Ministerieel Besluit van 10 december 1998
gepubliceerd op 22 december 1998
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit tot regeling van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van commissaris bij de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat

bron
ministerie van justitie
numac
1998010030
pub.
22/12/1998
prom.
10/12/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 DECEMBER 1998. - Ministerieel besluit tot regeling van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van commissaris bij de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat


De Minister van Justitie, Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van de leden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, inzonderheid op artikel 17;

Gelet op het advies van de Directieraad, gegeven op 24 juni 1998;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 september 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken van 3 december 1998;

Gelet op de wetten van de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat het dringend noodzakelijk is om onverwijld over te gaan tot een vergelijkend wervingsexamen van commissaris van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat teneinde een kwalitatief hoogstaande omkadering van de inspecteurs te handhaven en de uitvoering van de opdrachten en daardoor de continuïteit van de openbare dienst terdege te verzekeren, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Een vergelijkend examen voor de werving in de graad van commissaris van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat wordt georganiseerd door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, onder toezicht van het Vast Wervingssecretariaat, telkens als de behoeften van de dienst het vereisen.

Art. 2.Het vergelijkend examen wordt ter kennis van het publiek gebracht door een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, ten minste twee maanden voor de datum van de eerste proef van het examen.

Het bericht vermeldt inzonderheid de graad waarvoor het vergelijkend examen georganiseerd wordt, de wedde verbonden aan de graad, het programma van het vergelijkend examen, de voorwaarden van deelneming en de datum waarop ze vervuld moeten zijn, de nadere regels van inschrijving en de uiterste inschrijvingsdatum.

Art. 3.De gegadigden dienen hun aanvraag tot deelneming aan het vergelijkend wervingsexamen te richten aan de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, Emile Jacqmainlaan 150, bus 2, te 1000 Brussel, per ter post aangetekende brief, volgens de nadere regels vermeld in het bericht bedoeld in artikel 2, vergezeld van de volgende stukken : 1° een uittreksel uit de geboorteakte;2° een minder dan zes maanden oud getuigschrift van goed zedelijk gedrag;3° voor de mannelijke gegadigden een bewijsstuk van naleving der dienstplichtwetten;4° een eensluidend verklaard afschrift van het diploma of getuigschrift dat voorkomt in bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dat in aanmerking komt voor de toelating tot de rijksbesturen onder rubriek « niveau 1 »;5° een curriculum vitae en een recente foto. De aanvraag tot deelneming dient verplicht opgesteld te worden op het inschrijvingsformulier dat wordt afgeleverd door de postkantoren.

De inschrijving voor het vergelijkend examen is afhankelijk gemaakt van de betaling van een recht vastgesteld op 400 F dat wordt geïnd door fiscale zegels te kleven op de strook van het formulier en deze onbruikbaar te maken.

Art. 4.De examencommissie voor het vergelijkend examen kijkt na of de voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend examen vervuld zijn in hoofde van elke gegadigde.

De gegadigden die aan de deelnemingsvoorwaarden voldoen worden toegelaten tot het vergelijkend wervingsexamen. De voorzitter van de examencommissie verwittigt hen hiervan per ter post aangetekende brief.

De gegadigden die niet voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden hiervan per ter post aangetekende brief verwittigd door de voorzitter van de examencommissie.

Art. 5.§ 1. Het vergelijkend wervingsexamen bestaat uit de volgende proeven die in de hierna bepaalde volgorde dienen te worden afgelegd : 1° Proef A : schriftelijke proef over de algemene vorming;2° Proef B : psychotechnische tests;3° Proef C : schriftelijke proef over een gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt en mondelinge proef over een praktisch geval in verband met de uitoefening van de functie;4° Proef D : conversatieproef in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend wervingsexamen wordt afgenomen.5° Proef E : mondelinge proef over de begrippen van het Belgisch grondwettelijk recht en over de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat.

Art. 6.Het relatieve belang van de proeven bedoeld in artikel 5 wordt bepaald door de waarde-coëfficiënt vermeld in het programma der proeven in bijlage I.

Art. 7.Tenminste zeven werkdagen voor elke proef van het vergelijkend examen brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de datum, het uur en de plaats van de proef ter kennis van elke toegelaten gegadigde.

De gegadigde die zich niet aanmeldt voor één van de proeven of een gedeelte van een proef wordt ambtshalve uitgesloten van het vervolg van het vergelijkend examen.

Op het einde van elke proef brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de toegekende punten ter kennis van iedere gegadigde en preciseert hij of hij toegelaten wordt tot de volgende proef.

Op het einde van het vergelijkend examen brengt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat schriftelijk de uitslag alsook de bekomen plaats ter kennis van iedere gegadigde.

Art. 8.Het programma van het vergelijkend examen alsook de beschrijving van de vakken van de proeven zijn vermeld in de bijlagen I en II. HOOFDSTUK II. - Secretaris van de examencommissie

Art. 9.De secretaris van de examencommissie van het vergelijkend examen woont de zittingen van de examencommissie bij met raadgevende stem.

