Etaamb.openjustice.be
Omzendbrief
gepubliceerd op 17 juni 1999

Omzendbrief nr. 476 van 28 mei 1999 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen Aan de besturen en andere diensten van de federale ministeries en de instellingen van openbaar nut onderworpen aan Mevrouw de Minister, Mijnheer de Minister, Mijnheer de Staatssecretaris, Het koninklijk b(...)

bron
ministerie van ambtenarenzaken
numac
1999002088
pub.
17/06/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN AMBTENARENZAKEN


Omzendbrief nr. 476 van 28 mei 1999 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen Aan de besturen en andere diensten van de federale ministeries en de instellingen van openbaar nut onderworpen aan het gezag, de controle of he toezicht van de Staat Mevrouw de Minister, Mijnheer de Minister, Mijnheer de Staatssecretaris, Het koninklijk besluit van 19 november 1998 (Belgisch Staatsblad van 28 november 1998) heeft zoveel mogelijk reglementeringen gebundeld in één coherent en eenvoudiger geheel van de verschillende verloven en afwezigheden toegestaan aan rijksambtenaren. De volgende reglementeringen inzake verloven en afwezigheden werd niet opgenomen in het vermeld koninklijk besluit : 1. Koninklijk besluit van 2 april 1975 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1975) betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten;2. Wet van 18 september 1986 (Belgisch Staatsblad van 31 oktober 1986) tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten;3. Wet van 20 mei 1997 (Belgisch Staatsblad van 8 juli 1997) houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken (politiek verlof);4. Koninklijk besluit van 12 augustus 1993 (Belgisch Staatsblad van 18 september 1993) betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;5. Koninklijk besluit van 28 september 1984 betreffende het syndicaal statuut (syndicaal verlof);6. Koninklijk besluit van 1 juni 1964 (Belgisch Staatsblad van 23 juni 1964 en errata gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 november 1964) tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;7. Koninklijk besluit van 21 augustus 1970 (Belgisch Staatsblad van 29 september 1970) betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel. Wijzigingen en aanvullingen ten aanzien van de vorige reglementeringen worden toegelicht in deze omzendbrief. Deze vervangt tevens alle voorgaande omzendbrieven van het Ministerie van Ambtenarenzaken inzake verloven en afwezigheden. Wel worden alle nog relevante bepalingen overgenomen en aangevuld met de constante jurisprudentie van de Dienst Algemeen Bestuur.

In bijlage III en IV van deze omzendbrief worden twee overzichtstabellen opgenomen. Bijlage III bevat de verloven en afwezigheden die voorkomen in het koninklijk besluit van 19 november 1998 en die van toepassing zijn op de statutaire personeelsleden.

Bijlage IV geeft een overzicht van de verloven uit het verlofbesluit die van toepassing zijn op de contractuele personeelsleden aangevuld met de reglementering uit de privé-sector die op deze laatste categorie van toepassing is.

I. ALGEMENE BEPALINGEN Toepassingsgebied Het koninklijk besluit van 19 november 1998 is van toepassing op de statutaire ambtenaren, die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Het koninklijk besluit is ook van toepassing op het contractueel personeel van de instellingen van openbaar nut en de wetenschappelijke instellingen (art. 1).

In de vorige reglementering was het verlof voor contractuelen beperkt tot het jaarlijks vakantieverlof, de feestdagen en het opvangverlof met het oog op adoptie. Dit wordt uitgebreid met de dienstvrijstelling, het omstandigheidsverlof, het verlof voor het afstaan van organen of weefsels en voor het afstaan van beenmerg, het verlof voor deelname aan een assisenjury, het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps, het ouderschapsverlof, de opvang, de dienstvrijstellingen voor opleiding, de opleidingsverloven en het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet. In artikel 5 wordt eveneens expliciet vermeld dat voor contractuelen de deelneming aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Overgangsbepalingen De overgangsbepaling zoals voorzien in artikel 152 slaat niet alleen op de verloven die werden toegekend voor 1 december 1998 maar kan ook worden uitgebreid tot de verloven aangevraagd vóór die datum. Uit bekommernis voor het waarborgen van de continuïteit van de openbare diensten kan op die manier de overgang van de vorige reglementering naar de bestaande op een soepele manier verlopen.

Dit betekent dat voor wat betreft het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen of voor afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheid de aanvragen ingediend voor 1 december eventueel nog konden worden toegekend en dit voor een maximumperiode van 24 maanden.

Disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden, waarvoor de aanvragen ingediend werden voor 1 december 1998, kon eventueel nog worden toegekend en dit voor een maximumperiode van 6 maanden.

Dienstvrijstelling In het besluit wordt gedefinieerd dat onder « dienstvrijstelling » wordt verstaan, de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten (art. 3). Dit is van toepassing voor alle statutaire personeelsleden en voortaan ook voor de contractuelen.

Als algemene richtlijn wordt bepaald dat dienstvrijstelling kan worden toegestaan voor het geven van bloed, bloedplaatjes en bloedplasma en dit met een globaal maximum van vier dagen per jaar.

De dienstvrijstelling voor het geven van bloed, bloedplaatjes of bloedplasma wordt als volgt geregeld. De dienstvrijstelling wordt verleend gedurende de hele dag waarop zij tot de afname laten overgaan. De gevers van bloedplasma en bloedplaatjes kunnen enkel dienstvrijstelling bekomen op de dag zelf van de afname. De bloedgevers wordt daarenboven de mogelijkheid geboden om 'compenserende' dienstvrijstelling te genieten. Dit houdt in dat wanneer de bloedafname gebeurt na de normale diensturen, de vrijstelling de erop volgende werkdag mag worden gegeven. Wanneer nochtans de bloedafname gebeurt op een vrijdagavond of de avond voor een officiële feestdag, die niet met een zondag samenvalt, dan wordt de dienstvrijstelling verleend op de dag zelf van de afname.

Verder zijn er geen algemene richtlijnen die bepalen wanneer men al dan niet dienstvrijstelling kan verlenen. Het behoort tot de bevoegdheid van de leidinggevende ambtenaar van de betrokken overheid onder wie de ambtenaar ressorteert om te bepalen voor welke gebeurtenissen en in welke mate dienstvrijstelling kan worden toegekend na overleg met de representatieve vakorganisaties.

Er kunnen uitzonderlijke dienstvrijstellingen worden toegestaan voor eventuele deelname van (onbezoldigde) topsporters aan belangwekkende sportmanifestaties zoals bijvoorbeeld de Olympische Spelen, Europese of Wereldkampioenschappen.

Ook andere gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot het soepel verlenen van dienstvrijstelling, zoals bijvoorbeeld in het geval van overstromingen.

Toekenning van verloven Het verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid, de voltijdse en deeltijdse loopbaanonderbreking en de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheid (vervangt disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden) zijn een recht geworden voor alle ambtenaren (art. 7), met uitzondering van : - de ambtenaren die titularis zijn van een graad van rang 13 of van een hogere rang; - de andere, door elke minister bepaalde ambten, waarvan de titularissen omwille van de goede werking van de dienst uitgesloten zijn van deze verloven en afwezigheden.

Voor deze twee categorieën zijn de vermelde verloven geen recht maar de secretaris-generaal kan, indien hij van oordeel is dat de goede werking van de diensten niet in het gedrang komt, toestaan aan de ambtenaren die er in principe van uitgesloten zijn deze verloven en afwezigheden te genieten.

De volgende specifieke stelsels van loopbaanonderbreking zijn een recht voor alle ambtenaren, ook voor de twee categorieën die uitgesloten zijn van de algemene stelsels van loopbaanonderbreking : - loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof; - loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen; - loopbaanonderbreking voor zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid.

De algemene regel van het recht op verlof heeft toegelaten de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid af te schaffen.

De verloven die in dit koninklijk besluit van 19 november 1998 werden opgenomen, worden toegestaan door de secretaris-generaal of door het hoofd van het bestuur aan wie hij deze bevoegdheid heeft toegekend, of door de ambtenaar-generaal daartoe door de minister aangeduid. In twee gevallen is het de minister die bevoegd blijft voor het toekennen ervan, namelijk voor wat betreft het verlof voor opdracht van algemeen belang en voor het verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet (art. 8).

