Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 26 november 1997
gepubliceerd op 27 januari 1998

Ministerieel besluit betreffende de invoering van de boekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel voor kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen, initiatieven voor buitenschoolse opvang en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1998035028
pub.
27/01/1998
prom.
26/11/1997
ELI
eli/besluit/1997/11/26/1998035028/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

26 NOVEMBER 1997. Ministerieel besluit betreffende de invoering van de boekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel voor kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen, initiatieven voor buitenschoolse opvang en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning


De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn Gelet op het decreet van 29 mei 1984 houdende de oprichting van de instelling Kind en Gezin gewijzigd bij de decreten van 3 mei 1989, 23 februari 1994 en 11 juni 1997;

Gelet op het advies van de Raad van Beheer van Kind en Gezin, gegeven op 14 juli 1997;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot delegatie van de beslissingsbevoegdheid aan de leden van de Vlaamse regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 20 januari 1993 en 7 oktober 1993;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 april 1995 houdende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, inzonderheid artikel 47;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, inzonderheid artikel 30;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 houdende erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden van initiatieven voor buitenschoolse opvang, inzonderheid artikel 17;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen, initiatieven voor buitenschoolse opvang en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, die erkend en gesubsidieerd zijn in het kader van artikel 5 van het Decreet van 29 mei 1984 houdende oprichting van de instelling Kind en Gezin.

De onderworpen instellingen worden in dit besluit verder aangeduid als opvangvoorzieningen. HOOFDSTUK II. - Boekhouding en jaarrekening

Art. 2.De boekhouding van de opvangvoorziening omvat al haar verrichtingen, bezittingen, tegoeden, schulden en verplichtingen van welke aard ook.

Art. 3.Het boekjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december.

Art. 4.Elke boekhouding wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden.

Het rekeningenstelsel van de voorziening voldoet aan de minimumindeling van het rekeningenstelsel, zoals weergegeven in bijlage A bij dit besluit.

Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitst dagboek of in een hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken. Ze worden methodisch ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben.

Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in het ongesplitste hulpdagboek of in de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt ten minste eens in de maand een samenvattende boeking verricht in een centraal boek.

De in het vorige lid bedoelde recapitulatie omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke hulpdagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningenstelsel van de voorziening voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de hulpdagboeken, wanneer de voorziening een boekhouding voert waarbij de aantekening tegelijk in de hulpdagboeken en op de betrokken rekeningen geschiedt.

Art. 5.Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.

De verantwoordingsstukken worden methodisch opgeborgen en tien jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.

Art. 6.Elke opvangvoorziening verricht, omzichtig en te goeder trouw, de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen om de inventaris op te maken van al haar bezittingen, tegoeden, schulden en verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op haar activiteit, en van de eigen middelen daaraan besteed. Deze inventaris wordt opgemaakt overeenkomstig het rekeningenstelsel van de opvangvoorziening.

Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris,worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.

Art. 7.§ 1. De boeken worden per blad genummerd; ze vormen elk in hun soort een doorlopende reeks; ze dragen de vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam van de voorziening. § 2. De boeken worden op zodanige wijze gehouden dat de materiële continuïteit ervan, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen zijn verzekerd.

Art. 8.§ 1. De boeken worden naar tijdsorde bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven. § 2. De opvangvoorzieningen moeten hun boeken bewaren gedurende tien jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt. HOOFDSTUK III. - Vorm en inhoud van de jaarrekening Afdeling I. - Algemene principes

Art. 9.De bij artikel 6 van dit besluit bedoelde jaarrekening omvat de balans, de resultatenrekening en de toelichting. Deze documenten vormen één geheel.

De posten van de jaarrekening worden in Belgische franken uitgedrukt.

Art. 10.De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de voorziening.

Zij moet duidelijk worden opgesteld en stelselmatig weergeven : enerzijds, de aard en het bedrag, op de dag waarop het boekjaar wordt afgesloten, van de bezittingen en rechten van de voorziening, van haar schulden en verplichtingen evenals van haar eigen middelen, en anderzijds, voor het op die dag afgesloten boekjaar, de aard en het bedrag van haar kosten en haar opbrengsten.

Art. 11.De jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Wanneer de toepassing van de bepalingen van dit besluit niet volstaat om te voldoen aan het bepaalde in artikel 10, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt in de toelichting.

Art. 12.Het rekeningenstelsel van de voorziening moet zodanig worden opgevat of aangepast dat de balans en de resultatenrekening zonder toevoeging of weglating voortvloeien uit de balans van de desbetreffende rekeningen, opgemaakt na het in overeenstemming brengen bedoeld in artikel 6, tweede lid.

De beginbalans van een boekjaar moet, onverminderd de toepassing van artikel 17, derde lid, overeenstemmen met de eindbalans van het voorafgaande boekjaar.

