Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 26 maart 2002

Uittreksel uit arrest nr. 22/2002 van 23 januari 2002 Rolnummer 2052 Inzake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals vervangen door artikel 112 van de wet van 20 juli 1991 ho Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fran(...)

bron
arbitragehof
numac
2002021082
pub.
26/03/2002
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 22/2002 van 23 januari 2002 Rolnummer 2052 Inzake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals vervangen door artikel 112 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, gesteld door het Arbeidshof te Luik.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 14 september 2000 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen E. Oguz, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 oktober 2000, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals gewijzigd bij artikel 112 van de wet van 20 juli 1991, in die zin geïnterpreteerd dat het een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse tewerkstelling instelt dat aan de werknemer of aan de sociaal verzekerde, te dezen een werkloze, door een instelling van sociale zekerheid, te dezen de R.V.A., kan worden tegengeworpen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat met name : 1. die bepaling met eenzelfde gestrengheid, enerzijds, de werkgever bestraft die een verplichting waarvan de niet-naleving strafrechtelijk kan worden bestraft, niet nakomt, namelijk de aanplakking van het veranderlijk werkrooster, verplichting die hem eigen is en waaraan hij alleen kan voldoen, en, anderzijds, de deeltijds tewerkgestelde werknemer aan wie geen persoonlijke verplichting in verband met die aanplakking wordt opgelegd, waarbij aldus de gelijkheid van wapens wordt verbroken, vermits die werknemer de tekortkoming niet kan goedmaken en toch aan hem door de instellingen van sociale zekerheid, waaronder de R.V.A., het onweerlegbare karakter van het vermoeden zal worden tegengeworpen, met alle gevolgen die daaruit voortvloeien, 2. en doordat overeenkomstig de gevestigde rechtspraak het onweerlegbare vermoeden van voltijdse tewerkstelling door de werknemer niet aan de in gebreke blijvende werkgever kan worden tegengeworpen, waarbij de werknemer aldus wordt belet ten minste de overeenstemmende bezoldiging te verkrijgen, zodat, wanneer hij verplicht wordt de werkloosheidsuitkeringen die hij tijdens zijn tewerkstelling heeft ontvangen terug te betalen, hij wordt gestraft zonder zich te kunnen verdedigen noch herstel van de door hem geleden schade te verkrijgen, voor een fout die hij niet heeft begaan en die hij niet in staat is te beletten, terwijl de werkgever ten aanzien van dezelfde werknemer de gevolgen van zijn tekortkoming niet moet ondergaan ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals vervangen bij artikel 112 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

B.2. Dat artikel stelde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 26 juli 1996 : « Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162 en 165 of bij gebrek aan gebruik van de apparatuur bedoeld in artikel 164, hun prestaties te hebben verricht overeenkomstig de werkroosters die openbaar zijn gemaakt op de wijze bedoeld bij de artikelen 157 tot 159.

Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, zoals bedoeld in de artikelen 157 tot 159, worden de werknemers vermoed hun prestaties te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid zonder dat het bewijs van het tegendeel kan aangebracht worden. » B.3.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals vervangen bij artikel 112 van de wet van 20 juli 1991, doordat het een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse tewerkstelling instelt dat aan de werknemer of aan de sociaal verzekerde, te dezen een werkloze, door een instelling van sociale zekerheid, te dezen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.), kan worden tegengeworpen, niet strijdig zou zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepaling met dezelfde strakheid wordt opgelegd aan de werkgever en de werknemer, terwijl de verplichting van aanplakking van de werkroosters exclusief op de werkgever weegt.

B.3.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof tevens naar de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het voormelde grondwettelijke beginsel, in zoverre, overeenkomstig een gevestigde rechtspraak, de werknemer niet tegen zijn werkgever het vermoeden zou kunnen doen gelden dat door de betwiste bepaling wordt ingevoerd en bijgevolg niet een met een voltijdse tewerkstelling overeenstemmende bezoldiging zou kunnen verkrijgen, terwijl hij ertoe gehouden is de door hem geïnde werkloosheidsuitkeringen terug te betalen aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.). De werknemer zou aldus de gevolgen dragen van het foutieve gedrag van zijn werkgever, zonder zich daartegen te kunnen verweren of schadevergoeding te kunnen verkrijgen.

