Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 19 oktober 1999
gepubliceerd op 25 december 1999

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
numac
1999014267
pub.
25/12/1999
prom.
19/10/1999
ELI
eli/besluit/1999/10/19/1999014267/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

19 OKTOBER 1999. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen


ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 29 oktober 1998 door de Minister van Telecommunicatie verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van ministerieel besluit "tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen", heeft op 14 juni 1999 het volgende advies gegeven : Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat het ontslag van de Regering tot gevolg heeft dat haar bevoegdheid zich tot het afhandelen van de lopende zaken beperkt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de minister in aanmerking kan nemen als hij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van verordeningsbepalingen noodzakelijk is.

Onderzoek van het ontwerp Aanhef Eerste lid Artikel 1 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving levert geen rechtsgrond op voor het ontwerp. Er is dus geen grond om naar dat artikel te verwijzen.

Bovendien, wanneer een bepaling wordt aangehaald van een regeling waarnaar in de aanhef wordt verwezen, behoren alle wijzigingen van die bepaling te worden vermeld. Dit lid behoort dus als volgt te worden gesteld : « Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3 dat door het Arbitragehof gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 7/90 van 25 januari 1990, arrest nr. 1/91 van 7 februari 1991 en arrest nr. 52/93 van 1 juli 1993, en op artikel 7, vervangen bij de wet van 6 mei 1998;".

Tweede lid Sommige van de aangehaalde bepalingen van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen zijn gewijzigd. Deze bepalingen moeten met de wijzigingen ervan worden vermeld. Het lid behoort als volgt te worden gesteld : « Gelet op het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en de ministeriële besluiten van 7 juli 1989 en 22 juni 1992, op artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en het ministerieel besluit van 27 november 1992, op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, op artikel 6, op artikel 21, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, op artikel 26, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en het ministerieel besluit van 24 december 1982, alsook op de bijlagen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 19 februari 1982, 24 december 1982, 12 juli 1985, 28 mei 1986, 13 november 1987, 1 februari 1988, 9 juni 1989, 20 november 1989, 6 september 1990, 7 augustus 1992 en 18 januari 1994;".

Derde lid (nieuw) Er behoort te worden verwezen naar het advies van de Europese Commissie.

Vierde lid (dat het vijfde lid wordt) Het advies van de Raad van State is niet aangevraagd met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, noch met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Men schrijve dus : « Gelet op het advies van de Raad van State;".

Vijfde lid Dit lid behoort te vervallen.

Dispositief Artikel 1 1. Artikel 7 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, zoals gewijzigd bij de wet van 6 mei 1998, machtigt de minister uitsluitend om technische voorschriften vast te stellen voor zendtoestellen of zendontvangtoestellen voor radioverbinding. De bijlagen mogen dus geen technische voorschriften bevatten voor toestellen die uitsluitend voor het ontvangen van radioverbindingen bestemd zijn.

Alleen de Koning kan krachtens artikel 10 van die wet en onder de in die bepaling gestelde voorwaarden zulke voorschriften vaststellen.

Het ontworpen artikel 1, eerste lid, alsook de bijlagen bij dit ontwerp moeten dienovereenkomstig worden aangepast. 2. Wat het ontworpen artikel 1, tweede lid, betreft, behoort te worden opgemerkt dat het Instituut bij de wet belast wordt met het erkennen van zendtoestellen of zendontvangtoestellen voor radioverbinding.Het is dus overbodig dit opnieuw in een ministerieel besluit te vermelden.

Bovendien wordt in het ontwerp niet vermeld wat onder "toestellen voor radioverbindingen met een beperkt bereik" moet worden verstaan.

Volgens de gemachtigde ambtenaren gaat het om de toestellen die in de bijlagen als zodanig te definiëren zijn. Ze geven evenwel toe dat in die bijlagen niet altijd uitdrukkelijk wordt bepaald dat de daarin vermelde toestellen al dan niet toestellen met een beperkt bereik zijn.

Deze bepaling zou dus beter als volgt worden gesteld : « Wanneer de zender en de ontvanger in een zendontvangtoestel los van elkaar kunnen worden beschouwd, wordt alleen de zender goedgekeurd.

Wanneer een module ingebouwd wordt in een zendtoestel of in een zendontvangtoestel, dan wordt het geheel als zodanig goedgekeurd.

Wanneer de zendtoestellen of zendontvangtoestellen in de bijlagen als toestellen met een beperkt bereik worden omschreven, dan wordt de controle met het oog op de goedkeuring beperkt tot de gebruikte frequentieband en het vermogen. ». 3. De bijlagen moeten ook zo worden herzien dat wordt vermeld of de daarin vervatte technische voorschriften al dan niet betrekking hebben op toestellen met een beperkt bereik.4. Voorts moet in de inleidende zin van B) melding worden gemaakt van de wijziging die eerder in het tweede lid van artikel 1 van het voornoemde ministerieel besluit van 19 oktober 1979 is aangebracht. Het betreft de wijziging die bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 is aangebracht.

In de inleidende zin van C) moet melding worden gemaakt van de wijzigingen die eerder zijn aangebracht in het derde lid van artikel 1 van het voornoemde ministerieel besluit van 19 oktober 1979. Bijgevolg moeten tussen de woorden "lid 3" en de woorden wordt opgeheven" de volgende woorden worden ingevoegd : "ingevoegd bij het ministerieel besluit van 7 juli 1989 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994". Voorts schrijve men in de Nederlandse tekst "het derde lid" in plaats van "lid 3".

In de inleidende zin van D) moet melding worden gemaakt van de wijzigingen die eerder in het vierde lid van artikel 1 van het voornoemde ministerieel besluit van 19 oktober 1979 zijn aangebracht.

Tussen de woorden "lid 4" en de woorden "wordt het onderdeel 1°" moeten dus de volgende woorden worden ingevoegd : "ingevoegd bij het ministerieel besluit van 22 juni 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994". Voorts schrijve men in de Nederlandse tekst "in het vierde lid" in plaats van "in lid 4" en "onderdeel 1°" in plaats van "het onderdeel 1°".

Tevens moet melding worden gemaakt van de wijzigingen die eerder zijn aangebracht in de bepalingen die bij de artikelen 4 en 5 van het ontwerp worden gewijzigd.

Artikel 2 In de inleidende zin schrijve men "artikel 1bis" in plaats van "artikel 1bis". 2. In het ontworpen artikel 1bis schrijve men in de Franse tekst "au Moniteur Belge" in plaats van "dans le Moniteur Belge". Artikel 3 1. In de Franse tekst schrijve men in de inleidende zin "article 1er ter" in plaats van "article 1ter".In de Nederlandse tekst schrijve men "ingevoegd" in plaats van "ingelast". 2. In het ontworpen artikel 1ter, § 1, schrijve men "van de Europese Unie" in plaats van "van de Europese Gemeenschap" en "Europese Vrijhandelsassociatie" in plaats van "Europese Vrijhandels Associatie".3. In het ontworpen artikel 1ter, § 2, 2°, schrijve men "het voornoemde ministerieel besluit van 23 maart 1977" in plaats van het volledige opschrift van dat besluit te vermelden.Dat volledige opschrift is immers al vermeld in het ontworpen artikel 1ter, § 2, 1°.

