Programmadecreet van 24 februari 2014
gepubliceerd op 25 april 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Programmadecreet 2014

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
2014202530
pub.
25/04/2014
prom.
24/02/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

24 FEBRUARI 2014. - Programmadecreet 2014 (1)


Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Persoonsgebonden aangelegenheden Afdeling 1. - Adoptie

Artikel 1.In artikel 4, eerste lid, 3°, van het decreet van 21 december 2005 betreffende de adoptie, gewijzigd bij het programmadecreet van 16 juni 2008, worden de woorden "van artikel 17" vervangen door de woorden "van artikel 17 en van de artikelen 21 tot 25".

Art. 2.Artikel 19, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 16 juni 2008, wordt na de woorden "aan een erkende bemiddelingsdienst" aangevuld met de woorden "of met toepassing van de artikelen 21 tot 25 aan de centrale autoriteit".

Art. 3.In titel VI, hoofdstuk II, afdeling II, van hetzelfde decreet, opgeheven bij het programmadecreet van 16 juni 2008, worden de artikelen 21 tot 25 hersteld als volgt : « Afdeling II. - Bemiddeling door de centrale autoriteit

Art. 21.Een bemiddeling door de centrale autoriteit is slechts mogelijk als de kandidaat-adoptanten een kind afkomstig uit een staat of een staatgedeelte wensen te adopteren waarvoor geen erkende bemiddelingsdienst met toepassing van artikel 19, §§ 2 en 3, de machtiging heeft gekregen om met het oog op een adoptie werkzaam te zijn.

De centrale autoriteit kan bovendien een bemiddeling weigeren als : 1° de wetgeving van de staat van herkomst bepaalt dat de nazorg na de adoptie door een op dit gebied gespecialiseerde dienst moet worden waargenomen;2° de staat van herkomst een staat in oproer of slachtoffer van een natuurramp is;3° de staat van herkomst van het kind het Haagse verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie niet heeft ondertekend. De Regering kan bijkomende redenen voor een bemiddelingsweigering bepalen.

Art. 22.De artikelen 18 en 19, § 1, zijn van toepassing op een bemiddeling door de centrale autoriteit.

Art. 23.§ 1. De kandidaat-adoptanten vullen een vragenlijst in en zenden deze aan de centrale autoriteit over samen met de in de staat van herkomst vigerende en in het Duits vertaalde rechtsbepalingen inzake adoptie alsmede met alle andere documenten die inlichtingen over de adoptieplannen geven. § 2. Zo nodig doet de centrale autoriteit een beroep op de bijstand van elke bevoegde Belgische of buitenlandse overheid om vast te stellen of : 1° de kandidaat-adoptanten, in hun contacten met de staat van herkomst, de daar vigerende rechtsbepalingen naleven;2° alle bij de adoptieprocedure optredende personen het belang van het te adopteren kind in acht nemen;3° het subsidiariteitsbeginsel bepaald in artikel 21 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind in acht wordt genomen;4° de adoptieplannen niet tot een ongeoorloofd geldelijk voordeel leiden voor personen overeenkomstig artikel 21, d), van het Verdrag vermeld in 3°; § 3. Na ontvangst van de in § 2 vermelde inlichtingen deelt de centrale autoriteit de kandidaat-adoptanten mede of de bemiddeling al dan niet kan worden voortgezet. § 4. Met de toestemming van de kandidaat-adoptanten kan de centrale autoriteit een erkende bemiddelingsdienst met de voortzetting van de bemiddeling belasten. § 5. Als de centrale autoriteit de bemiddeling voortzet, sluit ze met de kandidaat-adoptanten een overeenkomst af waarin de modaliteiten voor de verdere samenwerking worden vastgelegd.

Art. 24.Met toepassing van artikel 361.3, 1°, van het Burgerlijk Wetboek zendt de centrale autoriteit de in artikel 361.2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde documenten aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst over.

