Ministerieel Besluit van 12 mei 2014
gepubliceerd op 01 juli 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Ministerieel besluit tot vaststelling van een code van goede praktijk ter uitvoering van artikel 11 van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 en ter uitvoering van artikel 28 en artikel 41 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014

bron
vlaamse overheid
numac
2014035604
pub.
01/07/2014
prom.
12/05/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

VLAAMSE OVERHEID

Leefmilieu, Natuur en Energie


12 MEI 2014. - Ministerieel besluit tot vaststelling van een code van goede praktijk ter uitvoering van artikel 11 van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 en ter uitvoering van artikel 28 en artikel 41 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014


De Vlaamse minister Van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het Jachtdecreet van 24 juli 1991, artikel 33, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, artikel 22, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, en artikel 25, vervangen bij het decreet van 16 juni 2006 en gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012;

Gelet op het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 52, vervangen bij het decreet van 9 mei 2014;

Gelet op het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009, artikel 11, tweede lid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend van 25 april 2014, artikel 28 en artikel 41;

Gelet op het ministerieel besluit van 14 juni 2012Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/06/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012203772 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een code van goede praktijk inzake preventieve maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade door vossen in uitvoering van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012 tot wijziging van sluiten tot vaststelling van een code van goede praktijk inzake preventieve maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade door vossen in uitvoering van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 betreffende de jachtopeningstijden in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013 en van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 2 augustus 2013;

Gelet op het advies van de Minaraad, gegeven op 17 oktober 2013;

Gelet op advies 55.584/1 van de Raad van State, gegeven op 31 maart 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat de preventieve maatregelen die zijn opgenomen in dit besluit, het resultaat zijn van een consensus die bereikt is tussen verschillende betrokken instanties en belangengroepen, namelijk het Agentschap voor Natuur en Bos, de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het Algemeen Boerensyndicaat, de Boerenbond, de Hubertus Vereniging Vlaanderen, Vogelbescherming Vlaanderen vzw en Natuurpunt vzw, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.De maatregelen, vermeld in dit besluit, zijn de handelingen die redelijkerwijs te verwachten zijn met betrekking op het voorkomen van belangrijke schade door jachtwild of door een beschermde soort als vermeld in de volgende normen: 1° het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009, artikel 11;2° het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014, artikel 28, § 1, en artikel 41. HOOFDSTUK 2. - Maatregelen met betrekking tot vogels

Art. 2.§ 1. Om belangrijke schade door vogels aan gewassen, bossen en andere goederen te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden : 1° het plaatsen van minimaal één afschrikkende pop per hectare;2° het plaatsen van minimaal tien vlaggen, ballonnen of linten per hectare, zo veel mogelijk verspreid over het terrein;3° het plaatsen van minimaal één heliumballon per vier hectare;4° het plaatsen van minimaal een imitatie van één vliegende roofvogel per twee hectare;5° het plaatsen van minimaal één bewegende pop per vier hectare;6° het plaatsen van gespannen linten over het volledige perceel met ertussen een maximumafstand van één meter;7° het plaatsen van één gaskanon per tien hectare, waarbij het veld gedekt wordt door het geluid van het kanon;8° het plaatsen van één afschrikkend geluidssysteem per vier hectare;9° het overkappen of overdekken van het perceel of veld met vogelnetten, gaas of stevige plastiek om de oogst, de geoogste producten en de gewassen te beschermen. Bij de toepassing van de maatregelen, vermeld in punt 1° tot en met 5° van het eerste lid, moet de maatregel boven het gewas uitsteken. § 2. Om belangrijke schade door vogels aan visserij te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden: 1° het voorzien van natuurlijke schuilmogelijkheden in het watersysteem op minimaal 4% van de wateroppervlakte.Als in de schuilmogelijkheden voorzien wordt door middel van begroeiing, moet die inheems zijn; 2° het voorzien van kunstmatige schuilplaatsen op minimaal 4% van de wateroppervlakte.Die schuilplaatsen mogen niet toegankelijk zijn voor de vogels waartegen ze moeten beschermen; 3° het opstellen van fysieke barrières in de vorm van goed zichtbare draden of een goed zichtbare structuur met een maximumafstand tussen de onderdelen van een meter;4° het afwisselend gebruik van minimaal drie afschrikkingssystemen. Daarvoor komen de volgende soorten systemen in aanmerking: a) minimaal tien vlaggen per hectare, zo veel mogelijk verspreid over het terrein;b) minimaal tien linten per hectare, zo veel mogelijk verspreid over het terrein;c) minimaal tien ballonnen per hectare, zo veel mogelijk verspreid over het terrein;d) minimaal één bewegende pop per vier hectare;e) minimaal twee namaakexemplaren van zwarte zwanen per hectare;f) het plaatsen van installaties die afschrikkende onderwatergeluiden produceren, volgens de voorschriften van het systeem.