Voorts behoort het juiste opschrift te worden gebruikt. Zo schrijve men in de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 1ter, § 2, 1°, "het koninklijk besluit van 23 maart 1977 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden".

Artikel 4 1. In het advies van 30 september 1997, gegeven overeenkomstig richtlijn nr.83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (1), deelt de Commissie het volgende mee : « La Commission constate l'absence dans les textes notifiés d'une clause de reconnaissance mutuelle pour les appareils de radiocommunications légalement fabriqués et/ou commercialisés dans d'autres Etats membres ou pays AELE parties contractantes de l'Accord sur l'Espace économique européen, ainsi qu'une clause de reconnaissance des certificats de conformité et des rapports d'essai établis dans ces autres Etats. De ce fait ces textes ne sont pas conformes aux articles 30 à 36 du Traité CE. » .

Het ontworpen zevende lid, 2°, komt slechts gedeeltelijk aan die opmerking tegemoet. 2. Voorts schrijve men in die ontworpen bepaling "de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte" in plaats van "het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte".(1) Deze richtlijn is inmiddels vervangen door richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998. Artikel 5 1. In het ontworpen artikel 3, § 2, 1°, behoort de bepaling dat de aanvraag vergezeld moet zijn van "het nummer in het handelsregister" te vervallen of op zijn minst beperkt te worden tot de ondernemingen die hun zetel in België hebben. Het ontworpen ministerieel besluit mag de mogelijkheid om een goedkeuring aan te vragen immers niet tot de Belgische vennootschappen alleen beperken. 2. Aangezien het thans geldende artikel 3 uit vier leden bestaat, mag het eerste lid niet vervangen worden door een bepaling die verscheidene paragrafen bevat.Duidelijkheidshalve behoort artikel 3 geheel te worden herschreven, in plaats van alleen het eerste lid ervan te vervangen.

Daarbij moet de steller van het ontwerp ervoor zorgen dat de opsomming niet onderbroken wordt door ingevoegde tussenzinnen (zie de ontworpen paragraaf 2, 1°) en dat de verschillende punten van de opsommingen coherent gesteld zijn. Als bijvoorbeeld de meeste onderdelen van een opsomming met een lidwoord beginnen, dan moeten ook de andere onderdelen met een lidwoord beginnen (zie de ontworpen paragraaf 2, 1°, 5° en 9°).

Artikel 6 1. Zoals is opgemerkt onder artikel 1 is de minister niet gemachtigd om technische voorschriften vast te stellen die van toepassing zijn op toestellen die uitsluitend voor het ontvangen van radioverbindingen bestemd zijn, noch a fortiori om het vervaardigen of het in de handel brengen van die producten aan een voorafgaande verklaring te onderwerpen. Het ontworpen artikel 3bis, § 1, heeft dus geen rechtsgrond en behoort te vervallen. 2. De ontworpen paragraaf 2 heeft betrekking op de toestellen met een beperkt bereik.Voor zover die bepaling betrekking zou hebben op de wandtoestellen of zendontvangtoestellen, zou ze een rechtsgrond kunnen ontlenen aan artikel 7 van de wet, indien het een voorwaarde tot goedkeuring betreft. Volgens het advies van de Commissie zijn zulke voorschriften, voor zover ze niet beperkt zijn tot het vermogen of de frequentieband, evenwel buitensporige vereisten ten aanzien van artikel 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 7 In het ontworpen artikel 6, eerste lid, behoort de datum te worden vermeld waarop de oude bijlagen buiten werking treden, zijnde de datum waarop het ontworpen besluit en bijgevolg ook de nieuwe bijlagen in werking treden. In dat verband wordt verwezen naar de opmerking onder artikel 11 van het ontwerp.

Artikel 8 Men schrijve "Artikel 21, tweede lid," in plaats van "Lid 2 van artikel 21".

Artikel 9 Men schrijve "van hetzelfde besluit" in plaats van het volledige opschrift en de datum van het besluit te vermelden. Het opschrift en de datum van het besluit zijn immers al vermeld in de inleidende zin van artikel 1 van het ontwerp. Dezelfde opmerking geldt voor artikel 10.

Wat het ontworpen artikel 26 betreft, behoort ervoor te worden gezorgd dat geen enkele bepaling buiten de indeling in paragrafen valt.

Artikel 11 De datum van inwerkingtreding van het ontworpen besluit moet uitdrukkelijk worden bepaald, zodat de bijlagen duidelijk kunnen worden aangegeven.

Slotopmerkingen De redactie van de tekst zou moeten worden verbeterd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de regels van de wetgevingstechniek.

Er behoort inzonderheid te worden gezorgd dat de volgende regels worden nageleefd : 1. Een artikel behoort alleen dan in paragrafen te worden onderverdeeld als ten minste één paragraaf uit meer dan één lid bestaat.2. In de Franse tekst dient "§ 1er" te worden geschreven in plaats van "§ 1".Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis wanneer het eerste lid van een artikel wordt vermeld. 3. Wanneer in een artikel naar een onderdeel van datzelfde artikel wordt verwezen, mag de vermelding van dat onderdeel niet worden gevolgd door de woorden "van dit artikel".Evenzo mag wanneer in een regeling naar een artikel van dezelfde regeling wordt verwezen, het nummer van dat artikel niet worden gevolgd door de woorden "van dit besluit " (1). 4. In opsommingen moeten de onderscheiden opgesomde onderdelen gevolgd worden door een puntkomma en moet het laatst opgesomde onderdeel eindigen met een punt.5. Wanneer een bepaling vervangen of ingevoegd wordt, mogen de aanhalingstekens niet worden vergeten.Als de aanhalingstekens worden geopend, mag evenmin worden vergeten om ze aan het eind van de nieuwe tekst te sluiten (2). 6. Getallen behoren voluit te worden geschreven, niet in cijfers.7. Verplichtingen behoren in de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs te worden gesteld.De werkwoorden "moeten" en "mogen slechts" behoren te worden vermeden. 8. Algemeen moet de spelling van het ontwerp worden verbeterd (3). Voor het overige wordt de steller van het ontwerp verzocht de circulaire inzake wetgevingstechniek erop na te slaan. Deze circulaire staat op de website van de Raad van State (http ://www.raadvst-consetat.fgov.be).

