Ministerieel Besluit van 05 november 2015
gepubliceerd op 14 december 2015
Justitie digitaliseren: Call to Contribution

Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen

bron
vlaamse overheid
numac
2015036512
pub.
14/12/2015
prom.
05/11/2015
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2015036512

VLAAMSE OVERHEID

Landbouw en Visserij


5 NOVEMBER 2015. - Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen


De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Gelet op het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 4, 2°, a, b en c;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, artikel 4, 3°, 8, 10, tweede lid, 13, § 2, 15, 21 en 22;

Gelet op het ministerieel besluit van 1 juli 2011Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/07/2011 pub. 27/07/2011 numac 2011035605 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen;

Gelet op het voorstel van keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen van 27 mei 2015;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 1 juli 2015;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 18 juni 2015, bekrachtigd door de Interministeriële Conferentie Landbouwbeleid op 17 augustus 2015;

Gelet op advies 57.879/1/V van de Raad van State, gegeven op 28 augustus 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, Besluit :

Artikel 1.Het keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen, vermeld in artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 2.Het ministerieel besluit van 1 juli 2011Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/07/2011 pub. 27/07/2011 numac 2011035605 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement van pootaardappelen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 24 mei 2015 wordt opgeheven.

Art. 3.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.

Brussel, 5 november 2015.

De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 1 Keurings- en certificeringsreglement van pootaardappelen als vermeld in artikel 1 INLEIDING De controle op pootaardappelen wordt uitgevoerd door de officiële instanties in alle stadia van de productie tot het gebruik.

De kwaliteit van een partij pootaardappelen in zijn geheel, alsook de evolutie van deze kwaliteit in de tijd, behoren uitsluitend tot de verantwoordelijkheid van de operator die het materiaal verhandelt.

Elke overtreding van de bepalingen in dit reglement laat toe een vermeerderingsveld of een partij te deklasseren of te weigeren en de certificaten of etiketten terug te nemen. Daarnaast kunnen alle maatregelen genomen worden die bepaald zijn in het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid.

Voor de activiteiten die uitgevoerd worden door de officiële instanties, worden retributies aangerekend overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende vaststelling van de retributies voor de inschrijving van de rassen in de nationale rassencatalogi, voor de uitoefening van bepaalde beroepen in de sector van het plantaardige teeltmateriaal en voor de keuring van dat materiaal (rekening houdend met de geldende index) (1). HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen 1.1. Officiële instanties 1.1.1. bevoegde entiteit: het Departement Landbouw en Visserij. De verantwoordelijkheid van de bevoegde entiteit beperkt zich tot de uitvoering van controle en certificering op de wijze die in dit reglement wordt voorgeschreven. 1.1.2. toezichthouder: personen als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 tot uitvoering van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 betreffende de organisatie, de samenstelling en de werking van de Raad van het Fonds voor Landbouw en Visserij en tot vaststelling van het bijzonder reglement betreffende het beheer en van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten. 1.1.3. procesverantwoordelijke: het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat erop toeziet dat een proces verloopt zoals is voorgeschreven in de regelgeving. De procesverantwoordelijke is zowel verantwoordelijk voor het volledige beheer van het proces (tot en met goedkeuring tot `verdere behandeling facturatie') als voor alle procesgerelateerde dossiers, inclusief de Vlaamse invulling van het (Europees) beleidskader. 1.1.4. sectorverantwoordelijke: het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat zorgt voor de concrete organisatie en validatie van de dossiers binnen de sector van pootaardappelen (individuele dossiers nakijken opdat de output geldig is). De sectorverantwoordelijke geeft ook feedback over de procesactiviteiten en ondersteunt mee het beleid via adviesverlening, deelname aan intern en extern overleg en medewerking aan de opmaak van regelgeving. 1.1.5. keurmeester: het personeelslid van de bevoegde entiteit, dat de officiële controlewerkzaamheden die beschreven worden in dit reglement, uitvoert. De keurmeester verzamelt informatie door waarnemingen uit te voeren op het veld en in de firma's, en door monsters te nemen. De persoon beschikt over de nodige vakbekwaamheid, wat uit officiële examens gebleken is, haalt geen persoonlijk voordeel uit de controle, verbindt zich er schriftelijk toe alle reglementaire voorschriften na te leven en volgt de informatieve studiedagen die door de bevoegde entiteit worden georganiseerd. 1.1.6. officieel laboratorium: onafhankelijk laboratorium dat door de bevoegde entiteit wordt aangeduid om controles op de aanwezigheid van plantenziekten bij pootaardappelen uit te voeren volgens de gangbare internationale methoden.

Het laboratorium moet aan de volgende voorwaarden voldoen: 1) beschikken over een kwaliteitshandboek, opgesteld volgens de gangbare internationale methoden;2) beschikken over gekwalificeerd personeel en een persoon aanwijzen die verantwoordelijk is voor de instructies en de goede werking van de apparatuur.De studie- en beroepskwalificaties van het personeel en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(n) voor de uitvoering van de diensten, inzonderheid voor het toetsen van plantaardig materiaal op de aanwezigheid van pathogene ziekteverwekkers en het gebruik van virologische testen (ELISA of PCR testen), moeten voorgelegd worden; 3) zich ertoe verbinden: a) een boekhouding van de monsters en de ontledingsuitslagen bij te houden overeenkomstig het kwaliteitshandboek;b) de monsters gedurende minimaal zes weken vanaf ontvangst van de monsters ter beschikking te houden van de bevoegde entiteit;4) beschikken over de nodige lokalen en apparatuur om de ontledingen uit te voeren;5) een beschrijving voorleggen van de maatregelen die het laboratorium treft om de kwaliteit van de onderzoeken te waarborgen, en van de mogelijkheden die het biedt. 1.2. Operatoren in de pootaardappelsector 1.2.1. Verantwoordelijken voor de rassen: 1.2.1.1. kweker: natuurlijke persoon of rechtspersoon die via genealogische selectie een ras kweekt en ontwikkelt, en waarvan het ras tot de keuring is toegelaten (zie punt 1.5). 1.2.1.2. mandataris: natuurlijke persoon of rechtspersoon, aangewezen door de kweker, om in zijn naam te handelen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest als het een in Vlaanderen beschermd ras betreft. Het bewijs van de toegekende opdracht moet bij controle aan de bevoegde entiteit worden voorgelegd. 1.2.1.3. instandhouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de instandhouding van een ras. Voor in Vlaanderen beschermde rassen moet hij aangewezen zijn door de kweker.

Het bewijs van de toegekende bevoegdheden moet bij controle aan de bevoegde entiteit worden voorgelegd. 1.2.2. Verantwoordelijken voor de productie en de handel: 1.2.2.1. inschrijver: bevoegde natuurlijke persoon of rechtspersoon die teelten voor de productie van pootaardappelen ter keuring aanbiedt. 1.2.2.2. producent: natuurlijke persoon (landbouwer) of rechtspersoon (landbouwbedrijf) die zelf verantwoordelijk is of door de inschrijver aangewezen is als verantwoordelijke voor de teeltopvolging en de bijzondere zorg voor de productie van pootaardappelen. 1.2.2.3. Leverancier: a) handelaar in pootaardappelen: door de procesverantwoordelijke geregistreerde natuurlijke persoon of rechtspersoon die pootaardappelen in bulk opsplitst en distribueert naar de producenten.b) producent-bereider van pootaardappelen: door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die zelf verantwoordelijk is of door de inschrijver is aangewezen als verantwoordelijke voor de teeltopvolging en de bijzondere zorg voor de productie, en die over de nodige installaties beschikt voor het opslaan, reinigen, drogen, bewerken, bereiden, ontsmetten of verpakken van pootaardappelen.c) bereider van pootaardappelen: door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die over de nodige installaties beschikt voor het opslaan, reinigen, drogen, bewerken, bereiden, ontsmetten of verpakken van pootaardappelen voor derden.d) verdeler van pootaardappelen in kleine verpakkingen: door de bevoegde entiteit erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die over de nodige installaties beschikt om gecertificeerde pootaardappelen onder te brengen in kleine verpakkingen die bestemd zijn om verkocht te worden en niet verder pootaardappelen voort te brengen. 1.3. Registraties Alle personen, vermeld in 1.2, met uitzondering van de kweker, worden door de procesverantwoordelijke geregistreerd onder een uniek nummer nadat hun activiteiten zijn vastgesteld.

Bij de registratie verbinden de betrokken personen zich er schriftelijk toe om voor hun activiteiten: - de geldende reglementering en de door de procesverantwoordelijke gegeven instructies na te leven; - de bevoegde entiteit op de hoogte te brengen van de aanvang en het einde van de werkzaamheden die alleen door een geregistreerd persoon uitgevoerd mogen worden; - de toezichthouder toe te staan hun bedrijven te bezoeken; - de keurmeester toe te staan om de teelten te keuren; - aan de sectorverantwoordelijke alle noodzakelijke inlichtingen, zoals de ligging en de oppervlakte van de vermeerderingspercelen, mee te delen; - de partijen pootaardappelen voor certificering aan te bieden zodat ze aan de geldende normen beantwoorden; - een boekhouding te voeren en ter beschikking te houden van de toezichthouder gedurende drie jaar; - gebruikte keuringsdocumenten volgens de instructies van de bevoegde entiteit te bewaren; - aan de keurmeester op het geschikte tijdstip de nodige monsters te leveren of door de keurmeester op het geschikte tijdstip de nodige monsters te laten nemen voor het laboratoriumonderzoek en voor de aanleg van controlevelden. 1.4. Erkenningen Producent-bereiders, bereiders en verdelers van pootaardappelen in kleine verpakkingen moeten door de bevoegde entiteit erkend worden.

Om erkend te kunnen worden, moeten de betrokken personen tijdens de procedure tot registratie of na hun registratie een aanvraag tot erkenning indienen bij de procesverantwoordelijke. Erkende bedrijven moeten een voorraadboekhouding bijhouden over de binnenkomende en uitgaande partijen pootaardappelen vanaf de oogst of de verwerving ervan. Ze moeten die boekhouding ter beschikking van de toezichthouder houden gedurende drie jaar. 1.4.1. De producent-bereiders en de bereiders van pootaardappelen worden erkend als ze aan de volgende voorwaarden voldoen: - beschikken over zuivere, droge, goed verluchte lokalen die uitsluitend gebruikt worden voor de te certificeren pootaardappelen.

Die lokalen zijn geïsoleerd tegen de vorst en voorzien van een voldoende luchtverversingssysteem. De oppervlakte van de opslag- en bewerkingsruimte moet in verhouding staan tot de omvang van de productie; - beschikken over de noodzakelijke inrichting en apparatuur voor de werkzaamheden waarvoor een erkenning gevraagd wordt. Er moet tijdens de triage minstens een trieur-calibreur en een leestafel aanwezig zijn. De installatie moet zo nodig beschikken over apparatuur om certificaten en/of etiketten aan te brengen overeenkomstig de geldende reglementering. Als de installatie ook voor andere activiteiten gebruikt wordt, moet dat vóór de geplande activiteit aangevraagd worden bij de procesverantwoordelijke. De procesverantwoordelijke kan aanvullende voorwaarden opleggen om die activiteiten uit te voeren; - zich ertoe verbinden alleen pootaardappelen ter certificering aan te bieden die beantwoorden aan de geldende normen voor identiteit en raszuiverheid, afstamming, technologische en gezondheidsnormen; - gebruik maken van verpakkingen die overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, worden gesloten en voorzien van certificaten die de voorgeschreven vermeldingen dragen; - een persoon aanwijzen die verantwoordelijk is voor het geven van instructies aan het personeel en voor de goede werking van de installaties; - voor de duur van de triagewerkzaamheden aan de keurmeester alle ondersteuning en medewerking geven zodat hij zijn controlewerkzaamheden kan verrichten. 1.4.2. De verdelers van pootaardappelen in kleine verpakkingen kunnen erkend worden als ze zich ertoe verbinden: - de sectorverantwoordelijke op de hoogte te brengen van de aanvang en de beëindiging van hun werkzaamheden telkens als er activiteiten worden uitgevoerd; - de identificatiedocumenten die de te splitsen verpakkingen van de pootaardappelen identificeren, gedurende twee jaar ter beschikking te houden van de toezichthouder; - de maatregelen voor de bewerkingen van partijen pootaardappelen, vermeld in hoofdstuk 8, strikt toe te passen.

