Ministerieel Besluit van 10 december 1998
gepubliceerd op 23 december 1998
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit tot regeling van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van inspecteur bij de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat

bron
ministerie van justitie
numac
1998010029
pub.
23/12/1998
prom.
10/12/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 DECEMBER 1998. - Ministerieel besluit tot regeling van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van inspecteur bij de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat


De Minister van Justitie, Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van de leden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, inzonderheid op artikel 17;

Gelet op het advies van de Directieraad, gegeven op 24 juni 1998;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 september 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken van 3 december 1998;

Gelet op de wetten van de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nieuwe opdrachten geeft aan het Bestuur van de Veiligheid van de Staat;

Overwegende dat het noodzakelijk is de betrekkingen die voor deze opdrachten zijn voorzien op te vullen;

Overwegende dat het bijgevolg dringend noodzakelijk is inspecteurs aan te werven, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Een vergelijkend examen voor de werving in de graad van inspecteur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat wordt georganiseerd door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, onder toezicht van het Vast Wervingssecretariaat, telkens als de behoeften van de dienst het vereisen.

Art. 2.Het vergelijkend examen wordt ter kennis van het publiek gebracht door een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, ten minste twee maanden voor de datum van de eerste proef van het examen.

Het bericht vermeldt inzonderheid de graad waarvoor het vergelijkend examen georganiseerd wordt, de wedde verbonden aan de graad, het programma van het vergelijkend examen, de voorwaarden van deelneming en de datum waarop ze vervuld moeten zijn, de nadere regels van inschrijving en de uiterste inschrijvingsdatum.

Art. 3.De gegadigden dienen hun aanvraag tot deelneming aan het vergelijkend wervingsexamen te richten aan de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, Emile Jacqmainlaan 150, bus 2, te 1000 Brussel, per ter post aangetekende brief, volgens de nadere regels vermeld in het bericht bedoeld in artikel 2, vergezeld van de volgende stukken : 1° een uittreksel uit de geboorteakte;2° een minder dan zes maanden oud getuigschrift van goed zedelijk gedrag;3° voor de mannelijke gegadigden een bewijsstuk van naleving van de dienstplichtwetten;4° een eensluidend verklaard afschrift van het diploma of getuigschrift dat voorkomt in bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dat in aanmerking komt voor de toelating tot de rijksbesturen onder rubriek « niveau 2+ »;5° een curriculum vitae en een recente foto. De aanvraag tot deelneming dient verplicht opgesteld te worden op het inschrijvingsformulier dat wordt afgeleverd door de postkantoren.

De inschrijving voor het vergelijkend examen is afhankelijk gemaakt van de betaling van een recht vastgesteld op 300 BEF dat wordt geïnd door fiscale zegels te kleven op de strook van het formulier en deze onbruikbaar te maken.

Art. 4.De examencommissie voor het vergelijkend examen kijkt na of de voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend examen vervuld zijn in hoofde van elke gegadigde.

De gegadigden die aan de deelnemingsvoorwaarden voldoen worden toegelaten tot het vergelijkend examen. De voorzitter van de examencommissie verwittigt hen hiervan per ter post aangetekende brief.

De gegadigden die niet voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden hiervan per ter post aangetekende brief verwittigd door de voorzitter van de examencommissie.

Art. 5.§ 1. Het vergelijkend wervingsexamen bestaat uit de volgende proeven die in de hierna bepaalde volgorde dienen te worden afgelegd : 1° Proef A : schriftelijke proef over de algemene vorming;2° Proef B : psychotechnische tests;3° Proef C : observatieproef;4° Proef D : conversatieproef in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen;5° Proef E : mondelinge proef over het grondwettelijk recht en de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat.

Art. 6.Het relatieve belang van de proeven bedoeld in artikel 5 wordt bepaald door de waarde-coëfficiënt vermeld in het programma der proeven in bijlage I.