Art. 3.Met behoud van de toepassing van artikel 2 moeten, indien mogelijk, om belangrijke schade door vogels te voorkomen de volgende maatregelen worden uitgevoerd: 1° het uitoefenen van jacht of bestrijding op basis van de jachtregelgeving;2° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in bijlage 3 van het Soortenbesluit van 3 juli 2009.

Art. 4.Om niet te interfereren met de verplichtingen die het Vlaamse Gewest heeft voor de instandhouding van bepaalde soorten vogels in bepaalde speciale beschermingszones die zijn aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt het nemen van maatregelen als vermeld in artikel 2 en 3 niet verwacht als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het gaat om een van de volgende soorten: kolgans, kleine rietgans, rietgans of grauwe gans;2° de schade treedt op in de periode van 1 november tot en met 15 maart;3° het gaat om de volgende speciale beschermingszones: a) krekengebied;b) Durme en middenloop van de Schelde;c) schorren en polders van de Beneden-Schelde;d) IJzervallei;e) Poldercomplex;f) het Zwin;g) Polders;h) de Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld;i) Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout. HOOFDSTUK 3. - Maatregelen met betrekking tot bevers

Art. 5.Om belangrijke vraatschade door Europese bevers aan bossen en gewassen te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden: 1° het plaatsen van een afrastering die bescherming biedt aan bossen en gewassen die zich op een afstand van minder dan twintig meter van de oever bevinden.De afrastering heeft minimaal de volgende kenmerken: a) een hoogte van één meter;b) een maaswijdte van maximaal vijf centimeter;c) een draaddikte van twee millimeter, ingegraven of onderaan voldoende gefixeerd;2° het plaatsen van boombescherming minstens rond bomen die zich op een afstand van minder dan twintig meter van de oever bevinden.De boombescherming moet voldoen aan de volgende kenmerken: a) ze bestaat uit metaal of metaalgaas van minimaal één meter hoog, met een draaddikte van minimaal twee millimeter en een maaswijdte van maximaal 2,5 centimeter;b) ze moet onderaan voldoende gefixeerd zijn. HOOFDSTUK 4. - Maatregelen met betrekking tot konijnen en hazen

Art. 6.Om belangrijke schade door konijnen of hazen aan gewassen en bossen te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden: 1° het plaatsen van minimaal één bewegende pop per vier hectare;2° het plaatsen van een afrastering met minimaal de volgende kenmerken : een hoogte van een halve meter, een maximale maaswijdte van vijf centimeter en een draaddikte van één millimeter of een afrastering met een minimale hoogte van een halve meter die bestaat uit kippengaas;3° het plaatsen van boombescherming met minimaal de volgende kenmerken : een hoogte van een halve meter, een maximale maaswijdte van 2,5 centimeter en een draaddikte van één millimeter.

Art. 7.Met behoud van de toepassing van artikel 6 moet, indien mogelijk, om belangrijke schade door konijnen te voorkomen, bejaging of bestrijding worden uitgeoefend op basis van de jachtregelgeving. HOOFDSTUK 5. - Maatregelen met betrekking tot marterachtigen

Art. 8.§ 1. Om belangrijke schade door steenmarters, boommarters, wezels, hermelijnen of bunzingen aan vee of andere onder zich gehouden dieren te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden: 1° het plaatsen van een afsluitbaar nachthok voor de dieren, met een beveiligde bodem.Met een afsluitbaar nachthok wordt bedoeld dat alle openingen waar het lichaam van een van de vijf soorten marterachtigen door kan, dichtgemaakt moeten kunnen worden; 2° het plaatsen van een omheining rond het verblijf van de dieren, die minimaal voldoet aan elk van de volgende kenmerken: a) een technische maatregel voorkomt dat de omheining ondergraven wordt;b) de omheining bestaat uit bedrading met mazen van maximaal 3 cm x 3 cm of kippengaas met mazen van maximaal vier centimeter;c) de hoogte van de omheining bedraagt minimaal 180 centimeter.Een hoogte van minimaal 100 centimeter is toegestaan op voorwaarde dat de omheining bovenaan voorzien is van een stroomdraad; 3° het voorzien van een volledig afgesloten verblijf voor de dieren, inclusief met een beveiligde bodem. § 2. Om belangrijke schade door steenmarters of boommarters aan voertuigen te voorkomen moet de volgende preventieve maatregel genomen worden: het plaatsen van elektrische matjes in de auto volgens de technische voorschriften voor het plaatsen van dergelijke matjes. § 3. Om belangrijke schade door steenmarters of boommarters aan gebouwen te voorkomen moet de volgende preventieve maatregel genomen worden: het afdichten met martergaas van openingen in gebouwen die toegankelijk zijn voor de twee soorten marterachtigen. HOOFDSTUK 6. - Maatregelen met betrekking tot vossen

