Etaamb.openjustice.be
Omzendbrief van 30 augustus 2001
gepubliceerd op 14 september 2001

Omzendbrief betreffende het Centraal Strafregister

bron
ministerie van justitie
numac
2001009802
pub.
14/09/2001
prom.
30/08/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN JUSTITIE


30 AUGUSTUS 2001. - Omzendbrief betreffende het Centraal Strafregister


Aan Mevrouwen en de Heren Procureurs-Generaal, Aan Mevrouw en de Heren Eerste Voorzitters van de hoven van beroep, Aan de Heer Commissaris-Generaal van de federale politie, Aan de Heer Voorzitter van de Vaste Commissie van de lokale politie, Aan de Heer Voorzitter van de Cel voor de verwerking van financiële informatie, Aan de besturen en andere diensten van de federale, gewest- en gemeenschapsministeries, Aan Mevrouwen en de Heren Ministers, Aan Mevrouwen en de Heren Staatssecretarissen, Aan Mevrouwen en de Heren Burgemeesters, In het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2001 is de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister bekendgemaakt.

Deze wet treedt op 3 september 2001 in werking.

De wet van 8 augustus 1997 strekt ertoe het bestaan van het sedert meer dan een eeuw bestaande Centraal Strafregister bij wet te bekrachtigen, hetgeen tot op heden bij circulaires en interne nota's werd geregeld. Op grond van die wet worden de daarin geregistreerde gegevens alsmede de regels inzake de toegang tot het Centraal Strafregister vastgesteld. Dat laatste wordt voortaan een rechtstreeks toegankelijke gegevensbank, inzonderheid voor de gerechtelijke en politiële instanties en diensten, waarvoor die gegevens van kapitaal belang zijn.

Naar luid van de wet worden de bepalingen betreffende het Centraal Strafregister ingevoegd in het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv. genoemd). Zulks geschiedt door Titel VII, hoofdstuk I, dat voortaan uit de artikelen 589 tot 602 bestaat, aan het Centraal Strafregister te wijden.

Bij die wet worden de talrijke problemen verholpen die zijn gerezen naar aanleiding van de wet van 9 januari 1991 betreffende de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken. De wijzigingen die krachtens die wet van 1991 in de wet van 7 april 1964 zijn aangebracht, waren ingegeven door het edelmoedige oogmerk het toepassingsgebied van de ambtshalve uitwissing van strafrechtelijke veroordelingen uit te breiden; maar zij hebben jammer genoeg niet dat resultaat opgeleverd, en funeste gevolgen gehad op het stuk van de tenuitvoerlegging van veroordelingen. Terwijl voor veroordelingen tot politiestraffen, krachtens de wet van 1964 ambtshalve uitwissing was ingesteld na een termijn van vijf jaar, te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij was uitgesproken, was die uitwissing bij de wet van 1991 uitgebreid tot veroordelingen tot correctionele hoofdgevangenisstraffen van ten hoogste zes maanden, veroordelingen tot correctionele geldstraffen van ten hoogste 500 frank en tot geldstraffen ongeacht hun bedrag, opgelegd krachtens de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer. De termijn waarbinnen uitwissing plaatsvond was teruggebracht tot drie jaar.

Kennelijk verloren de regels inzake verjaring en strafuitvoering door de korte duur van die termijn evenwel in veel gevallen hun uitwerking.