Art. 13.Compensatie tussen tegoeden en schulden, tussen rechten en verplichtingen en tussen kosten en opbrengsten is verboden. Afdeling II. - Structuur van de jaarrekening

Art. 14.§ 1. De balans en de resultatenrekening worden opgesteld overeenkomstig de schema's opgenomen in de bijlagen bij dit besluit.

Daarenboven wordt een toelichting toegevoegd die alle noodzakelijke gegevens en staten bevat. § 2. De inhoud van de posten in de jaarrekening wordt, waar nodig nader bepaald in de bijlagen bij dit besluit.

Voor de toepassing van dit besluit zijn rubrieken : de posten van de balans en van de resultatenrekening aangeduid met een Romeins cijfer of een hoofdletter, en onderrubrieken de posten aangeduid met een Arabisch cijfer.

Art. 15.Kunnen actief- of passiefbestanddelen tot meer dan één rubriek of onderrubriek van de balans behoren, of opbrengsten dan wel kosten tot meer dan één rubriek of onderrubriek van de resultatenrekening, dan worden ze ingeschreven onder die post welke ten opzichte van de bepalingen van artikel 10 het meest is aangewezen.

Art. 16.De opvangvoorzieningen mogen de rubrieken en onderrubrieken die verplicht moeten worden vermeld, verder indelen, onverminderd de bepalingen in artikel 46 van dit besluit. Afdeling III. - Bijzondere bepaling met betrekking tot de jaarrekening

Art. 17.De balans wordt opgesteld na toewijzing van het saldo van de resultatenrekening.

Bij elke rubriek en onderrubriek van de balans en van de resultatenrekening wordt het bedrag van de overeenkomstige post van het voorafgaande boekjaar vermeld.

Wanneer de bedragen van het boekjaar niet vergelijkbaar zijn met die van het voorafgaande boekjaar, mogen de bedragen van het voorafgaande boekjaar worden aangepast met het oog op hun vergelijkbaarheid; in dat geval worden deze aanpassingen, behalve indien zij onbelangrijk zijn, in de toelichting vermeld en onder verwijzing naar de betrokken rubrieken, toegelicht.

Worden de bedragen van het voorafgaande boekjaar niet aangepast, dan moet de toelichting de nodige gegevens bevatten om een vergelijking mogelijk te maken.

Art. 18.Onder « afschrijvingen » verstaat men de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is, teneinde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de (eventueel geherwaardeerde) aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop zij worden aangegaan.

Onder « waardeverminderingen » verstaat men correcties, andere dan die vermeld in het vorig lid, op de aanschaffingswaarde van de actiefbestanddelen, om rekening te houden met al dan niet als definitief aan te merken ontwaardingen bij het afsluiten van het boekjaar.

De gecumuleerde afschrijvingen en waardeverminderingen worden afgetrokken van de actiefposten waarop ze betrekking hebben.

Art. 19.De voorzieningen voor risico's en kosten beogen naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten te dekken die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat.

Voorzieningen mogen niet worden gebruikt voor waardecorrecties op activa.

Art. 20.In de toelichting worden per soort vermeld de rechten en verplichtingen die niet in de balans voorkomen en die het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de voorziening aanmerkelijk kunnen beïnvloeden.

Belangrijke rechten en plichten, die niet kunnen worden becijferd, worden op passende wijze vermeld in de toelichting. HOOFDSTUK IV. - Waarderingsregels Afdeling I. - Algemene principes

Art. 21.Elke opvangvoorziening bepaalt de regels die, met nakoming van de bepalingen van dit hoofdstuk, gelden voor de waardering van de inventaris bedoeld in artikel 6, eerste lid en, onder meer, voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten evenals voor herwaarderingen.

Deze regels worden bepaald door het beheersorgaan van de voorziening en vastgelegd in een inventarisboek overkomstig artikel 6. Ze worden samengevat in de toelichting; overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 10 moet deze samenvatting voldoende nauwkeurig zijn zodat inzicht wordt verkregen in de toegepaste waarderingsmethode.

Onverminderd de toepassing van artikel 41 wordt bij de vaststelling en toepassing van de waarderingsregels ervan uitgegaan dat de voorziening haar activiteit zal voortzetten.

Art. 22.Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een in dit hoofdstuk bedoelde waarderingsregel niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 10, moet daarvan worden afgeweken ten einde te voldoen aan de in artikel 10 bedoelde verplichtingen.

Dergelijke afwijking wordt in de toelichting vermeld en verantwoord.

De geraamde invloed ervan op het vermogen en de financiële positie van de instelling wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening over het boekjaar waarin de afwijkende waarderingsregel voor het eerst wordt toegepast.

Art. 23.De waarderingsregels bedoeld in artikel 21, eerste lid, moeten van het ene boekjaar op het andere identiek blijven en stelselmatig worden toegepast.

Ze worden evenwel gewijzigd wanneer, onder meer uit hoofde van belangrijke veranderingen in de activiteiten van de voorziening, in de structuur van haar vermogen of in de economische dan wel technologische omstandigheden de vroeger gevolgde waarderingsregels niet langer aan het voorschrift van artikel 10 beantwoorden.