De kamer was samengesteld uit : De heren : R. Andersen, kamervoorzitter;

P. Lienardy en P. Quertainmont, staatsraden;

P. Gothot en J. van Compernolle, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. M. Proost, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer C. Amelynck, referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.

De griffier, M. Proost.

De voorzitter, R. Andersen. _______ Nota (1) Zie het ontworpen artikel 2, zevende lid, 2', (artikel 4 van het ontwerp) en het ontworpen artikel 26 (artikel 9 van het ontwerp).(2) Zie de artikelen 1, B), 4, F), 6 en 9 van het ontwerp.(3) In de Nederlandse tekst bijvoorbeeld zou in artikel 3, ontworpen artikel 1ter, "natuurlijke of rechtspersoon" moeten worden geschreven in plaats van "natuurlijk of rechtspersoon'. 19 OKTOBER 1999. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen De Minister van Telecommunicatie, Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3 dat door het Arbitragehof gedeeltelijk vernietigd is bij attest nr. 7/90 van 25 januari 1990, arrest nr. 1/91 van 7 februati 1991 en arrest nr. 52/93 van 1 juli 1993, en op artikel 7, vervangen bij de wet van 6 mei 1998;

Gelet op het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en de ministeriële besluiten van 7 juli 1989 en 22 juni 1992, op artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en het ministerieel besluit van 27 november 1992, op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, op artikel 6, op artikel 21, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, op artikel 26, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en het ministerieel besluit van 24 december 1982, alsook op de bijlagen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 19 februari 1982, 24 december 1982, 12 juli 1985, 28 mei 1986, 13 november 1987, 1 februari 1988, 9 juni 1989, 20 november 1989, 6 september 1990, 7 augustus 1992 en 18 januari 1994;

Gelet op het advies dat door de Europese Commissie is gemaakt in toepassing van Richtlijn 98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998;

Gelet op het advies van de Raad van State, Besluit :

Artikel 1.In artikel 1 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De bijlagen bij dit besluit bepalen de technische voorschriften waaraan de verschillende zendtoestellen, zend-ontvangtoestellen voor radioverbindingen moeten voldoen. »;

B) het tweede lid, gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 maart 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Wanneer de zender en de ontvanger in een zend-ontvangtoestel los van elkaar kunnen worden beschouwd, wordt alleen de zender goedgekeurd.

Wanneer een module ingebouwd wordt in een zendtoestel of in een zend-ontvangtoestel, dan wordt het geheel als zodanig goedgekeurd.

Wanneer de zendtoestellen of zendontvangtoestellen in de bijlagen als toestellen met een beperkt bereik worden omschreven, dan wordt de controle met het oog op de goedkeuring beperkt tot de gebruikte frequentieband en het vermogen. » C) het derde lid, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 7 juli 1989 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, wordt opgeheven;

D) in het vierde lid, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 22 juni 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, wordt onderdeel 1° opgeheven en worden onderdelen 2° en 3° respectievelijk 1° en 2°.

Art. 2.Een artikel 1bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde ministerieel besluit ingevoegd : « De draadloze telefoons in de band 914-915/959-960 MHz worden niet meer goedgekeurd. Wat betreft de draadloze telefoons in de band 885-887/930-932 MHz, worden nog goedkeuringen verleend tot vijf jaar na de datum van het bekendmaken van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. »

Art. 3.Een artikel 1ter, luidend als volgt, wordt in hetzelfde ministerieel besluit ingevoegd : « § 1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon gevestigd in één van de Lid-Staten van de Europese Unie of in één van de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekenaars van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een aanvraag om goedkeuring indienen. § 2. De toestellen voor radioverbindingen moeten voldoen aan de volgende fundamentele voorschriften : 1° de veiligheid van de gebruiker voor zover dit niet wordt geregeld door het koninklijk besluit van 23 maart 1977 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden;2° de veiligheid van het personeel van de exploitanten van de radiocommunicatie- en telecommunicatienetten voor zover dit niet wordt geregeld door het voornoemd koninklijk besluit van 23 maart 1977;3° de elektromagnetische compatibiliteitsvoorwaarden voor zover zij specifiek zijn voor het toestel voor radioverbindingen;4° de bescherming van de radiocommunicatie- en telecommunicatienetten tegen alle schade;5° het doelmatig gebruik van het radiofrequentie-spectrum;6° de interactie van de toestellen voor radioverbindingen met de installaties van de radiocommunicatie- en telecommunicatienetten ten behoeve van het tot stand brengen, het wijzigen, het aanrekenen, het in stand houden en het beëindigen van reële of virtuele verbindingen. »

Art. 4.In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en het ministerieel besluit van 27 november 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) in het eerste lid worden de woorden « zend- of ontvangtoestellen » vervangen door de woorden « zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen waarbij de zender en ontvanger onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn »;

B) in het derde lid 3 worden de woorden« vóór de proefnemingen » geschrapt;

C) het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Deze som blijft door het Instituut verworven welke ook de uitslag weze. » D) in de vijfde lid worden de woorden « en metingen » geschrapt;

E) in het zevende lid, onderdeel 1° worden de woorden « zend- of ontvangtoestellen » vervangen door de woorden « zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen waarbij de zender en ontvanger onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. » F) in het zevende lid wordt onderdeel 2° vervangen door de volgende bepaling : 2° België aanvaardt, met het oog op de nationale goedkeuring van de toestellen voor radioverbindingen die legaal gefabriceerd zijn en/of in de handel gebracht zijn in een Lid-Staat van de EU of van toestellen voor radioverbindingen die legaal gefabriceerd zijn in een Lid-Staat van de Europese Vrijhandelsassociatie die de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte ondertekende, de conformiteitscertificaten en de resultaten van testen uitgevoerd in geaccrediteerde laboratoria erkend in dat land, gebaseerd op nationale specificaties van dat land, inzoverre die toestellen voor radioverbindingen op behoorlijke en voldoende wijze beantwoorden aan de fundamentele voorschriften zoals gedefinieerd in artikel 1ter. Het instituut oordeelt over de gelijkwaardigheid van de nationale specificaties gebruikt voor de goedkeuring van een toestel voor radioverbindingen in een ander land, met de Belgische nationale technische specificaties.