Hij stelt de processen-verbaal op van de zittingen en de beraadslagingen van de examencommissie en draagt zorg voor de administratieve taken behorend bij het secretariaat van het vergelijkend examen.

De secretaris woont alle proeven bij. Bij de mondelinge proeven tekent hij op de beoordelingsfiches de beoordelingen op van de examencommissie over de gegadigden. HOOFDSTUK III. - Proeven van het vergelijkend examen Eerste Afdeling I. - Proef A Schriftelijke proef over de algemene vorming

Art. 10.De schriftelijke proef over de algemene vorming bestaat uit een samenvatting van en een kritische commentaar over een voordracht op universitair niveau inzake een onderwerp van algemene aard.

De duur van de proef bedraagt vier uur en dertig minuten.

Tijdens de voordracht mogen de gegadigden geen aantekeningen maken.

Art. 11.De examencommissie bepaalt het onderwerp waarover de schriftelijke proef gaat en duidt twee van haar leden aan voor de opstelling van de tekst.

Niemand anders neemt kennis van het onderwerp alvorens de proef is begonnen.

De in het eerste lid bedoelde leden staan in voor de verbetering en de beoordeling van de schriftelijke proef.

Art. 12.De gegadigden die niet toegelaten aantekeningen of boeken bij zich hebben, moeten ze neerleggen op de door de secretaris van de examencommissie daartoe aangewezen plaats.

De gegadigden worden per tafel ingedeeld. Aan de ingang van de examenzaal ontvangen de gegadigden een nummer dat hun plaats aanduidt.

Elke gegadigde vindt op zijn plaats een examenschrift waarop hij de gevraagde identiteitsgegevens invult, gevolgd door zijn handtekening.

De opzichter vergelijkt deze gegevens en de handtekening met deze die vermeld zijn op de identiteitskaart van de gegadigde.

De identiteitsgegevens worden vervolgens onzichtbaar gemaakt.

Ieder schrift is voorzien van een volgnummer en een verzameltabel voor de punten.

De gegadigden mogen slechts het hun ter beschikking gesteld papier gebruiken.

Geen enkele gegadigde wordt nog toegelaten tot de examenzaal na afloop van de tijd vermeld in de oproepingsbrief.

Art. 13.Elk in hun sector handhaven de opzichters de orde en de stilte in de examenzaal; zij leggen er zich op toe de pogingen tot bedrog op te sporen en te beletten. Zij mogen geen gesprek voeren, hetzij onderling, hetzij met de gegadigden en ze vermijden om zich langdurig bij één van de gegadigden op te houden.

De opzichters zijn niet bevoegd om aan de gegadigden ophelderingen te verstrekken. Indien aan hen inlichtingen worden gevraagd, verwittigen zij de aanwezige leden van de examencommissie of de secretaris van de examencommissie.

Art. 14.De gegadigden die de orde verstoren, hetzij door woorden, hetzij op welke wijze ook, of die betrapt worden op bedrog of poging tot bedrog worden onmiddellijk uit de examenzaal verwijderd door de aanwezige leden van de examencommissie en door de secretaris van de examencommissie.

In dat geval stelt de secretaris een proces-verbaal op dat medeondertekend wordt door de opzichter die het incident heeft vastgesteld, door de aanwezige leden van de examencommissie en door hemzelf.

De gegadigden mogen niet, op straffe van onmiddellijke uitsluiting, met elkaar praten of nota's en boeken raadplegen, met uitzondering van de documentatie die eventueel wordt toegelaten.

Art. 15.De gegadigden mogen de examenzaal slechts verlaten na afloop van de tijd vermeld in de oproepingsbrief.

De gegadigden mogen de examenzaal niet verlaten, tenzij na afgifte van het examenschrift en van alle documenten ontvangen van de secretaris van de examencommissie of van de opzichters daartoe aangewezen. Bij de verbetering wordt geen rekening gehouden met de kladschriften.

Het examenschrift en de oproepingsbrief worden afgestempeld.

Art. 16.Na afloop van de proef en in afwachting van de verbetering, worden de examenschriften van de gegadigden door de secretaris van de examencommissie in een verzegelde omslag op een veilige plaats geborgen, in de lokalen daartoe aangewezen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of door zijn afgevaardigde.

Art. 17.De verbetering en de beoordeling gebeuren overeenkomstig de volgende regels : Iedere examinator doet de verbetering van alle examenschriften.

Bij elk examenschrift is een beoordelingsfiche gevoegd waarop elk lid van de examencommissie zijn opmerkingen schrijft, zonder vermelding van een cijfer.

De examinatoren ontvangen een beoordelingslijst die de volgnummers vermeldt die voorkomen op de examenschriften. Zij vermelden tegenover het nummer van het verbeterde examenschrift de toegekende punten.

De examinatoren mogen hun beoordelingslijsten aan elkaar niet mededelen zolang ieder van hen zijn individueel verbeteringswerk niet heeft beëindigd.