Ook andere verloven die opgenomen zijn in het koninklijk besluit van 19 november 1998 zijn voortaan een recht geworden. Dit zal in het vervolg van deze omzendbrief uitdrukkelijk worden vermeld bij de bespreking van elk verlof afzonderlijk.

II. JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF EN FEESTDAGEN De ambtenaar heeft recht op jaarlijks vakantieverlof (art. 10) waarvan de duur naargelang de leeftijd bepaald wordt : - minder dan 45 jaar : 26 werkdagen - van 45 jaar tot 49 jaar : 27 werkdagen - van 50 jaar af : 28 werkdagen Daarnaast geniet de ambtenaar een bijkomend vakantieverlof - Op 60 jaar : 1 werkdag - Op 61 jaar : 2 werkdagen - Op 62 jaar : 3 werkdagen - Op 63 jaar : 4 werkdagen - Op 64 jaar : 5 werkdagen Het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof wordt verhoogd met twee dagen ingevolge het protocol nr. 316. Daarnaast wordt de namiddag van 22 juli geschrapt.

Voor het bepalen van de duur van het jaarlijks vakantieverlof wordt voortaan de leeftijd in aanmerking genomen die de ambtenaar bereikt in de loop van het jaar en niet meer de leeftijd die hij bereikt heeft op 1 juli van het jaar. Aangezien het koninklijk besluit van 19 november 1998 in werking is getreden op 1 december van 1998 geldt dit ook voor de personeelsleden die in de loop van 1998 die leeftijd bereikt hebben.

Het jaarlijks vakantieverlof wordt evenredig verminderd wanneer een ambtenaar geen volledig jaar in dienst is of wanneer hij de volgende verloven of machtigingen bekomt : - Verlof voor kandidaatstelling bij verkiezingen en verlof voor stage of proefperiode - De halftijdse vervroegde uittreding - De vrijwillige vierdagenweek - Verlof voor opdracht - Loopbaanonderbreking - De afwezigheden waarbij de ambtenaar in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst Om de vermindering te berekenen van het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof wordt dezelfde berekeningswijze toegepast als deze voor het bepalen van het aantal ziekteverlofdagen. De geldige formule is dus : 26 d. - 26 x Y/260 Y is het totaal aantal afwezigheidsdagen gedurende de beschouwde twaalf maanden.

Bij de herberekening van het jaarlijks vakantieverlof wordt geen rekening gehouden met het bijkomend vakantieverlof dat het personeelslid bekomt boven de leeftijd van 60 jaar. Voor het personeelslid dat bijvoorbeeld de leeftijd heeft bereikt van 62 jaar is de berekening de volgende : (28 d. - 28 x Y/260 ) + 3 bijkomende dagen Indien de vermindering van het verlof niet kan toegepast worden op het verlof van het lopende jaar dan zal deze worden aangerekend op het kapitaal van het volgende jaar.

Er wordt geen berekeningswijze opgelegd voor de verdeling van de vakantiedagen van de ambtenaren die verminderde prestaties verrichten.

Belangrijk is dat de ambtenaren die deeltijds werken een jaarlijks vakantieverlof krijgen in verhouding tot hun verminderde prestaties.

Er dient dan ook een correctie te worden toegepast op het ogenblik dat het jaarlijks vakantieverlof wordt toegestaan om te vermijden dat er een tweede vermindering zou gebeuren. Zo zal er, voor een ambtenaar die zijn prestaties per halve dag verricht, vijf volle dagen afwezigheid verrekend worden als twee en een halve dag jaarlijks vakantieverlof.

Dezelfde redenering dient te worden gevolgd voor andere gevallen van deeltijdse prestaties waarbij de niet-prestaties worden verdeeld over elke dag van de week in uren en/of minuten. Indien een dag jaarlijks vakantieverlof wordt opgenomen op die dagen, dan zal die dag jaarlijks vakantieverlof slechts aangerekend worden pro rata van de te verrichten prestaties.

Wat de eventuele overdracht van het jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar betreft, bestonden er voorheen geen algemene richtlijnen ter zake van de Minister van Ambtenarenzaken en volgens de constante interpretatie van Ambtenarenzaken behoorde het tot de bevoegdheid van elke minister of leidinggevende ambtenaar, na overleg met de representatieve vakorganisaties, om dit te bepalen. Dit principe wordt nu uitdrukkelijk in het verlofbesluit vermeld (art. 11).

Er bestaat geen regeling voor overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar een andere overheidsdienst in geval van mobiliteit. Dit betekent dat het jaarlijks vakantieverlof volgens de algemene regel zal verminderd worden bij de dienst die de ambtenaar verlaat en hij in de nieuwe dienst recht heeft op jaarlijks vakantieverlof pro rata van de prestaties in de loop van het jaar. Dit sluit niet uit dat ingeval de betreffende ambtenaar en de twee betreffende diensten zich akkoord verklaren een overdracht van het resterende verlof kan gebeuren.

Artikel 12 van het verlofbesluit voorziet in de mogelijkheid van een compensatietoelage voor het jaarlijks vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft opgenomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt. Het moet hier uitdrukkelijk gaan om dagen die niet konden worden opgenomen, met redenen die te maken hebben met de behoeften of de goede werking van de dienst.

De compensatietoelage voor het jaarlijks vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft opgenomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, wordt als volgt berekend : Laatste maand in dienst (baremawedde+weddecomplementen+ haard- en standplaatstoelage) * index/260 * aantal dagen en halve dagen niet opgenomen vakantieverlof 260 = 52 weken * 5 werkdagen Deze toelage is onderworpen aan de inhouding ziekteverzekering voor de statutairen en aan de RSZ voor de contractuelen. Deze toelage is uiteraard belastbaar.

Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra het personeelslid een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst.

De compensatieverlofdagen voor feestdagen die met een zaterdag of zondag samenvallen worden voortaan vastgelegd tussen Kerstmis en Nieuwjaar, en dit ongeacht het aantal compensatiedagen van het betreffende jaar (art. 14).

De ambtenaar die omwille van zijn arbeidstijdregeling die op hem van toepassing is, of omwille van de behoeften van zijn dienst moet werken op één van de dagen tijdens de periode van 27 december tot en met 31 december, bekomt vervangende verlofdagen die kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.

Indien een personeelslid vóór die periode de dienst verlaat, omwille van zijn pensionering of wanneer het zijn ambt neerlegt, heeft het recht op hetzelfde aantal compensatiedagen voor de feestdagen die op een zaterdag of een zondag samenvallen in de periode waarop het nog wel in dienst was.

Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft recht op evenveel compensatiedagen als een personeelslid dat voltijds werkt. Een personeelslid dat zich bijvoorbeeld in een stelsel van halftijdse prestaties bevindt tijdens de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar, zal in het geval er in die periode 4 werkdagen zijn 2 dagen compensatieverlof bekomen die kunnen worden opgenomen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.

Indien een personeelslid tijdens deze periode afwezig is wegens ziekteverlof of in disponibiliteit is wegens ziekte, dan worden voor de verlofperiode tussen Kerstmis en Nieuwjaar geen ziektedagen aangerekend. En dit gelet op art. 42, § 3, dat zegt dat enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend. Het gaat hier niet om werkdagen maar om compensatiedagen.

III. OMSTANDIGHEIDSVERLOF Het omstandigheidsverlof dat voorkwam in het besluit van 1 juni 1964 was enkel van toepassing op het statutair personeel. Voor de contractuelen gold omstandigheidsverlof dat van toepassing is in de privé-sector (Koninklijk besluit van 28 augustus 1963). Het omstandigheidsverlof zoals dit gewijzigd is in het nieuwe verlofbesluit is van toepassing op beide personeelscategorieën en heeft een synthese gemaakt van de twee vorige stelsels.