Art. 7.Tenminste zeven werkdagen voor elke proef van het vergelijkend examen brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de datum, het uur en de plaats van de proef ter kennis van elke toegelaten gegadigde.

De gegadigde die zich niet aanmeldt voor één van de proeven of een gedeelte van een proef wordt ambtshalve uitgesloten van het vervolg van het vergelijkend examen.

Op het einde van elke proef brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de toegekende punten ter kennis van iedere gegadigde en preciseert hij of hij toegelaten wordt tot de volgende proef.

Op het einde van het vergelijkend examen brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de uitslag alsook de bekomen plaats ter kennis van iedere gegadigde.

Art. 8.Het programma van het vergelijkend examen alsook de beschrijving van de vakken van de proeven zijn vermeld in de bijlagen I en II. HOOFDSTUK II. - Secretaris van de examencommissie

Art. 9.De secretaris van de examencommissie van het vergelijkend examen woont de zittingen van de examencommissie bij met raadgevende stem.

Hij stelt de processen-verbaal op van de zittingen en de beraadslagingen van de examencommissie en draagt zorg voor de administratieve taken behorend bij het secretariaat van het vergelijkend examen.

De secretaris woont alle proeven bij. Bij de mondelinge proeven tekent hij op de beoordelingsfiches de beoordelingen op van de examencommissie over de gegadigden. HOOFDSTUK III. - Proeven van het vergelijkend examen Afdeling I. - Proef A

Schriftelijke proef over de algemene vorming

Art. 10.De schriftelijke proef over de algemene vorming bestaat uit een samenvatting van en een kritische commentaar over een voordracht inzake een onderwerp van algemene aard.

De duur van de proef bedraagt vier uur en dertig minuten.

Tijdens de voordracht mogen de gegadigden geen aantekeningen maken.

Art. 11.De examencommissie bepaalt het onderwerp waarover de schriftelijke proef gaat en duidt twee van haar leden aan voor de opstelling van de tekst.

Niemand anders neemt kennis van het onderwerp alvorens de proef is begonnen.

De in het eerste lid bedoelde leden staan in voor de verbetering en de beoordeling van de schriftelijke proef.

Art. 12.De gegadigden die niet toegelaten aantekeningen of boeken bij zich hebben, moeten ze neerleggen op de door de secretaris van de examencommissie daartoe aangewezen plaats.

De gegadigden worden per tafel ingedeeld. Aan de ingang van de examenzaal ontvangen de gegadigden een nummer dat hun plaats aanduidt.

Elke gegadigde vindt op zijn plaats een examenschrift waarop hij de gevraagde identiteitsgegevens invult, gevolgd door zijn handtekening.

De opzichter vergelijkt deze gegevens en de handtekening met deze die vermeld zijn op de identiteitskaart van de gegadigde.

De identiteitsgegevens worden vervolgens onzichtbaar gemaakt.

Ieder schrift is voorzien van een volgnummer en een verzameltabel voor de punten.

De gegadigden mogen slechts het hun ter beschikking gesteld papier gebruiken.

Geen enkele gegadigde wordt nog toegelaten tot de examenzaal na afloop van de tijd vermeld in de oproepingsbrief.

Art. 13.Elk in hun sector handhaven de opzichters de orde en de stilte in de examenzaal; zij leggen er zich op toe de pogingen tot bedrog op te sporen en te beletten. Zij mogen geen gesprek voeren, hetzij onderling, hetzij met de gegadigden en ze vermijden om zich langdurig bij één van de gegadigden op te houden.

De opzichters zijn niet bevoegd om aan de gegadigden ophelderingen te verstrekken. Indien aan hen inlichtingen worden gevraagd, verwittigen zij de aanwezige leden van de examencommissie of de secretaris van de examencommissie.

Art. 14.De gegadigden die de orde verstoren, hetzij door woorden, hetzij op welke wijze ook, of die betrapt worden op bedrog of poging tot bedrog worden onmiddellijk uit de examenzaal verwijderd door de aanwezige leden van de examencommissie en door de secretaris van de examencommissie.

