altijd onder de verantwoordelijkheid van de inschrijvingsnemer.

De inschrijvingsnemer die brutopartijen aardappelpootgoed afstaat aan een ander bevoegde persoon, bevestigt dat in een geschreven verklaring die hij afgeeft aan de bevoegde entiteit bij de inontvangstname van het brutopootgoed.

De inschrijvingsnemer brengt de dossierverantwoordelijke van de bevoegde entiteit van de streek waar het aardappelpootgoed in ontvangst wordt genomen, op de hoogte van het begin van de werkzaamheden. 6.2 Oogst - inontvangstname - opslag en vervoer van brutopartijen pootgoed De oogst, het vervoer, de inontvangstneming, het drogen en het reinigen van brutopartijen aardappelpootgoed vinden plaats onder de verantwoordelijkheid van de inschrijvingsnemer. Elke aanvoer of afvoer van brutopartijen of half afgewerkte partijen pootgoed in of uit de opslag of de installaties van de producent-bereider of de persoon die zorgt voor de opslag, die handelt voor rekening van de inschrijvingsnemer, moet door de inschrijvingsnemers genoteerd worden op een steekkaart.

De steekkaart moet bewaard worden op dezelfde locatie als het pootgoed en moet ter beschikking gehouden worden van de bevoegde entiteit.

Elke bewerking, alsook het transport, wordt op die steekkaart vermeld.

Bij iedere transfer van brutopartijen of half afgewerkte partijen aardappelpootgoed in of uit de opslagplaats of de inrichting wordt een ondertekend afschrift van de steekkaart, zoals die op dat moment is ingevuld, bij de partijen aardappelpootgoed gevoegd, en zijn de partijen door een officieel certificaat of een etiket van de leverancier geïdentificeerd.

De producent-bereider of de bereider die de oogst opslaat, moet een plan van de opslagruimte opmaken. Op aanvraag van de bevoegde entiteit legt hij dat plan voor met opgave van de ligging van de partijen aardappelpootgoed.

De partijen worden duidelijk geïdentificeerd en zodanig gestapeld dat hun identiteit bewaard blijft.

Bij de brutopartijen aardappelpootgoed die afkomstig zijn van teelten in een ander gewest, een ander EG-land of een land met een gelijkstellingssysteem, waarvan de veldkeuring door de gewestelijke of buitenlandse keuringsdienst is verricht, moeten officiële documenten (veldkeuringsverslagen, transportdocumenten,/...) gevoegd zijn die afgeleverd zijn door de instantie, bevoegd voor de pootgoedcertificering van het gewest of land in kwestie, waaruit blijkt dat het aardappelpootgoed gekeurd is volgens de gangbare gemeenschappelijke regelgeving. Na de inontvangstname wordt ook een steekkaart opgesteld door de inschrijvingsnemer.

De inschrijvingsnemers zorgen ervoor dat kopieën van de veldkeuringsverslagen, alsook andere aanvullende brieven, ter beschikking worden gehouden op de plaatsen waar de partijen in ontvangst worden genomen en waar ze worden opgeslagen. Hetzelfde geldt voor de officiële transportdocumenten en de officiële certificaten waardoor het binnengebrachte en ingevoerde aardappelpootgoed is gedekt.

Voor transport naar derden moet de bevoegde entiteit toestemming verlenen. 6.3 Bereiding Alleen brutopartijen aardappelpootgoed die in ontvangst genomen zijn overeenkomstig de hierboven vermelde voorwaarden, komen in aanmerking voor officiële goedkeuring.

Ze worden bereid onder een productienummer.

Het is verboden pootgoed ter goedkeuring aan te bieden dat scheikundig behandeld is met een product dat daarvoor niet is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. 6.4 Terugtrekking Behalve het triageafval en de buitenmaatse knollen mag zowel het brutopootgoed als het getrieerde aardappelpootgoed aan de keuring worden onttrokken als de bevoegde entiteit een schriftelijke verklaring opmaakt met vermelding van de bestemming van het teruggetrokken aardappelpootgoed. 6.5 Aardappelpootgoed voor eigen gebruik Landbouwers die aardappelpootgoed dat aan het virologische onderzoek voldoet, willen gebruiken op het eigen bedrijf, hoeven geen officiële goedkeuring (certificering) aan te vragen. De bevoegde entiteit zal hen een officiële verklaring ter beschikking stellen. De partijen moeten wel afzonderlijk opgeslagen worden. De inschrijvingsnemer moet op verzoek van de bevoegde entiteit aan de hand van een plan van het bedrijf duidelijk kunnen aangeven waar de partijen zich bevinden. HOOFDSTUK 7. - Officiële goedkeuring (certificering) 7.1 Triage, bemonstering en rangschikking De bereider mag alleen aardappelpootgoed ter goedkeuring aanbieden dat afkomstig is van teelten die met succes de voorgeschreven controles hebben ondergaan en die beantwoorden aan de vastgestelde normen voor het ras, de categorie en klasse waarin het aardappelpootgoed moet worden goedgekeurd.