Voor er een erkenning toegekend wordt, stelt de keurmeester een onderzoek ter plaatse in. Hij stelt daarbij een inventaris op van lokalen, inrichtingen en personeel. De erkenning is geldig van 1 juli tot en met 30 juni van het jaar daarop. De erkenning wordt uitdrukkelijk jaarlijks verlengd zolang de opgelegde voorwaarden vervuld blijven en de aangegane verbintenissen gerespecteerd blijven.

Om dat na te gaan, vindt jaarlijks ten minste één inspectiebezoek plaats.

In geval van belangrijke wijzigingen in de activiteiten of de installaties of bij verandering van de betrokken verantwoordelijke personen moet de procesverantwoordelijke daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht worden. Wijzigingen in de activiteiten of de installaties geven aanleiding tot een bijkomend inspectiebezoek.

De erkenning wordt door de bevoegde entiteit ingetrokken als de opgelegde voorwaarden niet meer vervuld zijn. 1.5 Tot de keuring toegelaten rassen 1.5.1. Rassen die voorkomen in rassenlijsten De rassen die voorkomen in één van de volgende rassenlijsten, zijn tot de keuring toegelaten: a) nationale rassenlijst voor landbouwgewassen, zoals omschreven in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen;b) gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen. 1.5.2. Rassen waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in een rassenlijst voor landbouwgewassen: a) Rassen waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in de nationale rassenlijst voor landbouwgewassen of, als het gaat om een ras van een Belgische kweker, voor opname in rassenlijsten van landbouwgewassen van andere landen, zijn tot de keuring toegelaten.De inschrijver levert aan de procesverantwoordelijke het bewijs dat voor die rassen de procedure van inschrijving loopt.

Partijen van die rassen kunnen pas officieel gecertificeerd worden nadat de rassen effectief zijn opgenomen in een van de vermelde rassenlijsten. De inschrijver levert aan de procesverantwoordelijke daarvan het bewijs. b) Onder bepaalde voorwaarden kan de bevoegde entiteit voor rassen waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in de nationale rassenlijst van landbouwgewassen, toestemming geven om partijen van die rassen in de handel te brengen.De toestemming kan alleen gegeven worden voor het uitvoeren van proeven op landbouwbedrijven om gegevens over de teelt of het gebruik van het ras te verzamelen overeenkomstig artikel 4 van de Beschikking van de Commissie 2004/84/EG van 1 december 2014 tot vaststelling van uitvoeringsregels volgens welke de lidstaten toestemming kunnen geven voor het in de handel brengen van zaai- of pootgoed van rassen waarvoor de opname in de nationale rassenlijst voor landbouw- of groentegewassen is aangevraagd.

Om de toestemming kan worden verzocht door de kweker of zijn mandataris die een geldige aanvraag tot opname van het ras in de nationale rassenlijst van landbouwgewassen heeft ingediend. Daarbij verstrekt hij de volgende gegevens: 1) informatie over de geplande proeven;2) de namen van de europese lidstaten waarin die proeven moeten worden uitgevoerd;3) een beschrijving van het ras;4) informatie over de instandhouding van het ras. De technische voorwaarden waaraan de partijen moeten voldoen, de wijze van monsterneming, de verpakking, verzegeling en etikettering worden verder beschreven in hoofdstuk 7. De naleving van die voorwaarden wordt gecontroleerd aan de hand van een officieel onderzoek door de keurmeester op basis van de verstrekte rasbeschrijving of, voor zover van toepassing, de voorlopige rasbeschrijving op basis van de resultaten van de onderzoeken die in het kader van de toelating tot de nationale rassenlijst van landbouwgewassen uitgevoerd worden.

De hoeveelheid waarvoor per ras toestemming wordt gegeven, bedraagt ten hoogste 0,1 % van de pootaardappelen die jaarlijks worden gebruikt in de Europese lidstaten waarin de proeven worden uitgevoerd. De procesverantwoordelijke zal jaarlijks de hoeveelheid bekendmaken die daarvoor in aanmerking komt.

De bevoegde entiteit verleent de toestemming om partijen van rassen waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in de rassenlijst van landbouwgewassen in de handel te brengen voor maximaal één jaar en kan die termijn telkens met één jaar verlengen. Bij de aanvraag tot verlenging worden de volgende documenten gevoegd: - een verwijzing naar de oorspronkelijke toestemming; - alle beschikbare aanvullende informatie over de beschrijving, de instandhouding en de teelt of het gebruik van het ras volgens de oorspronkelijke toestemming; - gegevens waaruit blijkt dat de beoordeling voor de opname van het ras in de rassenlijst van landbouwgewassen nog loopt.

De toestemming vervalt zodra de aanvraag tot opname in de nationale rassenlijst van landbouwgewassen wordt ingetrokken of geweigerd, of zodra het ras in de rassenlijst van landbouwgewassen wordt opgenomen.

Als voor een ras aan de kweker of zijn mandataris toestemming is verleend door een entiteit van een andere Europese lidstaat om het te gebruiken in het Vlaamse Gewest, kan de bevoegde minister het gebruik van dat ras op het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest of een deel daarvan verbieden of passende voorwaarden vaststellen voor de teelt van het ras en voor het gebruik van de producten uit die teelt in een van de volgende gevallen: - als vaststaat dat de teelt van het ras de gezondheid van andere geteelde rassen of soorten kan schaden; - als uit officiële veldproeven in het Vlaamse Gewest blijkt dat het ras nergens op zijn grondgebied de resultaten oplevert die worden verkregen met een vergelijkbaar ras dat op zijn grondgebied is toegelaten, of als algemeen bekend is dat het ras wegens zijn aard of rijpheidsklasse nergens op zijn grondgebied voor de teelt geschikt is; - als er goede redenen zijn om aan te nemen dat het ras een gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu inhoudt.

Als voor een ras aan de kweker of zijn mandataris toestemming is verleend door de procesverantwoordelijke om het te gebruiken in een ander gewest of in een andere Europese lidstaat, kan de entiteit van dat gewest of die lidstaat het gebruik van dat ras op zijn gehele grondgebied verbieden of, zoals hierboven wordt vermeld, passende voorwaarden stellen voor de teelt en het gebruik van de producten uit die teelt.

De kweker of zijn mandataris die toestemming heeft gekregen om een ras, waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in de nationale rassenlijst van landbouwgewassen, in de handel te brengen, moet jaarlijks een verslag overhandigen aan de bevoegde entiteit die toestemming heeft gegeven, over: 1) de proeven op landbouwbedrijven om gegevens over de teelt of het gebruik van het ras te verzamelen;2) de hoeveelheid pootaardappelen die in de handel is gebracht in de periode waarvoor de toestemming geldig was en de lidstaat waarvoor het bestemd was. Die gegevens worden vertrouwelijk behandeld overeenkomstig artikel 15, 2° van de Beschikking van de Commissie 2004/84/EG van 1 december 2014 tot vaststelling van uitvoeringsregels volgens welke de lidstaten toestemming kunnen geven voor het in de handel brengen van zaai- of pootgoed van rassen waarvoor de opname in de nationale rassenlijst voor landbouw-of groentegewassen is aangevraagd. 1.5.3. Rassen die niet voorkomen op de nationale en gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen Voor pootaardappelen die behoren tot een ras dat niet op de gemeenschappelijke noch op de nationale rassenlijst van landbouwgewassen voorkomt, is alleen export naar derde landen mogelijk. 1.6. Categorieën en klassen 1.6.1. De vermeerdering van pootaardappelen in het Vlaamse Gewest is het resultaat van instandhouding, vertrekkende van moederplanten of microvermeerdering.

Onder een moederplant wordt verstaan: een geïdentificeerde plant waarvan materiaal wordt genomen met het oog op de voortplanting.

Onder microvermeerdering wordt verstaan: de snelle vermenigvuldiging van plantaardig materiaal voor de productie van een groot aantal planten door middel van de invitrokweek van gedifferentieerde bladknoppen of meristemen van een plant. 1.6.2. De officieel goedgekeurde pootaardappelen worden in het Vlaamse Gewest overeenkomstig hoofdstuk 7 gerangschikt volgens de generatie en de bijzondere kwalitatieve vereisten in één van de volgende categorieën en klassen: 1.6.2.1. kwekersmateriaal: niet-gecertificeerd materiaal dat voortgebracht is door genealogische selectie en dat behoort tot de generatie 0 (G0) die aan het prebasispootgoed voorafgaat; 1.6.2.2. prebasispootgoed: pootaardappelen, die geproduceerd worden uit kwekersmateriaal, dat bestemd is om basispootgoed voort te brengen. Als het prebasispootgoed (PB) voortgebracht werd uit materiaal dat in vitro geproduceerd werd, wordt de klasse aangegeven als prebasispootgoed-TC (PBTC).

Het maximum aantal veldgeneraties prebasispootgoed is vier.

Naast die klassen kunnen de "EU-klassen PB en PBTC" toegekend worden als aan de eisen van artikel 5 en 6 van het ministerieel besluit van 14 oktober 2015Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/10/2015 pub. 16/11/2015 numac 2015036329 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I en II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de mi sluiten tot vaststelling van minimumeisen voor prebasispootgoed van aardappelen en tot vaststellingen van EU-klassen voor prebasispootgoed, basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen is voldaan. 1.6.2.3. basispootgoed: pootaardappelen, geproduceerd uit prebasispootgoed of uit kwekersmateriaal dat voornamelijk bestemd is om, door een of meer vermeerderingen, gecertificeerd pootgoed voort te brengen.

De categorie basispootgoed is onderverdeeld in de klassen: a) basispootgoed S;b) basispootgoed SE;c) basispootgoed E. Het maximum aantal generaties basispootgoed bedraagt vier en het totale aantal generaties prebasispootgoed op het veld en basispootgoed bedraagt zeven.

Naast die klassen kunnen de "EU-klassen S, SE en E" toegekend worden als aan de eisen van artikel 7, 8 en 9 van het ministerieel besluit van 14 oktober 2015Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/10/2015 pub. 16/11/2015 numac 2015036329 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I en II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de mi sluiten tot vaststelling van minimumeisen voor prebasispootgoed van aardappelen en tot vaststellingen van EU-klassen voor prebasispootgoed, basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen is voldaan. 1.6.2.4. gecertificeerd pootgoed: pootaardappelen, geproduceerd uit basispootgoed of uit pootgoed van een aan basispootgoed voorafgaande generatie dat normaal bestemd is voor een andere productie dan die van pootaardappelen.

De categorie van het gecertificeerde pootgoed is onderverdeeld in twee klassen: a) gecertificeerd pootgoed A;b) gecertificeerd pootgoed B. Het maximum aantal generaties gecertificeerd pootgoed bedraagt twee.