In dat geval stelt de secretaris een proces-verbaal op dat medeondertekend wordt door de opzichter die het incident heeft vastgesteld, door de aanwezige leden van de examencommissie en door hemzelf.

De gegadigden mogen niet, op straffe van onmiddellijke uitsluiting, met elkaar praten of nota's en boeken raadplegen, met uitzondering van de documentatie die eventueel wordt toegelaten.

Art. 15.De gegadigden mogen de examenzaal slechts verlaten na afloop van de tijd vermeld in de oproepingsbrief.

De gegadigden mogen de examenzaal niet verlaten, tenzij na afgifte van het examenschrift en van alle documenten ontvangen van de secretaris van de examencommissie of van de opzichters daartoe aangewezen. Bij de verbetering wordt geen rekening gehouden met de kladschriften.

Het examenschrift en de oproepingsbrief worden afgestempeld.

Art. 16.Na afloop van de proef en in afwachting van de verbetering, worden de examenschriften van de gegadigden door de secretaris van de examencommissie in een verzegelde omslag op een veilige plaats geborgen, in de lokalen daartoe aangewezen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of door zijn afgevaardigde.

Art. 17.De verbetering en de beoordeling gebeuren overeenkomstig de volgende regels : Iedere examinator doet de verbetering van alle examenschriften.

Bij elk examenschrift is een beoordelingsfiche gevoegd waarop elk lid van de examencommissie zijn opmerkingen schrijft, zonder vermelding van een cijfer.

De examinatoren ontvangen een beoordelingslijst die de volgnummers vermeldt die voorkomen op de examenschriften. Zij vermelden tegenover het nummer van het verbeterde examenschrift de toegekende punten.

De examinatoren mogen hun beoordelingslijsten aan elkaar niet mededelen zolang ieder van hen zijn individueel verbeteringswerk niet heeft beëindigd.

Iedere examinator ondertekent de beoordelingslijst die hij heeft ingevuld. Deze lijsten worden in een gesloten omslag geborgen die overhandigd wordt aan de voorzitter van de examencommissie of aan de secretaris indien hij daartoe gemachtigd wordt door de voorzitter en worden bewaard op een veilige plaats in afwachting van de beraadslaging door de examencommissie.

Na de beraadslaging door de examencommissie worden de definitieve lijsten met de punten ondertekend door alle leden van de examencommissie. De toegekende punten worden overgebracht op de examenschriften door de secretaris van de examencommissie.

De identiteitsgegevens van de titularissen van de examenschriften worden onthuld en de lijst van de geslaagden van de proef wordt opgesteld.

Art. 18.Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten 24 punten op de 40. Afdeling II. - Proef B

Psychotechnische tests

Art. 19.De voorzitter van de examencommissie voor het vergelijkend examen deelt aan de vaste wervingssecretaris de lijst van de gegadigden mee die toegelaten zijn tot de psychotechnische tests.

Art. 20.Overeenkomstig artikel 22 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat bestaat proef B uit : 1° een geïnformatiseerd gedeelte dat één of meerdere persoonlijkheidstests bevat;2° een interview waarin rekening wordt gehouden met de resultaten van de persoonlijkheidstests bedoeld in 1° en dat bestaat uit een gesprek dat toelaat om de karaktereigenschappen en de maturiteit van de gegadigde te beoordelen. Het interview duurt twintig minuten.

De beoordeling wordt toegekend na het interview.

Art. 21.§ 1. Een beoordelingslijst die de namen van de gegadigden vermeldt, wordt opgesteld en overhandigd aan de examinatoren.

De prestatie van de gegadigde is het voorwerp van één beoordeling die gemeenschappelijk toegekend wordt door de examinatoren en overgebracht wordt op deze lijst.

Bij gebrek aan een akkoord, wordt het rekenkundig gemiddelde berekend van de punten toegekend door de examinatoren.