De beperking tot maximum 8 dagen per jaar is opgeheven en het verlof wordt niet meer verminderd wanneer het wordt opgenomen in een periode van deeltijds werken.

Het omstandigheidsverlof kan worden gesplitst. Het verlof wordt opgenomen rekening houdend met de door de ambtenaar gegeven verantwoording en de persoonlijke situatie. Het verlof kan eventueel genomen worden in een andere periode dan die van de gebeurtenis zelf.

Niettemin dient er een verband te bestaan tussen de gebeurtenis en het ogenblik waarop het verlof wordt opgenomen.

Zodoende kan bijvoorbeeld het verlof naar aanleiding van een overlijden gesplitst worden om de ambtenaar in de gelegenheid te stellen de nodige formaliteiten te vervullen op de dag van de begrafenis, de formaliteiten bij de notaris, vrederechter, enz.

Een omstandigheidsverlof wordt nu toegekend voor volgende gebeurtenissen : 1° huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, een kleinkind van de ambtenaar;2° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede en de derde graad maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar;3° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie dan de rooms-katholieke van een kind van de werknemer, van zijn echtgeno(o)t(e), of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft;4° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere religie dan de rooms-katholieke van een kind van de werknemer, van zijn echtgeno(o)t(e), of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijstip van de gebeurtenis samenleeft;5° deelneming van een kind van de werknemer, van zijn echtgeno(o)t(e), of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft aan het feest van de « vrijzinnige jeugd »;6° bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter;7° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege;8° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of van een opnemingsbureau; Het omstandigheidsverlof is een recht voor gelijkaardige gebeurtenissen zoals deze bepaald onder 3° en 4° die plaatsvinden binnen de erkende religies. De erkende religies in België zijn de katholieke, de israëlitische, de anglicaanse, de protestantse, de islamitische en de grieks- en russisch-orthodoxe godsdienst.

Een contractueel krijgt nu vier in plaats van twee werkdagen verlof voor zijn huwelijk; voor het huwelijk van een kind bekomt hij twee in plaats van één dag omstandigheidsverlof. Bij het overlijden van de echtgenoot, van de persoon met wie de ambtenaar samenleefde, van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de ambtenaar of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft krijgt hij vier werkdagen in plaats van drie werkdagen verlof.

Omstandigheidsverlof voor verkiezingen Naar aanleiding van verkiezingen wordt aan de voorzitter, bijzitter of secretaris van een stembureau of van een opnemingsbureau omstandigheidsverlof toegekend gedurende de nodige tijd en dit met een maximum van twee werkdagen volgens de volgende modaliteiten : - een dienstvrijstelling op zondag, de dag van de verkiezingen, aan de personeelsleden die optreden als voorzitter, bijzitter of secretaris van een stembureau of een opnemingsbureau maar die volgens hun werktijdregeling op diezelfde dag tot dienstprestaties gehouden zijn. - een dienstvrijstelling op de maandag volgend op de verkiezingen aan de personeelsleden die als voorzitter, bijzitter of secretaris van een stem- of opnemingsbureau, of van een districts-, kanton-, of gemeentelijk hoofdbureau, of van een centraal bureau van het arrondissement optreden, wanneer dat bureau na middernacht (van zondag op maandag) heeft doorgewerkt.

IV. UITZONDERLIJK VERLOF Uitzonderlijk verlof voor kandidaatstelling voor verkiezingen Het verlof voor kandidaatstelling voor verkiezingen is voortaan een recht en werd uitgebreid tot de verkiezingen voor de Gewest- en Gemeenschapsraden, de provincieraden, de gemeenteraden en het Europese Parlement.

Deze verloven worden toegekend voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen. Om de duur van de verkiezingscampagne te bepalen wordt de datum van de effectieve kandidaatstelling voor een bepaalde verkiezing bij de voorzitter van het hoofdbureau in aanmerking genomen. Op 13 juni 1999 vinden verkiezingen plaats. Dit betekent voor de volgende verkiezingen dat : - Voor de Vlaamse Raad, Waalse Gewestraad, Brusselse Hoofdstedelijke Raad of Raad van de Duitstalige Gemeenschap gebeurt de indiening van de voordrachtsakte op de 29ste of de 28ste dag voor de stemming. - in casu, 15 of 16 mei 1999. - Voor de Kamer en de Senaat gebeurt de indiening van de voordrachtsakte op de 25ste of de 24ste dag voor de stemming. - in casu, 19 of 20 mei 1999. - Voor het Europees Parlement gebeurt de indiening van de voordrachtsakte op de 58ste of de 57ste dag voor de stemming. - in casu, 16 of 17 april 1999.

In de loop van 2000 zullen verkiezingen plaatsvinden voor provincie- en gemeenteraden. - Voor de provincieraadsverkiezingen gebeurt de indiening van de voordrachtsakte op de 29ste of de 28ste dag voor de stemming. - Voor de gemeenteraadsverkiezingen gebeurt de indiening van de voordrachtsakte op de 29ste of de 28ste dag voor de stemming.

Uitzonderlijk verlof voor stage- of proefperiode Het verlof voor stage of proefperiode geeft het recht aan de vastbenoemde ambtenaren om een proeftijd in een andere betrekking van een overheidsdienst of van het gesubsidieerd onderwijs te vervullen.

Voor instellingen waarbij de eis gesteld wordt dagen voorafgaande aan de stage (onderwijs) te presteren kan de notie proeftijd ruim worden geïnterpreteerd en dus zowel de aan de stage voorafgaande dagen dienst als de stage zelf omvatten.

Het verlof voor stage kan niet toegestaan worden aan een personeelslid voor een stage op deeltijdse basis.

Het verlof voor stage kan niet worden toegestaan aan een ambtenaar om een proeftijd te vervullen als contractueel met een arbeidsovereenkomst.

Uitzonderlijk verlof voor deelname aan assisenjury De ambtenaar bekomt uitdrukkelijk verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit voor de duur van de zitting; voorheen werd dit per omzendbrief geregeld.

Uitzonderlijk verlof voor prestaties bij de Civiele Bescherming Dit verlof is een recht voor de ambtenaar om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer. Het besluit voorziet geen enkele gelijkaardige vorm van verlof voor diensten bij een ander korps met een gelijkaardige opdracht (bijvoorbeeld ambulancier bij de brandweer).

Uitzonderlijk verlof wegens overmacht Het uitzonderlijk verlof wegens overmacht dat kan worden opgenomen in geval van ziekte of ongeval overkomen aan een persoon met wie de ambtenaar onder hetzelfde dak woont is een recht geworden. Het werd bovendien uitgebreid tot een kind van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft.

De voorwaarde dat het verlof moet worden genomen voor de opvang van een ziek familielid thuis wordt geschrapt. Het is immers weinig zinvol dat de aanwezigheid thuis nog wordt vereist. Volgens een voorbijgestreefde interpretatie leidde dit ertoe dat dit verlof niet kon worden toegestaan wanneer een kind opgenomen werd in een hospitaal. Dit had dan ook tot gevolg dat ouders geen gebruik konden maken van dit sociaal verlof wanneer zij hun kind wilden bijstaan bij hospitalizering, of wanneer zij hun kind wilden begeleiden voor een kleine ingreep in het hospitaal die geen volledige dag in beslag nam.

In het koninklijk besluit wordt eveneens bepaald dat het aantal dagen niet meer evenredig verminderd wordt wanneer het verlof wordt opgenomen in een periode van deeltijds werken.

Uitzonderlijk verlof voor het vergezellen van mindervaliden Dit verlof is een recht en kan niet meer worden geweigerd in het belang van de dienst. Mits vervulling van de voorwaarden die in het besluit zijn opgesomd bekomt de ambtenaar maximum 5 werkdagen per jaar.

Uitzonderlijk verlof voor het afstaan van beenmerg, organen en weefsels Het verlof voor het afstaan van beenmerg kwam reeds voor in het verlofbesluit 1.06.1964. Artikel 23 maakt het mogelijk dat de ambtenaar een verlof bekomt voor het afstaan van organen of weefsels en dit voor de nodige duur van de hospitalisatie, de vereiste herstelperiode alsook voor de nodige duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken.

