Wet van 01 april 2003
gepubliceerd op 16 mei 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2003012163
pub.
16/05/2003
prom.
01/04/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

1 APRIL 2003. - Wet houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de risicogroepen en de jongeren op wie een inschakelingsparcours van toepassing is Afdeling 1. - Inspanning ten voordele van de personen die behoren tot

de risicogroepen of op wie een inschakelingsparcours van toepassing is

Art. 2.Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.

Art. 3.De werkgevers bedoeld in artikel 2 zijn voor de jaren 2003 en 2004 een bijdrage van 0,10 % verschuldigd, berekend op grond van het volledige loon van de werknemers tewerkgesteld op grond van een overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, als bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.

De Koning kan de categorieën van werkgevers bepalen, die Hij, geheel of gedeeltelijk, onttrekt aan het toepassingsgebied van deze afdeling.

De inspanning bedoeld in het eerste lid is bestemd voor de personen die behoren tot de risicogroepen of op wie een inschakelingsparcours van toepassing is.

Het begrip risicogroepen wordt bepaald bij de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 4.

Art. 4.§ 1. De inspanning bedoeld in artikel 3 wordt geconcretiseerd door middel van een nieuwe of voortgezette collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten voor een onderneming of een groep van ondernemingen voor 2003 en 2004. § 2. De in § 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst moet gesloten worden overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

De collectieve arbeidsovereenkomst moet neergelegd worden op de griffie van de Administratie van de collectieve arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg uiterlijk op 1 juli van het jaar waarop ze betrekking heeft of tegen een andere datum door de Koning bepaald. Zij moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is met toepassing van deze afdeling. § 3. De partijen die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben ondertekend, moeten jaarlijks een evaluatieverslag en een financieel overzicht van de uitvoering van de in § 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst neerleggen op de griffie van de Administratie van de collectieve arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg tegen uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de collectieve arbeidsovereenkomst betrekking heeft. De Koning kan de nadere regelen en voorwaarden vastleggen waaraan het evaluatieverslag en het financieel overzicht moeten voldoen. Deze evaluatieverslagen worden overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Art. 5.§ 1. De werkgevers die niet of slechts voor een gedeelte van hun werknemers onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 4, § 1, vallen, zijn gehouden tot de betaling van de bijdrage van 0,10 %, bedoeld in artikel 3 voor het gedeelte van de werknemers dat niet onder het toepassingsgebied valt van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst.

In afwijking van de bepalingen van het eerste lid is de bijdrage van 0,10 % niet verschuldigd voor het 1e en 2e kwartaal 2003 en wordt de bijdrage voor het 3e en 4e kwartaal 2003 vastgesteld op 0,20 %. § 2. De instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat hen betreft, belast met de inning en de invordering van de in § 1 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds dat binnen de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd opgericht, ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.

Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen. Afdeling 2. - Begeleiding van de jongeren op wie een

inschakelingsparcours van toepassing is

Art. 6.§ 1. De werkgevers op wie de voornoemde wet van 27 juni 1969 of de voornoemde besluitwet van 7 februari 1945 toepasselijk zijn, zijn voor de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004 een bijdrage van 0,05 % verschuldigd, berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, tewerkgesteld op grond van een overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bedoeld in artikel 23 van de voornoemde wet van 29 juni 1981.

In afwijking van de bepalingen van het eerste lid is deze bijdrage voor het 1e en 2e kwartaal 2003 niet verschuldigd en wordt de bijdrage voor het 3e en 4e kwartaal 2003 vastgesteld op 0,10 %.

De Koning kan de categorieën die Hij bepaalt geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van deze afdeling onttrekken. § 2. De instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat haar betreft, belast met de inning en de invordering van de in § 1 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds dat binnen de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd opgericht, ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982.

