Ministerieel Besluit van 09 maart 2009
gepubliceerd op 15 april 2009
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit betreffende de opvolging, de evaluatie en de wijzigingen van de strategische veiligheids- en preventieplannen 2007-2010

bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2009000210
pub.
15/04/2009
prom.
09/03/2009
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

9 MAART 2009. - Ministerieel besluit betreffende de opvolging, de evaluatie en de wijzigingen van de strategische veiligheids- en preventieplannen 2007-2010


De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, inzonderheid artikel 69, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 25 mei 1999 en 22 december 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 december 2006 betreffende de strategische veiligheids- en preventieplannen;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 april 2007 tot bepaling van de toekennings-, aanwendings- en controlevoorwaarden van de financiële toelage van de steden en gemeenten die begunstigde zijn van een strategisch veiligheids- en preventieplan, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van onderhavig besluit moet worden verstaan onder : 1° comité : opvolgings- en evaluatiecomité;2° plan : strategisch veiligheids- en preventieplan;3° gemeente : stad of gemeente die over een plan beschikt;4° Administratie : de Directie Lokale Integrale Veiligheid;5° lokaal adviseur : lid van de Administratie belast met het ondersteunen en het opvolgen van de lokale besturen bij de ontwikkeling en de uitvoering van hun integraal en geïntegreerd veiligheids- en preventiebeleid. HOOFDSTUK II. - Organisatie van de opvolging en de evaluatie van de plannen

Art. 2.De filosofie van de plannen houdt een resultaatsverbintenis in op basis van de door de gemeenten bepaalde algemene, strategische en operationele doelstellingen.

Art. 3.In het kader van de controlemechanismen van de financiële toelage, van de opvolging en van de evaluatie van de plannen, bepaalt de Minister de overlegorganen, de te volgen procedures, alsook de voorstellingsmodaliteiten van de opvolging en de evaluatie.

Art. 4.De opvolging en de evaluatie vinden plaats tijdens de zogenaamde opvolgings- en evaluatievergaderingen.

Art. 5.De terreinbezoeken maken een wezenlijk deel uit van het opvolgings- en evaluatieproces van de plannen. HOOFDSTUK III. - Comité Afdeling 1. - Bevoegdheden

Art. 6.Het comité is bevoegd voor : - het organiseren van de opvolgingsvergaderingen en de evaluatievergaderingen van het plan; - het analyseren van de stand van zaken van de in het plan vastgelegde fenomenen; - het aanbevelen van de uit te voeren wijzigingen van het plan en de te nemen financiële sancties aan de Minister. Afdeling 2. - Samenstelling

Art. 7.De vaste leden van het comité zijn : - de lokaal adviseur van de Administratie; - een vertegenwoordiger van de Financiële Dienst van de Administratie; - de Directeur van de Administratie of zijn afgevaardigde.

Art. 8.§ 1. De volgende personen nemen deel aan de opvolgingsvergaderingen en de evaluatievergaderingen : - de leden van het comité - de Burgemeester of zijn vertegenwoordiger; - de preventieambtenaar; - de interne evaluator; - de administratief en financieel coördinator. § 2. Elke afwezigheid dient naar behoren gemotiveerd te zijn.

Art. 9.De Burgemeester stelt aan het comité voor om andere personen uit te nodigen die hij noodzakelijk acht in het kader van deze vergaderingen.

Art. 10.De Administratie nodigt andere personen uit die zij noodzakelijk acht om haar opvolgings- en evaluatieopdrachten optimaal te verwezenlijken. HOOFDSTUK IV. - Procedures

Art. 11.De resultaatsverbintenis die voortvloeit uit het plan brengt, voor de gemeente, de noodzaak met zich mee om regelmatig over te gaan tot de opvolging en de evaluatie van haar doelstellingen.

Art. 12.De Administratie bezorgt de gemeenten een model van de volgende documenten : - het voortgangsrapport; - het uitgavenplan; - het tussentijds evaluatierapport; - het eindevaluatierapport; - het wijzigingsformulier.

