Ministerieel Besluit van 10 december 2010
gepubliceerd op 17 december 2010
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groen

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2010031570
pub.
17/12/2010
prom.
10/12/2010
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 DECEMBER 2010. - Ministerieel besluit tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen


De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor het Landbouwbeleid, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, artikel 2, § 1, 1°, 3° en 6° gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999, en artikel 7, eerste lid;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en van de keuring van groentezaad en zaad van cichorei voor de industrie, artikel 25, § 1, 2°;

Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen,;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 16 oktober 2010;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 1 oktober 2010;

Gelet op het advies nr. 48.829/ van de Raad van State, gegeven op 9 november 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende Richtlijn 2009/145/EG van de Commissie van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen, en overwegende dat die richtlijn de verplichting inhoudt om er zich binnen de voorgeschreven termijn naar te schikken, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Onderwerp en definities

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/145/EG van de Commissie van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen, hierna de richtlijn te noemen.

Art. 2.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° instandhouding in situ : de instandhouding van genetisch materiaal in zijn natuurlijke omgeving en, in het geval van gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar ze hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;2° genetische erosie : verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;3° landras : een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;4° instandhoudingsrassen : landrassen en rassen in de landbouw die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd;5° voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen : rassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden;6° gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen : de lijst, opgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op basis van de rassenlijsten van groentegewassen van de lidstaten;7° de rassenlijst van groentegewassen : de rassenlijst van groentegewassen, vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen;8° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van groentezaad en zaad van cichorei voor de industrie;9° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen;10° de minister : de Minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevoegd voor het landbouwbeleid;11° bevoegde entiteit : de directie bevoegd voor het Landbouwbeleid binnen het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;deze is bevoegd inzake plantaardige genetische hulpbronnen.

Art. 3.§ 1. Met betrekking tot de soorten, vermeld in artikel 1,1°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006, worden in dit besluit bepaalde afwijkingen betreffende de instandhouding in situ en het duurzame gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen door teelt en in de handel brengen vastgesteld : 1° voor toelating voor opname in de rassenlijst van groentegewassen, vermeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009, van instandhoudingsrassen;2° voor toelating van opname in de onder 1°) vermelde rassenlijst van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen;3° voor het in de handel brengen van zaaizaad van die instandhoudingsrassen, en van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen. § 2. Tenzij het in dit besluit anders wordt bepaald, zijn het besluit, vermeld in paragraaf 1, en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 van toepassing. § 3. Dit besluit doet geen afbreuk aan de federale fytosanitaire bevoegdheden, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. HOOFDSTUK 2. - Instandhoudingsrassen Afdeling 1. - Toelating van instandhoudingsrassen tot de rassenlijst

van groentegewassen

Art. 4.§ 1. De instandhoudingsrassen worden in de rassenlijst van groentegewassen toegelaten met inachtneming van de voorschriften van artikelen 5 en 6. § 2. Een instandhoudingsras wordt toegelaten tot de rassenlijst van groentegewassen als ras waarvan het zaaizaad hetzij kan worden gecertificeerd als « gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras » hetzij kan worden gecontroleerd als « standaardzaad van een instandhoudingsras ». Een dergelijk ras wordt in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen opgenomen als « instandhoudingsras waarvan het zaad wordt gecertificeerd overeenkomstig artikel 11 van dit besluit of gecontroleerd overeenkomstig artikel 12 van dit besluit » § 3. Een instandhoudingras wordt toegelaten als ras waarvan het zaaizaad slechts kan worden gecontroleerd als standaardzaad van een instandhoudingsras. Een dergelijk ras wordt in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen opgenomen als instandhoudingsras waarvan het zaad wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel 12 van dit besluit.

Art. 5.§ 1. Om als instandhoudingsras te worden toegelaten, moet het instandhoudingsras van belang zijn voor de instandhouding van plantaardige genetische hulpbronnen. § 2. Voor instandhoudingsrassen gelden voor de onderscheidbaarheid en de bestendigheid ten minste de kenmerken die worden vermeld in 1° de technische vragenlijsten die horen bij de in bijlage I bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, opgenomen testprotocollen van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) die op die soorten van toepassing zijn, of 2° de technische vragenlijsten van de in bijlage II bij het hetzelfde besluit opgenomen richtsnoeren van de Internationale Unie tot Bescherming van Kweekproducten (UPOV) die op die soorten van toepassing zijn. Voor de beoordeling van de homogeniteit is het besluit, vermeld in het eerste lid, van toepassing.