De toestemming van de kandidaten om het voorgestelde kind te adopteren en de toestemming van de centrale autoriteit daaromtrent worden eveneens aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst, door de bemiddeling van de centrale autoriteit, met toepassing van artikel 361.3, 3° en 5°, van het Burgerlijk Wetboek overgezonden.

Zijn vertalingen noodzakelijk, dan vallen de erdoor ontstane kosten ten laste van de kandidaat-adoptanten.

Art. 25.De Regering bepaalt de bijdrage van de kandidaat-adoptanten in de bemiddelingskosten en de nadere regels voor de storting ervan. » Afdeling 2. - Thuishulpdiensten

Art. 4.In artikel 7 van het decreet van 16 februari 2009 betreffende de thuishulpdiensten en houdende oprichting van een consultatiebureau voor thuishulp, transmurale en stationaire hulp, gewijzigd bij de decreten van 13 februari 2012 en 25 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De persoon bedoeld in het eerste lid, 3°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen.» 2° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen.»

Art. 5.In artikel 23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift wordt vervangen door het woord "Overgangsbepalingen".2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « De onverenigbaarheden vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, en § 2, vierde lid, zijn niet van toepassing op de personen die op 1 januari 2014 al met de leiding van een dienst of van het consultatiebureau belast waren.» Afdeling 3. - Jeugdbijstand

Art. 6.In artikel 17, § 2, van het decreet van 19 mei 2008 over de jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de Duitse tekst worden de woorden "auf Ersuchen" vervangen door de woorden "oder auf Ersuchen";b) na de woorden "de procureur des Konings" worden de woorden ", de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben," ingevoegd;c) de woorden "of, via de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, van de betrokken ouders, van de betrokken jongere of van de betrokken begeleidingsdienst" worden vervangen door de woorden "de betrokken jongere of de betrokken begeleidingsdienst";2° na het eerste lid wordt het volgende lid ingevoegd : « Het in het eerste lid vermelde verzoek van de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben, of van de betrokken jongere kan ten vroegste bij de jeugdrechtbank ingediend worden een jaar na de dag waarop de beslissing om de in § 1 vermelde maatregel te bevelen, definitief is geworden.Indien een dergelijk verzoek wordt afgewezen, kan ten vroegste een jaar na de dag waarop de beslissing tot afwijzing van het vorige verzoek definitief is geworden, een nieuw verzoek worden ingediend. » Afdeling 4. - Bejaarden

Art. 7.In artikel 10.1 van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden, de seniorenresidenties en de psychiatrische verzorgingstehuizen, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2010, wordt het woord "toelating," opgeheven.

Art. 8.In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 maart 2010 en 25 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste en het tweede lid worden § 1, eerste en tweede lid, en het derde lid wordt § 2;2° in de eerste zin van § 1, eerste lid, worden de woorden "aangewezen ambtenaren" vervangen door de woorden "aangewezen inspecteurs" en in de tweede zin van § 1, eerste lid, wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs";3° in § 1, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de eerste zin wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs" en in de tweede zin wordt het woord "inzonderheid" opgeheven;b) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt : « 5° de woningen met toestemming van alle meerderjarige inwonenden bezoeken;» c) in de bepaling onder 7° worden vóór de woorden "de onderzoeken en controles" de woorden "met inachtneming van de voorwaarden gesteld in 4° en 5°," ingevoegd;4° § 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.Bovendien kan de Regering externe deskundigen onder toezicht van de inspecteurs ermee belasten een zorgaanbieding, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een seniorenresidentie te onderzoeken en een advies erover uit te brengen. In dat geval ondersteunen de met die taken belaste deskundigen de inspecteurs bij de uitoefening van hun bevoegdheden vermeld in § 1. »; 5° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3.De aanwending van de toegekende subsidies wordt gecontroleerd overeenkomstig de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. » HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden Afdeling 1. - Ondersteuning van musea

Art. 9.Artikel 9 van het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties wordt vervangen als volgt : «

Art. 9.Erkenningsperiode.

De periode waarvoor een museum erkend wordt, begint op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Regering haar goedkeuring heeft gegeven. De erkenningsperiode bedraagt zes jaar en wordt eenvormig op alle erkende musea toegepast.