Indien de overeenkomst niet wordt vastgesteld, motiveert het Instituut zijn beslissing tot weigering van de goedkeuring. »

Art. 5.In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A. Het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepalingen : « § 1. De aanvraag tot typegoedkeuring wordt ingediend bij het Instituut door de fabrikant of zijn gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de toestellen. § 2. Om als volledig te worden beschouwd, moet een aanvraagdossier inzonderheid volgende behoorlijk gedateerde en ondertekende inlichtingen en documentatie bevatten : 1° de naam en het adres van de fabrikant, alsook de naam en het adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend;2° de juiste benaming en bestemming van het toestel voor radiocommunicatie;3° een algemene beschrijving van het type, die volstaat om het toestel te identificeren, met daarbij duidelijke foto's en de handleiding inbegrepen;4° de technische gegevens, het werkingsprincipe gestaafd met ontwerp en fabricagetekeningen, lijsten van componenten, onderdelen en leidingen, met inbegrip, in voorkomend geval van de elektrische schema's en het plan van aansluiding op het radiocommunicatienet;5° de beschrijvingen en de toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van voormelde tekeningen en lijsten en van de werking van het apparaat;6° een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste technische specificaties en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de fundamentele voorschriften te voldoen;7° de resultaten van de verrichte onderzoeken;8° de testrapporten afgeleverd door geaccrediteerde laboratoria;9° het betalingsbewijs van de dossierskosten. § 3. Het instituut kan alle bijkomende informatie vragen die nodig is voor het onderzoek met het oog op de goedkeuring. § 4. De positieve of negatieve beslissing inzake de goedkeuring van het toestel wordt door het Instituut medegedeeld. » B. De overige leden van artikel 3 worden § 5 van dit artikel.

Art. 6.Een artikel 3bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : «

Art. 3bis.De fabrikant van toestellen met beperkt bereik verklaart en garandeert, behalve voor de gebruikte frequentieband en het vermogen, dat de betrokken producten voldoen aan de voorschriften van dit besluit die op die producten van toepassing zijn. Daartoe moet hij aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hij stelt een technische documentatie op en houdt ze tenminste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product, ter beschikking van het Instituut. Indien de fabrikant niet in België is gevestigd, of hij heeft er geen gemachtigde aangeduid, moet degene die het product in België in de handel brengt, de technische documentatie ter beschikking van het Instituut houden.

Aan de hand van deze documentatie moet nagegaan kunnen worden of het product in overeenstemming is met de geldende voorschriften. Daartoe moet de documentatie omvatten : a) de algemene omschrijving van het product; b) ontwerp- en fabricagetekeningen alsook lijsten van onderdelen, deelsystemen, circuits, enz.; c) de beschrijvingen en de toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en lijsten en van de werking van het toestel;d) een lijst van de relevante technische normen of, bij ontstentenis van deze normen, het technisch constructiedossier en een beschrijving van de oplossingen die gekozen zijn om te voldoen aan de op het product van toepassing zijnde voorschriften;e) de testrapporten;2° de fabrikant, zijn gemachtigde of degene die het product in België in de handel brengt bewaart een afschrift van de verklaring van overeenstemming met de technische documentatie;3° de fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde producten in overeenstemming zijn met de technische documentatie en met de voorschriften die op de producten van toepassing zijn.»

Art. 7.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « De goedkeuring op basis van de oude bijlagen wordt niet meer gegeven na 1 december 1999.

Het in de handel brengen van toestellen voor radioverbindingen; goedgekeurd op basis van de oude bijlagen, is toegelaten tot 7 april 2001.

Indien het gaat om eindapparatuur voor telecommunicatie, goedgekeurd op basis van de oude bijlagen, dan is het in de handel brengen toegelaten tot 7 april 2001. »

Art. 8.Artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 9.Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het gebruik van de stations voor radioverbindingen van de 8e categorie wordt enkel toegelaten indien zij voldoen aan de voorschriften vastgesteld in § 1 en § 3.

Het volstaat eveneens dat dergelijk stations voldoen aan de voorschriften vastgesteld in § 2 en § 3. § 1. Radiotelefonen B27 zijn conform een type dat door het Instituut werd goedgekeurd als beantwoordend aan de technische specificaties van de bijlage D1 of D2 bij dit besluit. § 2. Een« SRBR-toestel » is conform een type dat door het Instituut werd goedgekeurd als beantwoordend aan de technische specificaties van bijlage D3 bij dit besluit. § 3. Het is verboden een zelfgebouwd toestel of een toestel samengesteld door middel van een bouwdoos te gebruiken. »

Art. 10.De bijlagen bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen worden vervangen door de bijlagen bij dit besluit.

Brussel, 19 oktober 1999.