Als het homogeniteitsniveau wordt vastgesteld op basis van afwijkende typen, worden een populatienorm van 10 % en een toelatingskans van ten minste 90 % toegepast.

Art. 6.In afwijking van artikel 8, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 is geen officieel onderzoek vereist als de volgende informatie toereikend is om een besluit te nemen over de toelating van de instandhoudingsrassen : 1° de beschrijving en de benaming van het instandhoudingsras;2° de resultaten van onofficiële tests;3° kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens de teelt, de vermeerdering en het gebruik, zoals door de aanvrager aan de bevoegde entiteit meegedeeld.

Art. 7.Een instandhoudingsras wordt niet toegelaten voor opname in de rassenlijst als : 1° het al in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen is opgenomen als een ander ras dan instandhoudingsras, of als het van de gemeenschappelijke lijst is afgevoerd tijdens de laatste twee jaar of tijdens de twee jaar na afloop van de uitlooptermijn van de gemeenschappelijke rassenlijst;2° het wordt beschermd door een communautair kwekersrecht als vermeld in Verordening (EG) nr.2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, of door een nationaal kwekersrecht, of als een aanvraag voor een dergelijk recht in behandeling is.

Art. 8.Met betrekking tot benamingen van instandhoudingsrassen die vóór 25 mei 2000 bekend waren, kan de bevoegde entiteit afwijkingen van Verordening (EG) nr. 637/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen betreffende de geschiktheid van rasbenamingen voor landbouw- en groentegewassen toestaan, behalve als die afwijkingen inbreuk maken op oudere rechten van een derde die krachtens artikel 2 van die verordening beschermd zijn.

Met behoud van de toepassing van artikel 11, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 kan meer dan één naam voor een ras toegelaten worden als de desbetreffende namen vanouds bekend zijn.

Art. 9.§ 1. Bij de toelating van een instandhoudingsras wordt door de bevoegde entiteit het gebied of de gebieden bepaald waarin het ras vanouds is geteeld en waaraan het zich op natuurlijke wijze heeft aangepast, hierna gebied van oorsprong te noemen.

Het gebied van oorsprong kan in meer dan één gewest of lidstaat liggen. In dat geval wordt het door alle betrokkenen in gezamenlijk overleg bepaald. § 2. De bevoegde entiteit deelt het aangewezen gebied van oorsprong aan de Europese Commissie mee.

Art. 10.Een instandhoudingsras wordt in zijn gebied van oorsprong systematisch in stand gehouden. Afdeling 2. - Productie en in de handel brengen van zaaizaad van

instandhoudingsrassen

Art. 11.§ 1. In afwijking van artikel 3 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006, kan zaaizaad van een instandhoudingsras gecertificeerd worden als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras als het voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4 van dit artikel. § 2. Het zaad is afkomstig van zaad dat volgens welomschreven praktijken voor de instandhouding van het ras is geproduceerd. § 3. Het zaad moet voldoen aan de certificeringsvoorschriften voor gecertificeerd zaaizaad, vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006, met uitzondering van de voorschriften betreffende de minimale raszuiverheid en de voorschriften betreffende het officiële onderzoek of het onderzoek onder officieel toezicht. § 4. Het zaad is voldoende raszuiver.

Art. 12.§ 1. In afwijking van artikel 3 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006, kan zaaizaad van een instandhoudingsras gecontroleerd worden als standaardzaad van een instandhoudingsras als het voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 en 3. § 2. Het zaad voldoet aan de voorwaarden voor het in de handel brengen van standaardzaad, vermeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 met uitzondering van de voorschriften betreffende de minimale raszuiverheid. § 3. Het zaad is voldoende raszuiver.

Art. 13.§ 1. De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat tests worden uitgevoerd om na te gaan of het zaaizaad van instandhoudingsrassen voldoet aan de voorschriften van artikel 11 en 12.