Nieuwe erkenningsaanvragen kunnen tot 31 maart van elk kalenderjaar tijdens een erkenningsperiode worden ingediend. De erkenning loopt op het einde van de eenvormige erkenningsperiode af.

De eerste eenvormige erkenningsperiode loopt van 1 januari 2015 tot 31 december 2020. »

Art. 10.In artikel 10 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het huidige eerste lid wordt § 1;2° het huidige tweede en het huidige derde lid worden § 2, eerste en tweede lid;3° de nieuwe § 1 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende : « In afwijking van het eerste lid blijft de erkenning geldig wanneer de activiteiten van het museum wegens bouwwerkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk moeten worden stopgezet.De Regering bepaalt vooraf en per geval : 1° de geplande bouwwerkzaamheden op grond waarvan de tijdelijke afwijking wordt toegestaan;2° van welke voorwaarden vermeld in artikel 4 tijdelijk kan worden afgeweken;3° de duur van de afwijking.Die duur kan worden verlengd, maar mag de duur van de bouwwerkzaamheden niet overschrijden. » Afdeling 2. - Jeugd

Art. 11.Artikel 29 van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk wordt aangevuld met een tweede lid, luidende : « De Regering kan het Jeugdbureau van de Duitstalige Gemeenschap, zo nodig in afwijking van het eerste lid, 10°, met het verlenen van andere diensten belasten. » Afdeling 3. - Volwassenenvorming

Art. 12.In artikel 2 van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende creatieve ateliers, gewijzigd bij de programmadecreten van 7 januari 2002 en 25 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het derde lid worden de woorden "de weddeschaal voor sociale assistenten" vervangen door de woorden "de door de Regering vastgestelde weddeschaal";2° in het vijfde lid worden de woorden "degene die in de weddeschalen vastgesteld zijn en die voor de berekening van de toelage dienen" vervangen door de woorden "de wedden die in de weddeschalen van de bevoegde paritaire commissie zijn vastgesteld". Afdeling 4. - Media

Art. 13.Artikel 26, eerste lid, van het decreet van 27 juni 2005 over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen, gewijzigd bij de decreten van 3 december 2009 en 13 februari 2012, wordt na de bepaling onder 1° aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende : « 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; »

Art. 14.Artikel 36, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 december 2009 en 13 februari 2012, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende : « 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; »

Art. 15.Artikel 41 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 december 2009, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende : « 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; »

Art. 16.Artikel 111, § 1, vierde lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 17.In artikel 117, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2008, wordt het bedrag "euro 18.000" vervangen door het bedrag "30.000 euro". Afdeling 5. - Sport

Art. 18.In artikel 16, tweede lid, tweede streepje, van het sportdecreet van 19 april 2004 worden de woorden "tot 10" vervangen door de woorden "6 tot 14".

Art. 19.Artikel 22 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 februari 2012, wordt vervangen als volgt : «

Art. 22.Individuele tegemoetkomingen. § 1. Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering sportbeoefenaars die aangesloten zijn bij een sportvereniging en één van de sporttakken beoefenen die de Regering vastlegt, voor een kalenderjaar resp. voor een schooljaar de status van sporter van het C-kader, B-kader of A-kader toekennen.

Die status omvat : 1° de toekenning van een jaarlijkse ondersteuning;2° voor aanvragers die als leerling of als student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap ingeschreven zijn : de mogelijkheid om op school faciliteiten te krijgen die het eenvoudiger maken om aan de trainingen en wedstrijden deel te nemen, voor zover het hoofd van de school waar de leerling of student regelmatig ingeschreven is, daarmee heeft ingestemd. De jaarlijkse ondersteuning vermeld in het tweede lid, 1°, betreft begeleiding op het gebied van sportgeneeskunde, prestatiediagnostiek, voeding en sportpsychologie, een tegemoetkoming van de Duitstalige Gemeenschap in de overnachtings- en maaltijdkosten van centra voor competitiesport die in België erkend zijn, alsook : 1° voor sporters van het B-kader een forfaitair bedrag van 1.200 euro waarover zij vrij kunnen beschikken; 2° voor sporters van het A-kader een forfaitair bedrag van 5.000 euro waarover zij vrij kunnen beschikken.