De uitwissing van veroordelingen na drie jaar vormde ook een hinderpaal voor de regels tot instelling van bijzondere termijnen van meer dan drie jaar in geval van recidive, inzonderheid met betrekking tot verlating van familie of inzake verdovende middelen. Ook de regels betreffende de herroeping van de opschorting werden gedwarsboomd, aangezien de veroordeling kon worden uitgewist voordat zij ten uitvoer kon worden gelegd, zelfs indien de herroeping binnen drie jaar na de veroordeling plaatsvond. Overigens waren de wijzigingen ingesteld bij de wet van 1991 zonder gevolg gebleven, hoewel zij ten doel hadden een obstakel uit de weg te ruimen bij de resocialisatie van veroordeelden tot lichte straffen, door niet-vermelding daarvan op de bewijzen van goed zedelijk gedrag. De draagwijdte van artikel 619, tweede lid, Sv., volgens hetwelk uitwissing niet van toepassing was op veroordelingen die vervallenverklaringen of ontzettingen inhielden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, was immers onderschat. Naast de vervallenverklaringen en verboden uitgesproken door een rechter, die weinig talrijk zijn, bestaan er vele, over de hele Belgische wetgeving verspreide, ambtshalve vervallenverklaringen en verboden voortvloeiend uit veroordelingen wegens bepaalde strafbare feiten, waardoor uitwissing bijna geheel onmogelijk was. Zodoende konden nauwelijks meer veroordelingen worden uitgewist dan op grond van de wet van 1964 geschiedde.

Het begrip uitwissing zoals het bij de wet van 8 augustus 1997 opnieuw is omschreven in de artikelen 619 en 620 van het Wetboek van Strafvordering wordt enkel toepasselijk op veroordelingen tot politiestraffen. Derhalve verhindert het niet langer de tenuitvoerlegging van correctionele veroordelingen, en vormt het geen obstakel meer voor de toepassing van wetsbepalingen met betrekking tot recidive, tot de opschorting en tot de verjaring van straffen.

De medegedeelde gegevens van het Centraal Strafregister verschillen voortaan naar gelang van de hoedanigheid van de instanties en diensten gemachtigd om zich toegang ertoe te verschaffen en om die inlichtingen aan te wenden voor het nagestreefde oogmerk.

De gerechtelijke instanties hebben voortaan toegang tot meer gerechtelijke antecedenten dan onder de wet van 1991. Ook de politiediensten hebben voortaan toegang tot het Centraal Strafregister. Het is immers van belang dat die instanties en diensten beschikken over een aangepast en krachtig hulpmiddel om de strafrechtelijke taken te verwezenlijken waarmee zij krachtens de wet belast zijn, inzonderheid de vervolging en bestraffing van misdrijven.

Met het oog op een coherent strafbeleid moeten de gerechtelijke instanties bij hun opdrachten kennis hebben van de hun dienstige gegevens, inzonderheid van de gerechtelijke antecedenten van betrokkene, zulks ongeacht of zij verband houden met het opsporingsonderzoek, het strafonderzoek of de fase van het vonnis of van de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Met het oog daarop worden lichte veroordelingen voortaan zelfs na de termijn van drie jaar ter kennis gebracht van de instanties bedoeld in artikel 593 Sv., met uitzondering van veroordelingen tot politiestraffen, de enige waarop het begrip uitwissing zoals bepaald in het nieuwe artikel 619 Sv. betrekking heeft.

De uitwissing van veroordelingen geschiedt bij het Centraal Strafregister. Bij het programma voor automatische gegevensverstrekking worden niet alleen de opeenvolgende wettelijke regels inzake uitwissing (wetten van 7 april 1964, 9 januari 1991 en 8 augustus 1997) toegepast, maar ook de regels inzake vermelding of niet-vermelding van de gegevens bedoeld in de artikelen 593 tot 596 Sv. 1. Gegevens die aan het Centraal Strafregister moeten worden bezorgd. De beslissingen die aan het Centraal Strafregister moeten worden bezorgd staan opgesomd in artikel 590 Sv. Zij moeten worden bezorgd door de griffiers binnen de drie dagen volgend op de dag waarop zij in kracht van gewijsde zijn gegaan (art. 592 Sv.).

