Etaamb.openjustice.be
Omzendbrief
gepubliceerd op 12 juli 2002

Omzendbrief GPI . - Oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid. - Ernstige en langdurige ziekten. - Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en Commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2002000442
pub.
12/07/2002
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN


3 JULI 2002. - Omzendbrief GPI (23). - Oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid. - Ernstige en langdurige ziekten. - Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en Commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten


Aan Mevrouw en de Heren Provinciegouverneurs, Aan Mevrouw de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, Aan de Dames en Heren Burgemeesters, Aan de Dames en Heren Voorzitters van de Politiecolleges Aan de Dames en Heren Korpschefs van de lokale politie, Aan de Heer Commissaris-generaal van de federale politie, Ter informatie : Aan Mevrouw de Directeur-generaal van de Algemene Rijkspolitie, Aan de Voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie.

Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, Mevrouw, Mijnheer de Burgemeester, Mevrouw, Mijnheer de Voorzitter, Mevrouw, Mijnheer de Korpschef, Mijnheer de Commissaris-generaal, Deze omzendbrief beoogt de bevoegdheden en de werkingsregels van de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en de commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, de personen die deze commissies kunnen adiëren, evenals de te vervullen formaliteiten in geval van beslissing tot oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid, nader toe te lichten. 1. Reglementair kader Artikel IX.II.1 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (« RPPol »), voorziet, in de schoot van de medische dienst van de geïntegreerde politie, in een commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (C.G.P.P.), evenals in een commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (C.B.G.P.P.), hierna respectievelijk « de commissie » en « de commissie van beroep » genoemd.

Deze twee commissies vormen een gezagsonafhankelijk onderdeel van de medische dienst.

Ze hebben hun huishoudelijk reglement opgesteld waaraan ik mijn goedkeuring heb gehecht op 4 februari 2002.

Hun bevoegdheden, hun samenstelling, evenals de te volgen procedures worden geregeld door de artikelen IX.II.2 tot IX.II.16 RPPol. 2. Bevoegdheden ratione personae Voor de toepassing van deze omzendbrief verstaat men onder « personeelslid », de personeelsleden van het operationeel kader evenals de statutaire personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie. 3. Bevoegdheden ratione materiae 3.1. De commissie doet uitspraak over : 1° de tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen tijdelijk op pensioen worden gesteld;2° de definitieve lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen definitief op pensioen worden gesteld; 3° het al of niet verkrijgen, gedurende de periode van disponibiliteit, van een wachtgeld gelijk aan het volledig loon, met toepassing van artikel VIII.XI.5 RPPol; 4° de zware handicap en de graad van verlies van zelfredzaamheid van de personeelsleden, met het oog op het verkrijgen van een supplement bij de pensioenuitkering. De commisie geeft bovendien haar advies of doet voorstellen over elke beginselkwestie die de minister haar voorlegt. 3.2. De commissie van beroep neemt in tweede aanleg kennis van de beslissingen, gewezen door de commissie. 4. Samenstelling 4.1. De commissie bestaat uit de volgende drie leden : 1° een voorzitter, lid van het officierskader, bekleed met ten minste de graad van hoofdcommissaris van politie en aangewezen door de minister;2° twee artsen. 4.2. De commissie van beroep bestaat uit de volgende vijf leden : 1° een voorzitter, lid van het officierskader, bekleed met ten minste de graad van hoofdcommissaris van politie en aangewezen door de minister;2° een vice-voorzitter, personeelslid van het niveau A van het administratief en logistiek kader en aangewezen door de minister;3° drie artsen die sedert ten minste tien jaar gediplomeerd zijn. Alle voormelde commissieleden werden ondertussen aangewezen. 5. Disponibiliteit wegens ziekte Er weze aangestipt dat : - geen enkel personeelslid definitief ongeschikt kan verklaard worden wegens ziekte of invaliditeit alvorens het zijn contingent aan ziekteverlofdagen heeft uitgeput, overeenkomstig artikel VIII.X.8, eerste lid, RPPol; - voor de berekening van het contingent aan ziekteverlofdagen worden de ziektedagen, toegekend ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk, een beroepsziekte of een ziekte die rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van het beroep, met inbegrip van de sportongevallen zonder « externe oorzaak », bevestigd door een aangenomen geneesheer, slechts in aanmerking genomen vanaf de datum van consolidatie, overeenkomstig artikel VIII.X.8, tweede lid, RPPol; - elk personeelslid dat afwezig is nadat het zijn contingent aan ziekteverlofdagen heeft uitgeput, zich in disponibiliteit wegens ziekte bevindt op grond van artikel VIII.XI.1 RPPol; - elk personeelslid moet worden opgeroepen voor de commissie nadat een termijn van zes maanden vanaf de in disponibiliteitsstelling is verstreken, overeenkomstig artikel VIII.XI.7 RPPol. 6. Voorafgaande verwittiging De korpschef voor de lokale politie of de door hem aangewezen overheid, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheden voor de federale politie of de directeur van het opleidingscentrum voor de aspiranten, brengt, zestig dagen voordat het contingent aan ziekteverlofdagen zou zijn uitgeput, het personeelslid schriftelijk het artikel VIII.XI.1 RPPol in herinnering. 7. Facultatieve procedures voorafgaand aan de adiëring van de commissie Twee faculatieve procedures, voorafgaand aan de adiëring van de commissie, zijn voorzien in het huishoudelijk reglement van de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en de commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten.Een onderscheid wordt gemaakt al naargelang het betrokken personeelslid al dan niet met ziekteverlof is.