Deze bijdragen worden gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

Art. 7.§ 1. De opbrengst van de bijdragen bedoeld in artikel 6, § 1, wordt aangewend voor de begeleiding van jongeren op wie een inschakelingsparcours van toepassing is. § 2. De middelen die op en vanaf 31 december 2002 in het Tewerkstellingsfonds beschikbaar zijn en die enerzijds komen van het saldo van de middelen bedoeld in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, en van de middelen voortkomend uit de inwerkingstelling van artikel 20, § 1, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 27 januari 1997, en anderzijds van de bijdragen die vanaf 1 januari 2003 verschuldigd zijn met toepassing van artikel 5, worden aangewend voor de bevordering en de omkadering van het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst en voor de federale diensten belast met het toezicht, de opvolging en de omkadering van het inschakelingsparcours.

Art. 8.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1° ten voordele van welke jongeren, in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regels die bijdragen bedoeld in artikel 6, § 1, worden aangewend voor de begeleiding van jongeren op wie een inschakelingsparcours van toepassing is.Door de Koning kan worden voorzien in de toekenning van de voorschotten waarvan het bedrag door Hem wordt bepaald; 2° wat betreft de begeleiding van jongeren op wie een inschakelingsparcours van toepassing is, de nadere regels voor de verdeling van de opbrengst van de bijdragen, bedoeld in artikel 6, § 1;3° elke andere maatregel die nodig is om de uitvoering van deze maatregel te waarborgen. HOOFDSTUK III. - Startbaanovereenkomst

Art. 9.In artikel 23, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, gewijzigd bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt aangevuld als volgt : « 4° elkeen van buitenlandse afkomst, die net voor zijn aanwerving : a) werkzoekende is;b) minder dan dertig jaar oud is;5° elkeen van buitenlandse afkomst, die een bruggepensioneerde vervangt, die net voor zijn aanwerving : a) werkzoekende is;b) minder dan dertig jaar oud is;6° elke persoon met een handicap die, net voor zijn aanwerving : a) werkzoekende is;b) minder dan dertig jaar oud is.»; 2° een § 1bis wordt ingevoegd, luidend als volgt : « § 1bis.Voor toepassing van § 1, 4° en 5°, wordt verstaan onder een persoon van buitenlandse afkomst, de persoon die niet de nationaliteit bezit van een Staat die deel uitmaakt van de Europese Unie, of de persoon waarvan ten minste één van de ouders deze nationaliteit niet bezit of niet bezat op het ogenblik van het overlijden of de persoon waarvan ten minste twee van de grootouders niet deze nationaliteit bezitten of bezaten op het ogenblik van hun overlijden. De jongere kan met elk rechtsmiddel bewijzen dat hij beantwoordt aan deze definitie, de verklaring op eer inbegrepen.

Voor toepassing van § 1, 6°, wordt verstaan onder een persoon met een handicap, de persoon die als dusdanig ingeschreven is bij het « Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap » of bij « l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personneshandicapées » of bij de « Service bruxellois francophone des Personnes handicapées » of bij de « Dienststelle des Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung sowie für die besondere soziale Fürsorge », en die hiervan het bewijs levert door de mededeling aan de werkgever van een attest van de instelling waaruit zijn inschrijving blijkt. »

Art. 10.Artikel 31, § 2, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Om in dienst te treden met een startbaanovereenkomst overhandigt de jongere, bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, aan de werkgever een attest van de instelling of de dienst, afhangend van de gemeenschappen of de gewesten, die bevoegd is inzake arbeidsbemiddeling, dat bevestigt dat hij is ingeschreven als werkzoekende. »

Art. 11.Artikel 42, § 1, 1°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 september 2001, wordt vervangen als volgt : « 1° deze werkgevers uit de private sector gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 4 van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessionneel akkoord voor de periode 2003-2004, die een inspanning voorziet van ten minste 0,15 % voor de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004; » HOOFDSTUK IV. - Brugpensioen Afdeling 1. - Voltijds brugpensioen

Art. 12.In artikel 110, § 1, eerste lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden « in de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 » vervangen door de woorden « in de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004 ». Afdeling 2. - Halftijds brugpensioen

Art. 13.In artikel 112, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden « voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 » vervangen door de woorden « voor de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004 ».