Twee werkdagen voor de triage aanvangt, moet de bereider de bevoegde entiteit verwittigen.

Een partij aardappelpootgoed wordt voorlopig gerangschikt op basis van de genealogische afstamming, de rangschikking van de teelt waarvan de partij afkomstig is, en, in sommige gevallen, de wens van de kweker, de instandhouder of zijn mandataris.

Van de partijen aardappelpootgoed, aangeboden ter goedkeuring, kunnen monsters genomen worden om na te gaan of ze aan de normen beantwoorden.

Een gemiddeld monster van 120 knollen per partij, bestemd voor de postcontrole, wordt tijdens het certificeren genomen. Dat monster wordt gecertificeerd zoals het aangenomen pootgoed en verstuurd volgens de instructies van de bevoegde entiteit. 7.2 Certificering De officiële goedkeuring en de definitieve rangschikking van de partij aardappelpootgoed is ten hoogste die welke werd toegekend tijdens de veldkeuring of eventueel die welke voortvloeit uit de virologische onderzoeken en de toepassing van de normen, vermeld in 7.2.1.

Als bij de veldkeuring van een vermeerderingsperceel, bestemd voor de productie van basispootgoed E, bacteriezieke planten aangetroffen zijn, moet een representatief monster bij laboratoriumonderzoek nagenoeg vrij zijn van Dickeya spp. om de partij te certificeren als basispootgoed E. Bij de keuring gaat de controleur na of de partij voldoet op basis van een representatief monster. Ten minste 0,5 % van de verpakkingen wordt gecontroleerd.

Een partij is een hoeveelheid aardappelpootgoed, klaar voor de handel, van hetzelfde ras, dezelfde categorie, dezelfde klasse, hetzelfde kaliber en dezelfde oorsprong en met hetzelfde productienummer.

De partij moet homogeen zijn, dat wil zeggen eenvormig in samenstelling en in uitzicht. 7.2.1 Normen 7.2.1.1 Raszuiverheid Het aantal knollen die duidelijk niet tot het ras behoren, mag niet hoger zijn dan : - 0,00 % voor prebasispootgoed; - 0,01 % voor basispootgoed S; - 0,05 % voor basispootgoed SE; - 0,10 % voor gecertificeerd pootgoed.

Pootgoed van instandhoudingsrassen moet voldoende raszuiver zijn. 7.2.1.2 Gezondheidstoestand en diverse gebreken 1) aanwezigheid van al dan niet aanklevende aarde en andere vreemde lichamen : 1 % in gewicht; 2) droog- en natrot - veroorzaakt door Synchytrium endobioticum, Clavibacter michiganensis spp.sepedonicus of Ralstonia solanacearum Smith : 0 % van het gewicht - droogrot : 0,5 % van het gewicht; - natrot : sporadisch (0,1 % van het gewicht); 3) uitwendige gebreken (b.v. misvormde of gekwetste knollen, groene knollen, velvastheid) : 3 % van het gewicht; 4) schurft : de referentie is die van de fotografische schaal, geleverd door de bevoegde entiteit - gewone schurft (Streptomyces spec.) : maximale tolerantie voor alle klassen : 2,5 op deze schaal - oppervlakkige schurft en graslandschurft : maximale tolerantie voor alle klassen : 3,5 op deze schaal Partijen waarvan de schurftaantasting groter is dan de hierboven opgegeven tolerantie en minder dan 5 % van het gewicht een aantasting heeft tot meer dan een derde van de oppervlakte, kunnen toch verhandeld worden, op voorwaarde dat er een gemeenschappelijke verklaring opgesteld wordt waaruit blijkt dat zowel de leverancier als de eindgebruiker ervan op de hoogte is dat aan de schurfttolerantie niet voldaan is. Die verklaring moet opgesteld zijn door de bereider; 5) een partij die ter keuring aangeboden wordt, mag geen slappe knollen of knollen die zeer gerimpeld zijn door zilverschurft (Helminthosporium solani), bevatten;6) het aardappelpootgoed moet vrij zijn van Globodera rostochiensis en Globodera pallida, en van Meloïdogyne chitwoodi, Meloïdogyne fallax en Ditylenchus destructor;7) Rhizoctonia (Rhizoctonia solani) : de referentie is die van de fotografische schaal, geleverd door de bevoegde entiteit. Maximale tolerantie voor lichte besmetting (% knollen) : - klassen S en SE : 10 %; - klasse E, A en B : 25 %.