De lijst van de beoordelingen vermeldt de handtekening van alle examinatoren van de proef. § 2. Aan deze beoordelingslijst is een beoordelingsfiche per gegadigde gevoegd, waarop de secretaris de motivering vermeldt medegedeeld door de examencommissie van het vergelijkend examen.

Deze beoordelingsfiche wordt geparafeerd door de voorzitter van de examencommissie. § 3. De beoordelingslijst en de beoordelingsfiches worden geborgen in een verzegelde omslag.

Deze omslag wordt op een veilige plaats bewaard daartoe gekozen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat tot de dag van de beraadslaging.

Art. 22.Op straffe van uitsluiting bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef B 24 punten op de 40. Afdeling III. - Proef C

Observatieproef

Art. 23.§ 1. De observatieproef bestaat uit een mondelinge beschrijving van een filmfragment dat ongeveer 5 minuten duurt.

De duur van de observatieproef bedraagt 20 minuten, de duur van het filmfragment inbegrepen.

Het fragment wordt slechts één maal vertoond. Er mogen geen nota's worden genomen tijdens of na de vertoning. § 2. De examencommissie duidt drie van haar leden aan als examinator om proef C af te nemen en te beoordelen. § 3. De examinatoren kiezen het filmfragment voor proef C.

Art. 24.Artikel 21 is van toepassing op proef C.

Art. 25.Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef C 10 punten op de 20. Afdeling IV. - Proef D

Conversatie in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen

Art. 26.De conversatieproef bestaat uit een onderhoud met een duur van vijftien minuten met de gegadigde in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen.

De examencommissie duidt drie van haar leden aan om proef D af te nemen en te beoordelen.

Art. 27.Artikel 21 is van toepassing op proef D.

Art. 28.Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef D 10 punten op de 20. Afdeling V. - Proef E

Mondelinge proef over het grondwettelijk recht en de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat

Art. 29.§ 1. De mondelinge proef E bestaat uit twee delen die afzonderlijk worden beoordeeld : E1. begrippen van het Belgisch grondwettelijk recht;

E2. wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat. § 2. De gegadigden nemen deel aan de twee delen tijdens dezelfde zitting. De proef duurt 30 minuten. § 3. De examencommissie duidt drie van haar leden aan als examinatoren, die instaan voor de beoordeling van de proef.

Art. 30.De examinatoren aangeduid bij artikel 29, § 3 stellen de vragen op die in aanmerking komen voor de proef en beslissen welke vragen daarvan gesteld worden.

De vragenlijst wordt in een verzegelde omslag geborgen die op een veilige plaats wordt bewaard, aangeduid door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat tot het ogenblik waarop de proef start.

Art. 31.Artikel 21 is van toepassing op proef E.

Art. 32.Op straffe van uitsluiting bedraagt het vereiste minimum der punten voor de mondelinge proef E1 over het grondwettelijk recht 10 punten op de 20 en voor de mondelinge proef E2 over de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat 10 punten op de 20.

Voor het geheel van proef E, moet de gegadigde 20 punten op de 40 behalen. Afdeling VI. - De beraadslaging over het vergelijkend examen

Art. 33.Om te slagen voor het vergelijkend examen dient de gegadigde volgende punten te behalen : 24 punten op de 40 voor proef A, 24 punten op de 40 voor proef B, 10 punten op de 20 voor proef C, 10 punten op de 20 voor proef D, 20 punten op de 40 voor proef E en 88 punten op de 160 punten voor het geheel van de proeven.

Art. 34.Na ontvangst van de definitieve beoordelingen, stelt de voorzitter van de examencommissie het proces-verbaal op van het geheel der proeven. Het wordt ondertekend door de voorzitter en de leden van de examencommissie.

Art. 35.De examencommissie stelt definitief de lijst vast van de geslaagden voor het vergelijkend examen, die zal opgetekend worden in het proces-verbaal van de vergadering.

