Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 09 oktober 1998
gepubliceerd op 28 oktober 1998

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald en tot wijziging van het ministerieel besluit van 1 december 1975 tot vaststelling van de kenmerken van bepaalde schijven, bebakeningen, platen en aanduidingen

bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
numac
1998014265
pub.
28/10/1998
prom.
09/10/1998
ELI
eli/besluit/1998/10/09/1998014265/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 OKTOBER 1998. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald en tot wijziging van het ministerieel besluit van 1 december 1975 tot vaststelling van de kenmerken van bepaalde schijven, bebakeningen, platen en aanduidingen


De Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Veiligheid, Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 20 juli 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975, houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, inzonderheid op artikel 60.2.;

Gelet op het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 8 december 1977, 23 juni 1978, 14 december 1979, 25 november 1980, 11 april 1983, 1 juni 1984, 17 september 1988, 20 juli 1990, 1 februari 1991, 11 maart 1991, 27 juni 1991, 19 december 1991, 11 maart 1997 en 16 juli 1997;

Gelet op het ministerieel besluit van 1 december 1975 tot vaststelling van de kenmerken van bepaalde schijven, bebakeningen, platen en aanduidingen die voorgeschreven zijn door het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 april 1980, 25 maart 1987 en 26 november 1997;

Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;

Gelet op het besluit van de Ministerraad van 3 juli 1998 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 16 september 1998 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Besluiten :

Artikel 1.In artikel 6.7.1.1° van het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 19 december 1991, wordt het tweede lid vervangen door de volgende bepaling : « wat betreft het verkeersbord C43 mag enkel een zonale draagwijdte toegekend worden aan : - 30 km per uur, overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor het instellen van de zones met een snelheidsbeperking van 30 km per uur; - 50 km per uur en 70 km per uur voor zover deze zone zich buiten een bebouwde kom bevindt, afgebakend door de verkeersborden F1 en F3, ze bebouwd is of er gewoonlijk veel voetgangers of fietsers komen. ».

Art. 2.In artikel 7.4bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 11 april 1983 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 17 september 1988, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift wordt vervangen door het volgende opschrift : « Verkeersbord A14 - Verhoogde inrichting op de openbare weg »;2° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Gesignaleerd moeten worden de verhoogde inrichtingen op de openbare weg, aangelegd overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrichtingen op de openbare weg en van de technische voorschriften waaraan deze moeten voldoen.»; 3° in het tweede en derde lid worden de woorden « verkeersdrempels » en « verkeersdrempel » respectievelijk vervangen door de woorden « verhoogde inrichtingen op de openbare weg » en « verhoogde inrichting op de openbare weg ».

Art. 3.In artikel 8.1.4° van hetzelfde besluit ingevoegd bij het ministerieel besluit van 23 juni 1978, wordt het eerste lid aangevuld met een zinsnede luidend als volgt : « behalve wanneer het woonerf uitkomt in een zone afgebakend door de verkeersborden F4a en F4b. ».

Art. 4.In artikel 9, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 9.1.3°, derde streepje van het derde lid worden de woorden « of F18 » ingevoegd tussen de woorden « F17 » en « in plaats »; 2° in artikel 9.2. wordt het derde lid geschrapt; 3° een 9.2.bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : « 9.2.bis. Verkeersbord C3 met onderbord « speelstraat ».

De openbare weg die men als speelstraat wil inrichten moet liggen op een plaats waar de snelheid beperkt is tot 50 km per uur.

Hij moet liggen in een straat of wijk met overheersend woonkarakter, zonder doorgaand verkeer en mag niet bediend worden door een geregelde dienst voor gemeenschappelijk vervoer.

Tijdens de uren dat de openbare weg als speelstraat wordt gesignaleerd mag er speelinfrastructuur geplaatst worden mits de doorgang van toegelaten bestuurders en prioritaire voertuigen niet verhinderd wordt.

De openbare weg die men als speelstraat wil inrichten moet tijdelijk afgesloten worden telkens tijdens dezelfde uren.

Er moeten voldoende hekken geplaatst worden om de speelstraat duidelijk af te bakenen.

Op de hekken wordt een bord C3 en onderbord « speelstraat » vast bevestigd.

De uren tijdens welke de straat als speelstraat is ingericht worden op het onderbord vermeld.

De hekken worden geplaatst onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder. »; 4° artikel 9.9.3°, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 december 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 9.9.3° - Wanneer een snelheidsbeperking wordt opgelegd buiten de bebouwde kom, moet het eerste verkeersbord C43 aangekondigd worden door een gelijkaardig verkeersbord, aangevuld met een onderbord van het type Ia van bijlage 2 tot dit besluit, indien het verschil tussen de maximale toegelaten snelheid en de opgelegde snelheidsbeperking meer dan 20 km/u. bedraagt. »; 5° het tweede en het derde lid van het artikel 9.9.3° worden genummerd 9.9.4°.