Hoewel deze voorafgaandelijke procedures facultatief zijn, wordt het sterk aanbevolen er een beroep op te doen daar ze een betere voorbereiding waarborgen van de dossiers die worden voorgelegd aan de commissie en daar ze bijgevolg hun behandeling versnellen en vergemakkelijken. 7.1. Facultatieve procedure indien het betrokken personeelslid niet met verlof is wegens ziekte.

De volgende personen kunnen de arbeidsgeschiktheid in vraag stellen : - het personeelslid; - de korpschef, de commissaris-generaal of een door hen aangewezen overheid, naargelang van het geval; - de arbeidsgeneesheer naar aanleiding van een periodiek onderzoek.

De aanvraag tot evaluatie van de geschiktheid moet aan de arbeidsgeneesheer gericht worden. Ze moet gemotiveerd zijn en aangevuld worden met elk nuttig document.

Nadat hij het personeelslid heeft onderzocht en kennis heeft genomen van zijn dossier zal hij het volgende voorstellen : - geschikt; - gedeeltelijk geschikt, waarbij in voorkomend geval de regels met betrekking tot de herplaatsing, bedoeld in artikel VI.II.85, 1°, RPPol, worden toegepast; - tijdelijk ongeschikt; - definitief arbeidsongeschikt.

Indien de arbeidsgeneesheer oordeelt dat het personeelslid tijdelijk arbeidsongeschikt is, stelt hij het personeelslid daarover in kennis en brengt hij zo vlug mogelijk, naargelang van het geval, tevens de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid op de hoogte bij gemotiveerde brief opdat zij het personeelslid zouden kunnen verzoeken om zijn behandelende arts te raadplegen.

Indien de arbeidsgeneesheer oordeelt dat het personeelslid definitief ongeschikt is, stemt het vervolg van de procedure overeen met deze beschreven onder punt 7.3. 7.2. Facultatieve procedure indien het betrokken personeelslid met verlof is wegens ziekte De volgende personen kunnen de arbeidsgeschiktheid in vraag stellen : - het personeelslid; - de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, naargelang van het geval; - de controlegeneesheer naar aanleiding van een controleonderzoek; - de provinciale raadgevende geneesheer.

De aanvraag tot evaluatie van de geschiktheid moet worden gericht aan de provinciale raadgevende geneesheer. Ze moet gemotiveerd zijn en aangevuld worden met elk nuttig document.

De korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, naargelang van het geval, mag dergelijke vraag richten aan de provinciale raadgevende geneesheer vanaf het ogenblik dat het personeelslid vier maanden in disponibiliteit is en dat, gelet op de ziektedagen die hem zijn toegekend, het erop lijkt dat hij het werk niet zal hervatten vóór het verstrijken van de zesde maand disponibiliteit.