De geslaagden worden gerangschikt volgens de belangrijkheid van het totaal der punten behaald voor het geheel der proeven.

Bij gelijkheid van punten, wordt als eerste gerangschikt, de gegadigde die de meeste punten behaalde op de proef B en daarna op de proef C.

Art. 36.De gegadigden ontvangen van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat kennisgeving van het resultaat van het vergelijkend examen. De geslaagde gegadigden krijgen mededeling van hun rangnummer. HOOFDSTUK IV. - Opheffings- en slotbepalingen

Art. 37.De mededeling van het rangnummer loopt niet vooruit op de indienstneming, die ondergeschikt is aan de voorafgaande aanvaarding bedoeld in artikel 16, 7° en de voorafgaande vaststelling van het bestaan van de fysieke voorwaarden bedoeld in artikel 16, 11° van het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat.

Art. 38.Het ministerieel besluit van 15 oktober 1968 tot inrichting van een vergelijkend aanwervingsexamen voor inspecteur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, gewijzigd door het ministerieel besluit van 30 juli 1997, wordt opgeheven.

Brussel, 10 december 1998.

T. VAN PARYS

Bijlage I Programma van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van inspecteur van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 10 december 1998.

De Minister van Justitie, T. VAN PARYS

Bijlage II Omschrijving van de examenstof Proef A : Schriftelijke proef over de algemene vorming Deze proef heeft tot doel de zin voor synthese en voor kritiek bij de gegadigde na te gaan. Het te leveren werk moet dus uit twee goed onderscheiden delen bestaan : a) Een samenvatting, in doorlopende tekst, van de ontwikkelde hoofdgedachten;b) Een uiteenzetting die de opmerkingen, de persoonlijke overwegingen en eventueel de tegenwerpingen en de kritiek omvat welke de gegadigde gepast acht. De beoordeling, voor elk van de twee delen afzonderlijk beschouwd, houdt rekening met de inhoud, de vorm en de spelling.

Proef B : Psychotechnische tests Deze proef heeft de bedoeling het professioneel profiel van de gegadigde te evalueren en te oordelen of hij over de bekwaamheid en aanleg beschikt, vereist voor de uitoefening van de betrekking van inspecteur.

Deze proef bestaat uit twee delen : Geïnformatiseerd gedeelte Bestaat uit persoonlijkheidstests.

Mondeling gedeelte Bestaat uit een interview waarin rekening wordt gehouden met de resultaten van het geïnformatiseerd gedeelte en dat bestaat uit een gesprek dat als doel heeft de karaktereigenschappen en de maturiteit van de gegadigde te beoordelen.

Proef C : Observatieproef De proef bestaat uit een mondelinge beschrijving van een filmfragment, evenals uit vragen over details uit dit filmfragment.

Zij heeft de bedoeling de bekwaamheid van de gegadigde te beoordelen om het algemeen kader van een handeling in te schatten, om zo getrouw mogelijk gebeurtenissen weer te geven en details op te merken die relevant zijn.

Proef D : Deze mondelinge proef bestaat uit een onderhoud met de gegadigde in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen.