Art. 13.De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt door middel van een officieel schrijven de tijdsintervallen waarin : - de opvolgingsvergaderingen en evaluatievergaderingen plaatsvinden; - de gemeenten hun aanvragen tot wijziging van het plan indienen. Afdeling 1. - De opvolgingsvergaderingen

Art. 14.De opvolgingsvergadering heeft tot doel de begeleiding van het plan te verzekeren. Ze analyseert de gegevens die door de gemeentelijke overheid worden overgemaakt en laat toe : - de in het plan bepaalde doelstellingen, resultaten en indicatoren te heroriënteren; - sancties te nemen indien er problemen worden vastgesteld.

Art. 15.Het comité kan een buitengewone opvolgingsvergadering bijeenroepen indien de noodzakelijkheid ervan wordt vastgesteld gedurende een terreinbezoek.

Art. 16.§ 1. Om de opvolgingsvergaderingen voor te bereiden maakt de gemeente, via elektronische weg en ten laatste één maand voor de datum van de vergadering, aan de Administratie een opvolgingsdossier over die minstens de volgende elementen bevat : een voortgangsrapport; de laatste actualiseringen van de lokale veiligheidsdiagnostiek. § 2. Om een buitengewone opvolgingsvergadering voor te bereiden, wordt de datum van verzending van de in § 1 vermelde documenten bepaald in de oproepingsbrief van de vergadering.

Art. 17.De Administratie stelt een verslag van de vergadering op en maakt deze over aan de gemeente binnen de vijftien werkdagen volgend op de datum van de vergadering.

De gemeente beschikt over vijftien werkdagen om per post haar eventuele opmerkingen aan de Administratie over te maken.

Elke opmerking die na deze termijn wordt overgemaakt zal niet in beschouwing worden genomen. Afdeling 2. - De evaluatievergaderingen

Art. 18.Het doel van de evaluatievergaderingen is na te gaan of de gemeentelijke overheid de doelstellingen naleeft en de resultaten behaalt die in het plan vastgelegd zijn.

Art. 19.Er bestaan twee types evaluatievergaderingen : - de tussentijdse evaluatievergadering; - de eindevaluatievergadering.

Onderafdeling 1. - De tussentijdse evaluatievergadering

Art. 20.De tussentijdse evaluatievergadering stelt de positieve en negatieve punten op met betrekking tot de vooruitzichten van het naleven van de doelstellingen en het behalen van de in het plan vastgelegde resultaten.

Indien deze vooruitzichten niet gunstig zijn, kan ze eveneens tot doel hebben : - de gemeente te waarschuwen voor de mogelijkheid dat bepaalde doelstellingen niet gehaald worden en voor de noodzaak om deze bij te stellen teneinde sancties op het einde van het plan te vermijden; - de doelstellingen, de resultaten en de indicatoren gedefinieerd binnen het plan te heroriënteren; - sancties op te leggen indien problemen worden vastgesteld.

Art. 21.Om de tussentijdse evaluatievergadering voor te bereiden maakt de gemeente, via elektronische weg en ten laatste één maand voor de datum van de vergadering, aan de Administratie een tussentijds evaluatiedossier over dat op de drie afgelopen jaren van het plan slaat en dat minstens de volgende elementen bevat : een voortgangsrapport; een vergelijkende lokale veiligheidsdiagnostiek; een geactualiseerd uitgavenplan.

Art. 22.De Administratie maakt een tussentijdse evaluatie van het plan op en maakt deze over aan de gemeente binnen de twintig werkdagen volgend op de datum van de tussentijdse evaluatievergadering.

De gemeenten beschikken over twintig werkdagen om per post eventuele opmerkingen aan de Administratie over te maken.

Elke opmerking die na deze termijn wordt overgemaakt zal niet in beschouwing worden genomen.

Onderafdeling 2. - De eindevaluatievergadering

Art. 23.De eindevaluatievergadering is de laatste stap uit van de evaluatie van het plan. Ze heeft tot doel na te gaan of de doelstellingen van het plan behaald zijn en de eindconclusie te trekken aangaande de vier jaren van het verloop ervan.