Art. 14.§ 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen met betrekking tot het halftijds brugpensioen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999 en bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden « voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 » vervangen door de woorden « voor de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004 ». § 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit; gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden « 30 juni 2000 » vervangen door de woorden « 30 juni 2002 ». § 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden « 31 december 2002 » vervangen door de woorden « 31 december 2004 ». HOOFDSTUK V. - Bijdragen en inhoudingen op aanvullende vergoedingen

Art. 15.Artikel 268, § 1, van de programmawet van 22 december 1989, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991, 30 maart 1994 en 3 april 1995 en bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997 bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997 en het koninklijk besluit van 11 december 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, wordt vervangen als volgt : « § 1. Een bijzondere werkgeversbijdrage wordt ingevoerd, die gelijk is aan 24,80 EUR per maand, voor ieder conventioneel brugpensioen dat krachtens een na 30 september 1989 bij de griffie van de dienst van de collectieve arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg neergelegde collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord werd toegekend in het kader van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen bedoeld in artikel 132 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.

Wordt met het in het eerste lid bedoelde conventioneel brugpensioen gelijkgesteld, overeenkomstig bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgelegde voorwaarden en nadere regels, de vergoeding, die in totaal ten minste 7.436,80 EUR kan bedragen ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voorzover deze vergoeding door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld.

Wat de in het vorige lid bedoelde vergoeding betreft is de bijzondere werkgeversbijdrage, bedoeld in het eerste lid, niet verschuldigd, indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van minimum 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum vanaf wanneer de maandelijkse bijzondere bijdrage kan worden geïnd, alsmede het bedrag ervan, de modaliteiten van de storting en, met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde vergoeding, de specifieke regels en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de verschuldigde bijzondere werkgeversbijdrage bedoeld in het eerste lid, alsmede de betalingsmodaliteiten van de bijzondere bijdrage indien de aanvullende vergoeding door verscheidene debiteuren verschuldigd is, alsook de specifieke modaliteiten voor vergoedingen die niet periodiek worden betaald. Hij kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wijzigen. »

Art. 16.Artikel 141, § 1, van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen als volgt : « § 1. Een bijzondere maandelijkse werkgeversbijdrage wordt ingevoerd, bestemd voor de sector arbeidsvoorziening en werkloosheid, voor ieder conventioneel brugpensioen dat krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord werd toegekend in het kader van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen bedoeld in artikel 132 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.

Het bedrag van de bijzondere maandelijkse werkgeversbijdrage bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op : 1° 24,80 EUR voor de werknemers waarvan het brugpensioen ingaat vanaf tenminste 60 jaar, met toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 19 december 1974;2° 74,40 EUR voor de werknemers met brugpensioen in de ondernemingen die door de minister van Tewerkstelling en Arbeid erkend werden als onderneming in herstructurering in de zin van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen, wanneer de leeftijd van het ingaan van het brugpensioen ten minste 52 jaar, maar minder dan de normale in de sector geldende brugpensioenleeftijd bedraagt;3° 111,55 EUR voor de werknemers met brugpensioen in de ondernemingen bedoeld in het 2°, wanneer de leeftijd van het ingaan van het brugpensioen minder dan 52 jaar bedraagt;4° 49,60 EUR voor de werknemers met brugpensioen niet bedoeld in 1° tot 3°. De in het tweede lid, 1° en 4°, bedoelde bedragen zijn slechts verschuldigd voor de bruggepensioneerden aan wie de opzegging ter kennis is gebracht na 31 augustus 1990 en voor wie het brugpensioen ingaat na 31 december 1990.