B.4. Uit de elementen van het dossier, alsmede uit de verwijzingsbeslissing, volgt dat de betwiste bepaling dient te worden begrepen in de interpretatie die het Hof van Cassatie in een arrest van 28 april 1997 eraan heeft gegeven. In dat arrest heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de bepalingen van de artikelen 157 tot 159 en 171, tweede lid, van de programmawet « [niet] de overeenkomst tussen de werkgever en de deeltijdse werknemer [...] betreffen; dat zij ter voorkoming en bestrijding van zwartwerk, een beter toezicht op deeltijdse arbeid beogen; dat daaruit volgt dat [...] het onweerlegbaar vermoeden [...] ten behoeve van de bevoegde ambtenaren en instellingen is gevestigd ».

B.5. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.6. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1989 blijkt dat artikel 171 een maatregel is ter bestrijding van het zwartwerk en van de misbruiken inzake socialezekerheidsuitkeringen : « Dit zwartwerk is bijzonder moeilijk op te sporen wanneer het de vorm aanneemt van arbeid gepresteerd buiten een stelsel van deeltijdse arbeid, dat zelf weinig precies omschreven is. » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/10, p. 45, en Senaat, 1989-1990, nr. 849-2, p. 24) en « Het merendeel van deze deeltijds tewerkgestelde werknemers ontvangen daarenboven nog aanvullende werkloosheidsuitkeringen zodat, ingeval van cumulatie met arbeidsprestaties, deze uitkeringen onrechtmatig worden ontvangen.

Doordat een betere kijk op de werkelijk verrichte prestaties mogelijk wordt, willen deze bepalingen een einde stellen aan deze praktijken. » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/1, p. 59) De bij de wet van 20 juli 1991 in artikel 171 aangebrachte wijziging had tot doel, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, te preciseren dat « een werkgever die de verplichtingen, opgelegd door de wet, niet heeft nageleefd [...] bijgevolg zijn onwettige toestand niet kan laten voorgaan door het bewijs van het tegendeel aan te brengen » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1374-1, p. 39).

B.7. Het instellen van een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse tewerkstelling door de werkgever die de verplichting van openbaarmaking niet heeft nageleefd, vormt een middel dat pertinent is om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken.

Aangezien de wet aan de werkgever de verplichting oplegt om de werkroosters van de deeltijdse werknemers openbaar te maken, en niet aan de werknemer, bevindt deze laatste zich echter in een verschillende situatie. Wanneer aan de verplichting van aanplakking niet is voldaan, draagt de deeltijdse werknemer de gevolgen van het foutieve gedrag van de werkgever, een gedrag waarop de werknemer weinig vat heeft.

B.8. Ofschoon de in het geding zijnde bepaling de bewijslast vergemakkelijkt voor de ambtenaren en de instellingen, is het onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling dat ten laste van de werknemers een onweerlegbaar vermoeden wordt ingesteld, zelfs indien de werknemer in beginsel de verantwoordelijkheid van de werkgever in het geding kan brengen.

B.9. De verwijzende rechter vraagt het Hof naar de schending, door de betwiste bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Wanneer het Hof de schending heeft vastgesteld van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet afzonderlijk gelezen, dient niet meer te worden onderzocht of, zoals in de prejudiciële vraag wordt gesuggereerd, die grondwettelijke bepalingen in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn geschonden en daarbij na te gaan of de bepalingen van dat artikel van het genoemde Verdrag te dezen van toepassing zijn.

B.10. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 171, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals vervangen door artikel 112 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de deeltijdse werknemer niet toestaat het vermoeden van voltijdse tewerkstelling te weerleggen wanneer de werkgever zijn verplichting van openbaarmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers niet is nagekomen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 januari 2002.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. M. Melchior.

^