Art. 5.Artikel 11.6 van hetzelfde besluit, opgeheven door het ministerieel besluit van 19 december 1991, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 11.6. Stilstaan en parkeren mag niet toegestaan worden op de verhoogde inrichtingen op de openbare weg, als genoemd in artikel 22ter 1.3° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, als die inrichtingen in totaal minder dan 10 m lang zijn. ».

Art. 6.In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 juni 1978, 11 april 1983, 17 september 1988, 20 juli 1990, 1 februari 1991, 19 december 1991 en 16 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 12.18 eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « 12.18 - Verkeersbord F87 - Verhoogde inrichting op de openbare weg.

Dit verkeersbord heeft een zijde van tenminste 0,40 m.

Het moet geplaatst worden ter hoogte van elke verhoogde inrichting op de openbare weg, aangelegd overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrichtingen op de openbare weg en van de technische voorschriften waaraan deze moeten voldoen, gelegen buiten de kruispunten. »; 2° artikel 12 wordt aangevuld met de volgende bepalingen : « 12.23. - Verkeersborden F99a en F101a. - Weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers en ruiters. 1° Deze borden hebben een zijde van tenminste 0,40 m;2° zij mogen door geen enkel onderbord aangevuld worden;3° zij mogen niet gebruikt worden voor de bebakening van een voetgangerszone. 12.24. - Verkeersborden F99b en F101b. - Weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers en ruiters met aanduiding van het deel van de weg dat aan de onderscheiden categorieën weggebruikers is toegewezen. 1° Deze borden hebben een zijde van tenminste 0,40 m;2° zij mogen door geen enkel onderbord aangevuld worden;3° in voorkomend geval mogen de symbolen op de borden omgewisseld worden;4° zij mogen niet gebruikt worden voor de bebakening van een voetgangerszone;5° de ruimte die aan elke categorie van weggebruikers voorbehouden is moet duidelijk zichtbaar zijn. 12.25. - Verkeersborden F103 en F105. - Begin en einde van een voetgangerszone. 1° Deze borden hebben als minimumafmetingen 0,60 m x 0,90 m.Zij mogen verminderd worden tot 0,40 m x 0,60 m rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden; 2° zij mogen slechts geplaatst worden indien de zone een handels- of toeristische activiteit heeft; 3° de weggebruikers die toegang hebben tot de voetgangerszone, overeenkomstig artikel 22sexies 1.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, worden aangegeven in het zwart op het onderste witgedeelte van het bord en in de volgende orde : - de voertuigen voor de bevoorrading met vermelding van de uren van toegang, eventueel de dagen en eventueel de voorwaarden; - de taxi's met vermelding van de uren van toegang en eventueel de dagen; - de fietsers, in voorkomend geval met vermelding van de uren van toegang en eventueel de dagen. ».

Art. 7.In artikel 18.4. van hetzelfde besluit, gewijzigd bij ministerieel besluit van 20 juli 1990 worden het vierde en vijfde lid vervangen door de volgende bepalingen : « De dwarsmarkering moet aangebracht worden wanneer fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten oversteken buiten het kruispunt of de rotonde.

Zij mag niet aangebracht worden op het kruispunt of de rotonde wanneer de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen dezelfde voorrangsregels moeten naleven als de andere bestuurders. ».

Art. 8.In het ministerieel besluit van 1 december 1975 tot vaststelling van de kenmerken van bepaalde schijven, bebakeningen, platen en aanduidingen die voorgeschreven zijn door het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 april 1980, 25 maart 1987 en 26 november 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift van dit besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 25 maart 1987, worden de woorden « , platen en aanduidingen » vervangen door de woorden « en platen »;2° artikel 4 wordt opgeheven;3° de bijlage 2 tot dit besluit wordt opgeheven.

Art. 9.Indien het verkeer in een voetgangerszone, zoals bedoeld in artikel 22sexies van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, vóór de inwerkingtreding van dit besluit gesignaleerd is als wandelstraat overeenkomstig het ministerieel rondschrijven van 14 november 1977 betreffende de aanvullende reglementen en de plaatsing van de verkeerstekens, punt V, toelichting bij artikel 9.2. - Verkeersbord C3, dan mag deze signalisatie uiterlijk tot 31 maart 1999 behouden blijven.

Art. 10.Dit besluit treedt in werking op 1 november 1998.

Brussel, 9 oktober 1998.

De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. PEETERS

^