Iedere examinator ondertekent de beoordelingslijst die hij heeft ingevuld. Deze lijsten worden in een gesloten omslag geborgen die overhandigd wordt aan de voorzitter van de examencommissie of aan de secretaris indien hij daartoe gemachtigd wordt door de voorzitter en worden bewaard op een veilige plaats in afwachting van de beraadslaging door de examencommissie.

Na de beraadslaging door de examencommissie worden de definitieve lijsten met de punten ondertekend door alle leden van de examencommissie. De toegekende punten worden overgebracht op de examenschriften door de secretaris van de examencommissie.

De identiteitsgegevens van de titularissen van de examenschriften worden onthuld en de lijst van de geslaagden van de proef wordt opgesteld.

Art. 18.Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten 24 op de 40. Afdeling II. - Proef B

Psychotechnische tests

Art. 19.De voorzitter van de examencommissie voor het vergelijkend examen deelt aan de vaste wervingssecretaris de lijst van de gegadigden mee die toegelaten zijn tot de psychotechnische tests.

Art. 20.Overeenkomstig artikel 22 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat bestaat proef B uit : 1° een geïnformatiseerd gedeelte dat één of meerdere persoonlijkheidstests bevat;2° een interview waarin rekening wordt gehouden met de resultaten van de persoonlijkheidstests bedoeld in 1° en dat bestaat uit een gesprek dat toelaat om de karaktereigenschappen en de maturiteit van de gegadigde te beoordelen. Het interview duurt twintig minuten.

De beoordeling wordt toegekend na het interview.

Art. 21.§ 1. Een beoordelingslijst die de namen van de gegadigden vermeldt, wordt opgesteld en overhandigd aan de examinatoren.

De prestatie van de gegadigde is het voorwerp van één beoordeling die gemeenschappelijk toegekend wordt door de examinatoren en overgebracht wordt op deze lijst.

Bij gebrek aan een akkoord, wordt het rekenkundig gemiddelde berekend van de punten toegekend door de examinatoren.

De lijst van de beoordelingen vermeldt de handtekening van alle examinatoren van de proef. § 2. Aan deze beoordelingslijst is een beoordelingsfiche per gegadigde gevoegd, waarop de secretaris de motivering vermeldt medegedeeld door de examencommissie van het vergelijkend examen.

Deze beoordelingsfiche wordt geparafeerd door de voorzitter van de examencommissie. § 3. De beoordelingslijst en de beoordelingsfiches worden geborgen in een verzegelde omslag.

Deze omslag wordt op een veilige plaats bewaard daartoe gekozen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat tot de dag van de beraadslaging.

Art. 22.Op straffe van uitsluiting bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef B 24 punten op de 40. Afdeling III. - Proef C

Onderafdeling I. - Proef C 1 : schriftelijke proef in verband met een gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt

Art. 23.§ 1. De examencommissie kiest de gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt en die het voorwerp is van de schriftelijke proef C 1. § 2. De examencommissie duidt drie van haar leden aan als examinatoren, die instaan voor de verbetering en de beoordeling van de schriftelijke proef C 1. § 3. De examinatoren stellen de tekst van het onderwerp op, uitgekozen voor de proef C 1.

Art. 24.De schriftelijke proef C 1 bestaat uit het opstellen van een verslag dat handelt over een gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt.

De proef duurt drie uur.

Art. 25.De dag van de proef worden het onderwerp van het verslag betreffende een gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt en de gegevens die er betrekking op hebben vermenigvuldigd door de secretaris van de examencommissie tot het vereiste aantal exemplaren en genummerd. Het aantal gemaakte exemplaren wordt opgetekend in het proces-verbaal van de vergadering van de examencommissie.

De exemplaren worden in een verzegelde omslag geborgen die op een veilige plaats wordt bewaard, aangeduid door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat tot het ogenblik waarop de proef start.

Art. 26.De proef C 1 verloopt overeenkomstig de procedure beschreven in de artikelen 13 tot 16.

Art. 27.§ 1. Artikel 17 is van toepassing op de schriftelijke proef C 1. § 2. Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef C 1, 10 punten op de 20.

Onderafdeling II. - Proef C 2 : Mondelinge proef over een praktisch geval in verband met de uit te oefenen functie

Art. 28.§ 1. De gegadigden die het voor de proef C 1 vereiste minimum der punten behaald hebben, worden toegelaten tot de proef C 2. § 2. De examinatoren van de mondelinge proef C 2 zijn de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of zijn afgevaardigde, de directeur van de operaties of zijn afgevaardigde die ten minste bekleed is met de graad van afdelingscommissaris, alsook een deskundige aangewezen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat onder de leden van de buitendiensten die ten minste bekleed zijn met de graad van afdelingscommissaris.

In geval van afwezigheid, verhindering of wraking van een lid van de examencommissie bedoeld in het vorig lid, wordt er voorzien in zijn vervanging door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat.

Art. 29.De mondelinge proef C 2 bestaat uit een gesprek betreffende een praktisch geval in verband met de uit te oefenen functie.