De in het tweede lid, 2° en 3°, bedoelde bedragen zijn slechts verschuldigd voor de bruggepensioneerden aan wie de opzegging ter kennis is gebracht na 31 augustus 1990 en voor wie het brugpensioen ingaat na 31 december 1990, voorzover zij tewerkgesteld waren door een onderneming die door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid na 31 december 1990 erkend werd als onderneming in herstructurering in de zin van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen.

Wordt met het in het eerste lid bedoelde conventioneel brugpensioen gelijkgesteld, overeenkomstig de bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgelegde voorwaarden en nadere regels, de vergoeding, die in totaal ten minste 7.436,80 EUR kan bedragen ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voor zover deze vergoeding door de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld. Voor toepassing van dit lid is het bedrag van de maandelijkse bijzondere bijdrage gelijk aan 111,55 EUR. Wat de in het vorige lid bedoelde vergoeding betreft, is de bijzondere werkgeversbijdrage, bedoeld in het eerste lid, niet verschuldigd, indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van minimum 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum vanaf wanneer de maandelijkse bijzondere bijdrage kan worden geïnd, alsmede het bedrag ervan, de nadere regels van de storting en, met betrekking tot de in het vijfde lid bedoelde vergoeding, de specifieke regelen en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de verschuldigde bijzondere werkgeversbijdrage bedoeld in het eerste lid, alsmede de betalingsmodaliteiten van de bijzondere bijdrage indien de aanvullende vergoeding door verscheidene debiteuren verschuldigd is alsook de specifieke modaliteiten voor vergoedingen die niet periodiek worden betaald. Hij kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het tweede en vijfde lid bedoelde bedragen wijzigen. »

Art. 17.Artikel 143 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997 en bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, wordt opgeheven.

Art. 18.Artikel 1 van het koninklijk besluit nr 33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997 en bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, wordt vervangen als volgt : «

Artikel 1.Een inhouding van 3,5 pct. wordt verricht : 1° op de invaliditeitsuitkeringen verleend met toepassing van : a) de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;b) het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten der Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag;2° op het brugpensioen verleend met toepassing van hoofdstuk III, afdeling 2, van de wet van 22 december 1977, betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978;3° op het conventioneel brugpensioen, met inbegrip van het halftijds brugpensioen, waarvan het eerste gedeelte geldt als werkloosheidsuitkering en waarvan de aanvullende vergoeding wordt betaald, hetzij door de werkgever, hetzij door het fonds voor bestaanszekerheid waaronder de werkgever ressorteert, hetzij door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers;4° op de werkloosheidsuitkering verhoogd met de vergoeding, die in totaal tenminste 7 436,80 EUR kan bedragen, ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voor zover deze vergoeding door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd.Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld.

Onverminderd de in het derde lid voorziene mogelijkheid tot afwijking dient, voor de toepassing van dit besluit, deze vergoeding te worden gelijkgesteld met de in 3° vermelde conventionele brugpensioenen; 5° op de werkloosheidsuitkering verhoogd met een aanvullende vergoeding verleend met toepassing van het koninklijk besluit van 19 september 1980, betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld. Deze inhouding mag niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de sociale uitkeringen, beoogd in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5° wordt verminderd tot een bedrag lager dan 938,52 EUR per maand, verhoogd met 191,97 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast. Deze basisbedragen worden gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). Ze worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De Koning bepaalt met betrekking tot de in het eerste lid, 4°, bedoelde vergoeding, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de specifieke regels en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de in het eerste lid bedoelde inhouding.

Hij kan eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen wijzigen, en, in afwijking van het vorige lid en onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt in een vervangende niet-periodieke werknemersbijdrage voorzien, in te houden door de werkgever.

Voor de uitkeringen bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de drempel bedoeld in het vorige lid per dag vastgesteld; daartoe worden de voormelde bedragen gedeeld door 26.

De inhouding wordt verricht door de debiteur van de hogervermelde sociale voordelen bij elke betaling ervan; de debiteur is burgerlijk verantwoordelijk voor de inhouding.