Opmerking : De knollen die een matige of zware besmetting door Rhizoctonia solani vertonen, moeten verwijderd worden; 8) knollen met symptomen van YNTN-virus : - prebasispootgoed en basispootgoed S : 0 % van het gewicht; - basispootgoed SE : 0,1 % van het gewicht; - basispootgoed E en gecertificeerd pootgoed : 0,5 % van het gewicht; 9) poederschurft (Spongospora subterranea) : - prebasispootgoed en basispootgoed S : 0 % van het gewicht; - basispootgoed SE : 0,2 % van het gewicht; - basispootgoed E en gecertificeerd pootgoed* : 0,25 % van het gewicht; (* knollen die voor ten minste een derde van hun oppervlakte aangetast zijn). 10) partijen met gerimpelde, uitgeputte, uitgedroogde of voortijdig gekiemde knollen worden afgekeurd.11) twijfelachtige partijen worden door de controleur van de bevoegde entiteit in quarantaine geplaatst, onder meer : - partijen waarin door Fusarium aangetaste knollen voorkomen; - partijen waarin bevroren knollen voorkomen; - partijen die licht aangetast zijn door natrot en, in het algemeen, elke partij die symptomen van rotting vertoont; deze partijen worden alleen aanvaard als ze bij een nieuw onderzoek aan de normen beantwoorden; 12) de partijen die een behandeling hebben ondergaan met een middel dat het kiemvermogen definitief verhindert of vermindert, worden geweigerd.De toelating tot een behandeling met erkende middelen die het kiemvermogen tijdelijk verminderen, moet gemeld worden bij de bevoegde entiteit. 7.2.1.3 Potersmaten De opgegeven maten zijn de maten van de gebruikte zeven en van de controleapparatuur.

De knollen moeten aan de volgende eisen beantwoorden : - Het kaliber bedraagt minstens 25 mm (vierkante mazen). - Het maximumverschil in doorsnee tussen de knollen van een partij is 25 mm. - Vanaf een kaliber van 35 mm of hoger moeten de getallen die het minimum- en maximumkaliber aangeven een veelvoud van 5 zijn. - Op schriftelijk verzoek kunnen andere kalibers door de bevoegde entiteit worden toegestaan, onder meer in geval van uitvoer.

Toleranties - ondermaatse knollen : maximaal 3 % in gewicht; - bovenmaatse knollen : maximaal 3 % in gewicht; - totaal buitenmaat : maximaal 5 % in gewicht.

De eisen voor de kalibrering worden niet toegepast op het prebasispootgoed-CT en op pootgoed voor instandhoudingsrassen. 7.3 Officieel goedgekeurde partijen 7.3.1 Officiële certificaten Elke verpakking die aardappelpootgoed bevat, moet uitwendig voorzien zijn van een officieel certificaat dat goedgekeurd is door de bevoegde entiteit. Dat certificaat moet zodanig vastgehecht zijn dat het onmogelijk door een ander kan worden vervangen en dat het niet opnieuw kan worden gebruikt. Certificaten zijn uit onscheurbaar materiaal. Als het certificaat voorzien is van een oogje, moet het officieel verzegeld worden.

De bevoegde entiteit reikt alleen certificaten uit als ze in het bezit is van gunstige ontledingsuitslagen van de virologische en bacteriologische onderzoeken.