Het tweede en derde lid van artikel 22 zijn van toepassing op deze wijzigingen.

Art. 24.Elk bestanddeel van het vermogen wordt afzonderlijk gewaardeerd.

De afschrijvingen, waardeverminderingen en herwaarderingen zijn specifiek voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben. Voor actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken mogen echter globale afschrijvingen, waardeverminderingen of herwaarderingen geacteerd worden.

De voorzieningen voor risico's en kosten worden geïndividualiseerd naar gelang van de risico's en kosten met dezelfde aard die ze moeten dekken. Onder de risico's en kosten met dezelfde aard moeten de soorten van risico's en kosten worden verstaan die bij wijze van voorbeeld in artikel 25, vijfde lid, zijn vermeld.

Art. 25.§ 1. De waarderingen, de afschrijvingen, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

De afschrijvingen, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten moeten stelselmatig worden gevormd volgens de door de voorziening overeenkomstig artikel 21 vastgelegde methoden. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar.

Er moet rekening worden gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico's, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het beheersorgaan van de voorziening wordt opgesteld. In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria de waardering van de voorzienbare risico's de mogelijke verliezen en de ontwaarding onvermijdelijk onzeker is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting, wanneer de betrokken bedragen rekening houdend met de doelstelling van artikel 10 belangrijk is.

Er moet rekening worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of geïnd, behalve indien de effectieve inning van deze opbrengsten onzeker is.

Ten laste van het boekjaar moeten inzonderheid worden geboekt : de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend boekjaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het boekjaar of tijdens vorige boekjaren zijn verricht.

Wanneer de opbrengsten of de kosten in belangrijke mate worden beïnvloed door de opbrengsten of kosten die aan een ander boekjaar moeten worden toegerekend, wordt daarvan melding gemaakt in de toelichting.

Voorzieningen moeten, onder meer, gevormd worden met het oog op : 1° de verplichtingen die op de voorziening rusten inzake rust- en overlevingspensioenen, brugpensioenen en andere gelijkaardige pensioenen of renten;2° de verlies- of kostenrisico's die voortvloeien uit persoonlijke of zakelijke zekerheden, verstrekt tot waarborg van schulden of verbintenissen van derden, uit verbintenissen tot aan- of verkoop van vaste activa, uit de uitvoering van gedane bestellingen, uit hangende geschillen;3° de belastingen die op het resultaat van het boekjaar zullen drukken, voor zover die niet zijn gedekt door ten laste van de resultatenrekening betaalde belastingen en voorheffingen of door aanrekenbare voorheffingen;4° de kosten van grote herstellings-, onderhouds- en herconditioneringswerken. De waardeverminderingen die in toepassing van artikel 34, § 3 en van artikel 37 werden toegepast, evenals de voorzieningen voor risico's en kosten, mogen niet worden gehandhaafd in die mate waarin ze op het einde van het boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens een actuele beoordeling, conform de normen waarvan sprake in het eerste lid, van de minderwaarden, risico's en kosten waarvoor ze werden gevormd. § 2. In afwijking van het bepaalde onder artikel 18 mogen voor grote onderhoudswerken die werden uitgevoerd voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit de afschrijvingen worden ingeschreven volgens dezelfde regels als onder artikel 18 bepaald. Afdeling II. - Aanschaffingswaarde

Art. 26.Onverminderd de toepassing van de artikelen 22, 32, 33 en 40 wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan : hetzij de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 27 § 1, hetzij de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 27 § 2, hetzij de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 29.

Art. 27.§ 1. De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet-terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten. § 2. De vervaardigingsprijs omvat naast de aanschaffingskosten der grondstoffen, verbruiksgoederen en hulpstoffen, de personeelskosten en alle andere productiekosten die rechtstreeks aan het actiefbestanddeel toerekenbaar zijn evenals het evenredig deel van de productiekosten die slechts onrechtstreeks aan het actiefbestanddeel toerekenbaar zijn, voor zover deze kosten op de normale productieperiode betrekking hebben. Het staat de voorziening echter vrij deze onrechtstreekse kosten niet geheel of gedeeltelijk in de vervaardigingsprijs van het actiefbestanddeel op te nemen; in geval van deze mogelijkheid gebruik gemaakt wordt, wordt zulks in de toelichting vermeld.

Art. 28.In de aanschaffingswaarde van immateriële en materiële vaste activa mag de rente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor hun financiering worden opgenomen, doch slechts voor zover zij betrekking heeft op de periode welke de bedrijfsklaarheid van deze vaste activa voorafgaat.

Art. 29.De inbrengwaarde stemt overeen met de bedongen waarde van inbreng.

In geval van bestemming voor of inbreng in een voorziening moet onder inbrengwaarde worden verstaan de waarde van de goederen bij de inbreng of de bestemming. De inbrengwaarde mag niet hoger zijn dan de prijs die op het ogenblik van de inbreng of de bestemming voor de aankoop van de betrokken goederen op de markt zou moeten worden betaald.