Naast die klassen kunnen de "EU-klassen A en B" toegekend worden als aan de eisen van artikel 10 en 11 van het ministerieel besluit van 14 oktober 2015Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/10/2015 pub. 16/11/2015 numac 2015036329 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I en II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de mi sluiten tot vaststelling van minimumeisen voor prebasispootgoed van aardappelen en tot vaststellingen van EU-klassen voor prebasispootgoed, basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen de uitvoeringsrichtlijn 2014/20/EU van 6 februari 2014 is voldaan. 1.6.2.5. Met het oog op de keuring worden de categorieën of klassen van pootaardappelen die van buiten de Europese Unie ingevoerd worden, gelijkgesteld met de gemeenschappelijke categorieën en klassen overeenkomstig de beschikkingen van de europese Unie inzake gelijkstelling van pootaardappelen uit derde landen. Een bewijs dat aan de gezondheidsvoorschriften is voldaan, moet aan de procesverantwoordelijke voorgelegd worden. 1.6.2.6. De productie van pootaardappelen in het Vlaamse Gewest is het resultaat van vegetatieve vermeerdering overeenkomstig het onderstaande schema:

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.6.2.7. Pootaardappelen van instandhoudingsrassen: pootaardappelen van landrassen en rassen in de landbouw die zich op een natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd. Die pootaardappelen worden niet onderverdeeld in categorieën. De pootaardappelen moeten echter altijd voldoen aan de normen van gecertificeerd pootgoed. HOOFDSTUK 2. - Instandhouding van een ras 2.1. Elk jaar moeten de personen die verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van een ras in het Vlaamse Gewest, aan de procesverantwoordelijke, voor elk betrokken ras het instandhoudingprogramma schriftelijk meedelen, met opgave van de toegepaste methode en het aangewende materiaal (ligging van het perceel, oppervlakte, geproduceerde hoeveelheden, ...). Ze staan de toezichthouders toe om ter plaatse toezicht uit te oefenenen officiële monsters te nemen.

Een instandhoudingsras mag alleen in zijn gebied van oorsprong systematisch in stand worden gehouden. 2.2. Om pootaardappelen, vanuit de instandhouding, in de handel te kunnen brengen, moet de kweker, de instandhouder of zijn mandataris de teelt ervan ter keuring aanbieden.

Het perceel en het uitgangsmateriaal moeten vrij zijn van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.

Als de instandhouding buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, moet bij het materiaal dat behoort tot een generatie die voorafgaat aan het basispootgoed dat voor vermeerdering in het Vlaamse Gewest wordt aangeboden, een verklaring van de instandhouder gevoegd worden die de volgende elementen bevat: 1° de geleverde hoeveelheden materiaal;2° het referentienummer van de partij;3° de beschrijving van het etiket op de verpakkingen (of een specimen van dat etiket);4° de categorie en de klasse van het pootgoed dat met het materiaal mag worden geproduceerd;5° een bewijs dat aan de gezondheidsvoorschriften is voldaan. Al die inlichtingen moeten voor de inschrijving van de teelt bezorgd zijn aan de procesverantwoordelijke. 2.3. De instandhouder houdt een register bij waarin iedere generatie wordt ingeschreven. 2.4. De G0-generatie, is het vertrekmateriaal voor de selectie. Dat materiaal moet door een officieel laboratorium vrij van plantenziekten verklaard worden.

Voor de G0-generatie moeten knollen gebruikt worden van een partij pootaardappelen onder officieel toezicht. 2.5. De generaties die afkomstig zijn van iedere G0, vormen de prebasisgeneraties. 2.6. Het in vitro geproduceerd materiaal is instandhoudingsmateriaal dat tot de genealogische selectie behoort. 2.7. Het door het laboratorium afgeleverde in-vitromateriaal (mini- en microknollen) wordt beschouwd als G0. Dat materiaal moet op het gebied van gezondheid beantwoorden aan de vereisten van de EU- klasse prebasispootgoed (PBTC).

De rasechtheid moet door de instandhouder gewaarborgd worden. 2.8. De moederplanten die gebruikt worden voor microvermeerdering (PBTC) of voor kloonselectiemethode, moeten vrij zijn van: 1) Pectobacterium sp.; 2) Dickeya dianthicola en Dickeya solani;3) bladrol PLRV;4) A-, M-, S-, X- en Y-virus. Het bewijs daarvan, afkomstig van een officieel laboratorium, moet aan de procesverantwoordelijke geleverd worden. 2.9. Met behoud van de toepassing van de bepalingen die gelden voor de productie van gecertificeerd prebasispootgoed (zie hoofdstuk 4 tot en met 7) kan de sectorverantwoordelijke, op verzoek van de instandhouder of mandataris, een attest uitreiken waarin wordt verklaard dat het materiaal afkomstig is van vermeerderingen die gerealiseerd zijn door een geregistreerde operator in de pootaardappelsector (zie punt 1.2), en dat de teelten door de keurmeesters zijn gevolgd.

De resultaten van de gezondheidsonderzoeken moeten voorgelegd worden aan de keurmeester als er beslist wordt over te gaan tot het in de handel brengen van het materiaal. 2.10. Na minstens twee jaar vermeerdering in volle grond mogen de producties van verschillende prebasisgeneraties die afkomstig zijn van hetzelfde bedrijf (bedrijf waar de instandhouding gebeurt), gemengd worden. HOOFDSTUK 3. - Inschrijving ter keuring 3.1. Inschrijvingsvoorwaarden 3.1.1. Fytosanitaire eisen voor de pootaardappelen en het te beplanten perceel Voor de inschrijving moeten het vermeerderingsperceel en de pootaardappelen die als uitgangsmateriaal worden gebruikt, vrij bevonden worden van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.

Een vermeerderingsperceel is een niet-onderverdeeld stuk land dat een teelt draagt, bestemd om pootaardappelen voort te brengen van een welbepaald ras of een welbepaalde klasse, gescheiden van elke aangrenzende teelt, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. 3.1.2. Bevoegde personen (inschrijvers) Teelten van aardappelpootgoed moeten ingeschreven worden door inschrijvers.

De kweker of de door hem aangewezen instandhouder of de mandataris zijn de inschrijvers voor teelten bestemd voor de productie van prebasispootgoed, alsook voor de rassen in proef.

De kweker of de door hem aangewezen instandhouder of mandataris, of een producent, een producent-bereider of een bereider zijn de inschrijvers voor teelten bestemd voor de productie van basis- en gecertificeerd pootgoed.

Door de inschrijving machtigt de inschrijver de procesverantwoordelijke om aan de kwekers, de instandhouders of mandatarissen, op hun verzoek, over in Vlaanderen beschermde rassen de volgende gegevens te melden: - de identiteit van de inschrijver; - de ter keuring aangeboden en bij de veldkeuring aanvaarde oppervlakten; - de hoeveelheden officieel goedgekeurde pootaardappelen in elke categorie en klasse.

De overdracht van teelten of van hun opbrengsten die niet aan de keuring zijn onttrokken, brengt ook de overdracht van die toestemming mee. 3.1.3. Oorsprong van de partijen pootaardappelen die als uitgangsmateriaal worden gebruikt De pootaardappelen moeten voortkomen van een teelt in volle grond.

Er mag geen gebruik gemaakt worden van gesneden pootaardappelen.

De producent die de teelt heeft aangelegd, moet de identiteit van de partijen pootaardappelen die alsuitgangsmateriaal worden gebruikt, kunnen bewijzen. Dat gebeurt aan de hand van officiële identificatiedocumenten voor officieel goedgekeurd materiaal. Voor het uitgangsmateriaal wordt de identiteit bewezen hetzij door een vooraf aan de procesverantwoordelijke gemelde genealogische selectie verricht in het Vlaamse Gewest, hetzij door een verklaring van de verantwoordelijke van een ander gewest of van de buitenlandse verantwoordelijke waarin melding wordt gemaakt van de hoeveelheid opgestuurd materiaal, bestemd om in het Vlaamse Gewest prebasispootgoed te produceren, en gedekt door een officiële verklaring van de keuringsdienst van het gewest of land in kwestie.

Die inlichtingen moeten opgenomen zijn op het document dat bij het ingevoerde materiaal is gevoegd. Een specimen van het etiket dat het materiaal identificeert, moet bij dat document worden gevoegd.

De inschrijver bezorgt die documenten aan de procesverantwoordelijke op het moment van de inschrijving ter keuring van de teelt. 3.1.4. Rasbeschrijving De inschrijver stelt de officiële rasbeschrijving en elke mogelijk wijziging daarvan ter beschikking aan de procesverantwoordelijke. Om de controle uit te voeren, moet de keurmeester over die gegevens beschikken. 3.1.5. Ligging van de teelt De teelt moet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest plaatsvinden.

Bij een doorkruising van de gewest- of landsgrens zal het vermeerderingsperceel gekeurd worden door de entiteit die bevoegd is voor de keuring van het gewest of het land waar het vermeerderingsperceel door de inschrijver is aangegeven ter keuring. 3.1.6. Vruchtafwisseling Het vermeerderingsperceel mag gedurende de drie jaar die aan de keuring voorafgaan, geen aardappelteelt hebben gedragen.

De te certificeren teelten worden aangelegd in volle grond. 3.1.7. Categorieën en klassen Elk vermeerderingsperceel mag maar met één enkel ras beplant zijn met het oog op de productie van pootaardappelen van een welbepaalde categorie of klasse.

De percelen worden aangelegd met pootaardappelen die behoren tot een van de volgende categorieën of klassen:

Generatie

Minimale categorie of klasse van het gebruikte materiaal

Generatie

Voor de productie van de categorie of klasse

G0

PBTC

G1

PB

G1

PB

G2

PB

G2

PB

G3

PB

G3

PB

G4

PB - S - SE - E - A - B

G4

PB - S - SE - E

G5

S - SE - E - A - B

G5

S - SE - E

G6

SE - E - A - B

G6

SE - E

G7

E - A - B

G7

E

G8

A - B

G8

A - B

G9

A - B


Bij een tekort aan vermeerderingsmateriaal ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden kan de procesverantwoordelijke een verdere vermeerdering toestaan als de kweker of mandataris toestemming verleent voor in Vlaanderen beschermde rassen.

Gelijkwaardigheid van klassen van pootgoed, afkomstig uit andere Europese lidstaten, wordt bepaald door de procesverantwoordelijke op basis van de beschikbare informatie.

Als bij het planten verschillende klassen van pootaardappelen gemengd worden, zal de laagste klasse in aanmerking genomen worden. 3.2. Inschrijvingsprocedure De inschrijving ter controle van vermeerderingspercelen houdt in dat de inschrijvers aan de hand van inschrijvingsformulieren de procesverantwoordelijke uiterlijk op 15 mei alle nodige gegevens bezorgen die het mogelijk maken om de keuring van de teelten te organiseren en uit te voeren.

Als wegens bijzondere omstandigheden vertraging verantwoord is, of voor aanplanting buiten het normale plantseizoen, worden de inschrijvingen aanvaard tot drie werkdagen na het planten.

Bewijzen dat het uitgangsmateriaal vrij bevonden is van alle schadelijke organismen als vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, moeten ter beschikking zijn van de procesverantwoordelijke vóór de inschrijving.

Voor percelen vrij van Globodera sp. Behrens worden inschrijvingsformulieren ter beschikking gesteld van de inschrijver.

De procesverantwoordelijke vermeldt op die inschrijvingsformulieren de identificatiegegevens van de inschrijver en de identificatiegegevens van het perceel bemonsterd voor Globodera sp.

Per perceel bemonsterd voor Globodera sp., wordt één inschrijvingsformulier opgemaakt. Daarop kunnen één of meer vermeerderingspercelen worden opgenomen. De gegevens van alle vermeerderingspercelen moeten op het inschrijvingsformulier vermeld worden.