Proef E : Mondelinge proef over het grondwettelijk recht en de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Saat E1. Begrippen van het Belgisch Grondwettelijk recht 1. BASISBEGRIPPEN 1.De Grondwet 1. Definitie.2. Kenmerken (norm van algemene aard - hoogste rechtsnorm - continuïteit).3. Historische context van de Grondwet.Het Nationaal Congres. 4. Procedure tot herziening van de Grondwet.2. De Belgische Staat 1.België, rechtsstaat. 2. België, federale Staat.3. België, representatieve democratie.4. België, grondwettelijke monarchie.5. Hiërarchie der normen. (Grondwet, bijzondere wetten; wetten, decreten en ordonnantie; koninklijke en ministeriële besluiten, besluiten van gemeenschaps- en gewestregeringen, provinciale verordeningen, verordeningen van agglomeraties, gemeentelijke verordeningen). 6. Residuaire bevoegdheden.3. Het Belgisch Grondgebied 1.Grond-, water- en luchtgebied. 2. Gewesten, provincies en gemeenten.3. Taalgebieden;gebieden met een bijzonder taalstatuut. 4. Verandering van de grenzen van de Staat, de provincies, de gemeenten, de taalgebieden.4. De nationaliteit 1.Nationaliteit van herkomst. 2. Wijzen van verkrijging van de Belgische nationaliteit (optie, naturalisatie, adoptie, huwelijk,...). 3. Verlies van de Belgische nationaliteit.4. Herkrijging van de Belgische nationaliteit.5. Het statuut van vreemdeling 1.Rechten en vrijheden gewaarborgd door de Belgische Grondwet. 2. Rechten en vrijheden gewaarborgd door de internationale verdragen (daarbij inbegrepen het internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchteling, opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953).3. Politieke en burgerlijke rechten - Benoemingen tot burgerlijke en militaire bedieningen - De onderhorigen van de Europese Unie.4. Toegang tot het grondgebied.Verblijf. Vestiging. Verplichtingen.

Verwijdering. Uitlevering. 2. DE VRIJHEDEN 1.Het stelsel van rechten en vrijheden; principiële uitsluiting van preventieve maatregelen - beteugeling van misdrijven - wettigheidsbeginsel (grondige kennis). 2. De gelijkheid voor de wet (grondige kennis).3. Het non-discriminatiebeginsel;bescherming door wet en decreet van ideologische en filosofische minderheden. Het cultuurpact (grondige kennis). 4. De vrijheid van persoon;rechtsvervolging, aanhouding, straffen.

Verbod van bepaalde straffen (algemene beginselen). 5. De onschendbaarheid van de woning en bescherming van het eigendomsrecht (algemene beginselen).6. De vrijheid van meningsuiting.De vrijheid van eredienst en vrije openbare uitoefening (grondige kennis). 7. De bescherming van het privé-leven en de menselijke waardigheid. Economische, sociale en culturele rechten (grondige kennis). 8. De vrijheid van onderwijs.Grondwettelijke garanties (algemene beginselen). 9. De persvrijheid (algemene beginselen).10. De vrijheid van vergadering - De vrijheid van vereniging (algemene beginselen).11. Het petitierecht (algemene beginselen).12. De onschendbaarheid van het briefgeheim (grondige kennis).13. De openbaarheid van bestuur (algemene beginselen).14. De bijzondere bescherming voorzien in de artikelen 10,11 en 24 van de Grondwet (grondige kennis).3. DE MACHTEN (ALGEMENE THEORIE) De scheiding der machten (noties).4. DE FEDERALE WETGEVENDE MACHT (Noties).1. De wetgevende macht 1.Rol en theoretische primauteit 2. Het tweekamerstelsel : voor- en nadelen.Rol van beide kamers in de federale Staat ten gevolge van de hervorming van 1993 : voorrang van de Kamer op de Senaat. 2. Het Belgisch kiesstelsel 1.Soorten verkiezingen en periodiciteit. 2. Opdeling van het land in kiesomschrijvingen. 3. De evenredige vertegenwoordiging : voor- en nadelen t.o.v. het meerderheidssysteem. 3. Werking van de Kamers 1.Totstandkoming van de wet. 2. Schriftelijke en mondelinge vragen.Interpellaties. Recht van onderzoek. 4. De Kamer van Volksvertegenwoordigers 1.Samenstelling en bevoegdheden (exclusieve bevoegdheden, gezamenlijke en alternerende bevoegdheden met de Senaat). 2. Politieke controle op de regering : de investituur.Gevallen waarin de Kamer de regering kan doen vallen. Moties van vertrouwen en wantrouwen. De « constructieve motie van wantrouwen ». 5. De Senaat Samenstelling en bevoegdheden.5. DE FEDERALE UITVOERENDE MACHT (Noties).1. Bevoegdheidssfeer.Toegewezen bevoegdheden. Uitvoering van wetten (koninklijke en ministeriële besluiten). Algemeen bestuur. 2. Het persoonlijk statuut van de Koning Onverantwoordelijkheid en onschendbaarheid.3. De grondwettelijke bevoegdheden van de Koning - De koninklijke verordeningsbevoegdheid;gewone besluiten, besluitwetten. De ministeriële mede- ondertekening. - Het benoemings- en ontslagrecht. - Bekrachtiging en afkondiging van de wetten. 4. De federale regering 1.Samenstelling en werking van de regering.