Nadat de provinciale raadgevende geneesheer het personeelslid heeft onderzocht en kennis heeft genomen van zijn dossier zal hij het volgende voorstellen : - geschikt; - gedeeltelijk geschikt, waarbij hij het personeelslid doorverwijst naar de arbeidsgeneesheer die zijn werkhervatting zal organiseren met de nodige aanpassingen en, in voorkomend geval, zullen de regels met betrekking tot de herplaatsing of de verminderde prestaties wegens ziekte, respectievelijk bedoeld in de artikelen VI.II.85, 1°, en VIII.X.12 tot VIII.X.16 RPPol, worden toegepast; - tijdelijk geschikt; - definitief arbeidsongeschikt.

Indien de raadgevende geneesheer oordeelt dat het personeelslid definitief ongeschikt is, stemt het vervolg van de procedure overeen met deze beschreven onder punt 7.3. 7.3. Vervolg van de facultatieve procedures Indien de arbeidsgeneesheer of de raadgevende geneesheer, naargelang van het geval, meent dat het personeelslid definitief ongeschikt is, vult hij het eerste luik en het medisch luik in van het formulier « AANVRAAG TOT EVALUATIE VAN DE ARBEIDSGESCHIKTHEID », overeenkomstig het model gevoegd als bijlage 1 bij deze omzendbrief.

Hij stelt het personeelslid zo vlug mogelijk in kennis van dit voorstel, evenals de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, naargelang van het geval. Indien het personeelslid niet met verlof is wegens ziekte, verzoekt de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, naargelang van het geval, hem om zijn behandelende arts te raadplegen.

Vervolgens bezorgt hij die aanvraag tot evaluatie samen met het omstandig gemotiveerd medisch dossier aan de directeur van de medische dienst van de geïntegreerde politie met het oog op een definitieve beslissing.

De directeur van de medische dienst van de geïntegreerde politie of de door hem aangewezen arts beoordeelt de gegrondheid van de aanvraag op basis van de stukken die hem werden bezorgd.

Indien hij oordeelt dat de aanvraag gegrond is, roept hij het betrokken personeelslid op en onderzoekt het nadat hij heeft kennis genomen van zijn medisch dossier. In voorkomend geval kan hij elk bijkomend onderzoek dat hij nuttig acht, laten uitvoeren.

De directeur van de medische dienst van de geïntegreerde politie of de door hem aangewezen geneesheer kan het personeelslid als volgt beoordelen : - geschikt; - gedeeltelijk geschikt, waarbij hij het personeelslid naar de arbeidsgeneesheer doorverwijst, die zijn werkhervatting met de nodige aanpassingen zal organiseren en, in voorkomend geval, zullen de regels met betrekking tot de herplaatsing of de verminderde prestaties wegens ziekte, respectievelijk bedoeld in de artikelen VI.II.85, 1°, en VIII.X.12 tot VIII.X.16 RPPol, worden toegepast; - tijdelijk ongeschikt; - definitief arbeidsongeschikt.

Indien de directeur van de medische dienst of de door hem aangewezen geneesheer meent dat het personeelslid definitief arbeidsongeschikt is, vult hij het tweede luik in van het formulier « AANVRAAG TOT EVALUATIE VAN DE ARBEIDSGESCHIKTHEID », overeenkomstig het model gevoegd als in bijlage 1 bij deze omzendbrief. In voorkomend geval voegt hij aan het medisch dossier van het betrokken personeelslid een voorstel van de graad van zelfredzaamheid toe met eventueel de verplichting om beroep te doen op een derde.

Hij stelt het personeelslid in kennis van deze beslissing en houdt het personeelslid met ziekteverlof totdat de commissie een beslissing heeft genomen.

Een kopie van het eerste en het tweede luik van het formulier « AANVRAAG TOT EVALUATIE VAN DE ARBEIDSGESCHIKTHEID », overeenkomstig het model gevoegd als bijlage 1 bij deze omzendbrief, wordt verzonden, naargelang van het geval, naar de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege om ze in staat te stellen de nodige administratieve en statutaire schikkingen te treffen.