Per vermeerderingsperceel moeten de volgende gegevens opgegeven worden: 1° oppervlakte van het vermeerderingsperceel, uitgedrukt in are;2° rasnaam of kwekersreferentie voor rassen waarvoor de procedure van inschrijving loopt voor opname in een nationale lijst;3° te produceren klasse;4° partijnummer van de partij of de partij(en) die als uitgangsmateriaal worden gebruikt.Alle cijfers en tekens (punten, streepjes, spaties, enzovoort) die het partijnummer vormen, moeten opgegeven worden; 5° van elke partij die als uitgangsmateriaal wordt gebruikt, moeten de volgende gegevens vermeld worden: a) klasse;b) veldgeneratie;c) calibrage;d) hoeveelheid (kg);e) de nummers van de certificaten, al dan niet voorafgegaan door een lettercode (serietekens), of het nummer van het attest, opgemaakt door de keurmeester bij gebruik van eigen pootaardaardappelen.De serietekens hoeven maar éénmaal vermeld te worden; f) het aantal certificaten. Het dossiernummer van het vermeerderingsperceel (vermeerderingsperceelnummer) wordt door de procesverantwoordelijke toegekend na ontvangst van het inschrijvingsdossier.

Een volledig inschrijvingsdossier bestaat uit de volgende documenten: 1° de inschrijvingsformulieren;2° een ondertekend exemplaar van de `inschrijvingsvoorwaarden en akkoordverklaring teeltinschrijvingen';3° voor zover van toepassing, het bewijs waaruit blijkt dat de producent, die onder contract pootaardappelen vermeerdert, toestemming geeft om de resultaten van alle analyses door te geven aan zijn contractant.Als dat bewijs ontbreekt deelt de procesverantwoordelijke geen analyseresultaten mee; 4° de identificatiedocumenten die de herkomst bewijzen van de partij die als uitgangsmateriaal wordt gebruikt;5° de officiële rasbeschrijving voor aangeboden rassen opgenomen op de gemeenschappelijke rassenlijst of op een buitenlandse rassenlijst van landbouwgewassen of de voorlopige rasbeschrijving voor een ras in proef, afgeleverd door de betrokken instantie van het land waarin de proef wordt uitgevoerd; 6° het bewijs dat voor rassen de procedure van inschrijving loopt in Vlaanderen of in een andere lidstaat, zoals beschreven in punt 1.5.2.a; 7° een kopie van de toestemming tot het in de handel brengen van rassen als vermeld in punt 1.5.2.b; 8° de uitslagen van het bacteriologisch onderzoek van Belgisch prebasispootgoed of het bewijs dat bacteriologisch onderzoek van binnengebrachte partijen die als uitgangsmateriaal worden gebruikt, is aangevraagd;9° voor zover van toepassing de toelating tot vermeerdering voor bepaalde rassen; 10° als het perceel nog niet gekend is bij de bevoegde entiteit, het aanvraagformulier en de uitslagen van de grondstaalname Globodera sp., Rostochiensis (Wollenxeber) en pallida (Stone).

Als tijdens de veldkeuring vastgesteld wordt dat de inschrijving betrekking heeft op meer dan één vermeerderingsperceel, zal de inschrijving teruggetrokken worden uit de keuring. De initiële inschrijving zal vervangen worden door een nieuw aantal inschrijvingen - naar rato van het aantal vermeerderingspercelen waarop de oorspronkelijke inschrijving betrekking had - met de overeenkomende landbouwernummers en perceelsidentificatienummers.

Als de productie van bepaalde vermeerderingspercelen bestemd is voor vroege export, zullen die, zodra ze bekend zijn bij de inschrijver, aan de sectorverantwoordelijke meegedeeld worden. 3.3. Terugtrekking Ingeschreven vermeerderingspercelen die niet meer voor veldkeuring in aanmerking kunnen komen of waarvoor de veldkeuring niet meer gevraagd wordt, moeten door de inschrijver bij de sectorverantwoordelijke schriftelijk worden opgegeven, met vermelding van de bestemming van de oogst die er eventueel nog van kan voortkomen. 3.4. Bijzonderheden voor de inschrijving van de instandhoudingsrassen, vermeld in de rassenlijst voor landbouwgewassen Bij de aanvaarding van de teeltinschrijving wordt rekening gehouden met de kwantitatieve beperkingen, vermeld in artikel 15 van het ministerieel besluit van 2 juni 2009Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 02/06/2009 pub. 09/07/2009 numac 2009203018 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit betreffende de nadere regels voor de uitvoering van artikel 72 van het besluit van de Waalse Regering van 5 juli 2007 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit type ministerieel besluit prom. 02/06/2009 pub. 23/09/2009 numac 2009035903 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit houdende wijziging van het ministerieel besluit van 8 maart 2007 betreffende de herverdeling van de steunbedragen via de reserve sluiten tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen. HOOFDSTUK 4. - Veldkeuring 4.1. Identificatie van de vermeerderingspercelen Een vermeerderingsperceel waarvan de inschrijving ontvankelijk verklaard is, kan gekeurd worden op voorwaarde dat het door de inschrijver duidelijk zichtbaar is aangegeven door middel van een identificatiebordje waarop, in codevorm, de volgende gegevens zijn vermeld: 1° het vermeerderingsperceelsnummer, toegekend door de procesverantwoordelijke;2° de beoogde klasse;3° de rasbenaming;4° de oppervlakte. Weerbestendige kleefstroken met die gegevens zijn ter beschikking van de inschrijvers. Die moeten ervoor zorgen dat ze worden aangebracht bij de ingang van het perceel, waar ze zullen blijven tot aan de oogst.

Op verzoek van de inschrijver kan de procesverantwoordelijke vrijstelling verlenen van die verplichting als hij een alternatief aanbiedt waardoor de ligging van het vermeerderingsperceel in kwestie ondubbelzinnig wordt aangegeven. 4.2. Melding aan de producent De keurmeester die verantwoordelijk is voor de keuring, zal de producent ten minste 48 uur voor zijn bezoek van zijn komst verwittigen.

De keurmeester zal de aandacht van de producent vestigen op de volgende punten: 1° het vermeerderingsperceel moet geïdentificeerd zijn, zoals bepaald in 4.1. Dat betekent dat het identificatiebordje ten minste vóór het tweede veldkeuringsbezoek duidelijk zichtbaar in het vermeerderingsperceel is aangebracht. Als het identificatiebordje niet aanwezig is, komt het vermeerderingsperceel niet in aanmerking voor certificering en wordt de teelt geweigerd. De producent kan zich nog in regel stellen, maar moet hiervoor een bijkomende keuring bij de sectorverantwoordelijke aanvragen. De aanvraag tot bijkomende keuring moet schriftelijk bevestigd worden door de inschrijver. 2° de teelt moet duidelijk afgescheiden zijn van andere teelten, zoals bepaald in 4.3.1; 3° de nodige opzuivering moet vóór het veldkeuringsbezoek zijn uitgevoerd;4° als het vermeerderingsperceel nog niet in orde is voor een van de hierboven vermelde punten, kan de producent voor hoogstens één week uitstel vragen;5° de producent moet voor elk vermeerderingsperceel de nodige identificatiedocumenten van de als uitgangsmateriaal gebruikte partijen ter beschikking houden van de keurmeester. De producent zal de keurmeester inlichten over de gewasbeschermingsmiddelen die hij gebruikt heeft bij de te keuren teelten.

Als de keuring niet hoeft te worden uitgevoerd wegens terugtrekking van het vermeerderingsperceel, moet de producent dat melden aan de keurmeester. De eventuele terugtrekking moet door de inschrijver onmiddellijk schriftelijk bevestigd worden. 4.3. Veldkeuringen Veldkeuringen worden uitgevoerd door keurmeesters en bestaan uit minstens twee bezoeken met als doel zich te vergewissen van: 1° de scheiding van andere teelten;2° de stand van de teelt;3° de rasechtheid;4° de raszuiverheid;5° de gezondheidstoestand van de teelt;6° de juiste behandeling van het vermeerderingsperceel voor de productie van pootaardappelen van de beoogde categorie of klasse. Bij de veldkeuring moet het vermeerderingsperceel in een zodanige toestand verkeren dat de waarnemingen juist kunnen worden uitgevoerd.

Op aanvraag van de inschrijver kan een vermeerderingsperceel om technische redenen onderverdeeld worden in twee of meer vermeerderingspercelen. In dat geval wordt de oorspronkelijke inschrijving geschrapt en vervangen door twee of meer laattijdige inschrijvingen. 4.3.1. Isolatievoorschriften 4.3.1.1. Voor de productie van prebasispootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 50 meter verwijderd zijn van elke niet ingeschreven aardappelteelt. 4.3.1.2. Voor de productie van basispootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 30 meter verwijderd zijn van elke niet ingeschreven aardappelteelt, tenzij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van besmetting. 4.3.1.3. Voor de productie van gecertificeerd pootgoed Het vermeerderingsperceel moet ten minste 10 meter verwijderd zijn van elke niet ingeschreven aardappelteelt, tenzij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van besmetting. 4.3.1.4. Aanpalende vermeerderingspercelen van eenzelfde producent moeten van elkaar gescheiden worden door van het voorste en het achterste gedeelte van de grensrijen ten minste 3 meter onbeplant te laten. 4.3.1.5. Voor de productie van basispootgoed van gemeenschappelijke klassen moeten aangrenzende teelten van pootaardappelen ten minste beantwoorden aan de normen voor dezelfde klasse als die van het vermeerderingsperceel in kwestie. Bij een officiële veldkeuring moet vastgesteld worden of aan die norm voldaan is.

Als de keurmeester vaststelt dat er gevaar voor besmetting bestaat, kan de proces verantwoordelijke specifieke eisen voor de testen voorschrijven. 4.3.1.6. Bij niet-naleving van de isolatievoorschriften weigert of deklasseert de keurmeester het vermeerderingsperceel naargelang van de werkelijk vastgestelde afstand. 4.3.2. Raszuiverheid en gezondheidstoestand 4.3.2.1. De teelt moet van dien aard zijn dat het goed mogelijk is de raszuiverheid en de gezondheidstoestand na te gaan.

Opslag van vorige teeltjaren wordt als rasonzuiverheid beschouwd, alsook elke plant die een afwijkend uitzicht heeft ten gevolge van een chemische behandeling of door een andere oorzaak.

Alle zieke en afwijkende planten moeten volledig (inclusief de knol) uit de grond worden verwijderd. Op dezelfde wijze moeten gedeeltelijk aangetaste planten verwijderd worden. Zieke en afwijkende planten (inclusief de knollen) worden dagelijks in luisdichte zakken van het veld verwijderd om verspreiding van de bladluizen tegen te gaan. De zakken worden leeggemaakt op een plaats waar de zieke planten of knollen geen gevaar voor besmetting opleveren.

Een onzorgvuldige opzuivering kan leiden tot deklassering of afkeuring van het vermeerderingsperceel. 4.3.2.2. Een slechte stand van de teelt en in het bijzonder de aanwezigheid van onkruid, ziekten, overdreven ontwikkeling van het loof, zwakke groei en wijziging in het uitzicht van de planten, te wijten aan een chemische behandeling of aan een andere oorzaak, kunnen aanleiding geven tot weigering van de teelt.

In geval van vernietiging van de bladeren door vorst, hagel, storm of insecten is het toegelaten te wachten tot de groei herneemt om een definitieve beslissing te nemen. 4.3.2.3. Normen a) De teelt moet volledig vrij zijn van ringrot (Clavibacter michiganensis subsp.sepedonicus) en bruinrot (Ralstonia solanacearum Smith). b) De volgende toleranties worden toegestaan (% van het aantal planten) bij de laatste veldkeuring. TE PRODUCEREN CATEGORIE

Prebasis pootgoed

Basispootgoed

Gecert. pootgoed

S

SE

E

A

B

rasonzuiverheden

0

0

0,01

0,02

0,05

0,05

ziekten


virusziekten (mozaïek, bladrol, ...)