De belastingen en kosten met betrekking tot de inbreng zijn niet begrepen in de inbrengwaarde; indien zij niet volledig ten laste worden gebracht van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan de inbreng is geschied worden ze opgenomen in de rubriek « Oprichtingskosten ». Afdeling III. - Bijzondere regels

Art. 30.§ 1. De kosten van oprichting worden slechts op het actief geboekt voor zover ze niet ten laste worden genomen gedurende het boekjaar waarin ze werden besteed. § 2. Als aanloopkosten kunnen op het actief worden geboekt, voor zover ze niet ten laste worden genomen gedurende het boekjaar waarin ze werden gemaakt, de kosten die voortvloeien uit de laattijdige ingebruikname van materiële vaste activa. Hieronder worden o.a. verstaan de verwarmingskosten en normale onderhoudskosten gemaakt vóór de datum van ingebruikname.

Kosten die worden gemaakt in het kader van een herstructurering worden alleen dan onder de activa opgenomen, wanneer het gaat om welbepaalde kosten die verband houden met een ingrijpende wijziging in de structuur of de organisatie van de voorziening en die kosten ertoe strekken een gunstige en duurzame invloed te hebben op de werking van de opvangvoorziening. In de toelichting moet worden verantwoord dat aan deze voorwaarden is voldaan.

De herstructureringskosten die het karakter hebben van werkingskosten of van uitzonderlijke kosten worden geactiveerd door ze op zichtbare wijze in mindering te brengen van het totaal bedrag respectievelijk van de werkingskosten en van de uitzonderlijke kosten.

Art. 31.§ 1. De gebruiksrechten betreffende materiële vaste activa waarover de opvangvoorziening beschikt op grond van leasing of gelijkaardige overeenkomsten worden onverminderd de toepassing van de bepalingen van de artikelen 18 en 34, § 2 onder de activa opgenomen voor het gedeelte van de volgens de overeenkomst te storten termijnen, dat strekt tot de wedersamenstelling van de kapitaalwaarde van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft.

De overeenkomstige verplichtingen aan de passiefzijde worden ieder jaar gewaardeerd ten belope van het gedeelte der in de volgende boekjaren te storten termijnen, dat strekt tot de wedersamenstelling van de kapitaalwaarde van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft. § 2. Wat de goederen betreft die worden verkregen tegen betaling van een lijfrente : 1° wordt onder aanschaffingswaarde verstaan het kapitaal dat op het ogenblik van de aanschaffing nodig is om de rente te betalen, in voorkomend geval met het bedrag dat bij de aanschaffing werd betaald en met de kosten;2° wordt een voorziening gevormd ten belope van het bedrag van het hiervoorgenoemde kapitaal;deze voorziening wordt jaarlijks aangepast.

Art. 32.De verbruiksgoederen worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de marktwaarde op balansdatum als die lager is.

Art. 33.§ 1. Vorderingen worden in de balans opgenomen voor hun normale waarde, onverminderd de toepassing van de § 2 en 3 van dit artikel en van artikel 37. § 2. Bij de boeking van een vordering in de balans voor haar nominale waarde worden in voorkomend geval in de overlopende rekeningen van het passief geboekt en pro rata temporis in resultaat genomen : 1° de rente die op basis van de overeenkomst tussen partijen in de nominale waarde van de vordering begrepen is;2° het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de nominale waarde van de vordering. Bij vorderingen die in termijnen worden geïnd en waarvan de rente of het lastenpercentage gedurende de gehele contractduur wordt toegepast op het oorspronkelijke bedrag van de financiering of van de lening, worden de respectieve bedragen van de gelopen rente en het lastenpercentage die in resultaat moeten worden genomen en van de niet gelopen rente en het lastenpercentage die moeten worden overgedragen naar een volgend boekjaar bepaald door toepassing van de reële rente op het bij het begin van elke periode uitstaande saldo, deze reële rente wordt berekend met inachtneming van de spreiding en de periodiciteit van de betalingen.

Een andere methode mag slechts worden toegepast op voorwaarde dat zij, per boekjaar, een gelijkwaardig resultaat oplevert.

Het bedrag van de rente of het lastenpercentage mag niet worden gecompenseerd met de kosten en provisies in verband met deze verrichtingen. § 3. Vastrentende effecten worden in de balans opgenomen voor hun aanschaffingswaarde of nominale waarde. § 4. De § 1 en 2, eerste lid, 1° alsmede het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de schulden.