V. MOEDERSCHAPSBESCHERMING Bevallingsverlof Artikel 39 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 inzake de bescherming van het moederschap is gewijzigd en heeft het prenataal verlof op 9 weken (i.p.v. 7 weken) gebracht wanneer een meervoudige geboorte voorzien wordt. Deze twee weken bijkomend prenataal verlof zijn eveneens bezoldigd. Deze bepaling heeft uitwerking op 16 februari 1999.

De afwezigheid wegens ziekte in de zes weken voor de zevende dag die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, wordt slechts in bevallingsverlof omgezet als de ziekte te wijten is aan de zwangerschap. Dit betekent dat wanneer een vrouwelijke ambtenaar afwezig is wegens ziekte, die geen verband houdt met de zwangerschap, de afwezigheid niet wordt omgezet in bevallingsverlof.

Stel bijvoorbeeld dat een vrouw twee weken thuis dient te blijven ten gevolge van een enkelverstuiking, en dit in de zes weken voor de zevende dag die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat. In zo'n situatie bekomt de ambtenaar twee weken ziekteverlof, dit verlof wordt niet omgezet in bevallingsverlof.

In het koninklijk besluit wordt een bepaling opgenomen voor de vrouwelijke ambtenaar die haar prenataal verlof van zeven weken heeft opgebruikt en van wie de bevalling uitblijft. Voorheen werden, bij gebrek aan specifieke bepalingen de bijkomende afwezigheidsdagen gedekt door een ziekteverlof, wat bijgevolg het kapitaal aan ziekteverlof aantast. Daar deze bepaling in strijd is met de Europese richtlijn 92/85 wordt in het besluit nu uitdrukkelijk bepaald dat de betrokkene tijdens een dergelijke periode in bevallingsverlof is en haar bezoldiging ontvangt (art. 27).

Bijvoorbeeld, voor een vrouwelijke ambtenaar wordt de vermoedelijke bevallingsdatum door de dokter vastgesteld op 19 juli. Zij besluit om zes weken prenataal verlof te nemen namelijk van 1 juni tot en met 12 juli, ook moet zij de zeven dagen voor de vermoedelijke bevallingsdatum in bevallingsverlof zijn dus van 13 juli tot en met 19 juli. De bevalling gebeurt echter na de voorziene datum, het kind wordt geboren op 26 juli. Het postnataal verlof gaat dan in op 27 juli en dit tot en met 20 september. Dit betekent dat de vrouwelijke ambtenaar één week extra prenataal verlof wordt toegekend. Deze week wordt eveneens bezoldigd en wordt niet in mindering gebracht op de acht weken postnataal verlof.

In deze situatie wordt een afwijking toegestaan op het principe dat de bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar bevallingsverlof geniet niet meer dan vijftien weken mag bestrijken.

In het voorbeeld betekent dit dat het bevallingsverlof 16 weken bedraagt en in het geheel wordt bezoldigd.

Krachtens artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan het postnataal verlof, dat gelijk is aan acht weken volgend op de bevalling, verlengd worden met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin de betrokkene verder gearbeid heeft vanaf de zevende week vóór de werkelijke datum van de bevalling. De Koning kan daartoe bepaalde afwezigheden gelijkstellen met periodes van arbeid : het kan inderdaad gebeuren dat de werkneemster tijdens deze zeven weken niet echt verder « gewerkt » heeft maar dat zij bijvoorbeeld afwezig geweest is wegens jaarlijks vakantieverlof.

De Koning heeft voor de privé-sector van dit prerogatief gebruik gemaakt door het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 uit te vaardigen waarbij bepaalde periodes aan periodes van arbeid gelijkgesteld worden met het oog op de verlenging van de periode van werkonderbreking tot na de achtste week na de bevalling (Belgisch Staatsblad van 7 november 1991). Vermits dit koninklijk besluit afwezigheden beoogt die eigen zijn aan de privé-sector, bestaat er twijfel over de toepasselijkheid ervan op de overheidssector. Door artikel 28 van het koninklijk besluit wordt de twijfel opgeheven. De bepaling luidt als volgt : kunnen tot na het postnataal verlof verschoven worden het jaarlijks vakantieverlof, de afwezigheden wegens ziekte die niet te wijten is aan de zwangerschap, zowel de reglementaire als de wettelijke feestdagen, het verlof om dwingende redenen van familiaal belang, het omstandigheidsverlof en het uitzonderlijk verlof wegens overmacht als gevolg van ziekte van sommige gezinsleden.

De compensatiedagen die werden vastgelegd in de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar en in de plaats komen van feestdagen die op een zaterdag of zondag vielen, kunnen ook worden beschouwd als feestdagen die tot na het postnataal verlof kunnen worden verschoven.

Het protocol nr. 75 dat op 6 juli 1994 in het gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten werd afgesloten en dat het intersectoraal akkoord 1993-1994 bevat, voorziet in een verbod op overuren voor alle werkneemsters die zwanger zijn of die borstvoeding geven.

Krachtens artikel 3 van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling II, die betrekking hebben op de arbeidsduur, niet toepasselijk op de personen die tewerkgesteld zijn door de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behalve indien ze zijn tewerkgesteld door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen.

Voor de rijksbesturen en de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het statuut van het rijkspersoneel wordt de maximale wekelijkse arbeidsduur door artikel 6 van het koninklijk besluit vastgesteld : volgens die bepaling mag de gemiddelde maximum arbeidsduur per week 38 uur niet overschrijden.

Het voorschrift van het protocol nr. 75 wordt in het koninklijk besluit ingevoerd door de regel die verbiedt dat vrouwelijke personeelsleden van de rijksbesturen tijdens de zwangerschap meer dan 38 uur per week zouden werken. Uren gepresteerd in een systeem van variabele uurroosters kunnen echter wel nog worden gecompenseerd.

Wanneer het pasgeboren kind evenwel gedurende ten minste acht weken, te rekenen vanaf zijn geboorte, in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan de ambtenaar het resterend facultatieve verlof waarop zij nog recht heeft, uitstellen tot op het ogenblik waarop het pasgeboren kind naar huis komt. Met dat doel bezorgt de ambtenaar aan haar dienst : a) op het ogenblik dat zij het werk herneemt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen is sinds ten minste acht weken;b) op het ogenblik dat zij het resterende facultatieve verlof aanvraagt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting dat de datum vermeldt waarop het pasgeboren kind de inrichting verlaat. Verlof voor prenatale medische onderzoeken Dit verlof werd reeds opgenomen in het vorige verlofbesluit. Het stelt de ambtenaren in staat naar prenatale medische onderzoeken te gaan, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden.

Verwijdering van de arbeidsplaats De wet van 3 april 1995, die in het Belgisch Staatsblad van 10 mei 1995 werd bekendgemaakt en die sommige bepalingen betreffende de bescherming van de moederschap aanpast, heeft de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 betreffende de bescherming van het moederschap grondig herwerkt teneinde de Europese richtlijn 92/85 uit te voeren. In zoverre deze bepalingen op de overheidssector toepasselijk zijn, volstaan ze niet.

Ter uitvoering van de wet van 3 april 1995 werd een koninklijk besluit van 2 mei 1995 uitgevaardigd met het oog op de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie. Dit koninklijk besluit is van toepassing op de werknemers en de werkgevers, bedoeld in artikel 1 van de arbeidswet van 16 maart 1971 : gelet op de begrippen die in dat artikel 1 worden gebruikt is het koninklijk besluit van 2 mei 1995 toepasselijk op de overheidssector.

De maatregelen getroffen met het oog op de bescherming van werkneemsters die zwanger of bevallen zijn of die borstvoeding geven tegen mogelijke risico's op het arbeidsterrein zijn dus toepasselijk op de overheidssector. De overheid heeft als werkgever dus de verplichting de risico's voor de gezondheid en veiligheid van deze werkneemsters van de blootstelling aan de agentia, procédés en arbeidsomstandigheden, waarvan de lijst is vastgelegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 1995, te evalueren.