0,025

0,1

0,2*

0,4*

1*

3*

bacterieziekten

0

0

0

0,20 **

0,3

0.60

Rhizoctonia solani (lakschurft)

0

0,5

1

3

5

5

verwelking, veroorzaakt door schimmelziekten

0

0,3

0,5

1

2

2


* als symptomen van bladrol vastgesteld worden, is een virologisch onderzoek van PLRV verplicht. ** als bacteriezieke planten aangetroffen worden, moet tijdens de partijkeuring een representatief monster nagenoeg vrij zijn van infectie met Dickeya sp. (zie punt 7.2.) 4.3.2.4. Tellingen Elke telling wordt uitgevoerd op honderd opeenvolgende planten in één rij. Er zijn ten minste: 1° vier tellingen per 25 are, voor de vermeerderingspercelen van 1 ha en minder;2° tien tellingen per ha, of per gedeelte daarvan voor de vermeerderingspercelen vanmeer dan 1 ha. Het percentage wordt vervolgens berekend volgens de formule: totaal aantal abnormale planten/aantal tellingen = X % 4.4. Teeltrangschikking Na elk bezoek worden de uitgevoerde waarnemingen meegedeeld aan de inschrijver.

Na de laatste veldkeuring rangschikt de keurmeester de teelt op basis van de vaststellingen die gedaan zijn op het vermeerderingsperceel en de generatie van de partij die als uitgangsmateriaal is gebruikt.

Als de rangschikking niet overeenkomt met de door de inschrijver vooropgestelde klasse of als de teelt geweigerd wordt, brengt de keurmeester de inschrijver en de producent door middel van een kopie van het veldkeuringsverslag, binnen twee werkdagen na de veldkeuring, daarvan op de hoogte. De reden van deklassering of weigering wordt op het veldkeuringsverslag genoteerd.

In het uitzonderlijke geval dat de inschrijver over voldoende technische redenen beschikt om een bijkomend onderzoek aan te vragen, kan een nieuwe veldkeuring worden aangevraagd. Een met redenen omklede aanvraag moet schriftelijk bij de sectorverantwoordelijke ingediend worden binnen drie werkdagen na de melding van het resultaat. De bijkomende veldkeuring moet in normale omstandigheden uitgevoerd kunnen worden. De bijkomende veldkeuring zal plaatsvinden nadat de nodige aanpassingen zijn uitgevoerd.

Als de inschrijver of de producent de vaststellingen van de veldkeuring of de bijkomende veldkeuring betwist, kan een tegenkeuring aangevraagd worden. De schriftelijke aanvraag daarvoor moet gericht worden aan de sectorverantwoordelijke binnen drie werkdagen na de mededeling van het resultaat, met de vermelding van de betwiste vaststellingen. In voorkomend geval is het verboden wijzigingen in het vermeerderingsperceel of in het gewas aan te brengen (opzuivering, een fysische handeling ...). De tegenkeuring zal uitgevoerd worden door een keurmeester die aangewezen is door de sectorverantwoordelijke, vergezeld van de keurmeester die de vorige vaststellingen heeft gedaan, en bij voorkeur in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de inschrijver.

Als wordt vastgesteld dat een opzuivering of een andere fysische handeling heeft plaatsgehad, blijven de vaststellingen van het vorige bezoek behouden en zijn ze onherroepelijk.

Bij weigering van de bestemming van de pootaardappelen die voortgebracht zijn op de vermeerderingspercelen moet de inschrijver dit melden.

De rangschikking van een partij na de veldkeuring is voorlopig. 4.5. Loofvernietiging In overleg met de sector adviseert de procesverantwoordelijke een datum waarvoor het loof het best vernietigd kan worden. Die datum is afhankelijk van het verschijnen en de ontwikkeling van de populatie van de bladluizen, de dragers van virussen, de te produceren klasse en de vroegrijpheid van het ras. De procesverantwoordelijke kan in samenspraak met de sector ook een vaste datum opleggen bij specifieke omstandigheden.

De datums worden aan de inschrijvers bekendgemaakt.

Als de bemonstering, vermeld in 5.1, nog niet is uitgevoerd, moet de inschrijver ten minste 48 uur van tevoren het tijdstip van het rooien meedelen aan de keurmeester.

Elke teelt waarvan het loof niet vernietigd is binnen twintig dagen na de vastgelegde datum, zal worden geweigerd.

In uitzonderlijke gevallen kan op verzoek van de inschrijver de loofdoding later uitgevoerd worden, op voorwaarde dat de procesverantwoordelijke vooraf op de hoogte gebracht wordt van de precieze loofdodingsdatum, zodat een bijkomende keuring uitgevoerd kan worden.

Percelen die na 1 oktober niet gerooid zijn, moeten gemeld worden bij de procesverantwoordelijke. De procesverantwoordelijke legt dan een uiterste rooidatum vast op basis van de weersomstandigheden. HOOFDSTUK 5. - Virologische onderzoeken 5.1. Bemonstering Bij de controle op het vernietigen van het loof of het rooien van de knollen neemt de keurmeester per vermeerderingsperceel monsters voor virologisch onderzoek. De procedure voor de bemonstering wordt meegedeeld door de procesverantwoordelijke.

De monsters worden op verzoek van de producent ofwel genomen op de vermeerderingspercelen nadat het loof werd vernietigd, ofwel tijdens de stockage. De producent kan zijn medewerking verlenen bij de monstername.

Als bij het rooien hergroei wordt vastgesteld bij meer dan 0,5 % van de struiken, neemt de keurmeester nieuwe monsters. Die monsters vervangen de eerder genomen monsters. 5.2. Materiaal onderworpen aan test - aanvraag voor ontleding De voorlopige rangschikking van de geoogste partijen pootaardappelen, toegekend bij het laatste veldkeuringsbezoek, moet worden bevestigd door de resultaten van de virologische onderzoeken in het laboratorium, en kan niet beter zijn dan de veldkeuringsuitslag.

De onderzoeken worden uitgevoerd met de ELISA-methode.

Als de normen voor klasse E, A en B onderzocht moeten worden, kan gebruik gemaakt worden van PCR-testen.

Ten minste de volgende onderzoeken moeten worden uitgevoerd:

TE ONDERZOEKEN VIRUSSEN

VOORLOPIG TOEGEKENDE CATEGORIE EN KLASSE

Prebasis pootgoed

Basispootgoed

Gecertificeerd pootgoed

S

SE

E

A

B

bladrol (PLRV)

T

T

t*

t*

t*

t*

virus A (PVA)

T

t

t

t

t

-

virus M (PVM)

T

t

t

t

t

-

virus S (PVS)

T

T

T

t

t

-

virus X (PVX)

T

T

T

T

t**

-

virus Y (PVY)

T

T

T

T

T

T


- T: ELISA-methode verplicht. Als de normen voor de klassen E, A en B onderzocht moeten worden, mag ook gebruikgemaakt worden van PCR-testen. - t: virologisch onderzoek facultatief. Dat onderzoek zal alleen uitgevoerd worden op verzoek van de inschrijver of de producent als het land van bestemming normen oplegt voor die virussen. - t*: verplicht als symptomen op het veld vastgesteld zijn. - t**: alleen verplicht als de partij pootaardappelen bestemd is voor verdere vermeerdering tot A. - -: geen onderzoek.

De sectorverantwoordelijke kan beslissen om monsters die afkomstig zijn van twijfelachtige vermeerderingspercelen, te onderwerpen aan de onderzoeken die hij nodig acht.

De test op bladrol (PLRV) gebeurt alleen bij prebasis- en basispootgoed S, bij bladrolgevoelige rassen (de procesverantwoordelijke stelt jaarlijks een lijst op) en bij vermeerderingspercelen waarin bij de veldkeuring bladrol is vastgesteld of bij duidelijke symptomen in de onmiddellijke omgeving.

De inschrijver mag een bemonstering vragen om een attest te verkrijgen over de gezondheidstoestand van de partijen pootaardappelen. 5.3. Normen voor virologische testen 5.3.1. ELISA-testen De rangschikking vindt plaats op basis van de toleranties in de onderstaande tabel.

KLASSE/VIRUSSEN CATEGORIE

Prebasis Pootgoed*

Basispootgoed

Gecertificeerd pootgoed

S

SE

E

A

B

PLRV %

0,5

0,5

1,0

2,0

4,0

5,0

PVA %

0,0

(0,5)

(1,0)

(2,0)

(6,0)

X

PVM %

0,0

(0,5)

(1,0)

(2,0)

(6,0)

X

PVS %

0,0

0,5

1,0

(2,0)

(6,0)

X

PVX %

0,0

0,5

1,0

2,0

(6,0)

X

PVY %

0,5

0,5

1,0

2,0

6,0

10,0

TOTAAL %**

0,5

1,0

2,0

3,0

6,0

10,0


X = geen onderzoek * prebasispootgoed dat als moederpartij in de handel wordt gebracht voor de productie van prebasispootgoed, moet volledig virus vrij zijn. ** voor het berekenen van het totaal wordt geen rekening gehouden met de toleranties die tussen haakjes geplaatst zijn.

Als tijdens de opkweek in de serre voor de virologische testen rasonzuiverheden of planten met vervormd loof worden waargenomen, zal de partij pas voor certificering in aanmerking komen als die vervormingen niet bevestigd worden in een tweede serreproef in het vroege voorjaar. 5.3.2. PCR-testen PCR-testen zijn alleen mogelijk voor basispootgoed E dat niet bestemd is voor verdere vermeerdering als E, en voor gecertificeerd pootgoed.

De rangschikking vindt plaats op basis van de toleranties (percentage virus aangetroffen in een monster van 100 knollen) getoond in de onderstaande tabel:

VIRUSSEN CATEGORIE/ KLASSE

Basispootgoed E

Gecertificeerd pootgoed A

Gecertificeerd pootgoed B

PLRV %

2,2

5

5

PVX %

2,2

(6,7)

X

PVY %

2,2

6,7

8,7

TOTAAL %

2,2

6,7

8,7


X = geen onderzoek 5.4. Beroepsmogelijkheden Als de inschrijver de resultaten van de virologische test betwist, kan hij binnen vijf werkdagen schriftelijk een nieuwe analyse aanvragen bij de sectorverantwoordelijke. Voor de nieuwe analyse neemt de keurmeester nieuwe monsters als de partij duidelijk geïdentificeerd is, zoals in punt 6.1. omschreven is. De testen moeten uitgevoerd worden in een officieel laboratorium, zoals bepaald in 1.1.5.

Bij een nieuwe analyse kunnen de testen beperkt blijven tot het kenmerk dat aan de basis ligt van het ongunstige resultaat als er geen interactie mogelijk is met de andere kenmerken en op voorwaarde dat de oorspronkelijke analyse heeft aangetoond dat de andere virussen niet aanwezig zijn.

Als de nieuwe test met dezelfde analysemethode uitgevoerd wordt, is het uiteindelijk resultaat van de virologische test, het gemiddelde van de resultaten van de betwiste en nieuwe analyse.

Als de nieuwe test met een andere analysemethode uitgevoerd wordt, is het resultaat van de nieuwe analyse bepalend.

Als voor de nieuwe analyse gebruikgemaakt wordt van een PCR-test kan de partij alleen gecertificeerd worden in de klasse basispootgoed E (bestemd voor de productie van gecertificeerd pootgoed) of gecertificeerd pootgoed. HOOFDSTUK 6. - Toezicht op de brutopartijen pootaardappelen 6.1. Algemene bepalingen Alle nodige maatregelen moeten getroffen worden opdat: 1° de partij pootaardappelen duidelijk geïdentificeerd is;2° geen enkele mogelijkheid tot besmetting of niet-geoorloofde vermenging bestaat;3° de verwisseling van partijen onmogelijk is. De inontvangstneming en de opslag vallen altijd onder de verantwoordelijkheid van de inschrijver.

De inschrijver die brutopartijen pootaardappelen afstaat aan een verantwoordelijke voor de productie en de handel zoals omschreven in punt 1.2.2, bevestigt dat in een geschreven verklaring die hij afgeeft aan de sectorverantwoordelijke bij de inontvangstneming van de brutopartijen.