De verpakkingen zijn voorzien van een officieel certificaat, waarop minstens de volgende gegevens vermeld zijn : - naam van de bevoegde entiteit - België; - « EG-systeem »; - land van oorsprong (producerend land); - « Solanum tuberosum »; - ras; - categorie en klasse; - kaliber; - gewicht; - al of niet ontsmet; - identificatie van de partij; - erkenningsnummer van de leverancier; - datum officiële bemonstering of officiële sluiting (maand - jaar); - « EU-plantenpaspoort », en zo nodig de beschermde zone waarin het pootgoed is toegelaten.

Eventueel kan aan het basispootgoed de vermelding van de communautaire klasse worden toegevoegd : EG1, EG2 of EG3 naargelang van het geval.

Bij rassen die in procedure van inschrijving zijn op de nationale catalogus en waarvoor toestemming werd is om partijen ervan in de handel te brengen (zie punt 1.5.2.), moeten de volgende gegevens ook op het certificaat vermeld worden : - bij de rasbenaming : de referentie van de kweker, de voorgestelde benaming of de goedgekeurde benaming en, in voorkomend geval, het officiële nummer van de aanvraag tot opname van het ras in de nationale catalogus; - « nog niet in de officiële lijst opgenomen ras »; - « alleen voor proeven »; - de maat.

Daarenboven moet in geval van chemische behandeling de naam van elke actieve stof van de gebruikte middelen vermeld worden op het etiket van de leverancier of op de verpakking/container. In dat laatste geval zal de leverancier een schriftelijke verklaring naar de bevoegde entiteit opsturen, waarop staat dat hij de vermelde actieve stof onder zijn eigen verantwoordelijkheid gebruikt.

Bij aardappelpootgoed van een ras dat genetisch gemodificeerd is, wordt op elk officieel certificaat dan wel ander etiket of document vermeld dat het ras genetisch gemodificeerd is, door « ggo » aan de rasnaam toe te voegen.

De bevoegde entiteit kan op aanvraag en na vaststelling van de voorwaarden, afwijkingen bepalen voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden aan de eindgebruiker, wat betreft verpakking, sluitingssysteem en aanduiding. 7.3.2. Aflevering van certificaten In principe worden officiële certificaten ingevuld door de bevoegde entiteit. 7.3.2.1. Invullen van officiële certificaten die ter beschikking gesteld zijn door de bevoegde entiteit De bereider mag de door de bevoegde entiteit ter beschikking gestelde certificaten met de eigen apparatuur invullen op voorwaarde dat hij zich jaarlijks ertoe verbindt de onderstaande voorwaarden correct na te leven. De verbintenis eindigt bij de teruglevering van de certificaten of bij de vaststelling van zware tekortkomingen.

De volgende voorwaarden gelden : - de ter beschikking gestelde certificaten worden uitsluitend gebruikt voor producten die op het eigen bedrijf verpakt worden. In geen geval mogen die certificaten aan derden doorgegeven of ter beschikking gesteld worden; - de bereider is verplicht dagelijks een register bij te houden waarin de nummers van de binnenkomende en uitgaande certificaten worden geregistreerd, samen met de partijen die ze identificeren en de overeenkomende hoeveelheden. Dat register moet op elk moment ter beschikking gehouden worden van de dossierbehandelaars; - de partijen die voorzien zijn van certificaten, maar nog niet definitief aanvaard zijn door de bevoegde entiteit omdat er geen gunstige ontledingsuitslag is, moeten in het eigen magazijn goed herkenbaar opgeslagen blijven tot ze definitief aanvaard zijn.

Elke zware tekortkoming aan de hiervoor vermelde verplichtingen kan de onmiddellijke intrekking van de toelating tot gevolg hebben en eventueel elke andere sanctie waarin de regelgeving voorziet ten opzichte van de wettelijke verantwoordelijke van het bedrijf. De voorraad van de nog niet gebruikte documenten zal onmiddellijk teruggevorderd worden. 7.3.2.2. Aanmaken en invullen van eigen certificaten De bereider mag zelf het materiaal voor de certificaten aanschaffen en ze volledig zelf aanvullen met een door de bevoegde entiteit ter beschikking gesteld logo en alle reglementaire rubrieken, vermeld in punt 7.3.1., op voorwaarde dat hij zich jaarlijks ertoe verbindt de onderstaande voorwaarden correct na te leven.