R. DAEMS

Bijlage A1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, hoofdzakelijk bedoeld voor analoge spraak, uitgerust met antenneconnector 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 086 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, hoofdzakelijk bedoeld voor analoge spraak, uitgerust met antenneconnector. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - variatie van het draaggolfvermogen; - effectief uitgestraald vermogen; - frequentiezwaai; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - intermodulatieverzwakking; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters vn de ontvanger : - maximaal bruikbare gevoeligheid (aan de antenneconnector); - maximaal bruikbare gevoeligheid (veldsterkte); - amplitudekarakteristieken; - storingsonderdrukking in het zelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitsraling. 3.3 Duplexwerking : - desensibilisering van de ontvanger en maximaal bruikbare gevoeligheid; - kruismodulatie-onderdrukking in de ontvanger.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A2 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst voor niet-vocale communicatie en gecombineerde toestellen voor de overdracht van gegevens (en spraak) die uitgerust zijn met een antenneconnector 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 113 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst voor niet-vocale communicatie en gecombineerde toestellen voor de overdracht van gegevens (en spraak) die uitgerust zijn met een antenneconnector. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - variatie van draaggolfvermogen; - effectief uitgestraald vermogen; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - intermodulatie verzwakking; - inzettijd van de zender; - afvaltijd van de zender; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - maximaal bruikbare gevoeligheid (aan de antenneconnector); - maximaal bruikbare gevoeligheid (veldsterkte); - amplitudekarakteristieken; - storingsonderdrukking in het zelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitstraling. 3.3 Duplexwerking : - desensibilisering van de ontvanger en maximaal bruikbare gevoeligheid; - kruismodulatie-onderdrukking in de ontvanger.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A3 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobieli dienst, voor het uitzenden van signalen om een typische karakteristiek in de ontvanger op te wekken, uitgerust met antenneconnector 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 219 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor landmobiele dienst, voor het uitzenden van signalen om een typische karakteristiek in de ontvanger op de wekken, uitgerust met antenneconnector. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - variatie van het draaggolfvermogen (via geleiding); - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - intermodulatieverzwakking; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - referentiegevoeligheid (reactie); - maximaal bruikbare gevoeligheid (aan de antenneconnector); - maximaal bruikbare gevoeligheid (veldsterkte); - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitstraling. 3.3 Duplexwerking : - desensibilisering van de ontvanger en maximaal bruikbare gevoeligheid; - kruismodulatie-onderdrukking in de ontvanger.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A4 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen met geïntegreerde antenne voor radioverbindingen te gebruiken voor de landmobiele dienst, hoofdzakelijk bedoeld voor analoge spraak 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 296 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen met geïntegreerde antenne voor radioverbindingen te gebruiken voor de landmobiele dienst, hoofdzakelijk bedoeld voor analogue spraak. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - effectief uitgestraald vermogen; - frequentiezwaai; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gemiddeld bruikbare gevoeligheid (veldsterkte, spraak); - amplitudekarakteristiek; - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A5 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen met geïntegreerde antenne voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, om een typische karakteristiek in de ontvanger op te wekken 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 341 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen met geïntegreerde antenne voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, om een typische karakteristiek in de ontvanger op te wekken. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - effectief uitgestraald vermogen; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gemiddeld bruikbare gevoeligheid (veldsterkte); - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A6 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en waarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, voor de overdracht van gegevens (en spraak), gebruik makend van een geïntegreerde antenne 1. Naar gelang hun beschikbaarheid wijst het BIPT zekere frequenties toe in de frequentiebanden 26,5 tot 47 MHz, 68 tot 87,5 MHz, 146 tot 174 MHz, 406,1 tot 430 MHz en 440 tot 470 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de kanaalafstand. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 390 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst voor de overdracht van gegevens (en spraak), gebruik makend van een geïntegreerde antenne. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - effectief uitgestraald vermogen; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - inzettijd van de zender; - afvaltijd van de zender; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gemiddeld bruikbare gevoeligheid (veldsterkte, gegevens of berichten); - foutgedrag bij hoge ingengsniveaus; - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A7 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst bedoeld voor personenzoeksystemen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe uit de volgende lijst van frequenties : - onder de 148,5 kHz - 26,500 tot 26,960 MHz : 26,505 MHz + n x 10 kHz voor n = 0, 1, 2, 3, ..., 45 - 40,705 MHz / 40,715 MHz / 40,725 MHz / 40,735 MHz / 40,745 MHz / 40,755 MHz / 40,765 MHz / 40,775 MHz / 41,100 MHz / 41,110 MHz / 41,120 MHz / 41,130 MHz / 41,900 MHz - 41,020 MHz / 41,030 MHz / 41,070 MHz / 41,080 MHz / 41,090 MHz / 41,140 MHz / 41,160 MHz / 41,170 MHz / 41,180 MHz - 47-50 MHz - 146-174 MHz - 440-470 MHz 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 224 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, voor personenzoeksystemen in de 25-470 MHz-band met een uitgangsvermogen van maximaal 5 W voor de basisstations en 50 mW voor de zakzenders en voor personenzoeksystemen in de band onder 150 kHz met een vermogen tot 20 W. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - vermogen van de draaggolf van het basistation; - vermogen van de draggolf van de zakzender; - vermogen nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gevoeligheid; - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering; - ongewenste uitstraling (basisontvanger); - ongewenste uitstraling (zakontvanger).

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A8 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst bedoeld voor breedbandaudioverbindingen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de band van 25 MHz tot 3 GHz.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 454 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst bedoeld voor breedband audioverbindingen in de band van 25 MHz tot 3 GHz met een vermogen tot 25 Watt. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - draaggolfvermogen; - kanaalafstand; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A9 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbinding bruikbaar in de mobiele netten voor radioverbinding met gedeelde middelen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentieband van 410 tot 430MHz.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN Z 10 001 : Signaleringsnorm voor private landmobiele radionetten (MPT 1327, januari 1988); NBN Z 10 002 : Werkingsspecificaties - systeeminterfacespecificatie voor zend- en ontvangtoestellen die gebruikt worden in private landmobiele netwerken met gedeelde middelen werkend in band III, subband 2 (MPT 1343, januari 1988). 3. De toestellen moeten ook voldoen aan bijlage A2.Als het gaat over een spraaktoepassing dan moet ook voldaan worden aan bijlage A1. 4. Behalve de bovenvermelde normen kan het BIPT ook beslissen om specifieke normen toe te laten (MOBITEX,...) Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage A10 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de radioelektrische toestellen om beweging te detecteren en om snelheidsmetingen uit te voeren 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Het toestel moet goedgekeurd worden samen met de antenne.4. De technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 440 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik te gebruiken tussen 1 GHz en 25 GHz. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - toegestane gamma van werkfrequenties; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereikt voor niet-specifieke toepassing 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-normen van toepassing : NBN ETS 300 220 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor beperkt bereik te gebruiken tussen 25 MHz en 1000 MHz met een vermogen tot maximaal 500 mW. NBN ETS 300 330 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor beperkt bereikt te gebruiken tussen 9 kHz en 25 MHz en inductieve systemen tussen 9 kHz en 30 MHz.

NBN ETS 300 440 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor beperkt bereik te gebruiken tussen 1 GHz en 25 GHz. 5. De voortdurende uitzending van het signaal is niet toegelaten in de banden 26,957-27,283 MHz, 40,660-40,700 MHz en 433,050-434,790 MHz.6. Het gebruik voor transmissie van video is niet toegelaten beneden 2,4 GHz.7. Het gebruik voor transmissie van spraak in de band 433,050-434,790 MHz is niet toegelaten.8. Het apparaat wordt samen met de antenne goedgekeurd.9. De antenne is geïntegreerd in het toestel.10. Voor de band 869,3-869,4 MHz bepaalt het BIPT het toegangsprotocol en de duty cycle.11. Voor de volgende frequenties is de bandbreedte beperkt tot 25 kHz : - 868,000-868,600 MHz - 868,700-869,200 MHz - 869,300-869,650 MHz - 869,700-870,000 MHz Voor deze laatste band wordt ook 50 kHz toegelaten.12. Voor de volgende banden zijn breedbandige toepassing voor data-overdracht mogelijk (zenders met variabele frequenties) : - 868,000-868,600 MHz - 868,700-869,200 MHz 13.De volgende frequentiebanden zijn toegelaten voor een technologie gebaseerd op spread spectrum met een maximale bandbreedte van 100 kHz : - 868,000-868,600 MHz - 868,700-869,200 MHz 14. De band 869,400-869,650 MHz mag ook gebruikt worden als 1 kanaal voor de gegevensoverdracht op hoge snelheid.15. Voor de volgende frequentiebanden is de duty cycle beperkt en kleiner dan of gelijk aan de aangegeven waarde : - 868,000-868,600 MHz : 1 % - 868,700-869,200 MHz : 0,1 % - 869,400-869,650 MHz : 10 % - 869,700-870,000 MHz : 100 % 16.Het BIPT kan beslissen om de band 864,1-866,1 MHz toe te staan op collectieve basis met een maximaal effectief uitgestraald vermogen van 500 mW. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B2 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor breedband datatransmissie die werken in de 2,4 GigaHertz-ISM-band (« RLAN » of « Radio Local Area Network ») 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden 2400-2483,5 MHz. Het BIPT bepaalt tevens de bandbreedte. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 328 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor breedband datatransmissie die werken in de 2,4 GigaHertz-ISM-band. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - ongewenste uitstraling 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling 4. Vermogen. Het totale effectief uitgestraald isotroop vermogen mag niet hoger zijn dan -10 dBW 4.1 Direct sequence spread spectrum.

