Wet van 02 juni 2012
gepubliceerd op 18 juni 2012

Wet betreffende de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2012014228
pub.
18/06/2012
prom.
02/06/2012
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

2 JUNI 2012. - Wet betreffende de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° « bevoegde onderzoeksinstantie » : een onderzoeksinstantie van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die is aangewezen als onderzoeksinstantie in uitvoering van artikel 8 van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad;2° « MIK » : het Maritiem Informatiekruispunt bedoeld in artikel 3, 7°, van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Vlaamse Gewest van 8 juli 2005 betreffende de oprichting van en de samenwerking in een structuur Kustwacht;3° « IMO » : de Internationale Maritieme Organisatie; 4° « IMO-code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee » : de meest actuele versie van de code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee van de IMO (IMO-code for the Investigation of Marine Casualties and Incidents), die is gehecht aan Resolutie A.849(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de IMO; 5° « IMO-code voor internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee » : de meest actuele versie van de code voor internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee van de IMO (Code of the International Standards and Recommended Practices for a Safety Investigation into a Marine Casualty or Marine Incident), die is gehecht aan Resolutie MSC.255(84) van 16 mei 2008 van het Maritieme Veiligheidscomité; 6° « Belgische zeewateren » : de territoriale zee, de havens van de kust en de Beneden-Zeeschelde waarvan de grenzen door de Koning worden vastgesteld, de haven van Gent waarvan de grenzen door de Koning worden vastgesteld, het Belgische gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent, de havens gelegen aan het Belgische gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent waarvan de grenzen door de Koning worden vastgesteld en de kanalen Zeebrugge-Brugge en Oostende-Brugge;7° « maritieme zones » : de Belgische zeewateren, de exclusieve economische zone zoals bepaald en afgebakend in de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, en het continentaal plat zoals bepaald en afgebakend in de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;8° « binnenwateren » : de Belgische openbare wateren die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden en die niet behoren tot de Belgische zeewateren;9° « vaartuig » : een schip of een binnenschip;10° « schip » : elk vaartuig dat op zee personen of zaken vervoert, de visvangst bedrijft, sleepverrichtingen, baggerwerken of enige andere winstgevende verrichting van scheepvaart uitvoert, of dat ertoe bestemd is;11° « binnenschip » : elk vaartuig dat wegens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt op de binnenwateren;12° « ro-ro-veerboot » : een zeegaand passagiersschip dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het schip op en af te laten rijden en dat meer dan twaalf passagiers vervoert;13° « hogesnelheidspassagiersvaartuig » : een vaartuig dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, dat een maximale snelheid kan bereiken, in meter per seconde (m/s), gelijk of hoger dan 3,7 0,1667, waarbij « » gelijk is aan het volume van verplaatsing dat overeenstemt met de verwachte waterlijn (m3), met uitsluiting van vaartuigen waarvan de romp in staat van exploitatie zonder diepgang volledig wordt gedragen boven het wateroppervlak door aërodynamische krachten die worden verwekt door het grondeffect;14° « scheepvaartongeval » : een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen, die een van de volgende feiten, die rechtstreeks in verband staan met de activiteiten van een schip, met zich heeft meegebracht : a) de dood of ernstige verwondingen van een persoon ten gevolge van de exploitatie van een schip of in verband daarmee, of b) het overboord slaan van een persoon veroorzaakt door de bewegingen van het schip of dat in verband staat met deze bewegingen, of c) het verlies, het verondersteld verlies of het verlaten van een schip, of d) materiële schade geleden door een schip, of e) de stranding van een schip, de beschadiging ervan of zijn betrokkenheid bij een aanvaring, of f) materiële schade veroorzaakt door de exploitatie van een schip of die verband houdt met deze exploitatie, of g) milieuschade die voortvloeit uit de schade aan een of meer schepen welke is veroorzaakt door de exploitatie van een of meer schepen;15° « ernstig scheepvaartongeval » : een scheepvaartongeval dat niet als een zeer ernstig scheepvaartongeval wordt beschouwd en dat ten gevolge van een brand, een ontploffing, een aanvaring, een stranding, een contact, schade door zwaar weer, ijsschade, een scheur