Indien de directeur van de medische dienst of de door hem aangewezen geneesheer oordeelt dat het personeelslid volledig geschikt, gedeeltelijk geschikt of tijdelijk arbeidsongeschikt is, brengt hij het personeelslid op de hoogte van zijn beslissing en, aan de hand van een gemotiveerde brief, licht hij, naargelang van het geval, de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid hierover in, om ze in staat te stellen de nodige administratieve en statutaire schikkingen te treffen. 8. Adiëring 8.1. De commisssie wordt, naargelang van het geval, geadieerd door : - de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid of, in voorkomend geval, op vraag van het betrokken personeelslid, in het geval bedoeld in artikel VIII.XI.7 RPPol, met name het verstrijken van een termijn van zes maanden vanaf de indisponibiliteitsstelling van het personeelsid wegens uitputting van zijn contingent ziekteverlofdagen; - de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege in alle andere gevallen zoals bijvoorbeeld in geval van ernstige en langdurige ziekten zoals bepaald in artikel VIII.XI.5 RPPol (zie infra punt 9). 8.2. De commissie van beroep wordt, naargelang van het geval, geadieerd door : - het betrokken personeelslid, de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege. 9. Ernstige en langdurige ziekten. Overeenkomstig artikel VIII.XI.5 RPPol heeft het personeelslid, dat lijdt aan een kwaal die door de commissie wordt erkend als een ernstige en langdurige ziekte, recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan zijn laatste activiteitsloon.

Dit recht heeft slechts uitwerking nadat het personeelslid in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van drie maanden. Dit heeft een herziening van zijn geldelijke toestand tot gevolg vanaf de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen.

Na het verstrijken van deze ononderbroken periode van drie maanden van disponibiliteit wegens ziekte, kan het personeelslid, dat gebruik wenst te maken van deze bepaling, een aanvraag richten tot de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer (DGP/DPM), gevestigd Fritz Toussaintstraat 47, te 1050 Brussel voor de federale politie, of zijn korpschef voor de lokale politie, naargelang van het geval, die deze voorlegt aan de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, naargelang van het geval, opdat deze de commissie zou adiëren. Hij voegt aan deze aanvraag elk nuttig document toe dat de gezondheidstoestand omschrijft en verzendt dit onder gesloten omslag met de vermelding « MEDISCH GEHEIM ». 10. Procedure voor de commissie 10.1 Inleiding van de aanvraag De korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, het personeelslid, de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, naargelang van het geval, zendt een formulier « AANVRAAG TOT VERSCHIJNING VOOR DE COMMISSIE », overeenkomstig het model gevoegd als bijlage 2 bij deze omzendbrief, naar het volgende adres : Aan de voorzitter van de Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (C.G.P.P.) Ruiterijlaan 2 1040 BRUSSEL Ze voegen hierbij, met eerbiediging van het medisch geheim, alle inlichtingen die opheldering kunnen geven omtrent de oorsprong, de aard, de ernst en de bestendigheid van de aangevoerde ongeschiktheid.

De volgende stukken dienen dus minimaal te worden toegevoegd aan het formulier « AANVRAAG TOT VERSCHIJNING VOOR DE COMMISSIE » : - een identificatiefiche van het betrokken personeelslid met het adres waar het kan worden gecontacteerd; - een berekeningsfiche van zijn contingent A (saldo van ziekteverlofdagen na uitputting waarvan de wachttermijn van 6 maanden aanvangt waarna het personeelslid wordt opgeroepen voor de commissie) en B (saldo van ziekteverlofdagen die, na uitputting, aanleiding geven tot de betaling aan het personeelslid van een wachtgeld ten belope van 60 % van zijn laatste activiteitswedde) aan ziekteverlofdagen; - indien een facultatieve procedure werd ingesteld, een kopie van het eerste en het tweede luik van het formulier « AANVRAAG TOT EVALUATIE VAN DE ARBEIDSGESCHIKTHEID » en elk ander document; - in geval van ernstige en langdurige ziekte, de aanvraag van het personeelslid alsook de gesloten omslag, voorzien van de vermelding « MEDISCH GEHEIM », dat elk nuttig document bevat dat de gezondheidstoestand van het personeelslid vaststelt.