Art. 34.§ 1. Voor de geactiveerde oprichtingskosten worden passende afschrijvingen geboekt, per jaarlijkse tranches van ten minste twintig percent van de werkelijk uitgegeven bedragen. § 2. Voor immateriële en materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt overgegaan tot lineaire afschrijvingen zoals vastgesteld in een afschrijvingsplan overeenkomstig artikel 21 en met inachtneming van volgende afschrijvingspercentages : - 3 % per jaar voor gebouwen; - 5 % per jaar voor onroerende goederen bij bestemming; - 10 % per jaar voor meubilair en voor niet-medisch materieel; - 20 % per jaar voor rollend materieel bestemd voor vervoer, voor medisch materieel, voor computeruitrusting en voor grote onderhouds- en herstellingswerken.

De afschrijvingen voor de vaste activa in leasing worden gespreid over dezelfde duur als deze die toegepast wordt voor een overeenkomstig materieel vast activum in eigendom. De afschrijvingen voor de aanpassing van gehuurde gebouwen worden verspreid over de tijdsduur van het huurcontract.

Voor de immateriële en materiële vaste activa wordt overgegaan tot aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen wanneer, ingevolge hun technische ontwaarding of wegens de wijziging van economische of technologische omstandigheden, hun boekhoudkundige waarde hoger is dan hun gebruikswaarde voor de voorziening.

De afschrijvingen op immateriële en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur mogen slechts worden teruggenomen, wanneer blijkt dat de daarvoren toegepaste afschrijvingen wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad. § 3. Voor immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur niet is beperkt, wordt slechts tot waardeverminderingen overgegaan in geval van duurzame minderwaarde of ontwaarding.

Art. 35.De bijkomende kosten met betrekking tot geldbeleggingen mogen ten laste worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan ze werden aangegaan.

Art. 36.Voor de buiten gebruik gestelde of niet meer duurzaam tot de activiteit van de voorziening bijdragende immateriële en materiële vaste activa wordt in voorkomend geval tot een uitzonderlijke afschrijving overgegaan om rekening te houden met de waarschijnlijke realisatiewaarde ervan.

Art. 37.Op de activa behorende tot de post VIII van de balans worden waardeverminderingen toegepast wanneer de realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan de aanschaffingswaarde.

Op de vorderingen opgenomen onder de posten V en VII worden waardeverminderingen toegepast, zo er voor het geheel of een gedeelte van de vordering onzekerheid bestaat over de betaling hiervan op de vervaldag. Op deze vorderingen mogen eveneens waardeverminderingen worden toegepast wanneer hun realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan hun boekwaarde vastgesteld overeenkomstig artikel 33.

Art. 38.In afwijking van de artikelen 24, 26 en 32 mag het klein materieel, dat bestendig wordt hernieuwd en waarvan de aanschaffingswaarde te verwaarlozen is in verhouding tot het balanstotaal, op het actief worden opgenomen voor een vast bedrag indien de hoeveelheid, de waarde en de samenstelling ervan niet aanmerkelijk veranderen van het ene boekjaar tot het andere. In dit geval wordt de prijs voor de hernieuwing van deze bestanddelen opgenomen onder de werkingskosten.

Art. 39.De aanschaffingswaarde van activa met identieke technische of juridische kenmerken wordt bepaald hetzij door individualisering van de prijs van elk bestanddeel, hetzij volgens de methode van gewogen gemiddelde prijzen, volgens de methode « FIFO » (first in - first out), of volgens de methode « LIFO » (last in - first out).

Art. 40.De opvangvoorzieningen mogen gebouwen en terreinen herwaarderen, wanneer de waarde van deze activa, bepaald in functie van hun nut voor de opvangvoorziening op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Wanneer de betrokken activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de activiteiten van de opvangvoorziening of van een onderdeel daarvan, mogen zij slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de marktwaarde van de betrokken activa.

De geherwaardeerde waarde die voor gebouwen en terreinen in aanmerking wordt genomen wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst wordt toegepast.

De geboekte meerwaarden op gebouwen en terreinen worden rechtstreeks toegerekend aan passiefrubriek III « Herwaarderingsmeerwaarden » en daar behouden zolang de goederen waarop zij betrekking hebben, niet werden gerealiseerd. Deze meerwaarden mogen nochtans bij latere minderwaarde worden afgeboekt tot het beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde.

Art. 41.Indien de voorziening besluit haar activiteit stop te zetten of indien, in tegenstelling met het bepaalde in artikel 21, derde lid, er niet meer kan van worden uitgegaan dat de opvangvoorziening haar activiteit zal voortzetten, worden de waarderingsregels dienovereenkomstig aangepast en geldt in het bijzonder het volgende : 1° de oprichtingskosten moeten volledig worden afgeschreven;2° voor de vaste en vlottende activa moet zo nodig tot aanvullende afschrijvingen of waardeverminderingen worden overgegaan om de boekwaarde terug te brengen tot de vermoedelijke realisatiewaarde;3° een voorziening moet worden gevormd voor de kosten die verbonden zijn aan de beëindiging van de werkzaamheden, inzonderheid voor de aan het personeel uit te keren vergoedingen. Ingeval een onderdeel van de opvangvoorziening wordt gesloten, zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op de activa, de passiva en de verplichtingen die betrekking hebben op dat onderdeel. HOOFDSTUK V. - Aanvangbalans

Art. 42.Iedere opvangvoorziening moet een aanvangbalans opstellen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit; ze wordt opgemaakt volgens het schema zoals bepaald voor de balans in de bijlage bij dit besluit. HOOFDSTUK VI. - Controle

Art. 43.Kind en Gezin organiseert het toezicht en de controle op deze boekhouding. Ze kan onder meer inlichtingen en gegevens met betrekking tot de boekhouding opvragen of ter plaatse inzien.