of vermoedelijke schade aan de romp of een andere gebeurtenis met zich meegebracht heeft : a) structurele schade die de zeewaardigheid van het schip aantast, of b) vervuiling, ongeacht de omvang ervan, of c) een defect waardoor het schip moet gesleept worden of waardoor er bijstand van de wal nodig is;16° « zeer ernstig scheepvaartongeval » : een scheepvaartongeval dat met zich meegebracht heeft : a) het volledig verlies van het schip, of b) het verlies van mensenlevens, of c) zware vervuiling;17° « incident » : een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een schip of in verband daarmee zodat het schip of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het schip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;18° « veiligheidsonderzoek » : een onderzoek, bij een scheepvaartongeval of incident, dat tot doel heeft ongevallen en incidenten met een schip in de toekomst te voorkomen, met inbegrip van het verzamelen en het analyseren van gegevens, het identificeren van de oorzakelijke factoren en het maken van de nodige veiligheidsaanbevelingen;19° « de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat » : de Staat die de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsonderzoek opneemt conform het onderling akkoord tussen de Staten die een aanzienlijk belang hebben;20° « ernstige verwondingen » : verwondingen van een persoon opgelopen tijdens een scheepvaartongeval die een werkonbekwaamheid van 72 uur meebrengt;deze werkonbekwaamheid vangt aan binnen zeven dagen volgend op de dag waarop de verwondingen veroorzaakt zijn; 21° « Staat die een aanzienlijk belang heeft » : een Staat : a) die de vlaggenstaat is van het schip dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt, of b) in wiens binnenwateren of territoriale zee een scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden, of c) waar een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht heeft of gedreigd heeft toe te brengen aan het leefmilieu van de Staat of aan de zeegebieden waarover hij krachtens internationaal recht rechtsbevoegdheid heeft, of d) waar de gevolgen van een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht hebben of gedreigd hebben toe te brengen hetzij aan de Staat zelf hetzij aan de kunstmatige eilanden, installaties of werken waarover hij rechtsbevoegdheid heeft, of e) waarvan een scheepvaartongeval het leven gekost heeft of ernstige verwondingen heeft toegebracht aan onderdanen van deze Staat, of f) die over belangrijke informatie beschikt die nuttig kan zijn voor het onderzoek, of g) die laatst werd aangedaan door een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiersvaartuig, betrokken bij een scheepvaartongeval of incident buiten de territoriale wateren van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;h) die, om welke andere reden ook, belangen doet gelden die belangrijk worden geacht door de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat; 22° « IMO-richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee » : de richtsnoeren in de bijlage bij Resolutie LEG.3(91) van de juridische commissie van de IMO van 27 april 2006 zoals goedgekeurd door de raad van bestuur van de Internationale Arbeidsorganisatie in zijn 296e zitting van 12 tot 16 juni 2006, getiteld : « IMO guidelines on the fair treatment of seafarers in the event of a maritime accident »; 23° « VDR » : een reisgegevensrecorder die voldoet aan de prestatienormen van resolutie A.861 (20) van de algemene vergadering van de IMO van 27 november 1997 en van resolutie MSC.163(78) van de maritieme veiligheidscommissie van de IMO en aan de keuringsnormen van IEC-norm nr. 61996; 24° « veiligheidsaanbeveling » : elk voorstel, ook ten behoeve van registratie en controle : a) hetzij van de bevoegde onderzoeksinstantie die het veiligheidsonderzoek verricht of leidt, dat gebaseerd is op uit dat onderzoek verkregen informatie;of, in voorkomend geval, b) van de Europese Commissie op basis van een abstracte gegevensanalyse en de resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken;25° « EMCIP-databank » : de Europese elektronische databank die door de Europese Commissie wordt opgezet onder de naam « Europees Informatieplatform voor scheepvaartongevallen » (European Marine Casualty Information Platform - EMCIP);26° « de Minister » : de Minister bevoegd voor de Maritieme Mobiliteit;27° « onderzoeker » : de met het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek belaste personeelsleden van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen bedoeld in artikel 7;28° « Belgisch schip » : een schip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren;29° « exploitant » : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die, als eigenaar of voor rekening van de eigenaar dan wel als rompbevrachter, één of meer Belgische schepen exploiteert.