Behoudens overmacht, is de aanvraag tot verschijning voor de commissie geldig ingediend vanaf de ontvangst door het secretariaat van deze commissie van het formulier « AANVRAAG TOT VERSCHIJNING VOOR DE COMMISSIE », evenals voormelde stukken. De indieningsdatum van de aanvraag wordt vermeld op de oproeping tot verschijning. 10.2. Verschijning voor de commissie Binnen de dertig dagen na het aanhangig maken van de zaak nodigt het secretariaat van de commissie, bij een aangetekende brief, het betrokken personeelslid uit om voor de commissie te verschijnen voor verhoor of onderzoek.

Deze oproeping vermeldt : - de datum van de indiening van de aanvraag; - de plaats, de dag en het uur van de zitting, die ten vroegste de dertigste dag na de kennisgeving van de oproeping kan plaatsvinden; - de verplichting voor het personeelslid om in persoon te verschijnen; - het recht van het personeelslid om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze (zoals een advocaat, geneesheer, vakbondsafgevaardigde, personeelslid van de politiediensten of iemand anders); - de plaats waar het dossier kan worden ingezien evenals de termijn, die minimaal tien dagen bedraagt, gedurende dewelke het kan worden ingezien door de betrokkene of door de persoon die hem bijstaat; - de inhoud van de artikelen IX.II.9 en 10 RPPol.

Het personeelslid, eventueel vergezeld van de persoon die hem bijstaat, mag, binnen de vijftien dagen die de verschijning voor de commissie voorafgaan, na afspraak zijn dossier inkijken op het secretariaat van de commissie, gevestigd Ruiterijlaan 2, te 1040 Brussel. Ingevolge deze raadpleging is het hem mogelijk om elk document bij te voegen dat hij nuttig acht (bijvoorbeeld : een recent medisch verslag, röntgenfoto's,...). Deze documenten zullen genummerd worden vooraleer ze toegevoegd worden aan het dossier.

Het personeelslid dat niet in staat is zich te verplaatsen om voor de commissie te verschijnen, moet dit staven aan de hand van een medisch getuigschrift. In dat geval kan de commissie, hetzij zich verplaatsen naar de verblijfplaats van de betrokkene om hem ter plaatse te horen of te onderzoeken, hetzij hem ervan te ontslaan zelf te verschijnen en hem toestaan zich door een ander persoon te laten vertegenwoordigen.

Op de dag bepaald in de oproeping verschijnt het personeelslid of diens vertegenwoordiger voor de commissie.

Behoudens overmacht, wordt bij afwezigheid van het personeelslid of diens vertegenwoordiger, de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd.

Na de zitting ontvangt hij een getuigschrift van verschijning dat ondertekend wordt door alle leden die zitting hebben gehouden.

De commissie mag gebruik maken van alle onderzoeksmiddelen, inzonderheid het inwinnen van het advies van deskundigen en van de overheden.

De commissie doet, bij meerderheid van stemmen, uitspraak binnen de dertig dagen na het sluiten van de debatten.

Ze kan het personeelslid als volgt beoordelen : - geschikt; - gedeeltelijk geschikt; - tijdelijk ongeschikt; - definitief arbeidsongeschikt. 10.3. Beslissing De commissie geeft vervolgens, binnen de vijftien dagen en bij een aangetekende brief, kennis van de uitspraak aan het betrokken personeelslid, alsook aan de korpschef, de commissaris-generaal of de door hen aangewezen overheid, de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, naargelang van het geval. 11. Procedure voor de commissie van beroep De commissie van beroep is rechtsgeldig geadieerd van zodra zijn secretariaat het bezwaarschrift ontvangt dat door het betrokken personeelslid of, naargelang van het geval, door de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing bij een aangetekende beslissing, wordt opgestuurd naar het volgende adres : Aan de voorzitter van de Commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (C.B.G.P.P.) Ruitelijlaan 2 1040 BRUSSEL Het vervolg van de procedure is gelijklopend aan deze beschreven onder punt 10.2.

De commissie van beroep geeft vervolgens, binnen de vijftien dagen, bij een aangetekende brief, kennis van de uitspraak aan het betrokken personeelslid, alsook, naargelang van het geval, aan de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege. 12. Herziening De beslissingen van de commissie kunnen, in geval van bedrog of arglist, op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken worden herzien. De aanvraag tot herziening wordt gericht aan de voorzitter van de commissie die de bestreden beslissing getroffen heeft. 13. Gevolgen van de door de commissie en door de commissie van beroep genomen beslissingen 13.1. Beslissing van geschiktheid Het betrokken personeelslid dient het werk te hervatten op de datum bepaald in de beslissing van geschiktheid, getroffen door de commissie of door de commissie van beroep.