Art. 44.De opvangvoorziening legt, binnen de zes maanden na de betekening van de erkenningsbeslissing haar aanvangbalans voor aan Kind en Gezin.

De opvangvoorzieningen die reeds erkend zijn voor het in werking treden van dit besluit, moeten de aanvangbalans uiterlijk 6 maanden na het in werking treden van het besluit voorleggen. De aanvangbalans geeft de toestand van de opvangvoorziening bij het begin van het desbetreffende boekjaar; het betreft een toestand op 1 januari na toewijzing van het resultaat van het vorig boekjaar.

Art. 45.De opvangvoorziening legt, binnen de vier maanden na de afsluiting van het boekjaar, haar jaarrekening voor aan Kind en Gezin.

Deze jaarrekening wordt voor de eerste maal neergelegd met betrekking tot het boekjaar waarin het besluit in werking treedt. HOOFDSTUK VII. - Slot en opheffingsbepalingen

Art. 46.§ 1. Kind en Gezin bepaalt, zo nodig, de verdere opsplitsing van de rekeningen uit het rekeningenstelsel in bijlage bij dit besluit. Ze bepaalt tevens de te gebruiken codes en stelt de toepassingsrichtlijnen vast in een handleiding. § 2. In uitvoering van dit besluit kan Kind en Gezin een vereenvoudigde toepassing door samenvoeging en synthese van posten en/of hoofdstukken van de bijlage A en B toelaten in voorzieningen waar de aard van de opvangvoorziening of/en de capaciteit daartoe aanleiding geven.

Art. 47.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999.

Brussel, 26 november 1997.