De maximale dichtheid van de flux van het effectief isotroop uitgestraald vermogen is -20 dBW/MHz. 4.2 Frequency hopping spread spectrum.

De maximale dichtheid van de flux van het effectief isotroop uitgestraald vermogen is -10 dBW/100 kHz. 5. Antenne. Het apparaat wordt samen met de antenne goedgekeurd. 6. Het toestel mag enkel binnen een gebouw gebruikt worden, behalve in de band 2460-2483,5 MHz. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B3 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor lokale netwerken met hoge prestaties. (« HIPERLAN », « HIgh PERformance Loal Area Network ») 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden 5150-5250 MHz.Het BIPT bepaalt tevens de bandbreedte. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 836 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor lokale netwerken met hoge prestaties.(« HIPERLAN », « HIgh PERformance Local Area Network »). 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - toegang tot de kanalen; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling; - gevoeligheid; - nabuurkanaal selectiviteit. 4. Vermogen. Het vermogen is beperkt tot 1 W e.i.u.v. 5. Antenne. Het toestel wordt samen met de antenne goedgekeurd. 6. Het toestel mag enkel binnen een gebouw gebruikt worden. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B4 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor telematicatoepassingen voor wegtransport. (RTTT : Road Transport and Traffic Telematics) 1. Het BIPT wijst de draaggolffrequentie toe uit de in punt 2 opgenomen lijst van collectieve frequenties.2. Het maximaal toegestane vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3.De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-normen zijn van toepassing : NBN ETS 300 674 :Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor telematicatoepassingen voor wegtransport. (RTTT : Road Transport and Traffic Telematics).

NBN EN 301 091 : technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen bedoeld voor radars in de band 76-77 GHz. 4. Antenne. Het toestel wordt samen met de antenne goedgekeurd.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B5 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen voor de afstandsbediening van kleine modellen 1. Frequentiebanden. 1.1 De volgende collectieve frequenties worden voorbehouden met een kanaalafstand van 10 kHz : - 26,995/27,045/27,095/27,145/27,195 MHz. - in de band 40,570 tot 40,700MHz : 40,575 MHz + n x 10 kHz voor n = 0,1, 2, ..., 11, 12 - in de band 34,9 tot 35,34 MHz : 35,00 MHz + n x 10 kHz voor n = 0,1, 2, 3, 4, ..., 32, 33 1.2 Binnen een straal van 3 km rond modelvliegpleinen worden de volgende collectieve frequenties voorbehouden voor de modelvliegtuigen : - in de band 34,9 tot 35,34 MHz : 35,00 MHz + n x 10 kHz voor n = 0,1, 2, 3, 4, ..., 32, 33 1.3 Het BIPT kan collectieve frequenties met een kanaalafstand van 25 kHz toewijzen in de 72,000-72,500 MHz-band. 2. Het maximaal toegelaten effectief uitgestraald vermogen bedraagt 0,1 W.3. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm van toepassing : NBN ETS 300 220 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen te gebruiken tussen 25 MHz en 1000 MHz met een vermogen tot 500 mW. 4. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 4.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling. 4.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling. 5. Het toestel moet samen met de antenne goedgekeurd worden. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B6 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor inductieve toepassingen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Enkel lusantennes met spoelwerking zijn toegestaan.4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm van toepassing : NBN ETS 300 330 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor beperkt bereik te gebruiken tussen 9 kHz en 25 MHz en inductieve systemen tussen 9 kHz en 30 MHz. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - uitgangsniveaus van de draaggolf van de zender : - frequentiefout; - modulatiebandbreedte; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B7 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor de bescherming van handelswaren 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Enkel lusantennes met spoelwerking zijn toegestaan.4. NBN ETS 300 330 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik te gebruiken tussen 9 kHz en 25 MHz en inductieve systemen tussen 9 kHz en 30 MHz. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - uitgangsniveaus van de draaggolf van de zender; - frequentiefout; - modulatiebandbreedte; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B8 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik door middel van bewegingsdetectoren onder andere voor antidiefstal-toepassingen en alarmen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Het toestel moet goedgekeurd worden samen met de antenne.4. De technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 440 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik te gebruiken tussen 1 GHz en 25 GHz. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - toestane gamma van werkfrequenties; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B9 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor telemetrie en afstandsbediening in frequentiebanden die niet geharmoniseerd zijn op Europees vlak 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het maximaal uitgestraald vermogen mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Het BIPT bepaalt de kanaalstand.4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm van toepassing : NBN 300 220 :Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik te gebruiken tussen 25 MHz en 1000 MHz met een vermogen tot maximaal 50 mW. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - reactie van de zender op modulatie frequenties; - vermogen van het nabuurkanaal; - bereik van de modulatiebandbreedte voor breedtbandapparatuur; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling. 6. Voor medische telemetrie zijn volgende frequenties gereserveerd : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen. R. DAEMS

Bijlage B10 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de stellen voor radioverbindingen met het beperkt bereik voor draadloze microfoons 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de volgende frequentiebanden : - 26,5-47 MHz - 181,4-184,2 MHz - 202,4-205,2 MHz - 470-862 MHz - 1785-1800 MHz Wat betreft de frequentieband 470-862 MHz zijn enkel de volgende TV-kanalen toegelaten : - 24 (494-502 MHz) : VTM/RTL-TVI - 27 (518-526 MHz) : professionele gebruikers - 29 (534-542 MHz) : profesionele gebruikers - 31 (550-558 MHz) : RTBF - 32 (558-566 MHz) : BRF/Canal + - 33 (566-574 MHz) : RTBF - 35 (582-590 MHz) : RTL-TVI/VTM - 51 (710-718 MHz) : VRT - 54 (734-742 MHz) : VRT - 69 (854-862 MHz) : profesionele gebruikers 2.In de band 26,5-47 MHz mag het toegestane maximaal effectief uitgestraald vermogen de waarde van 1 mW niet overschrijden.