De proef duurt dertig minuten.

Art. 30.Artikel 21 is van toepassing op proef C 2.

Art. 31.Op straffe van uitsluiting bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef C 2, 10 punten op de 20 en voor het geheel van proef C, 24 punten op de 40. Afdeling IV. - Proef D

Conversatie in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen

Art. 32.De conversatieproef bestaat uit een onderhoud met een duur van vijftien minuten met de gegadigde in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen.

De examencommissie duidt drie van zijn leden aan om de proef D af te nemen en te beoordelen.

Art. 33.Artikel 21 is van toepassing op proef D

Art. 34.Op straffe van uitsluiting, bedraagt het vereiste minimum der punten voor proef D 10 punten op de 20. Afdeling V. - Proef E

Mondelinge proef over het grondwettelijk recht en de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat

Art. 35.§ 1. De mondelinge proef E bestaat uit twee delen die afzonderlijk worden beoordeeld : E 1. begrippen van het Belgisch grondwettelijk recht;

E 2. wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat. § 2. De gegadigden nemen deel aan de twee delen tijdens dezelfde zitting. De duur van de proef bedraagt 30 minuten. § 3. De examencommissie duidt drie van haar leden aan als examinatoren, die instaan voor de beoordeling van de proef.

Art. 36.§ 1. De examinatoren aangeduid bij artikel 35, § 3 stellen de vragen op die in aanmerking komen voor de proef en beslissen welke vragen daarvan gesteld worden.

De vragenlijst wordt in een verzegelde omslag geborgen die op een veilige plaats wordt bewaard, aangeduid door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat tot het ogenblik waarop de proef start.

Art. 37.Artikel 21 is van toepassing op proef E

Art. 38.Op straffe van uitsluiting bedraagt het vereiste minimum der punten voor de mondelinge proef E 1 over het grondwettelijk recht 10 punten op de 20 en voor de mondelinge proef E 2 over de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat 10 punten op de 20.

Voor het geheel van proef E, moet de gegadigde 20 op 40 punten behalen. Afdeling VI. - De beraadslaging over het vergelijkend examen

Art. 39.Om te slagen voor het vergelijkend examen, dient de gegadigde volgende punten te behalen : 24 punten op de 40 voor proef A, 24 punten op de 40 voor proef B, 24 punten op de 40 voor proef C, 10 punten op de 20 voor proef D, 20 punten op de 40 voor proef E en 102 punten op de 180 voor het geheel van de proeven.

Art. 40.Na ontvangst van de definitieve beoordelingen, stelt de voorzitter van de examencommissie het proces-verbaal op van het geheel der proeven. Het wordt ondertekend door de voorzitter en de leden van de examencommissie.

Art. 41.De examencommissie stelt definitief de lijst vast van de geslaagden voor het vergelijkend examen, die zal opgetekend worden in het proces-verbaal van de vergadering.

De geslaagden worden gerangschikt volgens de belangrijkheid van het totaal der punten behaald voor het geheel der proeven.

Bij gelijkheid van punten, wordt als eerste gerangschikt, de gegadigde die de meeste punten behaalde op de proef B en daarna op de proef C.

Art. 42.De gegadigden ontvangen van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat kennisgeving van het resultaat van het vergelijkend examen. De geslaagde gegadigden krijgen mededeling van hun rangnummer. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 43.De mededeling van het rangnummer loopt niet vooruit op de indienstneming, die ondergeschikt is aan de voorafgaande aanvaarding bedoeld in artikel 16, 7°, en de voorafgaande vaststelling van het bestaan van de fysieke voorwaarden bedoeld in artikel 16, 11° van het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat.

Brussel, 10 december 1998.

T. VAN PARYS

Bijlage I Programma van het vergelijkend examen voor de werving in de graad van commissaris van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 10 december 1998.

De Minister van Justitie, T. VAN PARYS

Bijlage II Omschrijving van de examenstof van de proeven Proef A : Schriftelijke proef over de algemene vorming Deze proef heeft tot doel de zin voor synthese en voor kritiek bij de gegadigde na te gaan. Het te leveren werk moet dus uit twee goed onderscheiden delen bestaan : a) Een samenvatting, in doorlopende tekst, van de ontwikkelde hoofdgedachten;b) Een uiteenzetting die de opmerkingen, de persoonlijke overwegingen en eventueel de tegenwerpingen en de kritiek omvat welke de gegadigde gepast acht. De beoordeling, voor elk van de twee delen afzonderlijk beschouwd, houdt rekening met de inhoud, de vorm en de spelling.

Proef B : Psychotechnische tests Deze proef heeft de bedoeling het professioneel profiel van de gegadigde te evalueren en te oordelen of hij over de bekwaamheid en aanleg beschikt, vereist voor de uitoefening van de betrekking van commissaris.

Deze proef bestaat uit twee delen : Geïnformatiseerd gedeelte Bestaat uit persoonlijkheidstests.