L. MARTENS Bijlage A Indeling van het rekeningenstelsel KLASSE 1. - EIGEN VERMOGEN, VOORZIENINGEN VOOR RISICO'S EN KOSTEN EN SCHULDEN OP MEER DAN EEN JAAR 10Kapitaal 100 Kapitaal 101 Inbreng in kapitaal 12 Herwaarderingsmeerwaarden 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 122 Herwaarderingsmeenvaarden op financiële vaste activa 13 Reserves 133 Beschikbare reserve 139 Overige reservefondsen 14 Overgedragen resultaat 15 Investeringssubsidies en schenkingen met specifiek doel 150 Investeringssubsidies 155 Schenkingen met specifiek doel 16 Voorzieningen voor risico's en kosten 160 Voorzieningen voor pensioenen en soortgelijke rechten 161 Voorzieningen voor belastingen 162 Voorzieningen voor grote herstellings- en onderhoudswerken 163-169 Voorzieningen voor overige risico's en kosten 17 Schulden op meer dan één jaar 170 Achtergestelde leningen op meer dan één jaar 171 Obligatieleningen op meer dan één jaar 172 Leasingschulden en soortgelijke op meer dan één jaar 173 Kredietinstellingen op meer dan één jaar 174 Overige leningen op meer dan één jaar 175 Werkingsschulden op meer dan één jaar 177 Schulden aan nevendiensten en andere organismen op meer dan één jaar 178 Borgtochten ontvangen in contanten op meer dan één jaar 179 Overige schulden op meer dan één jaar KLASSE 2. - OPRICHTINGSKOSTEN, VASTE ACTIVA EN VORDERINGEN OP MEER DAN EEN JAAR 20 Oprichtingskosten 200 Kosten van oprichting, kapitaalsverhoging en schenkingen 201 Kosten bij uitgifte van leningen en disagio 202 Overige oprichtingskosten 203 Aanloopkosten 204 Herstructureringskosten 21 Immateriële vaste activa 210 Kosten van onderzoek en ontwikkeling 212 Goodwill 22 Terreinen en gebouwen 220 Terreinen en bossen 221 Gebouwen 222 Bebouwde terreinen 23 Installaties, machines, uitrusting 230 Installaties, machines en uitrusting voor medische en andere verzorging 231 Andere installaties, machines en uitrusting 24 Meubilair en rollend materieel 240 Meubilair 241 Rollend materieel 25 Vaste activa in leasing of op grond van een soortgelijk recht 250 Terreinen en gebouwen 251 Installaties, machines, uitrusting 252 Meubilair en rollend materieel 26 Overige materiële vaste activa 27 Vaste activa in aanbouw en vooruitbetalingen 270 Vaste activa in aanbouw 271 Vooruitbetalingen 28 Financiële vaste activa 280 Deelnemingen in andere instellingen 281 Vorderingen op instellingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat 285 Aankopen van overheidsobligaties 288 Borgtochten betaald in contanten 29 Vorderingen op meer dan één jaar 290 Werkingsvorderingen 291 Overige vorderingen 292 Vorderingen wegens subsidies gegeven onder de vorm van leningen KLASSE 3. - VOORRADEN (FACULTATIEF) 30 Grondstoffen, hulpstoffen, goederen in bewerking en benodigdheden 33 Gereed product 34 Door te verkopen goederen 35 Onroerende goederen bestemd voor de verkoop KLASSE 4. - VORDERINGEN EN SCHULDEN OP TEN HOOGSTE EEN JAAR 40 Werkingsvorderingen 400 Werkingsdebiteuren 401 Te innen wissels 404 Te innen opbrengsten 405 Te ontvangen kredietnota's 406 Vooruitbetalingen 41 Overige vorderingen 410 Vorderingen wegens subsidies gegeven onder de vorm van leningen 411 Terug te vorderen BIW 412 Terug te vorderen belastingen en voorheffingen 413 Nog te ontvangen werkingssubsidies 414 Te innen opbrengsten 415 Vorderingen op nevendiensten en andere organismen 416 Diverse vorderingen 417 Vooruitbetaalde bezoldigingen 419 Interne rekening-courant 42 Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 420 Achtergestelde leningen op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 421 Obligatieleningen op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 22 Leasingschulden en soortgelijke op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 423 Kredietinstellingen op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 424 Overige leningen 425 Werkingsschulden 427 Schulden aan nevendiensten en andere organismen 428 Borgtochten ontvangen in contanten 429 Overige schulden 43 Financiële schulden 430 Leningen op rekening met vaste termijn 433 Schulden in rekening-courant 437 Nog niet verschuldigde intresten 438 Vervallen kapitaalsaflossingen en intrestdelgingen 439 Overige leningen 44 Crediteuren 440 Schuldeisers wegens werkingsschulden 441 Te betalen wissels 444 Nog te ontvangen facturen 445 Nog op te stellen kredietnota's 449 Andere werkingsschulden 45 Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten 451 Te betalen BTW 452 Te betalen belastingen en taksen 453 Ingehouden voorheffingen 454 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid 455 Te betalen bezoldigingen 456 Voorziening vakantiegeld 457 Voorziening eindejaarspremie 459 Andere sociale schulden 46 Ontvangen vooruitbetalingen 460 Voorschotten werkingssubsidies 461 Voorschotten ouderbijdragen 469 Andere 48 Diverse schulden 488 Borgtochten ontvangen in contanten 489 Interne rekening-courant 49 Overlopende rekeningen 490 Over te dragen kosten 491 Verkregen opbrengsten 492 Toe te rekenen kosten 493 Over te dragen opbrengsten 499 Wachtrekeningen KLASSE 5. - GELDBELEGGINGEN EN LIQUIDE MIDDELEN 51 Aandelen 510 Aanschafflngswaarde 511 Niet opgevraagde bedragen 519 Geboekte waardeverminderingen 52 Vastrentende effecten 520 Aanschaffingswaarde 529 Geboekte waardeverminderingen 53 Termijndeposito's 530 Nominale waarde 539 Geboekte waardeverminderingen 54 Te incasseren vervallen waarden 55 Kredietinstellingen 56 Postcheque- en girodienst 57 Kas 58 Interne overboekingen KLASSE 6. - KOSTEN 60 Goederen en producten 600 Aankopen voeding 601 Aankopen medisch, paramedisch en verzorgingsmateriaal 602 Aankopen voor diverse diensten 603 Aankopen van producten en klein materieel voor onderhoud 