In de andere banden mag het toegestane maximaal effectief uitgestraald vermogen de waarde van 20 mW niet overschrijden. 3. Het BIPT bepaalt de volgende technische parameters : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - bandbreedte; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling. 4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm van toepassing : NBN ETS 300 422 : technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor draadloze microfoons te gebruiken tussen 25 MHz en 3000 MHz.5. De collectieve frequenties in de band 202,4-205,2 MHz mogen niet gebruikt worden in de gemeente Bouillon, noch in een straal van 50 km rond die gemeente.Bij het toestel dient een bijsluiter geleverd te worden waarop deze voorwaarde vermeld staat.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B11 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor alarmen en sociale alarmen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden.Tevens is de maximale « duty cycle » aangegeven.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Het toestel moet goedgekeurd worden samen met de antenne.4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm van toepassing : NBN ETS 300 220 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen te gebruiken tussen 25 MHz en 1000 MHz met een vermogen tot 500 mW. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentifout; - reactie van de zender op de modulatiefrequenties; - vermogen van het nabuurkanaal; - bereikt van de modulatiebandbreedte voor breedbandapparatuur; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling. 6. De maximale bandbreedte is 25 kHz.7. De frequentieband 869,200-869,250 MHz is voorbehouden voor sociale alarmen. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage B12 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende de toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor draadloze audio-verbindingen 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde collectieve frequenties toe in de frequentiebanden opgenomen in punt 2.2. Het toegestane maximaal uitgestraald vermogen is afhankelijk van de frequentieband en mag de hieronder aangegeven waarde niet overschrijden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3. Het toestel moet goedgekeurd worden samen met de antenne.4. Verder zijn de technische specificaties en testvoorwaarden opgenomen in één van de volgende NBN-norm van toepassing : NBN ETS 300 220 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor beperkt bereik te gebruiken tussen 25 MHz en 1000 MHz met een vermogen tot maximaal 500 mW. NBN ETS 300 422 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen met beperkt bereik voor draadloze microfoons te gebruiken tussen 25MHz en 3000 MHz. 5. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 5.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentifout; - reactie van de zender op de modulatiefrequenties; - vermogen van het nabuurkanaal; - bereikt van de modulatiebandbreedte voor breedbandapparatuur; - ongewenste uitstraling. 5.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - ongewenste uitstraling. 6. De maximale bandbreedte is 300 kHz.7. In afwezigheid van een signaal mag er niet uitgezonden worden. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage C1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de maritieme mobiele dienst in de V.H.F.-band 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de 156-174 MHz-band.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 162 : Technische specificaties en testvoorwaarden door toestellen voor radioverbindingen voor de maritieme mobiele dienst in de 156-174 MHz-band met een vermogen tot 25 Watt. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - draaggolfvermogen; - vermogen nabuurkanaal; - frequentiezwaai; - ongewenste uitstraling - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage D1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende radiotelefonen B27 (Amplitude modulatie) 1. De frequentieband 26,960-27,410 MHz (10 kHz kanaalafstand) behalve de frequenties 26,995 MHz, 27,045 MHz, 27,095 MHz, 27,145 MHz en 27,195 MHz zijn op een collectieve basis toegewezen aan de B27 radiotelefonen.2. Het toegelaten vermogen aan de antenneconnector mag niet overschrijden : 1 W voor DSB (draaggolfvermogen) 4 W voor SSB (piek enveloppe vermogen) 3.De technische specificaties en de meetmethodes van toepassing op amplitudegemoduleerde B27 radiotelefonen zijn deze beschreven in de norm NBN ETS 300 433. 4. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 4.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 4.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - maximale bruikbare gevoeligheid; - nabuurkanaal-selectiviteit; - intermodulatie-onderdrukking; - ongewenste uitstraling; - kruismodulatie-onderdrukking. 5. Winstantennes zijn niet toegelaten.6. De transmissie van gegevens is niet toegelaten.7. De uitzending is enkel mogelijk tijdens de activatie van een drukcontact. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage D2 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties betreffende radiotelefonen B27 1. De frequentieband 26,960-27,410 MHz (10 kHz kanaalafstand) behalve de frequenties 26,995 MHz, 27,045 MHz, 27,095 MHz, 27,145 MHz en 27,195 MHz zijn op een collectieve basis toegewezen aan de B27 radiotelefonen.2. Het toegelaten draaggolfvermogen vermogen aan de antenneconnector mag 4 Watt niet overschrijden.3. De technische specificaties en de meetmethodes van toepassing op hoekgemoduleerde B27 radiotelefonen zijn deze beschreven in de norm NBN ETS 300 135. 4. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 4.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - frequentiezwaai; - ongewenste amplitude modulatie; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 4.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - maximale bruikbare gevoeligheid; - nabuurkanaal-selectiviteit; - intermodulatie-onderdrukking; - ongewenste uitstraling. 5. Winstantennes zijn niet toegelaten.6. De transmissie van gegevens is niet toegelaten.7. De uitzending is enkel mogelijk tijdens de activatie van een drukcontact. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage D3 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen te gebruiken voor de landmobiele dienst, die gebruikt worden voor professionele communicatie op korte afstand (Short Range Business Radio (SRBR) genoemd) 1. De band 446,0-446,1 MHz wordt toegewezen aan SRBR.Het BIPT wijst binnen deze band de frequenties toe. 2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 296 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen te gebruiken voor de landmobiele dienst, gebruik makend van geïntegreerde antennes, hoofdzakelijk bedoeld voor analogue spraak. 3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - effectief uitgestraald vermogen; - frequentiezwaai; - vermogen van het nabuurkanaal; - ongewenste uitstraling; - overgangsgedrag van de frequentie van de zender. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gemiddeld bruikbare gevoeligheid (veldsterkte, spraak); - amplitudekarakteristiek; - storingsonderdrukking in hetzelfde kanaal; - nabuurkanaal-selectiviteit; - kruismodulatie-onderdrukking; - intermodulatie-onderdrukking; - sperren of desensibilisering. 4. Het maximaal effectief uitgestraald vermogen bedraagt 500 mW.5. Enkel draagbare toestellen zijn toegelaten.6. De kanaalafstand bedraagt 12,5 kHz.7. De volgende kanalen zijn toegelaten : 446,00625 MHz 446,01875 MHz 446,03125 MHz 446,04375 MHz 446,05625 MHz 446,06875 MHz 446,08125 MHz 446,09375 MHz Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen. R. DAEMS