De volgende voorwaarden gelden : - de afmetingen van het te drukken certificaat zijn minimaal 110 mm X 67 mm; - een model van het te drukken certificaat wordt ter goedkeuring aan de bevoegde entiteit voorgelegd; - certificaten mogen alleen gedrukt worden voor partijen die op het eigen bedrijf verpakt worden; - alle certificaten worden bij het drukken individueel genummerd volgens een door de bevoegde entiteit vastgelegd formaat : - lettercode voor het bedrijf (wordt toegekend door de bevoegde entiteit); - lettercode voor het seizoen (wordt toegekend door de bevoegde entiteit); - volgnummer van zes cijfers; - aparte nummering voor elk type certificaat; - de bereider is verplicht dagelijks een register bij te houden waarin de nummers van de aangemaakte certificaten worden geregistreerd, samen met de partijen die ze identificeren en de overeenkomende hoeveelheden. Dat register moet op elk moment ter beschikking gehouden worden van de controleurs; - de partijen die voorzien zijn van certificaten, maar nog niet definitief aanvaard zijn door de bevoegde entiteit (nog geen gunstige ontledingsuitslag), moeten in het eigen magazijn - goed herkenbaar opgeslagen blijven tot ze definitief aanvaard zijn.

Als de bereider op het officiële certificaat bijkomende informatie wil aanbrengen waarin deze regelgeving niet voorziet, die niet geverifieerd is door de bevoegde entiteit (bijvoorbeeld barcode, chemische behandeling,/...), moet hij dat doen in een ruimte die duidelijk van de officiële vermeldingen is afgescheiden door bijvoorbeeld een neutrale kleur te gebruiken of de vermeldingen te laten voorafgaan door de formule 'volgens verklaring'. Uiteraard is geen enkele vorm van publiciteit toegelaten op de officiële certificaten.

Elke zware tekortkoming aan de hiervoor vermelde verplichtingen kan de onmiddellijke intrekking van de toelating tot gevolg hebben en eventueel elke andere sanctie waarin de regelgeving voorziet ten opzichte van de wettelijke verantwoordelijke van het bedrijf. 7.3.3. Leveranciersetiketten 7.3.3.1. Labels voor kleine verpakkingen Een vereenvoudigd etiket van de leverancier waarop relevante gegevens zijn aangebracht, wordt gebruikt voor kleine verpakkingen van de klasse gecertificeerd pootgoed.

Dat etiket is niet nodig als de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht. 7.3.3.2. Aardappelpootgoed van instandhoudingsrassen Bij aardappelpootgoed van instandhoudingsrassen moet de verantwoordelijke de verpakkingen voorzien van een eigen etiket of van een gedrukte of gestempelde tekst met de volgende gegevens : - « EG-voorschriften en -normen »; - de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; - het jaar van sluiting, aangegeven als volgt : « gesloten in/... » (jaar); - de soort; - de benaming van het instandhoudingsras; - 'Instandhoudingsras'; - het gebied van oorsprong; - als het gebied van de pootgoedteelt niet het gebied van oorsprong is, de aanduiding van het teeltgebied; - het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; - het opgegeven netto- of brutogewicht. 7.3.4 Kleur van de certificaten De certificaten hebben de volgende kleur :

a) grijs :

brutopartijen; b) wit met paarse diagonale streep :

prebasispootgoed; c) wit :

basispootgoed S, SE en E; d) blauw :

gecertificeerd pootgoed A en B.

Bij rassen die in procedure van inschrijving zijn op de nationale catalogus en waarvoor toestemming werd gegeven om partijen ervan in de handel te brengen (zie punt 1.5.2), is de kleur van het certificaat oranje. 7.3.5 Officiële sluiting 7.3.5.1 Algemene bepalingen Aardappelpootgoed wordt verpakt in een nieuwe verpakking of gereinigde container.

De verpakkingen of containers worden officieel gesloten zodat ze niet geopend kunnen worden zonder dat het sluitingssysteem beschadigd wordt of zonder dat de certificaten of de verpakking sporen van manipulatie vertonen.

De verpakkingen of containers worden verzegeld.

Die verzegeling is echter niet noodzakelijk bij zakken met genaaide sluiting. Daarbij moet het al dan niet zelfklevende scheurvrije document dat geen enkele voorafgaande perforatie vertoont, in de lengte worden vastgehouden in de sluitingsnaad van de verpakking. Elk document dat sporen vertoont van meer dan één sluitingsnaad, beantwoordt niet aan de reglementering.