Indien er dergelijke risico's bestaan, dient men de arbeidsomstandigheden van de werkneemster aan te passen, haar werkplaats te wijzigen of haar van arbeid vrij te stellen tijdens de periode die nodig is om haar veiligheid of gezondheid te beschermen.

Wat de overheidssector betreft schept de eerste maatregel (aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of de arbeidstijd) geen toepassingsmoeilijkheden : hij ressorteert onder het beheer der diensten dat de taak is van elke werkgever. De tweede maatregel (verandering van arbeidsplaats) komt neer op een verandering van aanwijzing die voorlopig is : de toepassing ervan vergt geen specifieke verordenings-bepaling. De overheid waaronder de werkneemster ressorteert is verantwoordelijk voor de organisatie van haar diensten.

De derde maatregel (vrijstelling van arbeid) vergt een specifieke verordeningsbepaling. De wet van 3 april 1995 heeft de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten gewijzigd en daarbij uitdrukkelijk bepaald dat de arbeidsovereenkomst in dat geval wordt opgeschort. Dat regelt de toestand van de ambtenaar uiteraard niet. In het koninklijk besluit is er thans voorzien in een verlof van ambtswege ten gunste van de ambtenaar die uit zijn arbeidsplaats dient te worden verwijderd. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit en is dus bezoldigd.

Vaderschapsverlof als omzetting van het bevallingsverlof Artikel 39, zesde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt de duur, de voorwaarden en de nadere regelen waaronder, bij overlijden of hospitalisatie van de moeder, de afwezigheden als gevolg van het moederschap omgezet worden in vaderschapsverlof. In het koninklijk besluit van 17 oktober 1994 werd artikel 39, zesde lid, van de arbeidswet voor de privé-sector toepasselijk gemaakt op de ambtenaren die bij arbeidsovereenkomst in de overheidssector in dienst werden genomen (art. 33).

Er wordt voortaan ook voor de ambtenaren een vaderschapsverlof ingesteld, om de opvang van het kind te verzekeren wanneer, op de datum van de bevalling, de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis opgenomen wordt.

In geval van overlijden van de moeder moet het vaderschapsverlof een zelfde duur hebben als het door de moeder niet opgebruikte moederschapsverlof. Om dit verlof te verkrijgen moet de ambtenaar de overheid waaronder hij ressorteert hiervan schriftelijk op de hoogte brengen, en dit binnen de zeven dagen volgend op het overlijden van de moeder; deze aanvraag moet gestaafd worden met een uittreksel uit de overlijdensakte.

In het geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die de vader is, het vaderschapsverlof eveneens verkrijgen op voorwaarde dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft en dat de hospitalisatie van de moeder een duur heeft die de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling overschrijdt. De ambtenaar moet een getuigschrift indienen dat de datum van de bevalling, de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft en de duur van de hospitalisatie bovenop de zeven dagen volgend op de bevalling, aangeeft. Het vaderschapsverlof begint ten vroegste op de zevende dag volgend op die van de bevalling; het wordt beëindigd op het ogenblik van de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het door de moeder niet opgebruikte bevallingsverlof.

Het vaderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit : het is dus bezoldigd en komt in aanmerking voor het bepalen van de administratieve en geldelijke anciënniteit van de ambtenaar.

VI. OUDERSCHAPSVERLOF Onbezoldigd ouderschapsverlof Het koninklijk besluit van 1 juni 1964 voorzag dat een ambtenaar, zowel de vader als de moeder, aanspraak kon maken bij de geboorte van een kind op een ouderschapsverlof. De duur van dit verlof mocht de drie maanden per kind niet overschrijden en diende genomen te worden binnen het jaar na de geboorte van het kind.

Dit verlof diende aangepast te worden aan de Europese richtlijn 92/85 van 3 juni 1996 inzake ouderschapsverlof. Deze richtlijn kent het recht toe aan de mannelijke en vrouwelijke werknemers op een verlof naar aanleiding van de geboorte of de adoptie van een kind. Dit moet hen toelaten zich bezig te houden met het kind gedurende een periode van ten minste drie maanden en dit volgens de Europese richtlijn tot een leeftijd die kan gaan tot acht jaar.

Het ouderschapsverlof van maximum drie maanden wordt nu aan de ambtenaar in dienstactiviteit toegestaan bij de geboorte of de adoptie van een kind. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van tien jaar bereikt heeft. Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed en wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het verlof kan op vraag van de ambtenaar gesplitst worden in maanden en moet genomen worden met volledige dagen.

Met het oog op een goed beheer van de diensten dient het verlof te worden aangevraagd minstens drie maanden op voorhand, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.

Voor de ambtenaren die voor 1 december reeds ouderschapsverlof hebben opgenomen, worden deze periodes niet aangerekend op de maximumperiode van 3 maanden van deze nieuwe vorm van ouderschapsverlof.

Het ouderschapsverlof wordt ook van toepassing gemaakt op de contractuelen.

Loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof De ambtenaar in dienstactiviteit geniet daarnaast een ouderschapsverlof van drie maanden in geval van volledige onderbreking of van zes maanden in geval van halftijdse onderbreking. De ambtenaar geniet ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een onderbrekingstoelage van 17.411 frank in geval van volledige onderbreking en van 8.705 frank in geval van halftijdse onderbreking.

Indien het ouderschapsverlof genomen wordt naar aanleiding van de geboorte van een kind moet dat gebeuren vóór het kind de leeftijd van 4 jaar bereikt heeft. In geval van adoptie zou het verlof moeten genomen worden vóór het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt en binnen een periode van 4 jaar te rekenen vanaf de inschrijving van het kind als lid van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. Als het kind door een zware handicap is aangetast wordt het ouderschapsverlof toegekend tot het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt heeft. Dit ouderschapsverlof is niet van toepassing op het contractueel personeel van de rijksbesturen, dat valt onder de reglementering die van toepassing is op de werknemers van de privé-sector.

De drie maanden ouderschapsverlof zonder vergoeding zijn cumuleerbaar met de drie maanden ouderschapsverlof in de vorm van loopbaanonderbreking.

VII. OPVANGVERLOF VOOR ADOPTIE Een opvangverlof wordt toegestaan wanneer een kind beneden tien jaar in een gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.

Het adoptieverlof bedraagt ten hoogste zes of ten hoogste vier weken naargelang het opgenomen kind de leeftijd van drie jaar nog niet heeft bereikt of reeds heeft bereikt. De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind minder-valide is.

In vergelijking met het opvangverlof voor adoptie voorzien in het besluit van 1 juni 1964 werden volgende bepalingen geschrapt : - het opvangverlof, indien de ambtenaar gehuwd was en zijn echtgenoot eveneens rijksambtenaar was, op aanvraag van de adoptanten, onder hen verdeeld kon worden; - indien slechts één van de echtgenoten adopteerde, alleen hij het verlof kon genieten; - het opvangverlof slechts werd toegestaan indien de echtgenoot die het niet genoot een winstgevende bezigheid buiten het gezin uitoefende.

De duur van het opvangverlof voor contractuelen is in dit besluit uitgebreid. Zij kunnen nu ook ten hoogste zes of vier weken opvangverlof krijgen naargelang de leeftijd van het opgenomen kind.

VIII. VERLOF OM DWINGENDE REDENEN VAN FAMILIAAL BELANG Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang is een recht geworden indien er zich een dergelijke dwingende reden voordoet. Het verlof kan niet meer worden geweigerd in het belang van de dienst.

Het begrip dwingende redenen van familiaal belang moet op een brede manier worden geïnterpreteerd wat evenwel niet wegneemt dat deze redenen op een voldoende wijze moet worden aangetoond.

Het verlof kan opgenomen worden in volledige dagen of in halve dagen.