Mondeling gedeelte Bestaat uit een interview waarin rekening wordt gehouden met de resultaten van het geïnformatiseerd gedeelte en dat bestaat uit een gesprek dat als doel heeft de karaktereigenschappen en de maturiteit van de gegadigde te beoordelen.

Proef C C.1. Schriftelijke proef over een gebeurtenis die de Veiligheid van de Staat aanbelangt.

De schriftelijke proef bestaat uit het opstellen van een verslag van de operationele behandeling van een gesteld probleem.

Zij heeft de bedoeling de manier te evalueren waarop de gegadigde een probleem benadert, zijn beheersing van de managementtechnieken en de toepassing van relationele geschiktheden, de kennis over de operationele middelen van de Veiligheid van de Staat, hun gebruik door de gegadigde in functie van het gestelde probleem en de wijze waarop de gegadigde rekening zal houden met de van kracht zijnde wetgeving, met de akkoorden afgesloten met de andere diensten en instellingen en de interne richtlijnen van de dienst.

C.2. Mondelinge proef over een praktische case die samenhangt met de uit te oefenen betrekking.

De mondelinge proef is niet te beschouwen als een discussie over het verslag dat naar aanleiding van de schriftelijke proef werd afgegeven.

De mondelinge proef heeft als bedoeling de bekwaamheid te testen van de gegadigde om snel preciese operationele toestanden te evalueren en om de gepaste maatregelen te treffen, in functie van de operationele middelen van de Veiligheid van de Staat, de van kracht zijnde wetgeving, de akkoorden gesloten met andere diensten en instellingen en de interne richtlijnen van de dienst.

Proef D Deze mondelinge proef bestaat uit een onderhoud met de gegadigde in één van de andere landstalen dan die waarin het vergelijkend examen wordt afgenomen.

Proef E : Mondelinge proef over het grondwettelijk recht en de wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat.

E 1. Grondwettelijk recht 1. BASISBEGRIPPEN 1.1. Het recht 1. Het recht 2.Publiek recht en privaatrecht 3. Onderverdelingen van het publiek recht 1.2. De Grondwet 1. Definitie 2.Kenmerken (norm van algemene aard - opperste norm - stabiliteit) 3. Oorsprong en historische context van de Grondwet Het Nationaal Congres 4.Procedure tot herziening van de Grondwet 5. Grondwetsherzieningen sedert 1831 6.Gevallen waarin herziening niet mag worden ingezet of voortgezet 7. Officiële talen van de tekst 8.Mogelijkheden van tekstaanpassingen 1.3. De Belgische Staat 1. België, rechtsstaat.2. België, federale Staat.Specificiteit van het Belgische model 3. België, representatieve democratie 4.België, grondwettelijke monarchie 5. Hiërarchie der normen (Grondwet, bijzondere wetten;wetten, decreten en ordonnanties; koninklijke en ministeriële besluiten, besluiten van gemeenschaps en gewestregeringen, provinciale verordeningen, verordeningen van agglomeraties, gemeentelijke verordeningen) 6. Residuaire bevoegdheden 7.De federale loyauteit 8. Overdracht van soevereiniteit aan internationale instellingen (art. 34 G.W.) 1.4. Het Belgisch Grondgebied 1. Grond- en maritiem gebied en luchtruim 2.Gewesten, provincies en gemeenten 3. Taalgebieden;gebieden met een bijzonder taalstatuut 4. Verandering van de grenzen van de Staat, de provincies, de gemeenten, de taalgebieden 1.5. De nationaliteit 1. Nationaliteit van herkomst 2.Wijzen van verkrijging van de Belgische nationaliteit (optie, naturalisatie, adoptie, huwelijk...) 3. Verlies van de Belgische nationaliteit 4.Herkrijging van de Belgische nationaliteit 1.6 Het statuut van vreemdeling 1. Rechten en vrijheden gewaarborgd door de Belgische Grondwet 2.Rechten en vrijheden gewaarborgd door de internationale verdragen (daarbij inbegrepen het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchteling, opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953) 3. Politieke en burgerlijke rechten - toelatingen tot burgerlijke en militaire bedieningen - de onderhorigen van de Europese Unie 4.Toegang tot het grondgebied. Verblijf. Vestiging. Verplichtingen.

Uitzetting. Uitlevering 2. VRIJHEDEN 1.Het stelsel van rechten en vrijheden; principiële uitsluiting van preventieve maatregelen - beteugeling van misdrijven - wettigheidsbeginsel 2. De gelijkheid voor de wet 3.Het non-discriminatiebeginsel; bescherming door wet en decreet van ideologische en filosofische minderheden. Het cultuurpact 4. De vrijheid van persoon;rechtsvervolging, aanhouding, straffen.