Na de definitieve goedkeuring en sluiting kan de bevoegde entiteit aanvullende monsters nemen. 7.3.3.2 Het opslaan van goedgekeurd aardappelpootgoed in niet-definitieve verpakkingen Partijen pootgoed waarvan een gunstige uitslag bekend is en die niet definitief verpakt zijn, worden als definitief goedgekeurd beschouwd als ze onder toezicht van de bevoegde entiteit opgeslagen worden. De partijen moeten behandeld en officieel gesloten worden onder toezicht van een controleur. 7.3.3.3 Los vervoer van goedgekeurd aardappelpootgoed Het losse vervoer van goedgekeurd aardappelpootgoed in vrachtwagens of recipiënten van de ene bereider naar de andere is toegestaan onder de volgende voorwaarden : a) de controles bij het laden en bij de inontvangstname zijn minstens één werkdag op voorhand aangevraagd bij de bevoegde entiteit;b) de vracht- of aanhangwagens zijn zuiver bij het laden;c) bij vervoer van het aardappelpootgoed, ofwel van het bedrijf van de ene bereider naar dat van een andere bereider, ofwel naar de eindgebruiker, worden de vracht- of aanhangwagens voorzien van een sluitingssysteem dat gesloten kan worden zodat er geen enkele mogelijkheid bestaat de inhoud te wijzigen zonder dat de verzegeling sporen van manipulatie vertoont.De certificaten worden vastgemaakt aan de verzegeling van de vracht- of aanhangwagen zodat die niet verbroken kan worden, en er wordt een vervoersmachtiging opgesteld.

Als het aardappelpootgoed ter plaatse wordt afgehaald door de eindgebruiker of door een derde die handelt in zijn naam, is de aanwezigheid van een controleur van de bevoegde entiteit niet vereist en hoeft er geen vervoersmachtiging te worden opgemaakt. De certificaten worden vastgehecht aan de leveringsbon waarop hun nummers zijn vermeld.

Het exacte gewicht, alsook de naam van de ontvanger, moet vermeld zijn op het certificaat; d) de naam van de ontvanger, de nummers van de certificaten en het gewicht van het verkochte lot worden vervolgens vermeld op de steekkaart;e) de aanwezigheid van een controleur bij het lossen is niet nodig als de geadresseerde de eindgebruiker van het aardappelpootgoed is.Die mag het pootgoed niet afstaan aan derden; f) het losse vervoer naar een andere EG-lidstaat is alleen mogelijk als er een algemeen voorafgaand akkoord bestaat met de betreffende keuringsdienst van die lidstaat.Dat akkoord is niet nodig als de ontvanger de eindgebruiker is. 7.4 Geweigerde partijen Partijen aardappelpootgoed die niet aan de voorschriften van dit reglement beantwoorden, worden geweigerd. De landbouwer meldt aan de bevoegde entiteit welke bestemming de partijen die geweigerd zijn, krijgen. Er mag met die partijen niets gebeuren zonder dat de bevoegde entiteit daarvan vooraf op de hoogte gebracht is.

Bij betwisting van de uitslag van het monster kan de bereider binnen vijf werkdagen een aanvullend onderzoek aanvragen bij de bevoegde entiteit. De nieuwe ontleding wordt uitgevoerd op monsters die genomen zijn uit de partij.

De eigenaar van een partij mag in beroep gaan tegen een beslissing van weigering. In dat geval moet hij de controleur daarvan op de hoogte brengen op het ogenblik dat de beslissing genomen wordt. 2 % van de verpakkingen wordt gelood. HOOFDSTUK 8. - Bewerkingen van partijen aardappelpootgoed 8.1 Splitsen Partijen aardappelpootgoed kunnen alleen gesplitst worden op aanvraag en onder toezicht van een controleur.

Partijen aardappelpootgoed mogen gesplitst worden in alle stadia die aan het gebruik voorafgaan.

Gesplitste partijen officieel gecertificeerd aardappelpootgoed worden van nieuwe certificaten voorzien waarop dezelfde vermeldingen staan als op de oorspronkelijke certificaten, aangevuld met : - de datum van de nieuwe sluiting; - de bevoegde entiteit die de voorgaande sluiting heeft verricht. 8.2 Verdelen in kleine verpakkingen Aardappelpootgoed van de klasse gecertificeerd pootgoed, dat opgeborgen is in verpakkingen die voorzien zijn van officiële certificaten, mag in kleine verpakkingen ondergebracht worden waarvoor in bepaalde gevallen specifieke etiketteringsvoorschriften gelden.