Die tests worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, als die niet bestaan, volgens geschikte methoden. § 2. De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat voor de tests, vermeld in paragraaf 1, monsters van homogene partijen worden genomen. Ze zorgt ervoor dat de voorschriften voor het gewicht van de partijen en het gewicht van de monsters, vermeld in artikel 21, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006, worden toegepast.

Art. 14.§ 1. Zaaizaad van een instandhoudingsras mag alleen in het gebied van oorsprong worden geproduceerd.

Als het zaad wegens een specifiek milieuprobleem niet in dat gebied kan worden geproduceerd, kunnen aanvullende zaadteeltgebieden goedgekeurd worden door de bevoegde entiteit. Het in die aanvullende gebieden geproduceerde zaaizaad mag echter uitsluitend in de gebieden van oorsprong worden gebruikt. § 2. De bevoegde entiteit stelt de de andere gewesten, de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de aanvullende gebieden die ze krachtens paragraaf 1 voor zaadteelt wil goedkeuren. Als noch de Europese Commissie, noch andere lidstaten een verzoek tot voorleggen van de aanvraag voor het Permanent Comité voor Teeltmateriaal voor Land-, Tuin- en Bosbouw indienen, kan de bevoegde entiteit de aanvullende zaadteeltgebieden waarvan hij kennisgeving heeft gedaan, goedkeuren.

Art. 15.§ 1. Zaaizaad van een instandhoudingsras mag alleen onder de volgende voorwaarden in de handel worden gebracht : 1° het is geproduceerd in zijn gebied van oorsprong of in een gebied als vermeld in artikel 14;2° het wordt in zijn gebied van oorsprong in de handel gebracht. § 2. In afwijking van paragraaf 1, 2°, mag de Minister aanvullende gebieden goedkeuren om zaaizaad van een instandhoudingsras in de handel te brengen, als die gebieden met het gebied van oorsprong vergelijkbaar zijn wat de natuurlijke en seminatuurlijke habitat van dat ras betreft.

Als aanvullende gebieden als vermeld in het eerste lid, goedgekeurd worden, zorgt de bevoegde entiteit ervoor dat de hoeveelheid zaaizaad die nodig is voor de productie van ten minste de hoeveelheid zaaizaad, vermeld in artikel 16, wordt gereserveerd voor de instandhouding van het ras in zijn gebied van oorsprong.

De bevoegde entiteit stelt de andere gewesten, de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de goedkeuring van aanvullende gebieden als vermeld in het eerste lid. § 3. Als overeenkomstig artikel 14 aanvullende gebieden voor de zaadteelt goedgekeurd worden, kan geen gebruik worden gemaakt van de afwijking, vermeld in paragraaf 2.

Art. 16.De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat voor elk instandhoudingsras de hoeveelheid zaaizaad die per jaar in de handel gebracht wordt, niet meer bedraagt dan de hoeveelheid die nodig is om groenten te telen op het aantal hectaren dat in bijlage 1, die bij dit besluit gevoegd is, voor de desbetreffende soort wordt aangegeven.

Art. 17.§ 1. De producent stelt vóór het begin van elk teeltseizoen de bevoegde entiteit in kennis van de grootte en de ligging van het gebied voor de teelt van zaad dat bestemd is voor de handel. § 2. Als de hoeveelheden, vermeld in artikel 16, op grond van de kennisgevingen, vermeld in paragraaf 1, waarschijnlijk zullen worden overschreden, wijst de bevoegde entiteit aan elke betrokken producent de hoeveelheid toe die hij in het desbetreffende teeltseizoen in de handel mag brengen.

Art. 18.De bevoegde entiteit zorgt er door officieel toezicht tijdens de productie en het in de handel brengen voor dat het zaaizaad voldoet aan de bepalingen van dit besluit, waarbij ze bijzondere aandacht besteedt aan het ras, de teeltplaatsen en de hoeveelheden.

Art. 19.Zaaizaad van instandhoudingsrassen mag alleen in gesloten verpakkingen met een sluitingssysteem in de handel worden gebracht.

Verpakkingen die zaaizaad bevatten, worden door de leverancier op zodanige wijze gesloten dat ze niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of zonder dat het etiket van de leverancier of de verpakking sporen van manipulatie vertoont.