De Regering bepaalt de omvang en de hoogte van de tegemoetkoming in de overnachtings- en maaltijdkosten. § 2. Uiterlijk op volgende datum dient de sportbeoefenaar een ondertekende aanvraag in bij de minister die bevoegd is voor Sport : 1° uiterlijk op 31 januari, wanneer de aanvrager ingeschreven is als leerling of student van een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap;2° uiterlijk op 31 mei, in alle andere gevallen. De aanvraag omvat : 1° naam, voornamen en geboortedatum van de aanvrager;2° sportloopbaan, schoolloopbaan of beroepsloopbaan van de aanvrager;3° motivering voor de aanvraag;4° de sportdoelen van de aanvrager op korte, middellange en lange termijn;5° uitleg van de sportfederatie waarbij de aanvrager aangesloten is, waaruit blijkt : a) dat de aanvrager een trainingsschema van de sportfederatie volgt en in voorkomend geval de voor de respectieve status geplande afwezigheid op school aanvraagt;b) dat de aanvrager in voorkomend geval tijdens zijn afwezigheid op school verzekerd is;6° een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager over de lichamelijke gesteldheid beschikt om het voorgestelde trainingsschema te kunnen volgen;7° het trainingsschema voor het komende seizoen;8° bij minderjarige aanvragers : de toestemming van de personen belast met de opvoeding;9° bij aanvragers die ingeschreven zijn als leerling of student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap : een advies van het schoolhoofd over de afwezigheid op school. De aanvraag van een sporter van het A-kader omvat bovendien alle psychologische, medische, sociale, biometrische en fysiologische gegevens. Alleen de Sportcommissie en de minister bevoegd voor Sport hebben inzage in die gegevens. § 3. De minister bevoegd voor Sport legt de volledig en tijdig ingediende aanvragen voor aan de Sportcommissie. De Sportcommissie onderzoekt die aanvragen en houdt daarbij rekening met : 1° de selectiecriteria die de internationale sportorganisaties, het Internationaal Olympisch Comité of het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité in voorkomend geval hebben vastgelegd;2° de door de Regering vastgestelde significante waarde van de sportprestatie die de aanvrager heeft bereikt. De Sportcommissie komt minstens om de zes maanden samen om de aanvragen te onderzoeken.

De Sportcommissie bezorgt de minister bevoegd voor Sport binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag een gemotiveerd voorstel tot toekenning van de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader. § 4. De Regering kan de lijst van de erkende sporters van een C-kader, B-kader of A-kader openbaar bekendmaken. § 5. Indien een erkende sporter van een C-kader, B-kader of A-kader de sportprestaties niet meer levert, kan de minister bevoegd voor Sport zijn erkenning intrekken.

De minister bevoegd voor Sport wint het advies van de Sportcommissie in voordat hij over de intrekking van de erkenning beslist. De Sportcommissie hoort de sporter en één of meer vertegenwoordigers van de betrokken sportfederatie.

De uitnodiging om gehoord te worden, wordt per aangetekende brief verzonden en bevat het onderwerp waarover betrokkene zal worden gehoord, met inbegrip van alle beschikbare informatie, datum, uur en plaats van de hoorzitting. De hoorzitting mag in geen geval minder dan vijftien dagen na verzending van de uitnodiging plaatsvinden.

De voor de hoorzitting uitgenodigde personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar keuze. Indien de voor de hoorzitting uitgenodigde personen na toezending van de uitnodiging niet op de afgesproken hoorzitting verschijnen, wordt een proces-verbaal van afwezigheid opgesteld.

Binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de Sportcommissie beslist de bevoegde minister of de erkenning al dan niet wordt ingetrokken. Binnen vijftien dagen wordt de beslissing per aangetekende brief aan de erkende sportfederatie en aan de betrokken sporter bezorgd. »

Art. 20.In hetzelfde decreet wordt een artikel 22.1 ingevoegd, luidende : « Art. 22.1. Ondersteuning van hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden.

Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering aan hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden een jaarlijkse tegemoetkoming van 250 euro toekennen waarover ze vrij kunnen beschikken, wanneer schriftelijk bevestigd wordt dat ze door de bevoegde nationale sportfederatie opgeroepen zijn om internationale opdrachten als scheidsrechter of jurylid te vervullen. »

Art. 21.Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : «

Art. 23.Hooggekwalificeerde ploegen.

Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering een aanvullende financiële ondersteuning toekennen aan sportverenigingen die over minstens één ploeg in de hoogste klasse beschikken, die actief aan jeugdwerk doen en die geen sportfederatie hebben die een centrum voor competitiesport in de zin van artikel 17 heeft.

De ondersteuning van de verenigingen is afgestemd op het aantal jeugdploegen en de kwalificatie van de trainer die aangesteld is voor de jeugdploegen en voor de ploegen van de vereniging in de hoogste klasse over een periode van tien maanden.

De trainers worden, naargelang van hun sportkwalificatie, in één van de volgende categorieën ingedeeld : 1° categorie A : oefenmeester recreatiesport niveau III, master of bachelor in de lichamelijke opvoeding, trainer A, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;2° categorie B : oefenmeester recreatiesport niveau II, trainer B, bijzondere leermeester lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs, onderwijzer van het basisonderwijs, kleuteronderwijzer, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;3° categorie C : oefenmeester recreatiesport niveau I, houder van een oefenmeesterdiploma, houder van een certificaat jeugdanimator van de Duitstalige Gemeenschap, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;4° categorie D : oefenmeester zonder kwalificatie. De ondersteuning van de verenigingen bedraagt : 1° voor begeleiders van categorie A : 13 euro/trainingseenheid;2° voor begeleiders van categorie B : 11 euro/trainingseenheid;3° voor begeleiders van categorie C : 9 euro/trainingseenheid;4° voor begeleiders van categorie D : 6 euro/trainingseenheid. Die ondersteuning wordt in elk geval beperkt tot 10.000 euro per sportvereniging en per jaar. »

Art. 22.In artikel 24, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "Sportbeoefenaars of ploegen" vervangen door de woorden "Geïdentificeerde sporters van het C-kader, B-kader of A-kader of hooggekwalificeerde ploegen".

Art. 23.Hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een artikel 24.1, luidende : « Art. 24.1. Deelneming aan internationale wedstrijden.

Sportbeoefenaars en ploegen die niet over de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader beschikken of niet als hooggekwalificeerde sportvereniging gerangschikt zijn en zich voor de deelneming aan internationale wedstrijden gekwalificeerd hebben, alsook hun begeleiders, kunnen een subsidie van hoogstens 50 % van de reis-, overnachtings- en maaltijdkosten krijgen, voor zover die kosten niet door andere instanties of organisaties betaald worden. »

Art. 24.Artikel 27, § 5, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 27 april 2009, wordt aangevuld als volgt : « Dat geldt ook voor eventueel aangestelde eerste resp. tweede toegevoegde leiders van een sportkamp met meer dan 200 resp. 300 deelnemende kinderen, voor zover die toegevoegde leiders in het bezit zijn van het diploma oefenmeester recreatiesport niveau III of een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma. »

Art. 25.In artikel 30 van hetzelfde decreet wordt het getal "23" vervangen door de getallen "24 en 24.1".

Art. 26.In artikel 31 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het getal "22" vervangen door het getal "22.1"; 2° in het tweede lid wordt het getal "24" vervangen door de getallen "24, 24.1".

Art. 27.In artikel 32 van hetzelfde decreet wordt het getal "23" vervangen door het getal "24".