Herinner dat het personeelslid, alsook de bevoegde overheid, binnen de vijftien dagen in kennis moet worden gesteld van deze beslissing, overeenkomstig de punten 10.3. en 11 van deze omzendbrief. 13.2. Beslissing van gedeeltelijke geschiktheid De commissie of de commissie van beroep verwijst het personeelslid door naar de arbeidsgeneesheer die zijn werkhervatting organiseert met de nodige aanpassingen en, in voorkomend geval, zullen de regels met betrekking tot de herplaatsing of de verminderde prestaties wegens ziekte, respectievelijk bedoeld in de artikelen VI.II.85, 1°, RPPol en VIII.X.12 tot VIII.X.16 RPPol, worden toegepast.

Indien het personeelslid, overeenkomstig artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, niet wedertewerkgesteld werd bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing van de commissie of van de commissie van beroep waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt, maar geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een ander ambt bij wijze van wedertewerkstelling, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van voormelde termijn. 13.3. Beslissing van tijdelijke ongeschiktheid Op grond van voormeld artikel 117, § 1, van voormelde wet van 14 februari 1961, kan het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid slechts voor een maximale duur van twee jaar voorlopig worden toegekend.

De commissie of de commissie van beroep mag op elk tijdstip beslissen om het personeelslid aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Zij moeten hem minstens eenmaal opnieuw onderzoeken tussen de derde en de zesde maand vóór de datum van het verstrijken van de periode van het tijdelijk pensioen.

Het personeelslid mag steeds opnieuw een nieuw geneeskundig onderzoek aanvragen op voorwaarde dat er ten minste zes maanden zijn verstreken sinds het vorige onderzoek. 13.4. Beslissing van definitieve ongeschiktheid Het personeelslid wordt definitief op pensioen gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid. 13.5. Ingangsdatum van het voorlopig of definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid Overeenkomstig artikel 117, § 3, van voormelde wet van 14 februari 1961, neemt het pensioen in principe een aanvang op de eerste dag van de maand volgend op : - de bekendmaking aan het betrokken personeelslid van de door de commissie in eerste aanleg gewezen beslissing indien het geen beroep heeft ingesteld of indien het beroep heeft ingesteld en de in eerste aanleg gewezen beslissing werd bevestigd : - de bekendmaking van de beslissing door de commissie van beroep gewezen indien ze de beslissing in eerste aanleg gewezen te niet doet. 13.6. Pensioenaanvraag ten aanzien van de Administratie der Pensioenen Indien het personeelslid het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing van de commissie of van de commissie van beroep, tot oppensioenstelling wegens tijdelijke of definitieve lichamelijke ongeschiktheid, moet een aanvraag tot pensionering gericht worden aan de Administratie der Pensioenen zodat dat personeelslid de betaling van zijn pensioen kan bekomen.

Voor de federale politie wordt deze aanvraag ingediend bij de Administratie der Pensioenen door de dienst stamboek van de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer (DGP/DPM/Mat), gevestigd Fritz Toussaintstraat 47 te 1050 Brussel.

Voor de lokale politie wordt deze aanvraag ingediend bij de Administratie der Pensioenen door de personeelsdienst. 14. Andere mogelijkheden van oppensioenstelling in geval van een afwezigheid wegens ziekte. Artikel 83, § 3, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen en artikel 6 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, voorzien dat elk personeelslid dat de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt en behoort tot het basiskader, middenkader of kader van hulpagenten of van 60 jaar heeft bereikt, ambtshalve wordt gepensioneerd de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert zijn 58e of 60e verjaardag, hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt.

Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 83 van voormelde wet van 5 augustus 1978, voorziet artikel 82 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, dat het personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden om op eigen verzoek een rustpensioen te bekomen, ambtshalve op rust wordt gesteld de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het in disponibiliteit is geplaatst.

Ik hoop dat voorgaande toelichtingen en richtlijnen zullen bijdragen tot een goed en pragmatisch personeelsbeheer in dit specifieke domein.

De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^