De keurmeester kan monsters nemen voor het controleveld. 6.2. Oogst - inontvangstneming- opslag en vervoer van brutopartijen pootaardappelen De oogst, het vervoer, de inontvangstneming, het drogen en het reinigen van brutopartijen pootaardappelen vinden plaats onder de verantwoordelijkheid van de inschrijver.

Elke aanvoer of afvoer van brutopartijen of half afgewerkte partijen pootaardappelen in of uit de opslag of de installaties van de producent-bereider of de persoon die zorgt voor de opslag, die handelt voor rekening van de inschrijver, moet door de inschrijvers genoteerd worden op een steekkaart of in een register dat ter beschikking is van de toezichthouder.

Elke bewerking, alsook het transport, wordt op die steekkaart of register vermeld. Bij iedere transfer van brutopartijen of half afgewerkte partijen pootaardappelen in of uit de opslagplaats of de inrichting wordt een geverifieerd en ondertekend afschrift door de keurmeester bij de partijen pootaardappelen gevoegd, en zijn de partijen door een officieel certificaat of een etiket van de leverancier geïdentificeerd.

De producent-bereider of de bereider die de oogst opslaat, moet een plan van de opslagruimte opmaken. Op aanvraag van de toezichthouder legt hij dat plan voor met opgave van de ligging van de partijen pootaardappelen.

De partijen worden duidelijk geïdentificeerd en zo gestapeld dat hun identiteit bewaard blijft.

Bij de brutopartijen pootaardappelen die afkomstig zijn van teelten in een ander gewest, een ander Europese lidstaat of een land met een gelijkstellingssysteem, waarvan de veldkeuring door de gewestelijke of buitenlandse keuringsdienst is verricht, moeten officiële documenten (veldkeuringsverslagen, transportdocumenten...) toegevoegd zijn. De officiële documenten moeten afgeleverd zijn door de instantie, bevoegd voor de certificering van pootaardappelen van het gewest of land in kwestie. Uit de officiële documenten moet blijken dat de pootaardappelen gekeurd zijn volgens de gangbare gemeenschappelijke regelgeving. Na de inontvangstneming worden die brutopartijen door de inschrijver ook op een steekkaart genoteerd of in een register ingeschreven.

De inschrijvers zorgen ervoor dat kopieën van de veldkeuringsverslagen, alsook andere aanvullende brieven, ter beschikking worden gehouden op de plaatsen waar de partijen in ontvangst worden genomen en waar ze worden opgeslagen. Hetzelfde geldt voor de officiële transportdocumenten en de officiële certificaten waardoor de binnengebrachte en ingevoerde partijen pootaardappelen zijn gedekt.

Voor transport naar derden moet de keurmeester toestemming verlenen. 6.3. Bereiding Alleen brutopartijen pootaardappelen die in ontvangst genomen zijn overeenkomstig de hierboven vermelde voorwaarden, komen in aanmerking voor certificering. Ze worden bereid onder een partijnummer.

Het is verboden partijen pootaardappelen ter goedkeuring aan te bieden die scheikundig behandeld zijn met een product dat daarvoor niet is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. 6.4. Terugtrekking De inschrijver kan buitenmaatse knollen, brutopartijen pootaardappelen alsook getrieerde partijen pootaardappelen aan de keuring onttrekken.

Hij moet dat schriftelijk meedelen aan de sectorverantwoordelijke met vermelding van de bestemming van de teruggetrokken partijen pootaardappelen. 6.5. Pootaardappelen voor eigen gebruik Producenten die pootaardappelen die aan het virologische onderzoek voldoen, willen gebruiken op het eigen bedrijf, hoeven geen officiële goedkeuring (certificering) aan te vragen. De keurmeester zal hen een officiële verklaring ter beschikking stellen. De partijen moeten wel afzonderlijk opgeslagen worden. De inschrijver moet op verzoek van de toezichthouder aan de hand van een plan van het bedrijf duidelijk kunnen aangeven waar de partijen zich bevinden. HOOFDSTUK 7. - Officiële goedkeuring (certificering) van partijen pootaardappelen 7.1. Triage, bemonstering en rangschikking De producent-bereider en de bereider mogen alleen pootaardappelen ter goedkeuring aanbieden die afkomstig zijn van teelten die met succes de voorgeschreven controles hebben ondergaan en die beantwoorden aan de vastgestelde normen voor het ras, de categorie en klasse waarin de pootaardappelen moeten worden goedgekeurd.

Twee werkdagen voor de triage aanvangt, moeten de producent-bereider en de bereider de sectorverantwoordelijke daarvan op de hoogte brengen.

De keurmeester rangschikt een partij pootaardappelen voorlopig op basis van de genealogische afstamming, de rangschikking van de teelt waarvan de partij afkomstig is, en, in sommige gevallen, de wens van de kweker, de instandhouder of mandataris.

De keurmeester neemt tijdens het certificeren een gemiddeld monster van 120 knollen per partij, bestemd voor de postcontrole. Dat monster wordt gecertificeerd zoals de aangenomen partij pootaardappelen en verstuurd volgens de instructies van de procesverantwoordelijke. 7.2. Certificering De keurmeester keurt een partij pootaardappelen officieel goed en rangschikt die definitief in een klasse die ten hoogste werd toegekend tijdens de veldkeuring of eventueel in een klasse die voortvloeit uit de virologische onderzoeken en de toepassing van de normen, vermeld in 7.2.1.

Een partij is een hoeveelheid pootaardappelen, klaar voor de handel, van hetzelfde ras, dezelfde categorie, dezelfde klasse, hetzelfde kaliber en dezelfde oorsprong en met hetzelfde partijnummer. De partij moet homogeen zijn, dat wil zeggen eenvormig in samenstelling en in uitzicht.

Als bij de veldkeuring van een vermeerderingsperceel, bestemd voor de productie van basispootgoed E, bacteriezieke planten aangetroffen zijn, moet een representatief monster bij laboratoriumonderzoek nagenoeg vrij zijn van Dickeya spp. om de partij te certificeren als basispootgoed E. Bij de keuring gaat de keurmeester na of de partij voldoet op basis van een representatief monster. Daarvan wordt een verslag opgemaakt.

Ten minste 0,5 % van de verpakkingen wordt gecontroleerd. 7.2.1. Normen 7.2.1.1. Raszuiverheid Het aantal knollen in een partij pootaardappelen die duidelijk niet tot het ras behoren, mag niet hoger zijn dan: - 0,00 % voor prebasispootgoed; - 0,01 % voor basispootgoed S; - 0,05 % voor basispootgoed SE en E; - 0,10 % voor gecertificeerd pootgoed.

Pootaardappelen van instandhoudingsrassen moeten voldoende raszuiver zijn. 7.2.1.2. Toleranties voor de onzuiverheden, gebreken en ziekten van pootaardappelen: De pootaardappelen moeten vrij zijn van alle schadelijke organismen, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen en in zijn uitvoeringsbesluiten. 1° Aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen: a) prebasispootgoed: maximaal 1 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 1 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 2 % van het gewicht;2° Droog- en natrot, voor zover niet veroorzaakt door Synchytrium endobioticum, Clavibacter michiganensis subsp.sepedonicus of Ralstonia solanacearum: a) prebasispootgoed: maximaal 0,1 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 0,5 % van het gewicht, waarvan max.0,1 % natrot; c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 0,5 % van het gewicht, waarvan max.0,2 % natrot; 3° Uitwendige gebreken (bv.misvormde of beschadigde knollen): maximum 3,0 % van het gewicht.

Specifiek voor knollen met symptomen van YNTN-virus gelden volgende toleranties: a) prebasispootgoed: maximaal 0,0 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 0,1 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 0,5 % van het gewicht;4° Aardappelschurft: op meer dan een derde van het oppervlak van de knollen: a) prebasispootgoed: maximaal 5 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 5 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 5 % van het gewicht;5° Lakschurft (Rhizoctonia solani) op meer dan 10,0 % van het oppervlak van de knollen: a) prebasispootgoed: maximaal 1 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 5 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 5 % van het gewicht.6° Poederschurft op meer dan 10,0 % van het oppervlak van de knollen: a) prebasispootgoed: maximaal 0,0 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 0,2 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 3 % van het gewicht.7° Verschrompelde knollen als gevolg van overmatige of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging: a) prebasispootgoed: maximaal 0,5 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 1 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximum 1 % van het gewicht. Totale tolerantie voor 2° tot en met 8° : a) prebasispootgoed: maximaal 6 % van het gewicht;b) basispootgoed: maximaal 6 % van het gewicht;c) gecertificeerd pootgoed: maximaal 8 % van het gewicht.8° Drukplekken: bij de beoordeling op drukplekken worden drie categorieën onderscheiden.Als grens voor goedkeuring gelden de volgende toleranties:

Drukplekken

Tolerantie (% van het gewicht)

doorsnede > 1,5 cm en < 3 mm diep

maximum 6 %

doorsnede 3 mm diep

maximum 6 %

doorsnede > 1,5 cm en > 3 mm diep

maximum 1 %


Twijfelachtige partijen worden door de keurmeester in quarantaine geplaatst: - partijen waarin door Fusarium aangetaste knollen voorkomen; - partijen waarin bevroren knollen voorkomen; - partijen die licht aangetast zijn door natrot en, in het algemeen, elke partij die symptomen van rotting vertoont; - partijen waarin knollen voorkomen met drukplekken die de voorgeschreven normen overschrijden.

Deze partijen worden alleen aanvaard als ze bij een nieuw onderzoek, uitgevoerd na ten vroegste 14 dagen, aan de normen beantwoorden.

De partijen die een behandeling hebben ondergaan met een middel dat het kiemvermogen definitief verhindert, worden geweigerd. De verantwoordelijke voor de productie en de handel zoals vermeld in punt 1.2.2 moet het gebruik van erkende middelen die het kiemvermogen tijdelijk verminderen, melden bij de procesverantwoordelijke. 7.2.1.3. Potersmaten De opgegeven maten zijn de maten van de gebruikte zeven en van de controleapparatuur.

De knollen moeten aan de volgende eisen beantwoorden: 1° het kaliber bedraagt minstens 25 mm (vierkante mazen);2° het maximumverschil in doorsnee tussen de knollen van een partij is 25 mm;3° vanaf een kaliber van 35 mm of hoger moeten de getallen die het minimum- en maximumkaliber aangeven een veelvoud van 5 zijn;4° op schriftelijk verzoek kunnen andere kalibers door de procesverantwoordelijke worden toegestaan, onder meer in geval van uitvoer. Toleranties 1° ondermaatse knollen: maximaal 3 % in gewicht;2° bovenmaatse knollen: maximaal 3 % in gewicht;3° totaal buitenmaat: maximaal 5 % in gewicht. De eisen voor de kalibrering worden niet toegepast op het prebasispootgoed-PBTC en op pootaardappelen voor instandhoudingsrassen. 7.3. Officieel goedgekeurde partijen 7.3.1. Officiële certificaten Elke verpakking die pootaardappelen bevat, moet uitwendig voorzien zijn van een officieel certificaat aangebracht door de keurmeester. De keurmeester reikt alleen certificaten uit als hij in het bezit is van gunstige ontledingsuitslagen van de virologische en bacteriologische onderzoeken.

Het certificaat mag ook onder officieel toezicht door de producent-bereider en bereider aangemaakt en aangebracht worden zoals vermeld in punt 7.3.2. In dat geval legt de producent een ontwerp van certificaat ter goedkeuring voor aan de procesverantwoordelijke.