Art. 4.Deze wet is van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten : 1° waarbij Belgische schepen zijn betrokken;of 2° die zich voordoen in de maritieme zones;of 3° die zich voordoen op de binnenwateren en waarbij schepen zijn betrokken;of 4° die andere aanzienlijke belangen van het Koninkrijk België raken. Deze wet is niet van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten waarbij uitsluitend zijn betrokken : 1° oorlogsschepen, troepenschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat welke uitsluitend worden gebruikt voor een niet-commerciële overheidsdienst;2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten schepen van eenvoudige bouw, en niet voor handel gebruikte plezierjachten en -schepen, tenzij deze voor commerciële doeleinden worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;3° binnenschepen die op de binnenwateren worden geëxploiteerd;4° vissersschepen met een lengte van minder dan 15 meter;5° vaste booreilanden.

Art. 5.Deze wet heeft tot doel de maritieme veiligheid te verhogen en verontreiniging door schepen te voorkomen en daarmee de kans op toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te verminderen door : 1° een spoedige uitvoering van het veiligheidsonderzoek en een gedegen analyse van scheepvaartongevallen en incidenten te bevorderen, teneinde de oorzaken ervan vast te stellen;2° ervoor te zorgen dat tijdig en nauwgezet verslag over het veiligheidsonderzoek wordt uitgebracht en voorstellen voor herstelmaatregelen worden gedaan;3° ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of er al dan niet gevolg wordt gegeven aan de veiligheidsaanbevelingen en de genomen herstelmaatregelen te onderzoeken om eventueel bijkomende veiligheidsaanbevelingen te geven.

Art. 6.Het veiligheidsonderzoek uit hoofde van deze wet dient niet ter bepaling van de aansprakelijkheid, noch ter beantwoording van de schuldvraag.

Art. 7.Er wordt een onderzoeksinstantie opgericht onder de benaming « federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen » (afgekort FOSO).

De FOSO is wat betreft haar organisatie, juridische structuur en besluitvorming autonoom en functioneel onafhankelijk van iedere partij of instantie waarvan de belangen strijdig zouden kunnen zijn met de haar toevertrouwde opdrachten.

Art. 8.§ 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de organisatie, de samenstelling en de werking van de FOSO en de bekwaamheden van het personeel van de FOSO. De minister staat in voor de goede werking van de FOSO. § 2. De FOSO bestaat ten minste uit één personeelslid dat bekwaam is om de FOSO als directeur te leiden en om veiligheidsonderzoeken te verrichten, en dat onder het hiërarchisch gezag van de minister staat. § 3. De personeelsleden van de FOSO en de extern aangestelde deskundigen zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun taken.

Art. 9.§ 1. De FOSO is bevoegd om veiligheidsonderzoeken in te stellen naar de scheepvaartongevallen en incidenten, bedoeld in artikel 4. Het veiligheidsonderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met de IMO-code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee en de IMO-code voor internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee, tenzij anders bepaald in deze wet. § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1 is de FOSO bevoegd om te onderzoeken hoe de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of overheden, waarvan het handelen of nalaten blijkens het oordeel van de FOSO heeft bijgedragen tot het ontstaan van het scheepvaartongeval of incident, de veiligheidsaanbevelingen hebben opgevolgd. De FOSO kan de genomen herstelmaatregelen onderzoeken om eventueel bijkomende veiligheidsaanbevelingen te geven.

De FOSO rapporteert ten minste één maal per jaar schriftelijk over het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de Kamer van volksvertegenwoordigers op de door de Koning bepaalde wijze. § 3. De FOSO mag de haar toevertrouwde taken uitbreiden tot het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot de scheepvaartveiligheid, met name voor preventiedoeleinden, voor zover deze activiteiten geen afbreuk doen aan haar onafhankelijkheid en geen regelgevende, bestuurlijke of normgevende verantwoordelijkheden met zich brengen.