Voor een goede sluiting als vermeld in het tweede lid, moet ten minste het etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt of moet op de sluiting een zegel worden aangebracht.

Art. 20.De verpakkingen of recipiënten die zaaizaad van instandhoudingsrassen bevatten, worden voorzien van een etiket van de leverancier of een gedrukte of gestempelde tekst met de volgende gegevens : 1° de woorden "EU-voorschriften en -normen";2° de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; 3° het jaar van sluiting, aangegeven als volgt : "gesloten in ..." (jaar) of het jaar van de laatste monstername voor het testen van de kiemkracht, aangegeven als volgt : "monster genomen in ..." (jaar); 4° de soort;5° de benaming van het instandhoudingsras;6° de vermelding « gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras » of « standaardzaad van een instandhoudingsras »;7° het gebied van oorsprong;8° als het zaadteeltgebied niet het gebied van oorsprong is, de aanduiding van het zaadteeltgebied;9° het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten;10° het opgegeven netto- of brutogewicht of het opgegeven aantal zaden;11° als het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de aard van de chemische behandeling of het toevoegingsmiddel, alsook de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de kluwens zuivere zaden en het totale gewicht. HOOFDSTUK 3. - Voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen Afdeling 1. - Toelating van voor teelt onder bijzondere omstandigheden

ontwikkelde rassen

Art. 21.§ 1. Voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen zijn toegelaten met inachtneming van de voorschriften van artikelen 22 en 23. § 2. Voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen zijn toegelaten als rassen waarvan het zaaizaad alleen kan worden gecontroleerd als « standaardzaad van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras ».

Een dergelijk ras wordt in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen opgenomen als « voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras, waarvan het zaad wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel 27 van dit besluit ».

Art. 22.§ 1. Om te worden toegelaten als voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras als vermeld in artikel 2, 5°, mag een ras geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar moet het ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden.

Een ras wordt beschouwd als zijnde ontwikkeld voor teelt onder bijzondere omstandigheden als het is ontwikkeld voor teelt onder bijzondere landbouwtechnische, klimatologische of pedologische omstandigheden. § 2. Voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen gelden voor de onderscheidbaarheid en de bestendigheid ten minste de kenmerken die worden vermeld in : 1° de technische vragenlijsten die horen bij de in bijlage I bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, opgenomen in de testprotocollen van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) die op die soorten van toepassing zijn, of 2° de technische vragenlijsten van de in bijlage II bij het hetzelfde besluit opgenomen richtsnoeren van de Internationale Unie tot Bescherming van Kweekproducten (UPOV) die op die soorten van toepassing zijn. Voor de beoordeling van de homogeniteit is het besluit, vermeld in het eerste lid, van toepassing.

Als het homogeniteitsniveau echter wordt vastgesteld op basis van afwijkende typen, worden een populatienorm van 10 % en een toelatingskans van ten minste 90 % toegepast.

Art. 23.In afwijking van artikel 8, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 is geen officieel onderzoek vereist als de volgende informatie toereikend is om een besluit te nemen over de toelating van de voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen : 1° de beschrijving en de benaming van het voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde ras;2° de resultaten van onofficiële tests;3° kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens de teelt, de vermeerdering en het gebruik, zoals door de aanvrager aan de betrokken lidstaat medegedeeld;

Art. 24.Een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras wordt niet toegelaten voor opname in de rassenlijst van groentegewassen als : 1° het al in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen is opgenomen als ander ras dan voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras, of als het tijdens de laatste twee jaar van die gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen is afgevoerd, of tijdens de twee jaar na afloop van de uitlooptermijn van de gemeenschappelijke rassenlijst, of;2° het wordt beschermd door een communautair kwekersrecht als vermeld in Verordening (EG) nr.2100/94 van de Raad van 27 juli 1994, of door een nationaal kwekersrecht, of als een aanvraag voor een dergelijk recht in behandeling is.

Art. 25.§ 1. Met betrekking tot benamingen van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen die vóór 25 mei 2000 bekend waren, kan de bevoegde entiteit afwijkingen van Verordening (EG) nr. 637/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen betreffende de geschiktheid van rasbenamingen voor landbouw- en groentegewassen toestaan, behalve als die afwijkingen inbreuk maken op oudere rechten van een derde die krachtens artikel 2 van die verordening beschermd zijn. § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 11, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 kan meer dan één naam voor een ras toegelaten worden als de desbetreffende namen vanouds bekend zijn. Afdeling 2. - In de handel brengen van zaaizaad van voor teelt onder

bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen.