Elke verpakking die voorzien is van het voorgeschreven document (8.3.1.1, 8.3.1.2 en 8.3.1.3) van maximaal 5 kg gecertificeerd pootgoed wordt beschouwd als kleine verpakking.

Het sluitsysteem van de kleine verpakkingen moet zo aangebracht worden dat elke opening of beschadiging vastgesteld kan worden.

Het onderbrengen in kleine verpakkingen mag alleen uitgevoerd worden door natuurlijke of rechtspersonen die daartoe vooraf erkend zijn door de bevoegde entiteit (zie punt 1.2.2.3.c ). De verpakker moet elk jaar de bevoegde entiteit op de hoogte brengen van de aanvang en van de beëindiging van de werkzaamheden van het onderbrengen in kleine verpakkingen. 8.3.1 Documenten 8.3.1.1 Document dat opgesteld is door de verpakker De kleine verpakkingen worden aan de buitenkant of de binnenkant, als ze doorschijnend zijn of als ze bestaan uit kleine mazen waar het document niet door kan, voorzien van een document waarop de volgende gegevens vermeld staan : - erkenningsnummer van de verpakker; - "aardappelpootgoed"; - naam van het ras; - categorie en klasse; - nettogewicht bij het verpakken; - in voorkomend geval : "chemisch behandeld". 8.3.1.2 Label Behalve het bovenvermelde document moet op de kleine verpakkingen een met officieel of een door de bevoegde entiteit goedgekeurd certificaat met een volgnummer of een vereenvoudigd etiket van de leverancier worden aangebracht, dat alle relevante gegevens bevat. Dat certificaat of etiket is niet nodig als de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht.

Op het label staan de volgende gegevens vermeld : - naam van de bevoegde entiteit - « België »; - « kleine verpakking »; - producerend land; - volgnummer; - « gecertificeerd pootgoed »; - « plantenpaspoort EU (Rp) », dat wil zeggen vervangingspaspoort.

Het label is blauw. 8.3.1.3 Gecombineerd document De bovenvermelde labels kunnen met het document van de verpakker gecombineerd worden. In dat geval dient de verpakker de aanvraag in bij de bevoegde entiteit en verbindt hij zich er schriftelijk toe alleen de aangegeven documenten te gebruiken. 8.3.2 Boekhouding Het onderbrengen in kleine verpakkingen moet bijgehouden worden in de boekhouding. De boekhouding moet aan de bevoegde entiteit voorgelegd kunnen worden op haar verzoek.

Ze moet de volgende gegevens bevatten : te splitsen verpakkingen : - ras; - referentienummer van de partij, met vermelding van het land waarvan de keuringsdienst de laatste certificering heeft uitgevoerd; - opgegeven nettogewicht; - nummers van de keuringsdocumenten die de te splitsen verpakkingen dekken; - de categorie en klasse van het pootgoed; kleine verpakkingen : - datum van het onderbrengen in kleine verpakkingen; - het aantal kleine verpakkingen per gewichtscategorie; - nummers van de labels of van de gecombineerde documenten. 8.3 Herverpakken Het onderbrengen in nieuwe kleine verpakkingen van aardappelpootgoed dat al verpakt is in een kleine verpakking, is niet toegestaan, tenzij de bevoegde entiteit daartoe voorafgaandelijk haar akkoord heeft verleend. Die handeling moet dan onder toezicht van de bevoegde entiteit uitgevoerd worden. 8.4 Officieel goedgekeurde partijen ontloden Bereiders brengen de bevoegde entiteit ervan op de hoogte dat officieel goedgekeurde partijen niet meer verhandeld zullen worden als aardappelpootgoed. De bestemming van de partijen moet opgegeven worden en de gebruikte certificaten moeten ter beschikking gesteld worden van de bevoegde entiteit. HOOFDSTUK 9. - Postcontroleveld De monsters, genomen na het rooien bij de inontvangstname en de opslag (6.1) en de monsters, genomen tijdens de certificering (7.1), worden uitgeplant op het postcontroleveld. Het doel van dat controleveld is na te gaan of het in de handel gebrachte pootgoed aan de Europese en Vlaamse certificeringseisen voldoet. Ook binnengebrachte moederpartijen kunnen op het controleveld uitgeplant worden.