Wat de in het eerste lid, 4°, bedoelde vergoeding betreft, is de inhouding niet verschuldigd, indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van ten minste 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst. ».

Art. 19.Artikel 50, § 1, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1996, bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997 en bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2001, wordt vervangen als volgt : « § 1. Op de volgende uitkeringen en vergoedingen wordt een inhouding verricht ten belope van : 1° 1 % op het conventioneel brugpensioen met inbegrip van het halftijds brugpensioen, waarvan het eerste gedeelte geldt als werkloosheidsuitkering en waarvan de aanvullende vergoeding betaald wordt, hetzij door de werkgever, hetzij door een daartoe aangewezen instelling; 3 % op het voltijds conventioneel brugpensioen voor de werknemers voor wie het voltijds conventioneel brugpensioen ingaat na 31 december 1996 en die in kennis werden gesteld van hun ontslag na 31 oktober 1996, behalve wanneer deze werknemers ontslagen zijn met toepassing van afdeling III van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen voor zover de erkenning als onderneming in moeilijkheden of herstructurering werd afgeleverd vóór 1 november 1996; 2° 1 % op de werkloosheidsuitkeringen verhoogd met een aanvullende vergoeding verleend met toepassing van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die op volledige werkloosheid zijn gesteld; 3° 3 % op de werkloosheidsuitkering verhoogd met de vergoeding, die in totaal ten minste 7.436,80 EUR kan bedragen, ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voor zover deze vergoeding door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld.

Deze inhouding samen met de inhouding van 3,5 pct. bedoeld in het koninklijk besluit nr. 33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen, mag niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de vermelde sociale uitkeringen wordt verminderd tot een bedrag lager dan 938,50 EUR per maand, verhoogd met 191,94 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast.

De Koning bepaalt met betrekking tot de in het eerste lid, 3°, bedoelde vergoeding bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de specifieke regels en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de in het eerste lid bedoelde inhouding. Hij kan eveneens in afwijking van het vorige lid en onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, een vervangende niet-periodieke werknemersbijdrage voorzien, in te houden door de werkgever. Deze vervangende bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangifte met verantwoording van de bijdrage, de betalingstermijn, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen. De opbrengst van deze bijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgemaakt op een speciale rekening van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de indexatiemodaliteiten van de in het eerste lid bedoelde bedragen, alsmede de modaliteiten van de herwaardering van het begrensde bruto maandloon en van de aanvullende vergoeding, alsook de specifieke modaliteiten voor vergoedingen die niet periodiek worden betaald. Hij kan eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen wijzigen.

De inhouding wordt berekend op het totale bedrag van de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° of 3°. Onverminderd de in het vorige lid voorziene mogelijkheid tot afwijking door de Koning, wordt de inhouding door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verricht op het bedrag van de werkloosheidsuitkering.

Wat de in het eerste lid, 3°, bedoelde vergoeding betreft, is de inhouding niet verschuldigd indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van ten minste 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst. »

Art. 20.Artikel 67, § 1, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1996, bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, en bij de wet van 30 december 2001, wordt vervangen als volgt : « § 1. Op de volgende uitkeringen en vergoedingen wordt een inhouding verricht ten belope van : 1° 4,5 % op het conventioneel brugpensioen met inbegrip van het halftijds brugpensioen, waarvan het eerste gedeelte geldt als werkloosheidsuitkering en waarvan de aanvullende vergoeding betaald wordt, hetzij door de werkgever, hetzij door een daartoe aangewezen instelling; 6,5 % op het voltijds conventioneel brugpensioen voor de werknemers voor wie het voltijds conventioneel brugpensioen ingaat na 31 december 1996 en die in kennis werden gesteld van hun ontslag na 31 oktober 1996, behalve wanneer deze werknemers ontslagen zijn met toepassing van Afdeling III van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen voorzover de erkenning als onderneming in moeilijkheden of herstructurering werd afgeleverd vóór 1 november 1996; 2° 4,5 % op de werkloosheidsuitkeringen verhoogd met een aanvullende vergoeding verleend met toepassing van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die op volledige werkloosheid zijn gesteld; 3° 6,5 % op de werkloosheidsuitkering verhoogd met de vergoeding, die in totaal ten minste 7.436,80 EUR kan bedragen ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voorzover deze vergoeding door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld.