Dat officieel certificaat vermeldt minstens de volgende gegevens: 1° naam van de bevoegde entiteit - België;2° "EG-systeem";3° land van oorsprong (producerend land);4° "Solanum tuberosum";5° ras;6° categorie en klasse;7° kaliber;8° gewicht;9° al of niet ontsmet;10° identificatie van de partij;11° erkenningsnummer van de leverancier;12° datum officiële bemonstering of officiële sluiting (maand - jaar);13° "EU-plantenpaspoort", en zo nodig de beschermde zone waarin de pootaardappelen zijn toegelaten. Eventueel kunnen op het certificaat ook de EU-klassen en/of veldgeneratie vermeld worden. Als de generatie niet op het officiële certificaat vermeld staat, worden de aardappelen geacht te behoren tot de maximale generatie die voor de desbetreffende categorie toegestaan is (zie 1.6.2.6).

Bij rassen die in procedure van inschrijving zijn op de nationale catalogus en waarvoor toestemming is om partijen ervan in de handel te brengen (zie punt 1.5.2), moeten de volgende gegevens ook op het officiële certificaat vermeld worden: 1° bij de rasbenaming: de referentie van de kweker, de voorgestelde benaming of de goedgekeurde benaming en, in voorkomend geval, het officiële nummer van de aanvraag tot opname van het ras in de nationale catalogus;2° "nog niet in de officiële lijst opgenomen ras";3° "alleen voor proeven";4° de maat. Daarenboven moet in geval van chemische behandeling de naam van elke actieve stof van de gebruikte middelen vermeld worden op het etiket van de leverancier of op de verpakking of container. In dat laatste geval zal de leverancier een schriftelijke verklaring naar de procesverantwoordelijke opsturen, waarop staat dat hij de vermelde actieve stof onder zijn eigen verantwoordelijkheid gebruikt.

Bij pootaardappelen van een ras dat genetisch gemodificeerd is, wordt op elk officieel certificaat, alsook op elk ander etiket of document, vermeld dat het ras genetisch gemodificeerd is, door "ggo" aan de rasnaam toe te voegen.

Het certificaat moet zo vastgehecht zijn dat het onmogelijk door een ander kan worden vervangen en dat het niet opnieuw kan worden gebruikt. Certificaten zijn uit onscheurbaar materiaal. Als het certificaat voorzien is van een oogje, moet het officieel verzegeld worden. 7.3.2. Aflevering van officiële certificaten In principe maakt de keurmeester de officiële certificaten aan. Onder de in punt 7.3.2.1 en 7.3.2.2 vermelde voorwaarden, kunnen de producent-bereider en bereider zelf certificaten aanmaken. 7.3.2.1. Invullen van officiële certificaten die ter beschikking gesteld zijn door de sectorverantwoordelijke.

De producent-bereider en bereider mogen de door de sectorverantwoordelijke ter beschikking gestelde certificaten met de eigen apparatuur invullen op voorwaarde dat ze zich jaarlijks ertoe verbinden de onderstaande voorwaarden correct na te leven. De verbintenis eindigt bij de teruglevering van de certificaten of bij de vaststelling van zware tekortkomingen.

De volgende voorwaarden gelden: 1° de ter beschikking gestelde certificaten worden uitsluitend gebruikt voor producten die op het eigen bedrijf verpakt worden.In geen geval mogen die certificaten aan derden doorgegeven of ter beschikking gesteld worden; 2° de bereider is verplicht dagelijks een register bij te houden waarin de nummers van de binnenkomende en uitgaande certificaten worden geregistreerd, samen met de partijen die ze identificeren en de overeenkomende hoeveelheden.Dat register moet op elk moment ter beschikking gehouden worden van de keurmeesters; 3° de partijen die voorzien zijn van certificaten, maar nog niet definitief aanvaard zijn door de keurmeester omdat er geen gunstige ontledingsuitslag is, moeten in het eigen magazijn goed herkenbaar opgeslagen blijven tot ze definitief aanvaard zijn. Elke zware tekortkoming aan de hierboven vermelde verplichtingen heeft tot gevolg dat de verbintenis als nietig wordt verklaard en dat de certificaten alleen nog officieel door de keurmeester aangebracht mogen worden. De procesverantwoordelijke zal in dat geval de voorraad van de nog niet gebruikte certificaten onmiddellijk terugvorderen. 7.3.2.2. Aanmaken en invullen van eigen certificaten De producent-bereider en bereider mogen zelf het materiaal voor de certificaten aanschaffen en ze volledig zelf aanvullen met een door de procesverantwoordelijke ter beschikking gesteld logo en alle reglementaire rubrieken, vermeld in punt 7.3.1, op voorwaarde dat ze zich jaarlijks ertoe verbinden de onderstaande voorwaarden correct na te leven.

De volgende voorwaarden gelden: 1° het ter beschikking gestelde logo mag niet voor andere doeleinden gebruikt worden;2° de afmetingen van het te drukken certificaat zijn minimaal 110 mm x 67 mm;3° een model van het te drukken certificaat wordt ter goedkeuring aan de procesverantwoordelijke voorgelegd;4° certificaten mogen alleen gedrukt worden voor partijen die op het eigen bedrijf verpakt worden.In geen geval mogen die certificaten aan derden doorgegeven of ter beschikking gesteld worden; 5° alle certificaten worden bij het drukken individueel genummerd volgens een door de procesverantwoordelijke vastgelegd formaat: a) lettercode voor het bedrijf (wordt toegekend door de procesverantwoordelijke);b) lettercode voor het seizoen (wordt toegekend door de procesverantwoordelijke);c) volgnummer van zes cijfers;d) aparte nummering voor elk type certificaat;6° de producent-bereider en bereider zijn verplicht dagelijks een register bij te houden waarin de nummers van de aangemaakte certificaten worden geregistreerd, samen met de partijen die ze identificeren en de overeenkomende hoeveelheden.Dat register moet op elk moment ter beschikking gehouden worden van de keurmeesters; 7° de partijen die voorzien zijn van certificaten, maar nog niet definitief aanvaard zijn door de keurmeester (nog geen gunstige ontledingsuitslag), moeten in het eigen magazijn goed herkenbaar opgeslagen blijven tot ze definitief aanvaard zijn. Als de producent-bereider en bereider op het officiële certificaat bijkomende informatie willen aanbrengen die niet in deze regelgeving is opgenomen en die niet geverifieerd is door de keurmeester (bijvoorbeeld een barcode, ...), moet hij dat doen in een ruimte die duidelijk van de officiële vermeldingen is afgescheiden door bijvoorbeeld een neutrale kleur te gebruiken of de vermeldingen te laten voorafgaan door de formule `volgens verklaring'. Uiteraard is geen enkele vorm van publiciteit toegelaten op de officiële certificaten.

Elke zware tekortkoming aan de hierboven vermelde verplichtingen heeft tot gevolg dat de verbintenis als nietig wordt verklaard en dat de certificaten alleen nog officieel door de keurmeester aangebracht mogen worden. De procesverantwoordelijke zal in dat geval de voorraad van de nog niet gebruikte eigen certificaten onmiddellijk in beslag nemen. 7.3.3. Leveranciersetiketten 7.3.3.1. Etiketten voor kleine verpakkingen Een vereenvoudigd etiket van de leverancier waarop relevante identificatiegegevens van de partij zijn vermeld, wordt door de leverancier opgemaakt en aanbracht bij kleine verpakkingen van de klasse gecertificeerd pootgoed.

Dat etiket is niet nodig als de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht. 7.3.3.2. Pootaardappelen van instandhoudingsrassen Bij pootaardappelen van instandhoudingsrassen moet de instandhoudende verpakkingen voorzien van een eigen etiket of van een gedrukte of gestempelde tekst met de volgende gegevens: 1° "EG-voorschriften en -normen";2° de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; 3° het jaar van sluiting, aangegeven als volgt: "gesloten in ...(jaar)"; 4° de soort;5° de benaming van het instandhoudingsras;6° `Instandhoudingsras';7° het gebied van oorsprong;8° als het gebied van de teelt van pootaardappelen niet het gebied van oorsprong is, de aanduiding van het teeltgebied;9° het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten;10° het opgegeven netto- of brutogewicht. 7.3.4 Kleur van de certificaten De certificaten hebben de volgende kleur: 1° grijs: brutopartijen;2° wit met paarse diagonale streep: prebasispootgoed;3° wit: basispootgoed S, SE en E;4° blauw: gecertificeerd pootgoed A en B. 5° oranje: rassen die in procedure van inschrijving zijn op de nationale catalogus en waarvoor toestemming werd gegeven om partijen ervan in de handel te brengen (zie punt 1.5.2). 7.3.5. Officiële sluiting 7.3.5.1. Algemene bepalingen De leverancier verpakt de pootaardappelen in een nieuwe verpakking of gereinigde container.

De verpakkingen of containers worden officieel gesloten door de keurmeester zodat ze niet geopend kunnen worden zonder dat het sluitingssysteem beschadigd wordt of zonder dat de certificaten of de verpakking sporen van manipulatie vertonen.

De verpakkingen of containers worden door de keurmeester verzegeld.

Die verzegeling is echter niet noodzakelijk bij zakken met genaaide sluiting. Daarbij moet het al dan niet zelfklevende scheurvrije certificaat dat geen enkele voorafgaande perforatie vertoont, in de lengte worden vastgemaakt in de sluitingsnaad van de verpakking. Elk certificaat dat sporen vertoont van meer dan één sluitingsnaad, beantwoordt niet aan de reglementering.

Na de definitieve goedkeuring en sluiting kan de keurmeester aanvullende monsters nemen. 7.3.5.2. Het opslaan van goedgekeurde partijen pootaardappelen in niet-definitieve verpakkingen Partijen pootaardappelen waarvan een gunstige uitslag bekend is en die niet definitief verpakt zijn, worden als definitief goedgekeurd beschouwd als ze onder toezicht van de keurmeester opgeslagen worden.

De partijen moeten behandeld en officieel gesloten worden onder toezicht van een keurmeester. 7.3.5.3. Los vervoer van goedgekeurde partijen pootaardappelen Het losse vervoer van goedgekeurde partijen pootaardappelen in vrachtwagens of recipiënten van de ene producent-bereider of bereider naar de andere is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1° de controles bij het laden en bij de inontvangstneming zijn minstens één werkdag van tevoren aangevraagd bij de sectorverantwoordelijke;2° de vracht- of aanhangwagens zijn zuiver bij het laden;3° bij vervoer van de partijen pootaardappelen, ofwel van het bedrijf van de ene producent-bereider of bereider naar dat van een andere producent-bereider of bereider, ofwel naar de eindgebruiker, worden de vracht- of aanhangwagens voorzien van een sluitingssysteem dat gesloten kan worden zodat er geen enkele mogelijkheid bestaat de inhoud te wijzigen zonder dat de verzegeling sporen van manipulatie vertoont.De certificaten worden vastgemaakt aan de verzegeling van de vracht- of aanhangwagen zodat die niet verbroken kan worden, en er wordt een vervoersmachtiging opgesteld.

Als de partijen pootaardappelen ter plaatse worden afgehaald door de eindgebruiker of door een derde die handelt in zijn naam, is de aanwezigheid van een keurmeester niet vereist en hoeft er geen vervoersmachtiging te worden opgemaakt. De certificaten worden vastgehecht aan de leveringsbon waarop hun nummers zijn vermeld.

Het exacte gewicht, alsook de naam van de ontvanger, moeten vermeld zijn op het certificaat; 4° de naam van de ontvanger, de nummers van de certificaten en het gewicht van het verkochte lot worden vervolgens door de leverancier vermeld op de steekkaart;5° de aanwezigheid van een keurmeester bij het lossen is niet nodig als de geadresseerde de eindgebruiker van de partijen pootaardappelen is.Die mag de partijen niet afstaan aan derden; 6° het losse vervoer naar een andere lidstaat van de Europese Unie is alleen mogelijk als er een algemeen voorafgaand akkoord bestaat met de desbetreffende keuringsdienst van die lidstaat.Dat akkoord is niet nodig als de ontvanger de eindgebruiker is. 7.4. Geweigerde partijen Partijen pootaardappelen die niet aan de voorschriften van dit reglement beantwoorden, worden geweigerd. De producent-bereider en bereider melden aan de sectorverantwoordelijke welke bestemming de partijen die geweigerd zijn, krijgen. Er mag met die partijen niets gebeuren zonder dat de sectorverantwoordelijke daarvan vooraf op de hoogte gebracht is.