IX. VERLOF WEGENS ZIEKTE Verlof wegens arbeidsongeval of beroepsziekte Het protocol nr. 75 dat op 6 juli 1994 in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten werd afgesloten, bepaalt dat de afwezigheden ingevolge de verwijdering uit een schadelijke omgeving, wanneer er niet in vervangingswerk kan worden voorzien, niet op het ziektekrediet wordt aangerekend. Om dit punt van het protocol nr. 75 uit te voeren wordt er in het koninklijk besluit een bepaling ingevoerd die een specifiek verlof creëert. Aldus worden de afwezigheden van de ambtenaar die de uitoefening van zijn ambt moet stopzetten, omdat hij door een beroepsziekte bedreigd wordt, niet als ziekteverlof verrekend. Dit specifiek verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld en is dus bezoldigd.

Verlof wegens ziekte bij een ongeval veroorzaakt door een derde De dagen ziekteverlof als gevolg van een ongeval dat door de fout van een derde is veroorzaakt en dat geen arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk is, wordt niet verrekend om het aantal dagen ziekteverlof te bepalen waarop een ambtenaar gezien zijn dienstanciënniteit aanspraak kan maken. Deze neutralisering wordt slechts verricht ten belope van het aansprakelijkheidspercentage dat erkend is in hoofde van de derde aan wie het ongeval te wijten is en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de Staat.

Als bijlage II van deze omzendbrief is een formulier gevoegd dat hiertoe kan gebruikt worden. Voor een goed beheer van deze dossiers wordt verzocht dat deze gegevens zo volledig mogelijk verstrekt worden.

Deze regeling is ook van toepassing op de ongevallen die zich voordeden vóór 1 december 1998. Wel met die verstande dat het alleen kan gaan om ziekteverloven die na 1 december 1998 werden toegekend ten gevolge van een ongeval veroorzaakt door een derde en waarvoor de indeplaatsstelling van de Staat gebeurde.

X. VERLOF VOOR VERMINDERDE PRESTATIES WEGENS ZIEKTE De halve-dagprestaties dienen onmiddellijk aan te sluiten op het volledige ziekteverlof. De verminderde prestaties moeten elke dag worden genomen en moeten de ambtenaar toelaten om na een periode van zware of langdurige ziekte opnieuw in het arbeidsritme te komen.

Indien de sociaal-medische rijksdienst van oordeel is dat een wegens ziekte afwezige ambtenaar geschikt is om zijn ambt terug op te nemen met halve-dagprestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de secretaris-generaal onder wie de ambtenaar ressorteert.

De secretaris-generaal kan niet meer `de goede werking van de dienst' inroepen om een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte te weigeren. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte is een recht geworden voor de ambtenaren en de toekenning ervan valt voortaan onder de verantwoordelijkheid van de sociaal-medische rijksdienst.

De regel volgens dewelke de ambtenaar de limiet van 90 dagen halve-dagprestaties niet mocht overschrijden in een periode van tien jaar dienstactiviteit is opgeheven.

De verminderde prestaties worden toegekend voor een periode van maximum dertig kalenderdagen. Verlengingen van eenzelfde maximumperiode kunnen telkens worden toegestaan na een gunstig advies van de sociaal-medische rijksdienst.

Rekening houdend met het feit dat het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte werd ingevoerd om ambtenaren die afwezig zijn geweest wegens ziekte de mogelijkheid te geven zich opnieuw aan te passen aan een volledige dagtaak, kan vakantieverlof enkel uitzonderlijk en voor een beperkte periode worden toegekend. Het vakantieverlof zal in dit geval aangerekend worden a rato van een halve dag per dag afwezigheid.

XI. OPLEIDINGSVERLOF Zie omzendbrief nr. 455 van 3 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1998) en omzendbrief nr. 455bis van 30 juni 1998 (Belgisch Staatsblad van 4 juli 1998) betreffende de opvang en opleiding van de personeelsleden van de rijksbesturen.

XII. VERLOF VOOR HET UITOEFENEN VAN EEN AMBT BIJ EEN MINISTERIEEL KABINET Het personeelslid bekomt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een federaal minister of staatssecretaris of bij het kabinet van de voorzitter of van een lid van de regering van een Gemeenschap of een Gewest of van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Voorheen werd deze bepaling niet expliciet opgenomen in het koninklijk besluit van 1 juni 1964.

XIII. VERLOF VOOR OPDRACHT VAN ALGEMEEN BELANG De jeugdbewegingen, -diensten, of -groeperingen of culturele instellingen dienen erkend te zijn door de bevoegde overheid en tevens werd de leeftijdsgrens van veertig jaar geschrapt.

Elke minister kan, met de instemming van de betrokkene, een personeelslid dat onder hem ressorteert met het uitvoeren van een opdracht belasten. Dit personeelslid kan ook, met de toestemming van de minister waaronder hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.

De toestemming wordt verleend voor een duur van ten hoogste twee jaar.

Zij is vernieuwbaar voor periodes van ten hoogste dezelfde duur. Voor de duur van een opdracht gedekt door de eerste machtiging is het personeelslid met verlof.

Een opdracht bewaart voortaan zijn karakter van algemeen belang voor zolang de aard van de uitgeoefende functie hetzelfde overwegend belang behoudt voor het land, de Belgische regering of de Belgische administratie als deze die werd erkend op het ogenblik van de toekenning van de tweede dienstvrijstelling. Het karakter van algemeen belang dient dus slechts éénmaal erkend te worden door de Minister van Ambtenarenzaken voor een zelfde opdracht uitgevoerd door een zelfde persoon in plaats van om de twee jaar. Dit sluit niet uit dat de verlengingen van het verlof voor opdracht moeten aangevraagd worden bij de minister waaronder de ambtenaar ressorteert en dit met periodes van maximum 2 jaar.

Om te vermijden dat een personeelslid via een opdracht van algemeen belang een dubbele loopbaan zou uitbouwen, moeten de volgende richtlijnen strikt toegepast worden : - Parallelle loopbanen worden niet toegestaan, d.w.z. dat een benoeming in vast verband bij een internationale instelling of bij een federaal openbaar bestuur niet meer als een opdracht van algemeen belang wordt beschouwd. Dat brengt mee dat de betrokkene door de benoemende overheid van zijn dienst van zijn oorsprong in de stand van non-activiteit moet worden geplaatst indien die overheid oordeelt dat hij de uitoefening van zijn opdracht mag voortzetten; zoniet, dan dient de betrokkene te kiezen voor de ene of de andere van beide loopbanen. - De Minister van Ambtenarenzaken zal het karakter van algemeen belang van de opdracht nog slechts kunnen erkennen, indien de minister onder wie de ambtenaar ressorteert het belang aantoont dat het land, de regering of de administratie heeft bij het vervullen van de opdracht.

Indien het algemeen belang niet kan aangetoond worden, zal het personeelslid op non-activiteit dienen gesteld te worden.

XIV. AFWEZIGHEID VAN LANGE DUUR WEGENS PERSOONLIJKE AANGELEGENHEDEN In de vorige reglementering konden de ambtenaren een disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden bekomen op grond van artikel 16 tot artikel 17bis van het koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het rijkspersoneel.

Disponibiliteit kon toegekend worden voor een periode van maximum twee jaar, maar was hernieuwbaar indien de ambtenaar het werk hernomen had voor een redelijke termijn. Tijdens dit verlof zonder wedde verloor de ambtenaar zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde maar kon hij als werknemer tewerkgesteld worden in de privé-sector. Disponibiliteit werd dan ook meestal om die redenen aangevraagd.

De disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheid wordt nu vervangen door een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. Dit betekent dat de ambtenaar een voltijds onbetaald verlof bekomt en dit voor een maximumperiode, die niet hernieuwbaar is, van twee jaar voor zijn volledige loopbaan. Op deze maximumperiode van twee jaar worden geen opgenomen periodes van disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden aangerekend die werden opgenomen volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 november 1967.

Het verlof moet opgenomen worden in periodes van minimum zes maanden; tijdens zijn verlof bevindt de ambtenaar zich in de administratieve stand non-activiteit. Tijdens dit verlof kan de ambtenaar werken in de privé-sector.

De aanvraag gebeurt net zoals voor een verlenging minstens drie maanden op voorhand, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.