Art. 28.In artikel 42 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "opleidingsleergangen" vervangen door de woorden "opleidingsleergangen en voortgezette opleidingsleergangen";2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende : « 6° advies te geven over aanvragen in het kader van de topsport.»; 3° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « In het kader van de opdrachten vermeld in het eerste lid kan de Sportcommissie deskundigen uitnodigen om haar beraadslagingen bij te wonen en werkgroepen oprichten.» HOOFDSTUK 3. - Monumentenzorg

Art. 29.In artikel 20, § 1, van het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en landschappen en betreffende de opgravingen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, bepaling onder 3°, wordt de punt vervangen door een kommapunt en het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende : « 4° de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.» 2° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de eerste zin worden na de woorden "De in lid 1" de woorden "1° tot 3°," ingevoegd;b) in de tweede zin worden de woorden "2° en 3°" vervangen door de woorden "2° tot 4°,". HOOFDSTUK 4. - Infrastructuur

Art. 30.Artikel 7 van het decreet van 18 maart 2002 betreffende de Infrastructuur wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende : « 7° de bijzondere voorwaarden vastleggen waaraan een projectmanager moet voldoen. »

Art. 31.In hetzelfde decreet wordt een artikel 14bis ingevoegd, luidende : «

Art. 14bis.Projectverantwoordelijke. § 1. De aanvrager wijst een projectverantwoordelijke aan. De projectverantwoordelijke begeleidt het infrastructuurproject, in het bijzonder wat de naleving van de specifieke voorschriften vermeld in artikel 7, 5° en 6°, betreft. § 2. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen, wijst de aanvrager een projectontwikkelaar als projectverantwoordelijke aan.

Deze zorgt voor de algemene planning, de sturing, het toezicht op en het afsluiten van het infrastructuurproject. § 3. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen en waarvan de totale kosten bovendien minstens 500.000 euro bedragen, wijst de aanvrager een projectmanager als bedoeld in artikel 7, 7°, en artikel 18bis, §§ 2 tot 3, als projectverantwoordelijke aan.

Bij die infrastructuurprojecten neemt de projectmanager de taken vermeld in § 2, tweede lid, en de begeleiding van de aanvrager op zich, terwijl de projectontwikkelaar zorgt voor de praktische uitvoering van het project, volgens de aanwijzingen van de projectmanager.

De aanwijzing van de projectmanager geschiedt voor de aanwijzing van de projectontwikkelaar. Beide functies zijn niet met elkaar te verenigen.

Geen enkel infrastructuurproject mag opgesplitst worden met de bedoeling om het aan de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf te onttrekken.

In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de Regering van het bedrag vermeld in het eerste lid afwijken. § 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 hoeft bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 22 dringend moeten worden uitgevoerd, geen projectverantwoordelijke in de zin van dit artikel te worden aangewezen. »

Art. 32.In artikel 16, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "7° tot 9°" vervangen door de woorden "7° tot 10°".

Art. 33.In artikel 17, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 juni 2007, worden tussen de woorden "alsmede het ereloon van de" en het woord "architecten" de woorden "projectmanagers," ingevoegd.

Art. 34.In hoofdstuk I, afdeling 5, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende : «

Art. 18bis.Intentieverklaring en indeling. § 1. Voordat een aanvrager overeenkomstig artikel 19 een infrastructuurproject aanmeldt, deelt hij de Regering een intentieverklaring betreffende het infrastructuurproject mee. De intentieverklaring bevat de volgende gegevens : 1° gegevens over de identiteit van de aanvrager;2° een korte beschrijving van het geplande infrastructuurproject;3° een ruwe schatting van de kosten. § 2. Na ontvangst van de intentieverklaring deelt de Regering het infrastructuurproject in en bepaalt ze of de aanvrager overeenkomstig artikel 14bis een projectmanager moet aanwijzen.

De Regering beslist over de indeling binnen 15 dagen na ontvangst van het complete dossier over de intentieverklaring. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het infrastructuurproject uitsluitend op grond van de ruwe schatting van de kosten ingedeeld. § 3. Indien de aanvrager een projectmanager moet aanwijzen, dient hij het bestek van de aanbesteding ter voorafgaande goedkeuring bij de Regering in.