Deze inhouding mag niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de vermelde sociale uitkeringen wordt verminderd tot een bedrag lager dan 938,50 EUR per maand, verhoogd met 191,94 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de indexatiemodaliteiten van de in het eerste lid bedoelde bedragen, alsmede de modaliteiten van de herwaardering van het begrensde bruto maandloon en van de aanvullende vergoeding, alsook de specifieke modaliteiten voor vergoedingen die niet periodiek worden betaald. Hij kan eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen wijzigen.

Hij bepaalt met betrekking tot de in het eerste lid, 3°, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bedoelde vergoeding de specifieke regels en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de in het eerste lid bedoelde inhouding. Hij kan eveneens in afwijking van het vorige lid en onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, een vervangende niet-periodieke werknemersbijdrage voorzien.

Wat de in het eerste lid, 3°, bedoelde vergoeding betreft, is de inhouding niet verschuldigd indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van ten minste 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst.

De inhouding wordt berekend op het totale bedrag van de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° of 3°, en wordt verricht door de debiteur van de aanvullende vergoeding op het bedrag van deze aanvullende vergoeding. Het ingehouden bedrag wordt overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Van het totaal van de aldus ontvangen ingehouden bedragen maakt deze instelling 7/9 over aan de Rijksdienst voor pensioenen en 2/9 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. »

Art. 21.Artikel 11, § 1, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, wordt aangevuld als volgt : « Wordt met het in het eerste lid bedoelde conventioneel brugpensioen gelijkgesteld, overeenkomstig bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgelegde voorwaarden en nadere regels, de vergoeding, die in totaal ten minste 7.436,80 EUR bruto kan bedragen, ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, voorzover deze vergoeding door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld.

De in het eerste lid bedoelde bijdrage is niet verschuldigd indien de in het tweede lid bedoelde aanvulling die met het conventioneel brugpensioen gelijkgesteld wordt, toegekend wordt op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op sectorniveau en neergelegd vóór 1 juli 2002, of op basis van een ononderbroken verlenging van een dergelijke overeenkomst, en indien de gewezen werknemer een loopbaan heeft van ten minste 40 jaar, berekend overeenkomstig de regels vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor vergoedingen die niet periodiek worden betaald. »

Art. 22.Wat de aanvullende vergoedingen die met toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld worden met het conventioneel brugpensioen betreft, is dit hoofdstuk enkel van toepassing op de vergoedingen die voor de eerste maal werden toegekend na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen aan de programmawet (I) van 24 december 2002

Art. 23.In artikel 374 van de programmawet (I) van 24 december 2002 worden de woorden « met uitzondering van artikel 373, dat in werking treedt op 1 januari 2003 » vervangen door de woorden « met uitzondering van de artikelen 355, 360, 361 en 373, die in werking treden op 1 januari 2003 ». HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding

Art. 24.Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering van de Hoofdstukken III en V, waarvan de datum van inwerkingtreding wordt bepaald door de Koning.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 1 april 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota (1) Zitting 2002-2003. Kamer van volksvertegenwoordigers.

Documenten. - Ontwerp van wet, nr. 50-2280/1. - Amendementen, nr 50-2280/2. - Verslag, nr 50-2280/3. - Tekskt aangenomen door de commissie, nr 50-2280/4. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr 50-2280/5.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 27 februari 2003. - Stemming.Vergadering van 27 februari 2003.

Senaat : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat, nr. 2-1514/1.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^