Een bij verstek gewezen vonnis, betekend aan de veroordeelde zonder hem persoonlijk te spreken, verwerft kracht van gewijsde na verloop van de gewone termijn van verzet, onder de ontbindende voorwaarde van een ontvankelijk verklaard verzet binnen de buitengewone termijn van verzet. Het is dan ook noodzakelijk dat het Centraal Strafregister in kennis wordt gesteld van de beslissingen tot vrijspraak, gewezen ingevolge verzet gedaan tijdens de buitengewone termijn van verzet (zulks teneinde vonnissen bij verstek te kunnen schrappen die door dat rechtsmiddel teniet zijn gedaan maar reeds geregistreerd zijn in het Centraal Strafregister), alsmede van de beslissingen tot vrijspraak uitgesproken door gerechten waarnaar de zaak ingevolge een arrest van het Hof van Cassatie was verwezen.

Zolang de politierechtbanken het Centraal Strafregister niet automatisch aanvullen, moeten alleen veroordelingen tot een politiestraf wegens overtreding van het Strafwetboek, of gepaard gaande met een vervallenverklaring van het recht tot sturen, worden bezorgd aan de dienst van het Centraal Strafregister (Hallepoortlaan 5/8, 1060 Brussel).

De gegevens die voor elke beslissing moeten worden bezorgd, staan opgesomd in artikel 3 van het koninklijk besluit d.d. 19 juli 2001 tot uitvoering van de wet. In afwachting dat de griffies van hoven en rechtbanken het Centraal Strafregister automatisch aanvullen, worden de beslissingen op papier aan het Centraal Strafregister bezorgd (Hallepoortlaan 5/8, 1060 Brussel). 2. Toegang tot de in het Centraal Strafregister geregistreerde gegevens. De wet voorziet in drie categorieën van aanvragers van uittreksels : - de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de politiediensten, de administratie van de strafinrichtingen en de strafinrichtingen zelf, de inlichtingendiensten en de Cel voor de verwerking van financiële informatie vormen de eerste categorie (art. 593 Sv.); - overheidsinstanties waaraan machtiging is verleend krachtens het koninklijk besluit van 19 juli 2001 (art. 594 Sv.) vormen de tweede categorie; - particulieren vormen de derde categorie (art. 595 en 596 Sv.).

Uittreksels uit het strafregister worden ook uitgereikt aan buitenlandse autoriteiten indien een internationale overeenkomst daarin voorziet.

Waar zulks mogelijk is geschieden aanvragen om een uittreksel uit het strafregister te verkrijgen elektronisch, en in de andere gevallen per brief. Aanvragen langs elektronische weg zijn reeds mogelijk voor bepaalde diensten bedoeld onder de eerste categorie van gebruikers.

Vanaf 3 september 2001 moeten die diensten de code « PARPOL » gebruiken in het veld « aanvragerscode ». De diensten bedoeld in de artikelen 593 en 594 Sv. die nog geen uittreksels langs elektronische weg kunnen aanvragen, moeten de uittreksels per brief aanvragen bij het Centraal Strafregister (Hallepoortlaan 5/8, 1060 Brussel) of, enkel in dringende gevallen, per fax op het nummer 02-542 72 97. De benodigde formulieren om uittreksels aan te vragen zijn op hetzelfde adres te verkrijgen.

Overheidsinstanties die op grond van artikel 594 Sv. toegang wensen te verkrijgen tot het Centraal Strafregister moeten hun aanvraag richten tot de dienst van het Centraal Strafregister (Hallepoortlaan 5/8, 1060 Brussel).

