Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 28 oktober 2009
gepubliceerd op 09 november 2009

Ministerieel besluit tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2009031534
pub.
09/11/2009
prom.
28/10/2009
ELI
eli/besluit/2009/10/28/2009031534/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

28 OKTOBER 2009. - Ministerieel besluit tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen


De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor het Landbouwbeleid, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, artikel 2, § 1, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998, 5 februari 1999 en 1 maart 2007;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 3 mei 2005 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen, artikel 29, § 1, 2°;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van bietenzaad van landbouwrassen, artikel 27, § 1, 2°;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen, artikel 29, § 1, 2°;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, artikel 26, § 1, 2°;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, artikel 25, § 1, 2°;

Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen, artikel 5, § 5;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende Richtlijn 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen, en overwegende dat die richtlijn een verplichting inhoudt om er zich binnen de voorgeschreven termijn naar te schikken, Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 31 augustus 2009;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 25 augustus 2009, Besluit : HOOFDSTUK I. - Onderwerp en definities

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° instandhouding in situ : de instandhouding van genetisch materiaal in zijn natuurlijke omgeving en, in het geval van gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar ze hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;2° genetische erosie : verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;3° landras : een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;4° instandhoudingsrassen : landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden, die door genetische erosie worden bedreigd;5° zaaizaad : zaaizaad en pootaardappelen, tenzij pootaardappelen uitdrukkelijk worden uitgesloten;6° gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen : de lijst, opgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op basis van de rassenlijsten van landbouwgewassen van de lidstaten;7° de rassenlijst van landbouwgewassen : de rassenlijst van landbouwgewassen, vermeld in artikel 1, 8°, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen;8° de minister : de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevoegd voor het Landbouwbeleid;9° bevoegde entiteit : de directie bevoegd voor het Landbouwbeleid binnen het bestuur Economie en werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 3.§ 1. Met betrekking tot de soorten als vermeld in : 1° artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2005 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen;2° artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van bietenzaad van landbouwrassen;3° artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen;4° artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen;5° artikel 1 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen; worden in dit besluit bepaalde afwijkingen betreffende de instandhouding in situ en het duurzame gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen door teelt en in de handel brengen vastgesteld : a) voor toelating voor opname in de rassenlijst van landbouwgewassen, als bedoeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen, van landrassen en rassen die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd;b) voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van deze landrassen en rassen. § 2. Tenzij het in dit besluit anders wordt bepaald, zijn de besluiten, vermeld in paragraaf 1 en het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen van toepassing. § 3. Dit besluit doet geen afbreuk aan de federale fytosanitaire bevoegdheden, vermeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. § 4. De minister erkent organisaties die vertrouwd zijn met plantaardige genetische hulpbronnen. Onderwijsinstellingen, onderzoeksinstellingen of organisaties die onderzoek doen naar instandhoudingsrassen, komen in aanmerking voor erkenning. HOOFDSTUK II. - Toelating van instandhoudingsrassen tot de rassenlijst van landbouwgewassen

Art. 4.De in artikel 3, § 1, onder a) bedoelde landrassen en rassen worden in de rassenlijst van landbouwgewassen toegelaten met inachtneming van de voorschriften van artikelen 5 en 6.

Ze worden in de rassenlijst van landbouwgewassen aangeduid als instandhoudingsrassen.

Art. 5.§ 1. Om als instandhoudingsras te worden toegelaten, moet het landras of ras, vermeld in artikel 3, § 1, onder a), van belang zijn voor de instandhouding van plantaardige genetische hulpbronnen. § 2. Voor instandhoudingsrassen gelden voor de onderscheidbaarheid en de bestendigheid ten minste de kenmerken die worden vermeld in : - de technische vragenlijsten die horen bij de in bijlage I bij het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 21 juin 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, opgenomen testprotocollen van het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CBP) die op die soorten van toepassing zijn, of - de technische vragenlijsten van de in bijlage II bij het hetzelfde besluit opgenomen richtsnoeren van de Internationale Unie tot Bescherming van Kweekproducten (UPOV) die op die soorten van toepassing zijn.

Voor de beoordeling van de homogeniteit is het besluit, vermeld in het eerste lid van toepassing.

Indien het homogeniteitsniveau echter wordt vastgesteld op basis van afwijkende typen, worden een populatienorm van 10 % en een toelatingskans van ten minste 90 % toegepast.