Waarborgen voor een behoorlijke rechtsbedeling. Verbod van bepaalde straffen 5. Onschendbaarheid van de woning en bescherming van het eigendomsrecht 6.De vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van eredienst en vrije openbare uitoefening ervan. Vrijheid om niet aan de eredienst deel te nemen. Voorrang van het burgerlijk huwelijk. Opstellen van akten van burgerlijke stand 7. Bescherming van het privé-leven en de menselijke waardigheid. Economische, sociale en culturele rechten 8. Vrijheid van onderwijs.Grondwettelijke garanties. Verplichtingen van de Gemeenschappen. Het Schoolpact 9. De persvrijheid.De getrapte verantwoordelijkheid. Het recht op antwoord. Uitbreiding van de notie « drukpers » tot andere communicatiemiddelen 10. De vrijheid van vergadering.De vrijheid van vereniging 11. Het petitierecht 12.Onschendbaarheid van het briefgeheim. Uitbreiding tot andere vormen van gegevensuitwisseling 13. Het gebruik van de talen;algemene begrippen i.v.m. de taalwetgeving. De bescherming van taalminderheden 14. Het recht op het instellen van een rechtsvervolging tegen ambtenaren 15.De openbaarheid van bestuur 16. De bijzondere bescherming voorzien in de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.Mogelijkheid om door een bijzondere wet de bevoegdheid van het Arbitragehof uit te breiden 3. DE MACHTEN (algemene theorie) 1.De nationale soevereiniteit : begrip en draagwijdte 2. De scheiding der machten.Begrip. Toepassing van het beginsel in de Belgische Grondwet. Verhouding en wisselwerking tussen de machten. 3. Toewijzing van de machten 4.Delegatie van macht 4. DE FEDERALE WETGEVENDE MACHT 4.1. De wetgevende macht 1. Rol en theoretische primauteit 2.Het tweekamerstelsel : voor- en nadelen. Rol van beide kamers in een federale staat 3. De hervorming van 1993.Voorrang van de Kamer op de Senaat 4.2. Het Belgisch kiesstelsel 1. Evolutie van het stemrecht sinds 1830 2.Soorten verkiezingen en periodiciteit 3. Opdeling van het land in kiesomschrijvingen 4.De evenredige vertegenwoordiging : voor- en nadelen t.o.v. meerderheidssystemen 5. Het stemrecht : het kiezerskorps.De rol van de politieke partijen.

Kiesprocedure - verdeling der zetels 4.3. Statuut van de parlementariërs 1. Nationaal karakter van het mandaat.Duur van het mandaat 2. Verkiesbaarheidsvoorwaarden 3.Onverenigbaarheden, onschendbaarheid, onverantwoordelijkheid 4. Strafrechterlijke verantwoordelijkheid;opheffing van de onschendbaarheid 5. Indeling van de parlementariërs in taalgroepen 6.Geldelijk statuut van de parlementariërs. Vergoedingen 4.4. Werking van de kamers 1. Onderzoek van de geloofsbrieven 2.Het bureau 3. De totstandkoming van de wet : initiatief, inoverwegingneming, commissies, beraadslaging, amendementen, stemming, bekrachtiging en afkondiging.Rol van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State.

Publicatie en inwerkingtreding 4. De verschillende meerderheden : quorums van aanwezigen, gewone meerderheid, dubbele tweederde meerderheid, bijzondere meerderheden 5.De « alarmbelprocedure » 6. De interpretatie van de wet 7.Gevallen waarin de Kamer en Senaat in Verenigde Kamers samenkomen 8. Legislatuur, zitting en vergadering 9.Bijeenroeping en uitstel, afsluiting der zittingen, buitengewone bijeenroeping, vergadering zonder bijeenroeping 10. Schriftelijke en mondelinge vragen.Interpellatie. Recht van onderzoek 4.5. Het legislatuurparlement 1. Beginsel 2.Geval waarin de Koning de Kamers kan ontbinden 4.6. De Kamer van volksvertegenwoordigers 1. Samenstelling 2.Exclusieve bevoegdheden 3. Gezamenlijke bevoegdheden met de Senaat 4.Alternerende bevoegdheden met de Senaat 5. Primauteit van de Kamer bij de totstandkoming van gewone wetten 6.De politieke controle op de regering : de investituur. Gevallen waarin de Kamer de regering kan doen vallen. Moties van vertrouwen en wantrouwen. De « constructieve motie van wantrouwen » 4.7. De Senaat 1. Samenstelling : direct verkozenen, gemeenschapssenatoren, gecoöpteerde senatoren, senator(en) van rechtwege 2.Geografische en politieke verdeling 3. Initiatief- en evocatierecht 4.8. Voornaamste soorten wetten 1. Formele en materiële wetten 2.« Gewone » wetten 3. Kaderwetten 4.Wet houdende toekenning van bijzondere machten; uitoefening door de Koning 5. Programmawetten 5.DE FEDERALE UITVOERENDE MACHT 5.1. Bevoegdheidssfeer. Toegewezen bevoegdheden. Uitvoering van wetten (koninklijke en ministeriële besluiten). Algemeen bestuur 5.2. Het persoonlijk statuut van de Koning 1. De koninklijke erfopvolging;aanduiding bij gebreke van nakomelingschap. Meerderjarigheid; eedaflegging 2. Geval van minderjarigheid, vacant zijn van de troon, het interregnum, in de onmogelijkheid verkeren om te regeren;regentschap en voogdij 3. Onverantwoordelijkheid en onschendbaarheid 4.De civiele lijst; het kabinet 5. De Koning als hoofd van een andere Staat 5.3. De grondwettelijke bevoegdheden van de Koning 1. De koninklijke verordeningsbevoegdheid: gewone besluiten, besluitwetten, bijzondere machtenbesluiten.De ministeriële mede-ondertekening 2. De bevoegdheid tot benoeming- en ontslag 3.Bekrachtiging en afkondiging van de wetten 4. Tussenkomsten in het parlementaire gebeuren (recht van initiatief en amendering, bijeenroeping en ontbinding der Kamers, verdaging en afsluiting der zittingen) 5.Tussenkomsten bij de rechterlijke macht (benoemingen, tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, genaderecht) 6. Het afsluiten van verdragen 7.Het bevel over de strijdkrachten 8. Het recht munt te slaan, adeldom en militaire orden te verlenen 9.Handhaving van orde en veiligheid 10. Het algemeen bestuur 5.4. De federale regering 1. Regeringsvorming.Benoeming en afzetting van ministers. Investituur van de regering door de Kamer 2. Voorwaarden om minister te zijn;onverenigbaarheden.