Art. 26.§ 1. In afwijking van artikel 3 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 voor de industrie wordt het zaad van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras gecontroleerd als standaardzaad van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras als het voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 en 3 van dit artikel. § 2. Het zaad voldoet aan de voorwaarden voor het in de handel brengen van standaardzaad die zijn vermeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006,- met uitzondering van de voorschriften betreffende de minimale raszuiverheid. § 3. Het zaad is voldoende raszuiver.

Art. 27.§ 1. Er worden tests uitgevoerd om na te gaan of het zaaizaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen voldoet aan de voorschriften van artikel 26. § 2. De tests, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, als die niet bestaan, volgens geschikte methoden.

Art. 28.Het zaaizaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen wordt in de handel gebracht in kleine verpakkingen waarbij het per soort aangegeven maximale nettogewicht, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, niet wordt overschreden.

Art. 29.§ 1. Zaaizaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen wordt alleen in gesloten verpakkingen met een sluitingssysteem in de handel gebracht. § 2. Verpakkingen die zaaizaad bevatten, worden door de leverancier op zodanige wijze gesloten dat ze niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of zonder dat het etiket van de leverancier of de verpakking sporen van manipulatie vertoont. § 3. Voor een goede sluiting overeenkomstig het tweede lid moet ten minste het etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt of moet op de sluiting een zegel worden aangebracht.

Art. 30.Verpakkingen die zaaizaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen bevatten, worden voorzien van een etiket van de leverancier of van een gedrukte of gestempelde tekst met de volgende gegevens : 1° de woorden "EU-voorschriften en -normen";2° de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; 3° het jaar van sluiting, aangegeven als volgt : "gesloten in ..." (jaar), of het jaar van de laatste monstername ten behoeve van het testen van de kiemkracht, aangegeven als volgt : "monster genomen in ..." (jaar); 4° de soort;5° de benaming van het ras;6° de woorden "voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras";7° het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten;8° het opgegeven netto- of brutogewicht of het opgegeven aantal zaden;9° als het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de aard van de chemische behandeling of het toevoegingsmiddel, alsook de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de kluwens zuivere zaden en het totale gewicht. HOOFDSTUK 4. - Algemene en slotbepalingen

Art. 31.De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat het zaaizaad door steekproefsgewijze keuringen aan officiële nacontrole op rasechtheid en raszuiverheid wordt onderworpen.

De officiële nacontrole, als vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd, volgens de gangbare internationale methoden, of als die niet bestaan, volgens geschikte methoden.

Art. 32.De bevoegde entiteit is belast met de controle op de naleving van dit besluit.

Art. 33.De leveranciers die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opereren, brengen voor elk teeltseizoen verslag uit aan de bevoegde entiteit op hun verzoek, over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaaizaad van elk instandhoudingsras en van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras.

Over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaaizaad van elk instandhoudingsras en van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras brengt de bevoegde entiteit op verzoek aan de Europese Commissie en de andere lidstaten verslag uit.

Art. 34.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2011.

Brussel, 10 december 2010.

B. CEREXHE

Bijlage I Kwantitatieve beperkingen voor het in de handel brengen van zaaizaad van instandhoudingsrassen als vermeld in artikel 15

Maximumaantal hectare voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de teelt van groente per instandhoudingsras

Nombre maximum ????

Botanische benaming

ha

Dénomination botanique

Allium cepa L. - Cepa-groep

0,6

Allium cepa L. - Cepa-groep

Brassica oleracea L. Brassica oleracea L. Brassica rapa L. Brassica rapa L. Capsicum annuum L. Capsicum annuum L. Cichorium intybus L. Cichorium intybus L. Cucumis melo L. Cucumis melo L. Cucurbita maxima Duchesne

Cucurbita maxima Duchesne

Cynara cardunculus L. Cynara cardunculus L. Daucus carota L. Daucus carota L. Lactuca sativa L. Lactuca sativa L. Lycopersicon esculentum Mill.

