Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 22 juni 2000
gepubliceerd op 06 september 2000

Ministerieel besluit waarbij de ambtenaren aangewezen worden die belast worden met het uit de handel nemen of het verbod of de beperking van het in de handel brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, persoonlijke beschermingsmiddelen, machines, liften en drukapparaten en de ambtenaren die de desbetreffende interministeriële commissies voorzitten en waarin het huishoudelijk reglement van deze commissies wordt bepaald

bron
ministerie van economische zaken
numac
2000011301
pub.
06/09/2000
prom.
22/06/2000
ELI
eli/besluit/2000/06/22/2000011301/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

22 JUNI 2000. - Ministerieel besluit waarbij de ambtenaren aangewezen worden die belast worden met het uit de handel nemen of het verbod of de beperking van het in de handel brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, persoonlijke beschermingsmiddelen, machines, liften en drukapparaten en de ambtenaren die de desbetreffende interministeriële commissies voorzitten en waarin het huishoudelijk reglement van deze commissies wordt bepaald


De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Gelet op de wet van 11 juli 1961 betreffende de waarborgen welke de machines, de onderdelen van machines, het materieel, de werktuigen, de toestellen, de recipiënten en de beschermingsmiddelen inzake veiligheid en gezondheid moeten bieden, inzonderheid op de artikelen 1, § 1, en 4, gewijzigd bij de wet van 7 juli 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 juni 1990 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake drukvaten van eenvoudige vorm, inzonderheid op artikel 14, §§ 2 en 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 mei 1995;

Gelet op het koninklijk besluit van 31 december 1992 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, inzonderheid op artikel 16, §§ 2 en 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 mei 1995;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 mei 1995 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende machines, inzonderheid op artikel 29, §§ 2 en 3;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende liften, inzonderheid op artikel 35, §§ 2 en 3;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 juni 1999 tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende drukapparaten, inzonderheid op artikel 24, §§ 2 en 3;

Gelet op het ministerieel besluit van 15 mei 1996 waarbij de ambtenaren aangewezen worden die belast worden met het uit de handel nemen of het verbod of de beperking van het in de handel brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, persoonlijke beschermingsmiddelen en machines, en de ambtenaren die de desbetreffende interministeriële commissies voorzitten, Besluit :

Artikel 1.De directeur-generaal bij het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken, is de aangewezen ambtenaar : 1. zoals bedoeld in artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juni 1990 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake drukvaten van eenvoudige vorm, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 mei 1995;2. zoals bedoeld in artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 5 mei 1995;3. zoals bedoeld in artikel 29, § 2, van het koninklijk besluit van 5 mei 1995 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende machines;4. zoals bedoeld in artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lidstaten betreffende liften;5. zoals bedoeld in artikel 24, § 2 van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende drukapparaten.

Art. 2.De adviseur-generaal bij het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid, afdeling Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken, wordt benoemd als voorzitter van : 1. de interministeriële commissie, ingesteld door het artikel 14, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 11 juni 1990;2. de interministeriële commissie, ingesteld door het artikel 16, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 31 december 1992;3. de interministeriële commissie, ingesteld door het artikel 29, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 5 mei 1995;4. de subcommissie « liften » binnen de Interministeriële Economische Commissie, ingesteld door het artikel 35, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 10 augustus 1998;5. de interministeriële commissie, ingesteld door het artikel 24, § 3 van het voornoemd koninklijk besluit van 13 juni 1999.

Art. 3.De commissies passen het huishoudelijk reglement toe, in de bijlage van dit besluit gevoegd.

Art. 4.Het ministerieel besluit van 15 mei 1996 waarbij de ambtenaren aangewezen worden die belast worden met het uit de handel nemen of het verbod of de beperking van het in de handel brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, persoonlijke beschermingsmiddelen en machines, en de ambtenaren die de desbetreffende interministeriële commissies voorzitten, wordt opgeheven.

Brussel, 22 juni 2000.

Mevr. M. AELVOET

Bijlage Huishoudelijk reglement

Artikel 1.De commissie vergadert zo dikwijls als nodig is voor het goede verloop van haar opdrachten.

Art. 2.De voorzitter stelt de datum, het uur en de plaats van de vergadering vast.

Art. 3.Tenzij bij hoogdringendheid, wordt door het secretariaat ten minste acht werkdagen vóór de dag van de vergadering de uitnodiging samen met de dagorde en de bijhorende documenten verstuurd.

Leden die wensen dat een onderwerp op de dagorde geplaatst wordt, richten schriftelijk een gedocumenteerd verzoek naar de voorzitter.

Art. 4.Alle aanwezige leden van de commissie tekenen de aanwezigheidslijsten bij de aanvang van de vergadering.

De commissie kan maar geldig vergaderen wanneer ten minste twee departementen en ten minste drie administraties vertegenwoordigd zijn.

Ingeval de commissie in de onmogelijkheid verkeert geldig te vergaderen, wordt een proces-verbaal van onvermogen opgesteld; de dagorde wordt binnen de veertien dagen hernomen op een nieuwe vergadering. In dit geval beslist de commissie geldig ongeacht het aantal vertegenwoordigde departementen of administraties.

Art. 5.Een advies wordt bij voorkeur uitgebracht bij unanimiteit. Bij gelijkheid van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. In elk geval worden aan de Minister alle verschillende adviezen voorgelegd.

Art. 6.Het vergaderingsverslag van de commissie wordt naar de leden verstuurd binnen de vier weken na datum van de betrokken vergadering.

Indien geen schriftelijke opmerkingen binnen de vier weken na het versturen van het verslag worden geformuleerd, wordt het verslag als goedgekeurd beschouwd.

Het verslag waarvoor opmerkingen werden gemaakt wordt na bespreking ter goedkeuring voorgelegd bij het begin van de volgende vergadering.

Art. 7.De leden van de commissie gebruiken de taal van hun keuze.

De verslagen en de andere documenten die door het secretariaat worden voorbereid worden in beide landstalen opgesteld. Documenten die niet door het secretariaat werden voorbereid, worden verstrekt in hun oorspronkelijke taal.

Art. 8.Een lid dat niet aan een vergadering kan deelnemen, verwittigt de voorzitter en voorziet zelf in zijn vervanging.

Art. 9.De Voorzitter kan zich laten vervangen door een door hem aangewezen ambtenaar van zijn dienst.

Art. 10.De leden van de commissie kunnen de voorzitter voorstellen experten van de betrokken administraties uit te nodigen teneinde bijkomende inlichtingen te geven.

Art. 11.De commissie kan, wanneer zij het in de uitoefening van haar opdracht noodzakelijk vindt, een ad hoc werkgroep oprichten en belasten met een onderzoek naar bepaalde specifieke problemen.

Art. 12.Het secretariaat van de commissie wordt verzekerd door het secretariaat van de Interministeriële Economische Commissie (IEC).

Art. 13.De voorzitter waakt over de goede werking van de commissie.

Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 22 juni 2000 waarbij de ambtenaren aangewezen worden die belast worden met het uit de handel nemen of het verbod of de beperking van het in de handel brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, persoonlijke beschermingsmiddelen, machines, liften en drukapparaten en de ambtenaren die de desbetreffende interministeriële commissies voorzitten en waarin het huishoudelijk reglement van deze commissies wordt bepaald.

Brussel, 22 juni 2000.

De Minister van Consumentenzaken, Mevr. M. AELVOET

^