XV. LOOPBAANONDERBREKING Een ambtenaar kan verlof bekomen om zijn loopbaan volledig of voor een kwart, een derde of de helft van zijn normale prestaties te onderbreken.

Tot de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 19 november 1998 moest dit verlof genomen worden voor periodes van minimum zes maanden en maximum twaalf maanden. Nu kan dit voor al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.

De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan 72 maanden tijdens de hele loopbaan. Dit geldt ook voor de periodes van deeltijdse loopbaanonderbreking. De periodes van volledige loopbaanonderbreking en de periodes van deeltijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.

Voor de ambtenaren die vóór 1 december 1998 hun loopbaan volledig hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op het totaal van 72 maanden. De periodes van deeltijdse loopbaanonderbreking genoten vóór 1 december 1998 of die liepen op 1 december 1998 (en deze laatste voor de toegestane duur) worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het recht op 72 maanden deeltijdse loopbaanonderbreking.

De bepaling om een loopbaanonderbreking van twaalf weken aan te vragen naar aanleiding van de geboorte van een kind van de ambtenaar wordt dan ook opgeheven.

De deeltijdse loopbaanonderbreking die enkel ingevoerd was in de privé-sector en daarom ook van toepassing was op het personeel dat met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen is, wordt nu uitgebreid tot het statutair personeel.

De deeltijdse loopbaanonderbreking komt in de plaats van het stelsel van de verminderde prestaties wegens sociale of familiale redenen. Dit betekent dat een ambtenaar naast een volledige onderbreking van zijn loopbaan, zijn loopbaan ook gedurende een periode van zes jaar deeltijds kan onderbreken en dit ten belope van 1/4, 1/3 of 1/2 van zijn normale prestaties.

Deze prestaties worden ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week verricht.

In het eerste geval kan dit bijvoorbeeld voor iemand die halftijds werkt een verdeling zijn waarbij de ambtenaar de ene week 's voormiddags en de andere week 's namiddags werkt. In het tweede geval kan het bijvoorbeeld een verdeling zijn waarbij elke week 2,5 dag wordt gewerkt of de ene week 1 dag en de daaropvolgende week 4 dagen.

Een verdeling van de prestaties over de maand is niet meer mogelijk.

Dit betekent dat iemand die halftijds werkt zijn kalender niet meer zodanig kan vastleggen dat hij afwisselend twee weken voltijds werkt en twee weken van niet-prestaties heeft of 1 week voltijds werkt en 1 week niet.

Loopbaanonderbreking voor zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid De ambtenaar kan zijn loopbaan onderbreken voor het verstrekken van verzorging aan een lid van zijn gezin of een familielid tot in de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte, met al dan niet opeenvolgende periodes van tenminste een maand of ten hoogste drie maanden.

De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan twaalf maanden per patiënt tijdens de loopbaan. De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan vierentwintig maanden per patiënt tijdens de loopbaan.

Voor de toepassing van dit verlof wordt als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de ambtenaar samenwoont en als familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.

Onder ernstige ziekte dient te worden verstaan elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer als dusdanig wordt beschouwd en waarvoor deze van mening is dat enige vorm van sociale, familiale of geestelijke hulp noodzakelijk is voor het herstel.

De ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om een lid van zijn gezin of een familielid dat ernstig ziek is bij te staan of het verzorging te verstrekken, brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zieke lid van het gezin of familielid en waarbij vastgesteld wordt dat de ambtenaar zich bereid verklaard heeft de ernstig zieke persoon bij te staan of verzorging te verstrekken.

De onderbreking neemt een aanvang de eerste dag van de week volgend op die gedurende welke de voormelde mededeling is gebeurd.

Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds onderbreekt met toepassing van dit verlof wordt een uitkering van 17.411 frank toegekend. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan deeltijds onderbreekt met toepassing van dit verlof wordt een prorata uitkering toegekend.

Loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen Iedere ambtenaar heeft recht op een volledige of een gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor de palliatieve verzorging van een zieke.

Onder palliatieve verzorging wordt verstaan, elke vorm van bijstand inzonderheid medische, sociale, administratieve of psychologische hulpverlening aan een ongeneeslijk, in de terminale fase verkerende zieke. Volgens deze definitie moet verzorging dus in de ruime zin worden opgevat, aangezien ook morele of psychologische hulp aan een terminale zieke in aanmerking komt.

De zieke hoeft geen bloedverwant te zijn van de ambtenaar en hoeft ook niet buiten het ziekenhuis verpleegd te worden. Om het verlof te kunnen genieten moet de ambtenaar een medisch getuigschrift voorleggen van de behandelende geneesheer van de zieke, waaruit blijkt dat de ambtenaar ermee instemt om de verzorging op zich te nemen.

De duur van het verlof wegens palliatieve verzorging bedraagt één maand, verlengbaar met nog eens één maand. In de loop van de beroepsloopbaan mag een ambtenaar meermaals een beroep doen op dit soort van loopbaanonderbreking, zonder dat deze periodes worden aangerekend op de periodes van 72 maanden loopbaanonderbreking.

Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds onderbreekt met toepassing van dit verlof wordt een uitkering van 17.411 frank toegekend.

XVI. VERMINDERDE PRESTATIES VOOR PERSOONLIJKE AANGELEGENHEID De ambtenaar kan zijn ambt met verminderde prestaties uitoefenen voor persoonlijke aangelegenheden. Ook hier dienen de prestaties ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week verricht dienen te worden. De prestaties die verricht moeten worden kunnen niet meer verdeeld worden over de maand (zie hoger).

De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand.

Indien de ambtenaar geen recht meer heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 of afziet van deze uitkeringen, wordt de loopbaanonderbreking niet meer omgezet in disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden, maar voor die periode wel in de administratieve stand van non-activiteit.

XVII. WEERSLAG VAN VERLOVEN EN AFWEZIGHEDEN OP DE PENSIOENEN VAN DE OPENBARE SECTOR Het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, heeft niets gewijzigd aan de principes inzake de aanneembaarheid van de verloven voor het pensioen van de openbare sector; deze liggen hoofdzakelijk vervat in de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas.

Bezoldigde verloven en afwezigheden komen in aanmerking voor het recht op en de berekening van het pensioen ten laste van de Openbare Schatkist. Hetzelfde geldt in principe voor de perioden gedurende welke het personeelslid zich onbezoldigd in een toestand bevindt die met dienstactiviteit is gelijkgesteld.

De perioden van disponibiliteit met een wachtgeld zijn eveneens aanneembaar voor het openen van het recht op pensioen en de berekening ervan.

Indien deze aanneembare verloven of afwezigheden in de periode vallen die in aanmerking komt voor het vaststellen van de referentiewedde op grond waarvan het pensioen wordt berekend, wordt voor die verloven of afwezigheden rekening gehouden met de wedden en de weddebijslagen die de betrokkene zou genoten hebben indien hij gewoon in dienst was gebleven. Voor de ambtenaar die in disponibiliteit met wachtgeld is gesteld zonder recht op bevordering tot een hogere wedde, wordt de referentiewedde in voorkomend geval vastgesteld op basis van zijn laatste activiteitswedde en zijn laatste weddebijslag.

Het verlof zonder wedde dat niet gelijkgesteld is met dienstactiviteit kan slechts voor ten hoogste één maand per kalenderjaar in aanmerking genomen worden (b.v. de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden).

Voor een zelfde periode kan in principe geen dubbel pensioenvoordeel toegekend worden, tenzij verschillende ambten gelijktijdig werden uitgeoefend. De aanneembaarheid van een periode van verlof of afwezigheid blijft dan ook zonder uitwerking indien tijdens die periode diensten werden verstrekt die in aanmerking komen voor de berekening van een pensioen in één van de pensioenstelsels van de openbare sector die vermeld worden in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector. Zo zal het verlof dat aan een rijksambtenaar werd toegestaan om hem toe te laten een stage te vervullen in een gesubsidieerde vrije middelbare school niet meer in aanmerking genomen worden indien die diensten als stagiair meetellen voor het pensioen ten laste van de Openbare Schatkist. Anderzijds, zo een rijksambtenaar een bijambt als deeltijds gemeentebibliothecaris blijft verder zetten terwijl hij als rijksambtenaar in disponibiliteit met een wachtgeld werd gesteld, zal de periode van disponibiliteit toch in aanmerking komen voor zijn pensioen ten laste van de Openbare Schatkist indien hem voor zijn diensten als bibliothecaris een afzonderlijk gemeentelijk pensioen wordt toegekend.