De uitgeplante partijen worden aan de volgende tellingen onderworpen : - het aantal viruszieke planten (bladrol, zware mozaïek, lichte mozaïek); - het aantal bacteriezieke planten (Pectobacterium spp. en Dickeya ssp.); - het aantal aantastingen door Rhizoctonia solani; - het aantal verwelkte planten en het aantal off-types. HOOFDSTUK 1 0. - Invoer 10.1 Pootgoed, ingevoerd vanuit een E.U.-lidstaat 10.1.1 Bruto- of half afgewerkte partijen Het invoeren van bruto- of half afgewerkte partijen aardappelpootgoed met het oog op de bewerking ervan in het Vlaamse Gewest is toegestaan op grond van waarborgen, verleend door de buitenlandse entiteit die bevoegd is voor keuring en certificering. Eventueel worden aanvullende virologische testen uitgevoerd. Het aardappelpootgoed wordt dan verder behandeld zoals bepaald in hoofdstuk 7.

Bij teeltmateriaal van rassen die noch op de gemeenschappelijk rassenlijst noch op de nationale catalogus voorkomen, moet het bewijs geleverd worden dat ze, naargelang van het geval, na vermeerdering of triage bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land. 10.1.2 Definitief goedgekeurd aardappelpootgoed Controle bij het invoeren is niet verplicht voor producten die in het vrije verkeer zijn in de Europese Gemeenschap, tenzij het materiaal in bulk word ingevoerd. 10.2 Aardappelpootgoed, ingevoerd vanuit derde landen De formaliteiten voor de invoer van aardappelpootgoed zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 22 september 1993 tot regeling van de invoer en het binnenbrengen van zaaizaden en pootgoed van sommige plantensoorten en van teeltmateriaal van bosbouwsoorten.

De fytosanitaire voorschriften moeten nageleefd worden.

De Administratie van de Douane mag alleen aardappelpootgoed tot de invoer toelaten als een door de bevoegde entiteit afgeleverd controlecertificaat voorgelegd kan worden, waaruit blijkt dat het aardappelpootgoed voldoet aan de voorwaarden, opgenomen in de beschikkingen van de Europese Gemeenschap over de gelijkstelling van in derde landen geproduceerde pootaardappelen.

Bij gebrek aan gelijkstelling moet de bevoegde entiteit geraadpleegd worden. De invoer kan toegestaan worden als het aardappelpootgoed aan een van de volgende voorwaarden voldoet : - het behoort tot een ras dat deelneemt aan de officiële proeven met het oog op inschrijving op de nationale catalogus, en het is bestemd om aan de voormelde officiële proeven deel te nemen; - het is bestemd voor veredelingsdoeleinden of wetenschappelijke doeleinden; - het is bestemd voor vermeerdering door de mandataris onder toezicht van de bevoegde entiteit; - het is bestemd voor wederuitvoer naar derde landen.

In alle voormelde gevallen moet het bewijs worden geleverd, dat bij het invoerdocument gevoegd moet worden.

Hoodstuk 11 : Keuring van aardappelpootgoed dat bestemd is voor uitvoer De producten worden gekeurd volgens de regels die gelden voor het Vlaamse aardappelpootgoed in de inrichtingen van een erkende bereider.

Voor aardappelpootgoed dat behoort tot een ras dat niet op de gemeenschappelijke noch op de nationale rassenlijst staat en dat bestemd is voor de uitvoer naar derde landen, moet de inschrijvingsnemer de verbintenis aangaan om het gecertificeerde aardappelpootgoed niet in de Europese Gemeenschap te verhandelen.

Op aanvraag van de uitvoerder kan de keuring uitgevoerd worden volgens andere criteria om tegemoet te komen aan de overeengekomen handelsverplichtingen of om in overeenstemming te zijn met de reglementering die in het invoerende land van kracht is.

In die gevallen worden eventueel bijzondere documenten gebruikt.

Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 1 juli 2011 tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van aardappelpootgoed Brussel, 1 juli 2011.

De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, K. PEETERS _______ Nota (1) Dit besluit van de Vlaamse Regering werd onlangs gewijzigd zie het besluit van de Vlaamse Regering van 21 januari 2011 (Belgisch Staatsblad, 10 februari 2011).

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^