Lycopersicon esculentum Mill.

Phaseolus vulgaris L. Phaseolus vulgaris L. Pisum sativum L. (partim)

Pisum sativum L. (partim)

Vicia faba L. (partim)

Vicia faba L. (partim)

Allium cepa L. - Aggregatum-groep

0,3

Allium cepa L. - Aggregatum-groep

Allium porrum L. Allium porrum L. Allium sativum L. Allium sativum L. Beta vulgaris L. Beta vulgaris L. Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai

Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai

Cucumis sativus L. Cucumis sativus L. Cucurbita pepo L. Cucurbita pepo L. Foeniculum vulgare Mill.

Foeniculum vulgare Mill.

Solanum melongena L. Solanum melongena L. Spinacia oleracea L. Spinacia oleracea L. Allium fistulosum L.

0,1

Allium fistulosum L. Allium schoenoprasum L. Allium schoenoprasum L. Anthriscus cerefolium (L.) Hoffm.

Anthriscus cerefolium (L.) Hoffm.

Apium graveolens L. Apium graveolens L. Asparagus officinalis L. Asparagus officinalis L. Cichorium endivia L. Cichorium endivia L. Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Phaseolus coccineus L. Phaseolus coccineus L. Raphanus sativus L. Raphanus sativus L. Rheum rhabarbarum L. Rheum rhabarbarum L. Scorzonera hispanica L. Scorzonera hispanica L. Valerianella locusta (L.) Laterr.

Valerianella locusta (L.) Laterr.

Zea mays L. (partim)

Zea mays L. (partim)


Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 10 december 2010 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen Brussel, 10 december 2010.

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor het Landbouwbeleid, B. CEREXHE

Bijlage II Maximaal nettogewicht per verpakking als vermeld in artikel 28 Maximaal nettogewicht per verpakking, uitgedrukt

Botanische benaming

in g/en g

Dénomination botanique

Phaseolus coccineus L.

250

Phaseolus coccineus L. Phaseolus vulgaris L. Phaseolus vulgaris L. Pisum sativum L. (partim)

Pisum sativum L. (partim)

Vicia faba L. (partim)

Vicia faba L. (partim)

Spinacia oleracea L. Spinacia oleracea L. Zea mays L. (partim)

Zea mays L. (partim)

Allium cepa L. (Cepa-groep, Aggregatum-groep)

25

Allium cepa L. (Cepa-groep, Aggregatum-groep)

Allium fistulosum L. Allium fistulosum L. Allium porrum L. Allium porrum L. Allium sativum L. Allium sativum L. Anthriscus cerefolium (L.) Hoffm.

Anthriscus cerefolium (L.) Hoffm.

Beta vulgaris L. Beta vulgaris L. Brassica rapa L. Brassica rapa L. Cucumis sativus L. Cucumis sativus L. Cucurbita maxima Duchesne

Cucurbita maxima Duchesne

Cucurbita pepo L. Cucurbita pepo L. Daucus carota L. Daucus carota L. Lactuca sativa L. Lactuca sativa L. Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Raphanus sativus L. Raphanus sativus L. Scorzonera hispanica L. Scorzonera hispanica L. Valerianella locusta (L.) Laterr.

Valerianella locusta (L.) Laterr.

Allium schoenoprasum L.

5

Allium schoenoprasum L. Apium graveolens L. Apium graveolens L. Asparagus officinalis L. Asparagus officinalis L. Brassica oleracea L. (alle)

Brassica oleracea L. (alle)

Capsicum annuum L. Capsicum annuum L. Cichorium endivia L. Cichorium endivia L. Cichorium intybus L. Cichorium intybus L. Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai

Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai

Cucumis melo L. Cucumis melo L. Cynara cardunculus L. Cynara cardunculus L. Lycopersicon esculentum Mill.

Lycopersicon esculentum Mill.

Foeniculum vulgare Mill.

Foeniculum vulgare Mill.

Rheum rhabarbarum L. Rheum rhabarbarum L. Solanum melongena L. Solanum melongena L. Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 10 december 2010 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen, maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen Brussel, 10 december 2010.

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor het Landbouwbeleid, B. CEREXHE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^