Indien een rijksambtenaar tijdens een onbezoldigde periode van afwezigheid die met dienstactiviteit is gelijkgesteld of tijdens een periode van disponibiliteit met een wachtgeld een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die hem aanspraak verleent op een pensioen of een rente krachtens een niet in artikel 1 van voornoemde wet van 14 april 1965 bedoelde pensioenregeling, wordt het gedeelte van dat pensioen of die rente (b.v. een werknemerspensioen ten laste van de Rijksdienst voor Pensioenen) dat met de periode van afwezigheid of disponibiliteit overeenstemt, afgetrokken van de verhoging van het pensioen ten laste van de Openbare Schatkist die het gevolg is van de inaanmerkingneming van diezelfde periode. Ten aanzien van de uit verzekeringscontracten voortvloeiende voordelen wordt deze vermindering evenwel beperkt tot het gedeelte van die voordelen dat overeenstemt met de door de werkgever gestorte premies.

Wanneer een rijksambtenaar, wegens het uitoefenen van een opdracht of een mandaat, een pensioen of een als zodanig geldend kapitaal ontvangt van een vreemde Staat, van een vreemde publiekrechterlijk persoon of van een internationale instelling, mag de periode van verlof wegens opdracht waarop dit voordeel betrekking heeft niet in aanmerking genomen worden om het bedrag van het pensioen van de openbare sector vast te stellen, tenzij de gepensioneerde erom verzoekt. In dat laatste geval dient het gedeelte van het door de buitenlandse of internationale macht of instelling toegekende voordeel dat met de periode van verlof wegens opdracht overeenstemt, afgetrokken te worden van de verhoging van het pensioen van de openbare sector die het gevolg is van de inaanmerkingneming van diezelfde periode (artikel 46bis van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen).

De aanneembaarheid van sommige niet bezoldigde verloven die met dienstactiviteit gelijkgesteld zijn, van de perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van een halftijdse vervroegde uittreding of van een vrijwillige vierdagenweek zoals die werden ingevoerd bij de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, alsook van de perioden van volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking, dient in voorkomend geval beperkt te worden in toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten.

Inzake pensioenen wordt de loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken gelijkgesteld met een gewone loopbaanonderbreking.

Voor het recht op het rustpensioen, en in principe ook voor de berekening ervan, komen de eerste twaalf maanden tijdens welke volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking wordt genomen volkomen gratis in aanmerking, alsof er geen loopbaanonderbreking was geweest.

De volgende achtenveertig maanden waarin volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking wordt genomen, tellen mee voor het pensioen mits tijdige storting van de vereiste persoonlijke bijdragen.

De storting van deze bijdragen is evenwel niet vereist voor een periode van ten hoogste vierentwintig maanden gedurende welke de betrokkene of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt voor een kind dat minder dan 6 jaar oud is.

Deze periode moet niet noodzakelijk overeenstemmen met het tweede en het derde jaar loopbaanonderbreking.

De perioden van loopbaanonderbreking die gratis of mits het storten van bijdragen aanneembaar zijn voor het recht op rustpensioen en de berekening ervan, mogen in geen geval de duur van de effectieve loopbaanprestaties overschrijden. Zij zijn in alle gevallen beperkt tot maximum zestig maanden.

Voor de perioden van afwezigheid wegens loopbaanonderbreking die moeten gevalideerd worden, is de persoonlijke bijdrage vastgesteld op 7,5 pct. van de wedde die de ambtenaar zou genoten hebben indien hij in dienst was gebleven of, in geval van deeltijdse loopbaanonderbreking, van het verschil tussen deze wedde en die welke hij nog effectief ontvangt.

Het personeelslid dat een periode van loopbaanonderbreking wenst te valideren, is ertoe gehouden bij de overheid waarvan het afhangt, de verbintenis aan te gaan de vereiste stortingen te verrichten. Het thans geldende modelformulier daartoe werd afgedrukt in het Belgisch Staatsblad van 19 mei 1993. De persoonlijke bijdragen zelf dienen toegekomen te zijn bij de macht of de instelling die het stelsel van de overlevingspensioenen van het betrokken personeelslid beheert, vóór de datum waarop het pensioen ingaat en ten laatste op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de periode of het gedeelte van de periode die het personeelslid wenst te valideren, zich situeert.

Het totaal van de aldus aanneembare perioden van afwezigheid wegens volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking, de niet bezoldigde perioden van afwezigheid na 31 december 1982 die met dienstactiviteit gelijkgesteld zijn, alsook de perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van een halftijdse vervroegde uittreding of van een vrijwillige vierdagenweek, wordt slechts in aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen ten belope van maximum 20 pct. van de duur van de diensten en perioden die, afgezien van de hierboven vermelde perioden en van de om welke reden ook vergoede perioden (b.v. bonificaties wegens studies), meetellen voor de berekening van het pensioen.

De perioden van volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking die vóór 1 juli 1991 werden gevalideerd, mogen buiten beschouwing gelaten worden om te bepalen of deze 20 pct.-grens al dan niet werd bereikt.

Wanneer een personeelslid vóór de leeftijd van 60 jaar gepensioneerd wordt wegens lichamelijke ongeschiktheid mogen zelfs alle gevalideerde periodes van volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking daartoe buiten beschouwing gelaten worden. Indien één van deze uitzonderingsbepalingen wordt toegepast, mag het totaal van de aldus voor de berekening van het pensioen in aanmerking genomen afwezigheden evenwel niet hoger zijn dan vijf jaar. Deze uitzonderingen worden slechts toegepast wanneer dit voor de gepensioneerde voordeliger is, d.w.z. zolang de toepassing van de gewone 20 pct.-regel niet meer dan vijf jaar aanneembare verloven en afwezigheden oplevert.

Een aantal niet bezoldigde afwezigheden die statutair met dienstactiviteit zijn gelijkgesteld, wordt uit het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 442 van 4 augustus 1986 gesloten (b.v. ouderschapsverlof, verlof voor stage in een andere overheidsdienst).

Deze afwezigheden moeten bijgevolg niet binnen voornoemde 20 pct.-grens vallen om aanneembaar te zijn voor de berekening van het pensioen. Zij komen echter evenmin in aanmerking voor het bepalen van het volume van de diensten en perioden dat als grondslag dient voor het vaststellen van die maximumgrens.

Laatstgenoemd volume wordt in voorkomend geval vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht. De afwezigheden worden berekend in functie van het gedeelte dat zij vertegenwoordigen in verhouding tot een volledige afwezigheid in een ambt met volledige opdracht.

Bijdragen die gestort werden ter validering van perioden van loopbaanonderbreking worden in principe niet terugbetaald, ook al leveren ze geen effectief pensioenvoordeel op. Soms kan dit pas op het einde van de loopbaan van het personeelslid worden vastgesteld. Alleen ten onrechte gestorte bijdragen die nooit enig pensioenvoordeel hadden kunnen opleveren, kunnen desgevraagd aan de betrokkene worden terugbetaald. Dit laatste zal bijvoorbeeld het geval zijn indien bijdragen gestort werden voor een periode van loopbaanonderbreking die gratis aanneembaar was voor het pensioen.

Voor meer gedetailleerde informatie over de praktische aspecten terzake, kan verwezen worden naar de brochure « De loopbaanonderbreking en het pensioen van de openbare sector » van de Administratie der Pensioenen, welke gratis kan besteld worden bij de documentatiedienst van deze administratie op volgend adres : Financietoren bus 31, Kruidtuinlaan 50, te 1010 Brussel (Tel. : 02/210.67.63).

De Minister van Ambtenarenzaken, A. Flahaut.

Bijlagen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^