Bij betwisting van de uitslag kunnen de producent-bereider en bereider binnen vijf werkdagen een aanvullend onderzoek aanvragen bij de sectorverantwoordelijke. De uitslag van het aanvullend onderzoek is definitief. HOOFDSTUK 8. - Bewerkingen van partijen pootaardappelen 8.1. Splitsen Partijen pootaardappelen kunnen alleen op aanvraag en onder toezicht van een keurmeester gesplitst worden als de partij in bulk aankomt bij een geregistreerde handelaar in pootaardappelen.

De keurmeester voorziet de gesplitste partijen officieel gecertificeerde pootaardappelen van nieuwe certificaten waarop dezelfde vermeldingen staan als op de oorspronkelijke certificaten, aangevuld met: 1° de datum van de nieuwe sluiting;2° de bevoegde entiteit die de voorgaande sluiting heeft verricht. 8.2. Verdelen in kleine verpakkingen Gecertificeerde partijen pootaardappelen, die opgeborgen zijn in verpakkingen die voorzien zijn van officiële certificaten, mogen in kleine verpakkingen ondergebracht worden waarvoor in bepaalde gevallen specifieke etiketteringsvoorschriften gelden.

Het onderbrengen in kleine verpakkingen mag alleen uitgevoerd worden door een verdeler van pootaardappelen in kleine verpakkingen. De verdeler moet elk jaar de sectorverantwoordelijke op de hoogte brengen van de aanvang en van de beëindiging van de werkzaamheden van het onderbrengen in kleine verpakkingen.

Elke verpakking die voorzien is van het voorgeschreven document (8.2.1.1, 8.2.1.2 en 8.2.1.3) van maximaal 5 kg gecertificeerde pootaardappelen wordt beschouwd als kleine verpakking.

Het sluitsysteem van de kleine verpakkingen moet zo aangebracht worden dat elke opening of beschadiging vastgesteld kan worden.

Voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden aan de eindgebruiker (maximaal 100 knollen met een kaliber kleiner dan 35 mm), volstaat een leveranciersetiket met vermelding van ras. 8.2.1. Documenten 8.2.1.1. Document dat opgesteld is door de verdeler De kleine verpakkingen worden aan de buitenkant of de binnenkant, als ze doorschijnend zijn of als ze bestaan uit kleine mazen waar het document niet door kan, voorzien van een document opgesteld door de verdeler waarop de volgende gegevens vermeld staan: 1° erkenningsnummer van de verpakker;2° "Pootaardappelen";3° naam van het ras;4° categorie en klasse;5° nettogewicht bij het verpakken;6° in voorkomend geval: "chemisch behandeld". 8.2.1.2. Certificaat/etiket Behalve het bovenvermelde document moet op de kleine verpakkingen een officieel of een door de procesverantwoordelijke goedgekeurd certificaat met een volgnummer of een door de procesverantwoordelijke goedgekeurd vereenvoudigd etiket van de leverancier worden aangebracht, dat alle relevante gegevens bevat. Dat certificaat of etiket is niet nodig als de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht.

Op het certificaat of etiket staan de volgende gegevens vermeld: 1° naam van de bevoegde entiteit - "België";2° "kleine verpakking";3° producerend land;4° volgnummer;5° "gecertificeerd pootgoed";6° "plantenpaspoort EU (RP)", dat wil zeggen vervangingspaspoort. Het certificaat of etiket is blauw. 8.2.1.3. Gecombineerd document Het bovenvermelde certificaat of etiket kan met het document van de verdeler gecombineerd worden. In dat geval dient de verdeler de aanvraag in bij de procesverantwoordelijke en verbindt hij zich er schriftelijk toe alleen de aangegeven documenten te gebruiken. 8.2.2. Boekhouding Het onderbrengen in kleine verpakkingen moet bijgehouden worden in een boekhouding die op verzoek van de toezichthouder voorgelegd moet kunnen worden.

De boekhouding moet de volgende gegevens bevatten: 1° Voor de te splitsen verpakkingen: a) ras;b) referentienummer van de partij, met vermelding van het land waarvan de keuringsdienst de laatste certificering heeft uitgevoerd;c) opgegeven nettogewicht;d) nummers van de keuringsdocumenten die de te splitsen verpakkingen dekken;e) de categorie en klasse van het pootgoed.2° voor de kleine verpakkingen: a) datum van het onderbrengen in kleine verpakkingen;b) het aantal kleine verpakkingen per gewichtscategorie;c) nummers van de certifcaten, etiketten of van de gecombineerde documenten. 8.3. Herverpakken Het onderbrengen in nieuwe kleine verpakkingen van pootaardappelen die al verpakt zijn in een kleine verpakking, is niet toegestaan, tenzij de procesverantwoordelijke daartoe vooraf zijn akkoord heeft verleend.

Die handeling moet dan onder toezicht van de keurmeester uitgevoerd worden. 8.4. Officieel goedgekeurde partijen ontleden Producent-bereiders en bereiders brengen de bevoegde entiteit ervan op de hoogte dat officieel goedgekeurde partijen niet meer verhandeld zullen worden als pootaardappelen. De bestemming van de partijen moet opgegeven worden en de gebruikte certificaten moeten ter beschikking gesteld worden van de keurmeester. HOOFDSTUK 9. - Postcontroleveld De monsters die de keurmeester heeft genomen na het rooien bij de inontvangstneming en de opslag (6.2) en de monsters die hij heeft genomen tijdens de certificering (7.1), worden uitgeplant op het postcontroleveld. Het doel van dat controleveld is na te gaan of de in de handel gebrachte partijen pootaardappelen aan de Europese en Vlaamse certificeringseisen voldoen. Ook in Vlaanderen binnengebrachte partijen pootaardappelen die als uitgangsmateriaal gebruikt zullen worden, kunnen op het controleveld uitgeplant worden.

De uitgeplante partijen worden aan de volgende tellingen onderworpen: 1° het aantal viruszieke planten (bladrol, mozaïek);2° het aantal bacteriezieke planten;3° het aantal aantastingen door Rhizoctonia solani;4° het aantal verwelkte planten veroorzaakt door schimmelziekten en het aantal off-types. HOOFDSTUK 1 0. - Invoer van partijen pootaardappelen 10.1. Partijen pootaardappelen, ingevoerd vanuit een Europese lidstaat 10.1.1. Bruto- of half afgewerkte partijen pootaardappelen Het invoeren van bruto- of half afgewerkte partijen pootaardappelen met het oog op de bewerking ervan in het Vlaamse Gewest is toegestaan op grond van waarborgen, verleend door een buitenlandse entiteit die bevoegd is voor keuring en certificering. Eventueel worden aanvullende virologische testen uitgevoerd. De partijen pootaardappelen worden dan verder behandeld zoals bepaald in hoofdstuk 7.

Bij pootaardappelen van rassen die noch op de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen noch op de nationale rassenlijst van landbouwgewassen voorkomen, moet de leverancier het bewijs leveren dat ze, naargelang van het geval, na vermeerdering of triage bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land. 10.1.2. Definitief goedgekeurde partijen pootaardappelen Controle bij het invoeren is niet verplicht voor definitief goedgekeurde partijen pootaardappelen die in het vrije verkeer zijn in de Europese Unie, tenzij het materiaal in bulk wordt ingevoerd. 10.2. Partijen pootaardappelen, ingevoerd vanuit derde landen De formaliteiten voor de invoer van partijen pootaardappelen zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 22 september 1993 tot regeling van de invoer en het binnenbrengen van zaaizaden en pootgoed van sommige plantensoorten en van teeltmateriaal van bosbouwsoorten.

De fytosanitaire voorschriften moeten nageleefd worden.

De Administratie van de Douane mag alleen een partij pootaardappelen tot de invoer toelaten als een door de keurmeester afgeleverd controlecertificaat voorgelegd kan worden, waaruit blijkt dat de partij pootaardappelen voldoet aan de voorwaarden, opgenomen in de beschikkingen van de Europese Unie over de gelijkstelling van in derde landen geproduceerde pootaardappelen.

Bij gebrek aan gelijkstelling moet de procesverantwoordelijke geraadpleegd worden. Die kan de invoer toestaan als de partij pootaardappelen aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° ze behoort tot een ras dat deelneemt aan de officiële proeven met het oog op inschrijving op de nationale rassenlijst van landbouwgewassen, en het is bestemd om aan de voormelde officiële proeven deel te nemen;2° ze is bestemd voor veredelingsdoeleinden of wetenschappelijke doeleinden;3° ze is bestemd voor vermeerdering door de mandataris onder toezicht van de toezichthouder;4° ze is bestemd voor wederuitvoer naar derde landen. In alle voormelde gevallen moet de leverancier het bewijs leveren, dat bij het invoerdocument gevoegd moet worden. HOOFDSTUK 1 1. - Keuring van partijen pootaardappelen die bestemd zijn voor uitvoer De partijen pootaardappelen die bestemd zijn voor uitvoer worden gekeurd volgens de regels die gelden voor Vlaamse partijen in de inrichtingen van een erkende producent-bereider of bereider.

Voor partijen pootaardappelen die behoren tot een ras dat niet op de gemeenschappelijke noch op de nationale rassenlijst van landbouwgewassen staat en die bestemd zijn voor de uitvoer naar derde landen, moet de inschrijver de verbintenis aangaan om de gecertificeerde partijen pootaardappelen niet in de Europese Unie te verhandelen.

Op aanvraag van de uitvoerder kan de keurmeester de keuring uitvoeren volgens andere criteria om tegemoet te komen aan de overeengekomen handelsverplichtingen of om in overeenstemming te zijn met de reglementering die in het invoerende land van kracht is.

In die gevallen gebruikt hij eventueel bijzondere documenten. HOOFDSTUK 1 2. - Keuring van partijen pootaardappelen als EU-klassen Op vraag van de inschrijver kan een partij gecertificeerd worden volgens de voorschriften van de EU-klassen. 12.1.1 Minimumeisen waaraan partijen pootaardappelen moeten voldoen 1° Het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan: a) 0,01 % voor PB;b) 0,1 % voor S, SE en E;c) 0,2 % voor A;d) 0,5 % voor B.2° Het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan: a) 0,0 % voor PB;b) 0,1 % voor S;c) 0,5 % voor SE;d) 1,0 % voor E;e) 2,0 % voor A;f) 4,0 % voor B.3° In de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten, bepaald via virologische testen, niet meer dan: a) 0,5 % voor PB;b) 1,0 % voor S;c) 2,0 % voor SE;d) 4,0 % voor E ;e) 8,0 % voor A;f) 10,0 % voor B.4° Het aantal planten met mozaïeksymptomen of symptomen van bladrolvirus bedraagt niet meer dan: a) 0,1 % voor PB;b) 0,2 % voor S;c) 0,5 % voor SE;d) 0,8 % voor E;e) 2,0 % voor A;f) 6,0 % voor B.5° Het maximumaantal generaties, met inbegrip van de generaties van pre-basispootgoed op het veld en basispootgoed, bedraagt: a) 4 voor PB;b) 5 voor S;c) 6 voor SE;d) 7 voor E;e) 8 voor A;f) 9 voor B. 12.1.2. Minimumeisen inzake de kwaliteit van partijen pootaardappelen.

De toleranties voor de partijen met betrekking tot de onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten zijn dezelfde als die vermeld in 7.2.1.2.

Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 5 november 2015 tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen Brussel, 5 november 2015.

De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE _______ Nota (1) Zie besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2012.

begin


Publicatie : 2015-12-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^