Art. 9.Om belangrijke schade door vossen aan onder zich gehouden dieren te voorkomen moet op een terrein waar de dieren worden gehouden, minimaal een van de volgende preventieve maatregelen worden genomen: 1° een afsluitbaar nachthok voor de dieren, met een beveiligde bodem. Met een afsluitbaar nachthok wordt bedoeld dat alle openingen waar het lichaam van een vos door kan, dichtgemaakt moeten kunnen worden; 2° een omheining rond het verblijf van de dieren, die minimaal voldoet aan elk van de volgende kenmerken: a) een technische maatregel voorkomt dat de omheining ondergraven wordt;b) de omheining bestaat uit bedrading met mazen van maximaal drie cm x drie cm of kippengaas met mazen van maximaal vier centimeter;c) de hoogte van de omheining bedraagt minimaal 180 centimeter.Een hoogte van minimaal 100 centimeter is toegestaan op voorwaarde dat de omheining bovenaan voorzien is van een stroomdraad; 3° het verblijf van de dieren is volledig afgesloten, inclusief met een beveiligde bodem. Voor lammeren, biggen en jonge geiten gelden de maatregelen, vermeld in het eerste lid, alleen gedurende de eerste tien dagen na de geboorte.

Art. 10.Met behoud van de toepassing van artikel 9 moet, indien mogelijk, om belangrijke schade door vossen aan onder zich gehouden dieren te voorkomen, bejaging of bestrijding worden uitgeoefend op basis van de jachtregelgeving. HOOFDSTUK 7. - Maatregelen met betrekking tot hertachtigen

Art. 11.§ 1. Om belangrijke schade door edelhert, damhert of ree aan gewassen en bossen te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden : 1° het plaatsen van minimaal één bewegende pop met licht of geluid per vier hectare.Deze maatregel geldt alleen voor niet-houtige gewassen; 2° het plaatsen van een afrastering met minimaal de volgende kenmerken : een hoogte van 1,8 meter, een maximale maaswijdte van vijftien centimeter en een draaddikte van twee millimeter;3° het plaatsen van boombescherming met minimaal de volgende kenmerken : een hoogte afhankelijk van de beplanting, een maximale maaswijdte van 2,5 centimeter en een draaddikte van twee millimeter;4° het plaatsen van een elektrische afrastering met minimaal vijf draden op regelmatige afstand, met een minimale hoogte van 1,5 meter. Daarbij moet de vegetatie onder de draden kort gehouden worden; 5° het aanbrengen van een zandcoating met de regelmaat die voorgeschreven wordt door de productvoorschriften.Deze maatregel geldt alleen voor bosbouw en fruitteelt. § 2. Het nemen van preventieve maatregelen als vermeld in paragraaf 1 wordt niet verwacht in het kader van de bestrijding of bijzondere bejaging van edelhert en damhert.

Art. 12.Met behoud van de toepassing van artikel 11, § 1, moet, indien mogelijk, om belangrijke schade door edelhert, damhert of ree aan gewassen en bossen te voorkomen, bejaging of bestrijding worden uitgeoefend op basis van de jachtregelgeving. HOOFDSTUK 8. - Maatregelen met betrekking tot wilde zwijnen

Art. 13.Om belangrijke schade door wilde zwijnen aan gewassen, bossen en andere goederen te voorkomen moet minimaal een van de volgende preventieve maatregelen genomen worden: 1° het plaatsen van minimaal één bewegende pop met licht of geluid per vier hectare;2° het plaatsen van een gaskanon per vier hectare, waarbij het veld gedekt wordt door het geluid van het kanon;3° het plaatsen van een afschrikkend geluidssysteem per vier hectare;4° het plaatsen van een elektrische afrastering van minimaal drie draden op regelmatige afstand of met maaswijdte van maximaal tien centimeter en met een minimale hoogte van 0,6 meter.Daarbij moet de vegetatie onder de draden kort gehouden worden; 5° het plaatsen van een afrastering, ingegraven tot een diepte van minimaal twintig centimeter, met minimaal volgende kenmerken: een hoogte van één meter, een maximale maaswijdte van tien centimeter en een draaddikte van twee millimeter.

Art. 14.Met behoud van de toepassing van artikel 13 moet, indien mogelijk, om belangrijke schade door wilde zwijnen aan gewassen, bossen en andere goederen te voorkomen, bejaging of bestrijding worden uitgeoefend op basis van de jachtregelgeving. HOOFDSTUK 1 0. - Slotbepalingen

Art. 15.Dit besluit wordt jaarlijks geëvalueerd. Het Agentschap voor Natuur en Bos maakt daarvoor in samenwerking met de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het Algemeen Boerensyndicaat, de Boerenbond, de Hubertus Vereniging Vlaanderen, Vogelbescherming Vlaanderen vzw en Natuurpunt vzw een verslag op dat naast de evaluatie ook de eventuele verbetervoorstellen bevat.

Art. 16.Het ministerieel besluit van 14 juni 2012Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/06/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012203772 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot vaststelling van een code van goede praktijk inzake preventieve maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade door vossen in uitvoering van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012 tot wijziging van sluiten tot vaststelling van een code van goede praktijk inzake preventieve maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade door vossen in uitvoering van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 betreffende de jachtopeningstijden in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013 en van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, wordt opgeheven.

Art. 17.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Brussel, 12 mei 2014.

De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^