Art. 6.In afwijking van artikel 9, § 1, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen is geen officieel onderzoek vereist als de volgende informatie toereikend is om een besluit te nemen over de toelating van de instandhoudingsrassen : 1° de beschrijving en de benaming van het instandhoudingsras;2° de resultaten van onofficiële tests;3° kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens de teelt, vermeerdering en gebruik, zoals door de aanvrager aan de bevoegde entiteit meegedeeld;4° andere informatie, met name van de organisaties die vertrouwd zijn met plantaardige genetische hulpbronnen en die erkend zijn overeenkomstig artikel 3, § 4.

Art. 7.Een instandhoudingsras wordt niet toegelaten voor opname in de rassenlijst als : 1° het al in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen is opgenomen als een ander ras dan instandhoudingsras, of het van de gemeenschappelijke lijst is afgevoerd binnen de laatste twee jaar of binnen twee jaar na afloop van uitlooptermijn van de gemeenschappelijke rassenlijst;2° het wordt beschermd door een communautair kwekersrecht als vermeld in Verordening (EG) nr.2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, of door een nationaal kwekersrecht, of als een aanvraag voor een dergelijk recht in behandeling is.

Art. 8.Met betrekking tot benamingen van instandhoudingsrassen die vóór 25 mei 2000 bekend waren, kan de bevoegde entiteit afwijkingen van Verordening (EG) nr. 930/2000 van de Commissie van 4 mei 2000 tot vaststelling van nadere bepalingen betreffende de geschiktheid van rasbenamingen voor landbouw- en groentegewassen toestaan, behalve als die afwijkingen inbreuk zouden maken op oudere rechten van een derde die krachtens artikel 2 van die verordening beschermd zijn.

Niettegenstaande artikel 12, § 2, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen kan meer dan één naam voor een ras toegelaten worden als de desbetreffende namen vanouds bekend zijn.

Art. 9.§ 1. Bij de toelating van een instandhoudingsras wordt door de minister, rekening houdend met de informatie van door de minister overeenkomstig artikel 3, § 4, erkende organisaties, het gebied of de gebieden bepaald waarin het ras vanouds is geteeld en waaraan het zich op natuurlijke wijze heeft aangepast, hierna gebied van oorsprong te noemen.

Het gebied van oorsprong kan in meer dan één gewest of lidstaat liggen; In dat geval wordt het door alle betrokkenen in gezamenlijk overleg bepaald. § 2. De bevoegde entiteit deelt het aangewezen gebied aan de Europese Commissie mee.

Art. 10.Een instandhoudingsras wordt in zijn gebied van oorsprong systematisch in stand worden gehouden. HOOFDSTUK III. - Productie en in de handel brengen van zaaizaad van instandhoudingsrassen

Art. 11.§ 1. In afwijking van de certificeringsvoorschriften vermeld in de volgende bepalingen, kan zaaizaad en pootgoed van een instandhoudingsras in de handel gebracht worden als het voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4 van dit artikel : 1° artikel 3, § 1 en § 2 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 3 mei 2005 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen;2° artikel 3, § 1 van het besluit van Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van bietenzaad van landbouwrassen;3° artikel 3, § 1 en § 2 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen;4° artikel 3, § 1 en § 2 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen;5° artikel 3, § 1 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen. § 2. Het zaaizaad is afkomstig van zaaizaad dat volgens welomschreven praktijken voor de instandhouding van het ras is geproduceerd. § 3. Het zaaizaad, behalve zaaizaad van Oryza sativa, en het pootgoed moet respectievelijk voldoen aan de certificeringsvoorschriften voor gecertificeerd zaaizaad en gecertificeerd pootgoed, die zijn vermeld in de volgende besluiten, met uitzondering van de voorschriften betreffende de minimale raszuiverheid en de voorschriften betreffende het officiële onderzoek of het onderzoek onder officieel toezicht : 1° het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 3 mei 2005 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen;2° het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van bietenzaad van landbouwrassen;3° het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen;4° het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen;5° het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen. Zaaizaad van Oryza sativa moet voldoen aan de certificeringsvoorschriften voor gecertificeerd zaad van de tweede generatie, vermeld in het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen, met uitzondering van de voorschriften voor de minimale raszuiverheid en de voorschriften voor het officiële onderzoek of het onderzoek onder officieel toezicht.