Art. 24.Om de eindevaluatievergadering voor te bereiden maakt de gemeente, via elektronische weg en ten laatste één maand voor de datum van de vergadering, aan de Administratie een eindevaluatiedossier over dat op de vier afgelopen jaren van het plan slaat en dat minstens de volgende elementen bevat : een voortgangsrapport; een vergelijkende lokale veiligheidsdiagnostiek; een geactualiseerd uitgavenplan.

Art. 25.De Administratie maakt de eindevaluatie van het plan en de aanbevelingen van het comité op en maakt deze over aan de gemeente binnen de twintig werkdagen volgend op de datum van de vergadering.

De gemeente maakt, uiterlijk op 22 oktober 2010, haar opmerkingen per post over aan de Administratie.

Elke opmerking die na deze termijn wordt overgemaakt zal niet in beschouwing worden genomen.

Uiterlijk op 12 november 2010 maakt de Administratie aan de Minister het eindevaluatiedossier over bestaande uit : - de eindevaluatie; - de eventuele opmerkingen van de gemeente; - de bijkomende informatie van de Administratie met betrekking tot deze opmerkingen.

Op basis van deze informatie neemt de Minister een beslissing en informeert hij de gemeente die van ten laatste op 24 december 2010. HOOFDSTUK V. - Terreinbezoeken

Art. 26.Het doel van de door de lokaal adviseur afgelegde terreinbezoeken is het optimaliseren van de ondersteuning en de opvolging in het kader van de uitvoering van het plan.

Art. 27.Moeten aanwezig zijn tijdens een terreinbezoek : - de preventieambtenaar; - de interne evaluator.

Andere personen kunnen het terreinbezoek bijwonen als hun aanwezigheid zinvol wordt geacht bij de realisatie en de bijsturing van het plan.

Art. 28.De lokaal adviseur stelt een verslag op van het terreinbezoek op en de Administratie maakt deze per post over aan de gemeente binnen de vijftien werkdagen.

Art. 29.De gemeente beschikt over vijftien werkdagen om per post haar eventuele opmerkingen over te maken die aan het dossier zullen worden toegevoegd.

Elke opmerking die na deze termijn wordt overgemaakt zal niet in beschouwing worden genomen.

Art. 30.Naar aanleiding van het terreinbezoek en op voorstel van de Administratie, kan het comité een buitengewone opvolgingsvergadering samenroepen. HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van het plan

Art. 31.Elke wijziging volgt op een aanvraag van de gemeente of een aanbeveling van het comité.

Art. 32.De wijziging kan de toevoeging, de afschaffing of de wijziging van één of meerdere fenomenen, strategische doelstellingen, operationele doelstellingen, verwachte resultaten of indicatoren zijn.

Art. 33.De noodzaak van een wijziging van het plan kan vastgesteld worden bij : - een terreinbezoek; - een opvolgingsvergadering; - een tussentijdse evaluatievergadering.

Art. 34.Op straffe van niet-ontvankelijkheid dienen bij de aanvraag tot wijziging de volgende documenten gevoegd te worden : - een ingevuld wijzigingsformulier; - de notulen van goedkeuring van de aanvraag door de gemeentelijke overheid.

Indien de aanvraag een wijziging van een fenomeen inhoudt, dient deze gerechtvaardigd te worden door een geactualiseerde lokale veiligheidsdiagnostiek en gepaard te gaan met een aangepast uitgavenplan.

Art. 35.De beslissing tot wijziging van het plan wordt genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken.

Art. 36.Elke wijziging van het plan moeten worden ingediend via het ICT informaticasysteem. HOOFDSTUK VII. - Financiële sancties

Art. 37.De Minister van Binnenlandse Zaken of de FOD Binnenlandse Zaken kan, overeenkomstig de artikelen 21, 22, § 2, 23 en 24 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 tot bepaling van de toekennings-, aanwendings- en controlevoorwaarden van de financiële toelage van de steden en gemeenten die begunstigde zijn van een strategisch veiligheids- en preventieplan en op basis van de aanbevelingen van het comité, financiële sancties nemen. HOOFDSTUK VIII. - Eindbepaling

Art. 38.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007.

Gegeven te Brussel, 9 maart 2009.

G. DE PADT

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^