De Regering beslist over het bestek binnen vijftien dagen na ontvangst van het complete aanbestedingsdossier. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het bestek geacht goedgekeurd te zijn. § 4. Indien belangrijke onderdelen van de planning in het kader van de planning gewijzigd worden, moet een geactualiseerde intentieverklaring worden ingediend.

In dat geval kan de Regering, na ontvangst van de geactualiseerde intentieverklaring, het infrastructuurproject overeenkomstig § 2 nieuw indelen. »

Art. 35.In artikel 19 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "De aanvrager meldt een" vervangen door de woorden "Na succesvolle indeling en zo nodig na aanwijzing van de projectmanager meldt de aanvrager het";2° in § 1, eerste lid, wordt na de bepaling onder 1° een bepaling onder 1bis ingevoegd, luidende : « 1bis.gegevens over de identiteit van de projectmanager, alsook de bewijzen dat hij overeenkomstig artikel 7, 7°, aan de bijzondere voorwaarden voldoet; 3° de volgende § 1bis wordt ingevoegd : « § 1bis.Indien de Regering vaststelt dat overeenkomstig artikel 18bis een nieuwe indeling van het infrastructuurproject noodzakelijk is, kan ze bepalen dat het aangepaste infrastructuurproject nieuw aangemeld moet worden. »

Art. 36.Artikel 21, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 maart 2004 en 20 februari 2006, wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende : « 12° een geactualiseerde versie van de notities vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 10° en 11°. »

Art. 37.In artikel 24, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikelen 19 tot 23" vervangen door de woorden "artikelen 18bis tot 23".

Art. 38.In artikel 24bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 23 juni 2008, worden de woorden "artikelen 19 tot 23" vervangen door de woorden "artikelen 18bis tot 23". HOOFDSTUK 5. - Erediensten

Art. 39.In artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870 "op het tijdelijke der eerediensten", ingevoegd bij de wet van 19 juli 1974, vervangen bij de wet van 10 maart 1999 en gewijzigd bij het decreet van 20 december 2004, wordt na het zevende lid het volgende lid ingevoegd : « Het toezicht op de begrotingen, de wijzigingen van de begrotingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken wordt uitgeoefend door de Regering overeenkomstig artikel 41.1 van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten. »

Art. 40.In artikel 1 van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten wordt na het tweede streepje het volgende streepje ingevoegd : « - metropoliet : de als vertegenwoordiger van de volledige orthodoxe kerk erkende metropoliet, aartsbisschop van het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel; »

Art. 41.Hoofdstuk III van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2010, wordt aangevuld met een afdeling 3.1, die artikel 41.1 omvat, luidende : « Afdeling 3.1. - Op de orthodoxe kerkfabrieken toepasselijke bepalingen Art. 41.1. Begrotingen en jaarrekening. § 1. De begrotingen, de begrotingswijzigingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Regering.

Vóór 15 augustus van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat, worden de begrotingen in vier exemplaren, samen met alle nuttige inlichtingen, aan de Regering toegezonden.

Vóór 10 april van het jaar dat op het begrotingsjaar volgt, worden de jaarrekeningen in vier exemplaren, samen met alle bewijsstukken, aan de Regering toegezonden.

De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet. § 2. De metropoliet stelt de uitgaven betreffende de uitoefening van de eredienst definitief vast, brengt een advies uit over de overige punten van de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier, binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.

De provinciegouverneur brengt advies uit over de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.

Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn mag er aan het beslissingsvereiste worden voorbijgegaan. § 3. Met uitzondering van de begrotingsartikelen van de uitgaven m.b.t. de uitoefening van de eredienst kan de Regering ontvangstramingen en artikelen van de uitgaven inschrijven, verminderen, verhogen of schrappen en materiële vergissingen corrigeren.