Het zaaizaad moet voldoende raszuiver zijn. § 4. Voor pootaardappelen, is artikel 10 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 22 oktober 2009 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen betreffende de maatsortering niet van toepassing.

Art. 12.§ 1. Zaaizaad van een instandhoudingsras mag alleen in het gebied van oorsprong worden geproduceerd.

Als in dat gebied vanwege een specifiek milieuprobleem niet aan de certificeringsvoorwaarden van artikel 11, § 3, kan worden voldaan, kunnen aanvullende zaadteeltgebieden goedgekeurd worden, waarbij rekening gehouden wordt met de informatie van door de minister overeenkomstig artikel 3, § 4, erkende organisaties. Het in die aanvullende gebieden geproduceerde zaaizaad mag echter uitsluitend in de gebieden van oorsprong worden gebruikt. § 2. De bevoegde entiteit stelt de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de aanvullende gebieden die ze krachtens paragraaf 1 voor zaadteelt wil goedkeuren. De Europese Commissie en de andere lidstaten moeten akkoord gaan met die aanvullende zaadteeltgebieden.

Art. 13.§ 1. De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat tests worden uitgevoerd om na te gaan of het zaaizaad van instandhoudingsrassen voldoet aan de certificeringsvoorschriften van artikel 11, § 3. Die tests worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, als die niet bestaan, volgens geschikte methoden. § 2. De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat voor de tests, vermeld in paragraaf 1, monsters van homogene partijen worden genomen. Ze zorgt ervoor dat de voorschriften voor het gewicht van de partijen en het gewicht van de monsters, vermeld in de volgende bepalingen, worden toegepast : 1° artikel 25, § 2, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 3 mei 2005 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen;2° artikel 23, § 2, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van bietenzaad van landbouwrassen;3° artikel 25, § 2, van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende de reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen;4° artikel 22 van het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen.

Art. 14.§ 1. Zaaizaad van een instandhoudingsras mag alleen onder de volgende voorwaarden in de handel worden gebracht : 1° het is geproduceerd in zijn gebied van oorsprong of in een gebied als vermeld in artikel 12.2° het wordt in zijn gebied van oorsprong in de handel gebracht. § 2. In afwijking van paragraaf 1, 2°, mag de minister aanvullende gebieden goedkeuren voor het in de handel brengen van zaaizaad van een instandhoudingsras, mits die gebieden met het gebied van oorsprong vergelijkbaar zijn wat de natuurlijke en seminatuurlijke habitat van dat ras betreft.

Als aanvullende gebieden als vermeld in het eerste lid, goedgekeurd worden, zorgt de bevoegde entiteit ervoor dat de hoeveelheid zaaizaad die nodig is voor de productie van ten minste de hoeveelheid zaaizaad, vermeld in artikel 15, wordt gereserveerd voor de instandhouding van het ras in zijn gebied van oorsprong.

De bevoegde entiteit stelt de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de goedkeuring van aanvullende gebieden als vermeld in het eerste lid. § 3. Als overeenkomstig artikel 12 aanvullende gebieden voor de zaadteelt goedgekeurd worden, wordt niet gebruikgemaakt van de afwijking, vermeld in paragraaf 2.