Burgerrechterlijke en strafrechterlijke verantwoordelijkheid : toepassing van art. 103 G.W. Ontslag 3. Samenstelling van de regering.Eerste minister, vice-eerste ministers, ministers, staatssecretarissen. De Ministerraad; de taalpariteit. Werking. Bevoegdheid van de ministers. De ministeriële portefeuille 4. De ministers van Staat;de Kroonraad 5. De politieke verantwoordelijkheid van de ministers;de medeondertekening. De Legislatuurregering. Gevallen waarin de regering ontslag moet nemen. Lopende zaken 6. De exceptie van onwettigheid (art.159 G.W.) 5.5. De openbare macht (grondwettelijke beginselen) 5.6. De algemene bepalingen van de Grondwet (art. 187 tot 194) 5.7. Openbare financiën (algemene noties) 1. Begroting (begrotingsdocumenten;totstandkoming en uitvoering van de begroting) 2. Rekeningen 3.Exclusieve bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers 4. Rol van het Rekenhof 5.Grondwettelijke beginselen inzake belasting 6. DE RECHTERLIJKE MACHT 6.1. Algemene begrippen 1. Rol van de rechterlijke macht 2.Burgerlijke en politieke rechten 3. Eerste aanleg, beroep en cassatie 4.Zittende en staande magistratuur 5. Hoven en rechtbanken.Vonnissen en arresten 6. Rechtsleer en rechtspraak 7.Gewone en administratieve rechtbanken 8. Genade en amnestie 9.Art. 159 van de Grondwet 6.2. Grondwettelijke beginselen 1. Oprichting van rechtbanken.Verbod tot oprichting van buitengewone rechtbanken 2. Openbaarheid van terechtzittingen en uitspraken 3.Motivering van de uitspraken 4. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid.Tegensprekelijke aard van de rechtspleging 5. Verbod van sommige straffen 6.3. Het statuut van de magistraten. Waarborgen van onafhankelijkheid t.o.v. de uitvoerende macht (benoeming, bezoldiging, opruststelling, schorsing, overplaatsing, afzetting). Onafzetbaarheid. 6.4. De rechterlijke organisatie (rechtsgebied en bevoegdheden) 1. Het vredegerecht en de politierechtbank 2.De rechtbank van Eerste Aanleg 3. De rechtbank van Koophandel en de Arbeidsrechtbank 4.De arrondissementsrechtbank 5. De militaire rechtbanken 6.De Hoven van Beroep 7. Het Assisenhof.De jury 8. Het Hof van Cassatie 7.DE GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN 7.1. Algemene beginselen 1. Autonome entiteiten;het ontbreken van een normenhiërarchie 2. Toegewezen en exclusieve bevoegdheden 3.De residuaire bevoegdheden 4. De federale loyauteit 5.Asymmetrische structuur 6. Coöperatief federalisme 7.Beperkte constitutieve autonomie 8. Beperkte fiscale autonomie 7.2. De territoriale bevoegdheid van Gemeenschappen en Gewesten 7.3. De Gemeenschappen 1. De bevoegdheden van de Gemeenschappen 2.De fusie van de organen van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap 3. De Vlaamse Gemeenschap.Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking 4. De Franse Gemeenschap.Raad en regering : samenstelling, bevoegdheden, werking 5. De Duitstalige Gemeenschap.Raad en regering : samenstelling, bevoegdheden, werking Uitoefening van bevoegdheden van het Waalse Gewest 6. Overdracht van de uitoefening van bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF) 7.De financiering van de Gemeenschappen (algemene begrippen) 8. De bescherming van ideologische en filosofische minderheden 9.Totstandkoming van decreten. Politieke controle op de regering.