De eerste minister, de vice-eerste ministers, de ministers, de staatssecretarissen.

De ministerraad; de taalpariteit. 2. De politieke verantwoordelijkheid van de ministers;de mede-ondertekening.

De legislatuurregering. Gevallen waarin de regering ontslag moet nemen. Lopende zaken. 3. De burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid.5. De openbare macht Grondwettelijke beginselen.6. DE RECHTERLIJKE MACHT 1.Algemene principes Rol van de rechterlijke macht. Burgerlijke en politieke rechten.

Zittende en staande magistratuur. 2. De rechterlijke organisatie : bevoegdheden (Noties).1. Het vredegerecht en de politierechtbank.2. De rechtbank van eerste aanleg.3. De rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank.4. De arrondissementsrechtbank.5. De militaire rechtbanken.6. De Hoven van Beroep.7. Het Assisenhof.8. Het Hof van Cassatie.3. Het Arbitragehof Samenstelling.Bevoegdheden. 4. De Raad van State Rol van de afdeling wetgeving. Rol van de afdeling administratie. 7. DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN (noties) 1.De territoriale bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten 2. De Gemeenschappen - De materiële bevoegdheden. - De fusie van de organen van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap. - De Vlaamse Gemeenschap. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking. - De Franse Gemeenschap. Raad en Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking. - De Duitstalige Gemeenschap. Raad en Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking. Uitoefening van bevoegdheden van het Waalse Gewest. - De bescherming van de ideologische en filosofische minderheden. - Totstandkoming van decreten : politieke controle op de Regering.

Goedkeuring van de begroting. - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gemeenschapsministers.

Onschendbaarheid. 3. Het Vlaamse en het Waalse Gewest - De materiële bevoegdheden van de Gewesten. - Het Waalse Parlement : samenstelling, bevoegdheden, werking. - Totstandkoming van decreten. - De Waalse Gewestregering : samenstelling, werking. - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gewestministers. Onschendbaarheid. 4. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - De uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden. - De Raad : samenstelling, bevoegdheden, werking. De taalgroepen. - De Regering : de ministers. - De gewestelijke staatssecretarissen. - Gewestelijke normen : ordonnanties en besluiten. - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid. 8. INTERNATIONALE BETREKKINGEN (Noties). Bevoegdheidsverdeling - tussen de federale overheid en de Gemeenschappen en Gewesten; - tussen de wetgevende en de uitvoerende macht.

E2. Begrippen van de Wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat 1. STRAFWETGEVING STRAFWETBOEK Boek I.Elementaire begrippen van het Strafwetboek.

Boek II. Titel I. Misdaden en wanbedrijven tegen de Veiligheid van de Staat (noties) Titel II. Hoofdstuk III : Schending door openbare ambtenaren van rechten door de Grondwet gewaarborgd (grondige kennis). 2. WETBOEK VAN STRAFVORDERING Boek 1.: De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitvoeren (noties). 3. BIJZONDERE WET Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 4.EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN 1. Inhoud en draagwijdte van de bepalingen van de volgende artikelen van het Verdrag : 1 tot 7 en 9 tot 19 (noties); 8 (grondige kennis). 2. Aanvullend protocol artikelen 1 en 2 (noties).3. Protocol nr.4 artikelen 1 tot 4 (noties).

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 10 december 1998.

De Minister van Justitie, T. VAN PARYS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^