Art. 15.§ 1. De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat voor elk instandhoudingsras de hoeveelheid in de handel gebracht zaaizaad niet meer bedraagt dan 0,5% van het zaaizaad van dezelfde soort dat op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in één groeiseizoen wordt gebruikt, of een hoeveelheid die nodig is om 100 ha, vermenigvuldigd met de regionale coëfficiënt, in te zaaien als die laatste hoeveelheid groter is. Voor de soorten Pisum sativum, Triticum spp., Hordeum vulgare, Zea mays, Solanum tuberosum, Brassica napus en Helianthus annuus bedraagt die hoeveelheid maximaal 0,3 %, of een hoeveelheid die nodig is om 100 ha, vermenigvuldigd met de regionale coëfficiënt, in te zaaien als die laatste hoeveelheid groter is. § 2. De totale hoeveelheid zaaizaad van instandhoudingsrassen die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de handel wordt gebracht, bedraagt echter maximaal 10 % van het zaaizaad van de desbetreffende soort dat jaarlijks wordt gebruikt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Als dat een hoeveelheid oplevert die kleiner is dan die welke nodig is om 100 ha, vermenigvuldigd met de regionale coëfficiënt, te bezaaien, mag de maximumhoeveelheid zaaizaad van de desbetreffende soort die jaarlijks op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt gebruikt, worden vergroot tot de hoeveelheid wordt bereikt die nodig is om 100 ha, vermenigvuldigd met de regionale coëfficiënt, te bezaaien. § 3. Voor een bepaalde plantensoort wordt de regionale coëfficiënt, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, bepaald door de verhouding van de gemiddelde geteelde oppervlakte van de soort op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot de gemiddelde geteelde oppervlakte in België. Onder gemiddelde oppervlakte wordt verstaan het gemiddelde van de laatste vijf jaar van de definitieve gegevens ter beschikking gesteld door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Van die berekeningswijze kan afgeweken worden door een gezamenlijk akkoord van de gewesten in de Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid.

Art. 16.De producent stelt vóór het begin van elk teeltseizoen de bevoegde entiteit in kennis van de grootte en de ligging van het gebied voor de zaadteelt.

Als de hoeveelheden, vermeld in artikel 14, op grond van de kennisgevingen, vermeld in paragraaf 1, waarschijnlijk zullen worden overschreden, wijst de bevoegde entiteit aan elke betrokken producent de hoeveelheid toe die hij in het desbetreffende teeltseizoen in de handel mag brengen.

Art. 17.De bevoegde entiteit zorgt er door officieel toezicht voor dat de zaadgewassen van een instandhoudingsras voldoen aan de bepalingen van dit besluit, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan het ras, de teeltplaatsen en de hoeveelheden.

Art. 18.Zaaizaad van instandhoudingsrassen mag alleen in gesloten zakken of containers met een sluitingssysteem in de handel wordt gebracht.

Zakken en containers die zaaizaad bevatten, worden door de leverancier op zodanige wijze gesloten dat ze niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of zonder dat het etiket van de leverancier of de zak of de container sporen van manipulatie vertoont.

Voor een goede sluiting als vermeld in het tweede lid moet ten minste het etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt of moet op de sluiting een zegel worden aangebracht.

Art. 19.De verpakkingen of containers die zaaizaad van instandhoudingsrassen bevatten, worden voorzien van een etiket van de leverancier of een gedrukte of gestempelde tekst met de volgende gegevens : 1° de woorden "EG-voorschriften en -normen";2° de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; 3° het jaar van sluiting, aangegeven als volgt : "gesloten in..." (jaar) of, behalve voor pootaardappelen, het jaar van de laatste monstername voor het testen van de kiemkracht, aangegeven als volgt : "monster genomen in..." (jaar); 4° de soort;5° de benaming van het instandhoudingsras;6° het woord "instandhoudingsras";7° het gebied van oorsprong;8° als het zaadteeltgebied niet het gebied van oorsprong is, de aanduiding van het zaadteeltgebied;9° het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten;10° het opgegeven netto- of brutogewicht of, behalve voor pootaardappelen, het opgegeven aantal zaden;11° als het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de aard van de chemische behandeling of het toevoegingsmiddel, alsook de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de kluwens zuivere zaden en het totale gewicht, behalve voor pootaardappelen.

Art. 20.De bevoegde entiteit zorgt ervoor dat het zaaizaad door steekproefsgewijze keuringen aan officiële nacontrole op rasechtheid en raszuiverheid wordt onderworpen.

Art. 21.De bevoegde entiteit is belast met de controle op de naleving van dit besluit. HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen en slotbepalingen

Art. 22.Over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaaizaad van elk instandhoudingsras brengt de bevoegde entiteit op verzoek aan de Europese Commissie en de andere lidstaten verslag uit.

De leveranciers die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opereren, brengen voor elk teeltseizoen verslag uit aan de bevoegde entiteit op hun verzoek, over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaaizaad van elk instandhoudingsras.

Art. 23.De bevoegde entiteit stelt de Europese Commissie in kennis van de erkende organisaties zoals vermeld in artikel 3, § 4.

Art. 24.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 30 juni 2009.

Brussel, 28 oktober 2009.

B. CEREXHE

^