De Regering beslist binnen honderd dagen na de in § 1, vierde lid, vermelde toezending van het dossier. Zij mag de termijn waarover zij beschikt om haar bevoegdheid uit te oefenen, ten hoogste één keer met dertig dagen verlengen.

Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn wordt de goedkeuring geacht verleend te zijn. § 4. Een kopie van elke beslissing van de Regering wordt onmiddellijk aan de metropoliet, de kerkfabriek en de provinciegouverneur toegezonden. Een kopie van elke beslissing wordt in het archief van de Regering bewaard. § 5. Indien de begroting of de jaarrekening niet op de overeenkomstig § 1 bepaalde tijdstippen ingediend is of indien de kerkfabriek de bewijsstukken of inlichtingen weigert te geven, maant de Regering de kerkfabriek daartoe per aangetekende brief aan en informeert ze de metropoliet.

Indien de kerkfabriek binnen twintig dagen na ontvangst van de aanmaning de begroting of de jaarrekening niet ingediend heeft, dan kan de Regering de begroting of de jaarrekening in haar plaats vastleggen. De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet; daarna worden de §§ 2 tot 4 toegepast. »

Art. 42.De artikelen 17 tot 25 van het koninklijk besluit van 15 maart 1988 tot organisatie van de raden van de kerkfabrieken van de orthodoxe eredienst worden opgeheven. HOOFDSTUK 6. - Financiën en begroting

Art. 43.In artikel 104 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 19 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "voorschotten op toelagen en subsidies voor werkings- en personeelskosten" vervangen door de woorden "toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt"; 2° § 1, tweede lid, wordt opgeheven; 3° in § 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt : « In afwijking van alle andersluidende voorschriften, met uitzondering van hogere normen, worden alle uit te betalen toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten, alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt, binnen de perken van de daarvoor beschikbare begrotingsmiddelen volledig als eenmalig bedrag uitbetaald in het eerste kwartaal van het activiteitenjaar in kwestie. » 4° in § 2 worden het tweede en het derde lid opgeheven;5° § 3 wordt aangevuld met een lid, luidende : « Indien het uitbetaalde bedrag hoger is dan de toelage die krachtens de eindafrekening had moeten worden betaald, kan het te veel betaalde bedrag afgehouden worden van de toelage van het volgende jaar.» HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen

Art. 44.Artikel 3 van het decreet van 10 mei 1999 betreffende de benaming van de openbare wegen wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.De commissie bestaat uit drie leden die door de Regering worden aangewezen voor de duur van vijf jaar. Het mandaat kan worden verlengd.

De leden van de commissie hebben recht op presentiegeld en op een kilometervergoeding overeenkomstig de desbetreffende harmonisatiebepalingen vastgelegd door de Regering voor organen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap.

De commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat door de Regering moet worden goedgekeurd. » HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

Art. 45.Dit decreet treedt in werking de dag waarop het wordt bekendgemaakt, met uitzondering van : 1° artikel 7, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2013;2° artikel 11, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2013;3° de artikelen 12 en 17, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2013;4° de artikelen 8, 9, 18 tot 28, 39 tot 42 en 43, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014;5° de artikelen 30 tot 38 die in werking treden op een door de Regering te bepalen tijdstip en uiterlijk op 1 januari 2016. Wij kondigen dit decreet af en bevelen dat het door het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Eupen, 24 februari 2014.

De Minister-President, Minister van Lokale Besturen, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs, Opleiding en Werkgelegenheid, O. PAASCH De Minister van Cultuur, Media en Toerisme, Mevr. I. WEYKMANS De Minister van Gezin, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden, H. MOLLERS _______ Nota Zitting 2013-2014.

Parlementaire stukken : 203 (2013-2014), nr. 1. Voorstel van decreet + erratum. 203 (2013-2014), nr. 2. Voorstellen tot wijziging. 203 (2013-2014), nr. 3. Verslag. 203 (2013-2014), nr. 4. Voorstellen tot wijziging van de door de commissie aangenomen tekst.

Integraal verslag : 24 februari 2014, nr. 63. Bespreking en aanneming.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^