604 Leveringen energie, brandstof, water 605 Aankopen van bureelbenodigdheden en materiaal voor informatieverwerking 606 Aankopen van textiel en wasproducten 607 Aankopen voor toilet en opschik 608 Specifieke uitgaven eigen aan de instelling verder te specifieren naar kosten soort 609 Voorraadwijzigingen 61 Diensten en diverse leveringen 610 Huur, huurlasten en lasten van erfpacht 611 Externediensten 612 Algemene kosten 613 Onderhoud en herstellingen 614 Verzekeringen 615 Administratie 616 Vergoedingen en erelonen 617 Externe verzorging 618 Pedagogische en socio-culturele activiteiten, ontspanning 619 Andere diensten en leveringen en interne facturering 62 Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen 620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen 621 Werkgeversbijdragen voor sociale verzekeringen 622 Werkgeversbijdragen voor bovenwettelijke verzekeringen 623 Andere personeelskosten 624 Ouderdoms- en overlevingspensioenen 628 Vakantiegeld 629 Eindejaarstoelage 63 Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten 630 Afschrijvingen en waardeverminderingen op vaste activa 631 Waardeverminderingen op voorraden 633 Waardeverminderingen op vorderingen op meer dan één jaar 634 Waardeverminderingen op vorderingen op minder dan één jaar 635 Voorzieningen voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 636 Voorzieningen voor grote onderhouds- en herstellingswerken 637 Voorzieningen voor andere risico's en kosten 64 Andere werkingskosten 641 Werkingsbelastingen 642 Minderwaarden op de courante realisatie van vaste activa 649 Als herstructureringskosten geactiveerde werkingskosten (-) 65 Financiële kosten 650 Kosten van schulden 651 Waardeverminderingen op vlottende activa 652 Minderwaarden op de realisatie van vlottende activa 653 Discontokosten op vorderingen 654 Wisselresultaten 656 Diverse financiële kosten 66 Uitzonderlijke kosten 660 Uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen (toevoeging) 661 Waardeverminderingen op financiële vaste activa (toevoeging) 662 Voorzieningen voor uitzonderlijke risico's 663 Minderwaarden op de realisatie van vaste activa 664 Andere uitzonderlijke kosten 67 Belastingen op het resultaat 69 Resultaatsverwerking 690 Overgedragen verlies van het vorige boekjaar 692 Toevoeging aan de reserves 693 Over te dragen winst KLASSE 7. - OPBRENGSTEN 70 Werkingsopbrengsten 700 Opbrengsten prestaties 701 Opbrengsten supplementen 702 Opbrengsten bijdragen van de sociale zekerheid 703 Opbrengsten diverse diensten 704 Opbrengsten aangerekende medische kosten 705 Opbrengsten aangerekende andere kosten 706 Opbrengsten uit verhuring en verpachting 707 Recuperatie van sociale bijstand 708 Ouderbijdragen 709 Andere werkingsopbrengsten 71 Wijzigingen van de voorraden gereed produkt 72 Geproduceerde vaste activa 74 Andere werkingsopbrengsten 740 Recuperaties van kosten, schadevergoedingen, verzekeringen en ristorno's op premies 741 Meerwaarden op de courante realisatie van materiële vaste activa 742 Meerwaarden op de realisatie van werkingsvorderingen 743 Werkingssubsidies 744 Terugnames en doorstortingen (-) 747 Recuperaties van sociale lasten 748 Giften ten behoeve van de werking 749 Andere werkingsopbrengsten 75 Financiële opbrengsten 750 Opbrengsten uit financiële vaste activa 751 Opbrengsten uit vlottende activa 752 Meerwaarden op de realisatie van vlottende activa 753 Kapitaals- en intrestsubsidies 754 Wisselresultaten 755 Betalingskortingen 759 Andere financiële opbrengsten 76 Uitzonderlijke opbrengsten 760 Terugneming van afschrijvingen en waardeverminderingen 761 Terugneming van waardeverminderingen op financiële vaste activa 762 Terugneming van voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 763 Meerwaarden op de realisatie van vaste activa 764 Andere uitzonderlijke opbrengsten 77 Regularisatie van belastingen 79 Resultaatsverwerking 790 Overgedragen winst van het vorig boekjaar 792 Onttrekking aan de reserves 793 Over te dragen verlies 794 Bijdrage van derden in het verlies BIJLAGE B 1. BALANS NA RESULTAATSVERDELING ACTIVA Vaste activa I.Oprichtingskosten II. Immateriële vaste activa III. Materiële vaste activa A. Terreinen en gebouwen B. Installaties, machines en uitrusting C. Meubilair en rollend materieel D. Leasing en soortgelijke rechten E. Overige materiële vaste activa F. Vaste activa in aanbouw en vooruitbetalingen IV. Financiële vaste activa Vlottende activa V. Vorderingen op meer dan één jaar VI. Voorraden VII. Vorderingen op ten hoogste één jaar A. Werkingsvorderingen B. Overige vorderingen VIII. Geldbeleggingen IX. Liquide middelen X. Overlopende rekeningen TOTAAL DER ACTIVA PASSIVA Eigen middelen I. Kapitaal III. Herwaarderingsmeerwaarden IV. Reserves V. Overgedragen resultaat VI. Investeringssubsidies/schenkingen Voorzieningen voor risico 's en kosten VII. Voorzieningen voor risico's en kosten A. Pensioenen en soortgelijke verplichtingen B. Voorzieningen voor belastingen C. Grote herstellings- en onderhoudswerken D. Overige risico's en kosten Schulden VIII. Schulden op meer dan één jaar A. Financiële schulden B. Werkingsschulden C. Schulden aan nevendiensten, andere organismen D. Borgtochten ontvangen in contanten E. Overige schulden IX. Schulden op ten hoogste één jaar A. Schulden op meer dan één jaar, die binnen het jaar vervallen B. Financiële schulden C. Werkingsschulden D. Ontvangen vooruitbetalingen E. Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten F. Overige schulden X. Overlopende rekeningen TOTAAL DER PASSIVA 2. RESULTATENREKENING I.Werkingsopbrengsten en geproduceerde vaste activa A. Werkingsopbrengsten B. Geproduceerde vaste activa C. Andere werkingsopbrengsten

^