Bijlage E1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de vaste dienst voor de transmissie van digitale signalen en analoge videosignalen in de band 21,2-23,6 GHz 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentieband 21,2-23,6 GHz.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 198 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de vaste dienst voor de transmissie van digitale signalen en analoge videosignalen met een vermogen tot 1 Watt in de 21,2-23,6 GHz-band. 3. Grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van digitale systemen : - transmissievermogen - parameters voor de basisband - karakteristieken van de zender : - bereik van het vermogen van de zender - tolerantie op het uitgangsvermogen van de zender - masker van het RF-spectrum - ongewenste uitstraling - tolerantie op de RF-frequentie - karakteristieken van de ontvanger - prestatievermogen van het systeem : - prestaties inzake bitfoutenfrequentie - storingsgevoeligheid - storing binnen hetzelfde kanaal - storing door het buurkanaal - ongewenste storing van de doorlopende golf. 3.2 Grenzen van de parameters voor analoge breedbandsystemen : - zend-/ontvangvermogen - parameters van de basisband - karakteristieken van de zender : - bereik van het TX-vermogen - bereik van het TX-uitgangsvermogen - masker van het spectrum : - ongewenste uitstraling - tolerantie op de RF-frequentie - karakteristieken van de ontvanger - ongewenste uitstraling - zend-/ontvangvermogen - ontvangdrempel - storing binnen hetzelfde kanaal - storing door het buurkanaal - ongewenste storing van de doorlopende.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage E2 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de vaste dienst voor de transmissie van digitale signalen en analoge videosignalen in de band 37,0-39,5 GHz 1. Naar gelang van de beschikbaarheid wijst het BIPT bepaalde frequenties toe in de frequentieband 37,0-39,5 GHz.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 197 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de vaste dienst voor de transmissie van digitale signalen en analoge videosignalen met een vermogen tot 1 Watt in de 37,0-39,5 GHz-band. 3. Grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : 3.1 Grenzen voor de parameters van digitale systemen : - transmissievermogen - parameters voor de basisband - karakteristieken van de zender : - bereik van het vermogen van de zender - tolerantie op het uitgangsvermogen van de zender - masker van het RF-spectrum - ongewenste uitstraling - tolerantie op de RF-frequentie - karakteristieken van de ontvanger - prestatievermogen van het systeem : - prestaties inzake bitfoutenfrequentie - storingsgevoeligheid - storing binnen hetzelfde kanaal - storing door het buurkanaal - ongewenste storing van de doorlopende golf. 3.2 Grenzen van de parameters voor analoge breedbandsystemen : - zend-/ontvangvermogen - parameters van de basisband - karakteristieken van de zender : - bereik van het TX-vermogen - bereik van het TX-uitgangsvermogen - masker van het spectrum : - ongewenste uitstraling - tolerantie op de RF-frequentie - karakteristieken van de ontvanger - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage F1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor frequentiegemoduleerde zenders voor de geluidsomroep in de VHF-band 1. De frequentieband 87,5-108 MHz is toegelaten.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBN ETS 300 384 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor frequentiegemoduleerde zenders voor de geluidsomroep in de band 87,5-108 MHz;3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : Grenzen voor de parameters van de zender : - frequentiefout; - frequentiezwaai; - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage G1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, bedoeld voor draadloze telefoons (CT2) 1. De draadloze telefoons mogen de collectieve frequenties gebruiken in de 864,1-868,1 MHz-band.2. De technische specificaties en de testvoorwaarden opgenomen in de volgende NBN-norm zijn van toepassing : NBNI ETS 300 131 : Technische specificaties en testvoorwaarden voor toestellen voor radioverbindingen voor de landmobiele dienst, bedoeld voor draadloze telefoons (CT2) met een vermogen tot 10 mWatt.3. De grenzen van de technische parameters zoals die bepaald zijn in de bovenstaande NBN-norm zijn van toepassing voor : Grenzen voor de parameters van de zender : - draaggolfvermogen; - vermogen van het nabuurkanaal; - vermogen buiten de band; - intermodulatieverzwakking; - ongewenste uitstraling. 3.2 Grenzen voor de parameters van de ontvanger : - gevoeligheid; - sperren of desensibilisering; - kruismodulatie; - ongewenste uitstraling.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

Bijlage H1 bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen Radio-elektrische toestellen met zeer laag vermogen, bruikbaar voor interfonie, afstandsbediening en andere soortgelijke toepassingen, via de elektrische laagspanningsinstallaties 1. Technische specificaties. 1.1 De draaggolffrequentie moet begrepen zijn tussen 30 kHz en 148,5 kHz. 1.2 De enige toegelaten modulatietypes zijn frequentie- of fasemodulatie (F1, F2, F3, F9) en de maximale frequentiezwaai bedraagt 4 kHz. 1.3 Het maximaal toegelaten vermogen bedraagt 5 mW, bij nominale voedingsspanning. Dit vermogen wordt bepaald door meting van de hoogfrequentspanning over de voedingaansluitklemmen , die ook de hoogfrequent in- en uitgang van het toestel zijn, door middel van een asymmetrisch kunstnet. 2. Ongewenste frequenties. 2.1 Stoorspanningen.

Deze spanning is gedefinieerd als de asymmetrische spanning tussen elk van de ingangs- en/of uitgangsklemmen, en de referentiemassapotentiaal.

De volgende grenswaarden van de stoorspanning veroorzaakt in het frequentiegebied begrepen tussen 130 kHz en 30 MHz gelden : a) Voor stoorspanningen met een breed frequentiespectrum : - van 130 kHz tot 500 kHz : 66 dB|gmV - van 500 kHz tot 30 MHz : 60 dB|gmV b) Voor stoorspanningen op elke discrete frequentiecomponent : - van 130 kHz tot 500 kHz : 54 dB|gmV - van 500 kHz tot 30 MHz : 48 dB|gmV 2.2 Stoorstraling.

Deze straling is gedefinieerd als elke elektromagnetische straling voortkomend van het geteste apparaat en zijn aansluitsnoeren, uitgezonderd op de draaggolffrequentie en in het gebruikte kanaal. 2.2.1 Frequentieband 10 kHz tot 30 MHz.

In deze frequentieband wordt enkel de waarde van de magnetische veldsterkte beschouwd.

Deze magnetische veldsterkte wordt gemeten met behulp van een ferriet-of raamantenne, die een discriminatie van minstens 20 dB ten opzichte van de elektrische veldsterkte geeft.

De meetantenne zal niet groter zijn dan een vierkant met 60 cm zijde.

De waarde van de magnetische stoorveldsterke, gemente op 30 m afstand zal lager dan 0,133 |gmA/m. 2.2.2 Frequentieband 30 MHz tot 300 MHz.

Voor frequentie boven 30 MHz, worden de storingen gemeten in de meest ongunstige configuratie van het toestel en zijn verbindingskabels. a) Meting van het stoorveld. Het stoorvermogen wordt bepaald d.m.v. een substitutiemethode door meting van de elektrische veldsterkte op een afstand van 10 m.

De waarde van het stoorvermogen zal kleiner zijn dan 1 nW (30 dB|grW) op discrete frequenties en 4 nW (36 dB|grW) voor breedbandstoringen. b) Meting van het stoorvermogen op de aansluitleidingen. De meting wordt verricht met behulp van een absorptiemeettang.

De waarde van het stoorvermogen zal kleiner zijn dan 10 nW (40 dB|grW) op discrete freauenties en 30 nW (45 dB|grW) voor breedbandstoringen.

Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

R. DAEMS

^