Goedkeuring van de begroting 10. Statuut van de raadsleden : verkiesbaarheidsvereisten, onverenigbaarheden, onschendbaarheid, vergoedingen 11.De Gemeenschapsministers : statuut, politieke en strafrechterlijke verantwoordelijkheid 7.4. Het Vlaamse en het Waalse Gewest 1. De bevoegdheden van de Gewesten 2.De fusie van de organen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest 3. De Waalse Gewestraad : samenstelling, bevoegdheden, werking. Totstandkoming van decreten. Politieke controle op de regering.

Goedkeuring van de begroting 4. Statuut van de raadsleden : verkiesbaarheidsvereisten, onverenigbaarheden, onschendbaarheid 5.De Waalse Gewestregering : samenstelling, werking.

Politieke en strafrechterlijke verantwoordelijkheid van de Gewestministers. Onverenigbaarheden 6. De financiering van de Gewesten (algemene begrippen) 7.5. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1. De uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden 2.De Raad : samenstelling; verkiesbaarheidsvereisten. De taalgroepen.

Werking. Statuut van de raadsleden 3. De regering : de ministers.De gewestelijke staatssecretarissen.

Politieke verantwoordelijkheid. Onverenigbaarheden 4. Gewestelijke normen : ordonnanties en besluiten.Jurisdictionele en opportuniteitscontrole van de ordonnanties 5. De agglomeratie : bevoegdheden;organen; normen 6. De uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden. De gemeenschapscommissies : samenstelling van de raden, vergaderingen en colleges van de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF), de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Gemeenschappelijke Gemeenschapsccommissie (GGC). Uitgevaardigde normen. Werking 7. Uitoefening van bevoegdheden van de Franse Gemeenschap door de COCOF 8.Uitoefening van provinciale bevoegdheden 8. SAMENWERKINGSSTRUCTUREN TUSSEN DE FEDERALE STAAT, DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN 8.1. Samenwerkingsvormen 1. Informatie 2.Voorafgaandelijk advies 3. Betrokkenheid 4.Overleg 5. Akkoord 6.Goedkeuring 7. Eensluidend advies 8.2. Samenwerkingsakkoorden 1. Facultatieve samenwerkingsakkoorden 2.Verplichte samenwerkingsakkoorden 3. De samenwerkingsgerechten 8.3. Beroepsmogelijkheden in geval van niet-naleving van de samenwerkingsvormen 1. Het Overlegcomité 2.De Raad van State 3. Het Arbitragehof 4.De samenwerkingsgerechten (herhaling) 9. DE CONFLICTEN TUSSEN DE FEDERALE STAAT, DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN 9.1. Belangenconflicten en bevoegdheidsconflicten 9.2. Belangenconflicten 1. Het Overlegcomite : samenstelling, werking, tussenkomsten van het comité in belangenconflicten 2.Tussenkomst van de Senaat in de belangenconflicten 3. De interministeriële conferenties 9.3. Bevoegdheidsconflicten : voorkoming 1. Rol van de afdeling wetgeving van de Raad van State.Verplichte en facultatieve raadpleging 2. Rol van het Overlegcomité 9.4. Bevoegdheidsconflicten : regeling 1. Rol van het Arbitragehof 2.Rol van de afdeling administratie van de Raad van State 9.5. Het Arbitragehof 1. Samenstelling 2.Kenmerken en werking 3. Beroepen tot vernietiging 4.Bijzondere bescherming van de art. 10, 11 en 24 G.W. Mogelijkheden tot uitbreiding tot andere artikelen 5. Prejudiciële vragen 10.INTERNATIONALE BETREKKINGEN 10.1. Bevoegdheidsverdeling 1. Tussen de federale overheid en de Gemeenschappen/Gewesten 2.Tussen de wetgevende en de uitvoerende macht 10.2. Het afsluiten van verdragen 1. Onderhandelingen 2.Ondertekening of sluiting 3. Mededeling aan de wetgevende kamers 4.Instemming (door de federale kamers of door de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad) 5. Ratificatie of bekrachtiging 6.Bekendmaking 10.3. Rechtskracht van een verdrag in de interne rechtsorde E2. Wetgeving die van belang is voor de Veiligheid van de Staat 1. STRAFWETBOEK Boek 1.Elementaire begrippen van het Strafwetboek Boek 2. Titel 1.Misdaden en wanbedrijven tegen de Veiligheid van de Staat Titel 2.Misdaden en wanbedrijven die de door de Grondwet gewaarborgde rechten schenden 2. WETBOEK VAN STRAFVORDERING Boek 1.De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitvoeren 3. BIJZONDERE WETTEN Wet houdende regeling van de inlichtingen -en veiligheidsdiensten Wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden Wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (algemene beginselen) Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingdiensten Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens 4.EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN 1. Inhoud en draagwijdte van de bepalingen van de artikelen 1 tot 19 2.Aanvullend Protocol : artikelen 1 en 2 3. Vierde Protocol : artikelen 1 tot 4. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 10 december 1998.

De Minister van Justitie, T. VAN PARYS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^