In de aanvraag moeten de volgende gegevens zeer nauwkeurig worden vermeld : 1° de bijzondere finaliteit waarvoor toegang wordt verleend alsmede de wetsbepaling of regelgeving waarvoor kennis van de gerechtelijke antecedenten vereist is en waarop die finaliteit gegrond is;2° de gerechtelijke antecedenten waarvan kennis noodzakelijk is met het oog op de opdracht die aan de overheidsinstantie werd toevertrouwd. Het juridisch regime voor selectieve toegang tot het Centraal Strafregister is analoog met de toegang van overheidsinstanties en openbare instellingen tot het Rijksregister van de natuurlijke personen. Met het oog op de naleving van de wettelijke beginselen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is het noodzakelijk dat de toegang tot het Centraal Strafregister selectief van aard is en beperkt blijft tot de relevante gegevens. Er mag enkel om toegang tot het Centraal Strafregister worden verzocht indien zulks onontbeerlijk is om de opdracht van de overheidsinstantie te verwezenlijken. De aanvraag moet dan ook volledig en nauwkeurig met redenen worden omkleed om te kunnen bepalen of de toegang onontbeerlijk is.

In afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 9 en 10 van de wet (art. 595 en 596 Sv.), worden de getuigschriften van goed zedelijk gedrag nog afgeleverd door de gemeentebesturen. 3. Rechtstreeks bezorgde of achteraf bezorgde uittreksels uit het Centraal Strafregister. Wanneer de aanvraag langs elektronische weg geschiedt, zijn de volgende scenario's mogelijk.

Een uittreksel uit het strafregister wordt rechtstreeks bezorgd in de volgende gevallen : 1° de persoon wiens gerechtelijke antecedenten worden opgevraagd is niet in het Centraal Strafregister te vinden;2° de persoon wiens gerechtelijke antecedenten worden opgevraagd is in het Centraal Strafregister te vinden, zijn dossier is volledig geïnformatiseerd en de dienst van het Centraal Strafregister moet niet tussenbeide komen bij de verwerking van de te bezorgen gegevens. Een uittreksel uit het strafregister wordt in de volgende gevallen niet rechtstreeks maar binnen een korte termijn bezorgd (de aanvrager wordt met een bericht ervan in kennis gesteld dat het uittreksel later wordt toegezonden) : 1° de persoon wiens gerechtelijke antecedenten worden opgevraagd is in het Centraal Strafregister te vinden en zijn dossier is volledig geïnformatiseerd, maar de dienst van het Centraal Strafregister moet tussenbeide komen bij de verwerking van de te bezorgen gegevens;2° de persoon wiens gerechtelijke antecedenten worden opgevraagd is in het Centraal Strafregister te vinden, maar zijn dossier is niet of niet volledig geïnformatiseerd;derhalve moet de dienst van het Centraal Strafregister het dossier volledig informatiseren alvorens de gerechtelijke antecedenten te kunnen bezorgen.

De informatisering van het Centraal Strafregister is aan de gang. Alle sedert 1992 uitgesproken veroordelingen worden er automatisch in gecodeerde vorm geregistreerd. Alle dossiers in het strafregister die sinds die datum zijn aangelegd en alleen veroordelingen van na 1992 bevatten zijn volledig geïnformatiseerd. Dossiers die vóór 1992 zijn aangelegd zijn ofwel gedeeltelijk ofwel volledig geïnformatiseerd.

Voor iedere aanvraag om een uittreksel te verkrijgen moet het betrokken dossier in voorkomend geval volledig worden geïnformatiseerd. Alle personen geboren na 1930 met een dossier in het Centraal Strafregister worden digitaal geregistreerd. Personen geboren vóór 1930 worden niet allemaal digitaal geregistreerd. Indien « niet gekend in bestand » als resultaat verschijnt bij een langs elektronische weg verrichte aanvraag om een uittreksel te verkrijgen betreffende een persoon geboren vóór 1930, moet bijgevolg eerst om bevestiging van dat antwoord worden verzocht bij de dienst van het Centraal Strafregister (door per brief een uittreksel aan te vragen).

Ik zou het op prijs stellen indien U de inhoud van deze omzendbrief zou meedelen aan alle betrokken diensten, besturen en instellingen, waarover U gezag, de controle of het toezicht uitoefent.

Brussel, 30 augustus 2001.

Voor de Minister van Justitie, afwezig, De Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, R. DAEMS

^