De FOSO mag haar taken uit hoofde van deze wet combineren met onderzoeken naar andere gebeurtenissen dan scheepvaartongevallen en incidenten, mits dergelijke onderzoeken haar onafhankelijkheid niet in gevaar brengen.

Art. 10.§ 1. De FOSO stelt een veiligheidsonderzoek in na een zeer ernstig scheepvaartongeval : 1° waarbij een Belgisch schip is betrokken, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval;2° in de maritieme zones of de binnenwateren ongeacht de vlag van het schip dat bij het scheepvaartongeval betrokken is;3° waarbij België een aanzienlijk belang heeft, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval of de vlag van het betrokken schip. § 2. De FOSO doet bij een ernstig scheepvaartongeval een voorafgaande beoordeling om te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten.

Wanneer de FOSO op basis van de voorafgaande beoordeling beslist geen veiligheidsonderzoek naar een ernstig ongeval te verrichten, dan zendt ze haar met redenen omkleed besluit toe aan de minister en aan de Europese Commissie. § 3. In het geval van een ander scheepvaartongeval of incident dan bedoeld in § 1 of § 2, besluit de FOSO of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht. § 4. Bij de besluiten bedoeld in § 2, tweede lid en § 3, houdt de FOSO rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of incident, het type schip en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten.

Art. 11.§ 1. In beginsel wordt naar elk scheepvaartongeval of incident slechts één veiligheidsonderzoek verricht.

Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de FOSO, zijn betrokken, werkt de FOSO samen met de bevoegde overheidsinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben teneinde spoedig overeen te komen welke de verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is die het veiligheidsonderzoek leidt. De FOSO stelt alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van deze overeenstemming hebben de bevoegde onderzoeksinstanties van andere Staten die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de FOSO. De FOSO neemt het standpunt van de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben in overweging.

De FOSO beperkt het verrichten van parallelle veiligheidsonderzoeken naar eenzelfde scheepvaartongeval of incident strikt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen meldt de FOSO de redenen voor het verrichten van zulke parallelle onderzoeken aan de Europese Commissie. De FOSO werkt samen met de bevoegde onderzoeksinstanties die parallelle veiligheidsonderzoeken verrichten.

In het bijzonder wisselt de FOSO met de betrokken bevoegde onderzoeksinstanties alle relevante informatie vergaard in de loop van haar veiligheidsonderzoek uit, met name om, voor zover mogelijk, gedeelde conclusies te bereiken.

De FOSO neemt geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onrechtmatig beletten, opschorten of vertragen. § 2. Onverminderd § 1, blijft de FOSO verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met andere bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welk de in hoofdzaak voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is. § 3. Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van deze wet en van het internationale recht mag de FOSO in onderling overleg de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke taken voor het verrichten van zulk veiligheidsonderzoek, per geval aan een andere bevoegde onderzoeksinstantie delegeren. § 4. Wanneer een ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig betrokken is bij een scheepvaartongeval of incident, wordt de procedure tot veiligheidsonderzoek ingeleid door de FOSO indien het scheepvaartongeval of incident heeft plaatsgevonden in de maritieme zones of indien het in volle zee heeft plaatsgevonden en indien België het laatste land is dat door de ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig is aangedaan. De FOSO blijft verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke bevoegde onderzoeksinstantie in hoofdzaak verantwoordelijk is voor het veiligheidsonderzoek. § 5. Wanneer twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties waaronder de FOSO betrokken zijn bij een veiligheidsonderzoek, brengt de FOSO de kosten van haar activiteiten niet in rekening.

Indien de FOSO niet bij het veiligheidsonderzoek betrokken is en om bijstand wordt verzocht, maakt de FOSO afspraken over de vergoeding van de kosten met de bij het veiligheidsonderzoek betrokken bevoegde onderzoeksinstanties.

Art. 12.Indien de FOSO overeenkomstig artikel 11 de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk bevoegde onderzoeksinstantie is, stelt ze de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de FOSO het meest geschikt acht om de doelstellingen bedoeld in artikel 5 te verwezenlijken en om toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te voorkomen.

Art. 13.De medewerking van de FOSO aan een veiligheidsonderzoek dat wordt verricht door een derde land dat een aanzienlijk belang heeft, doet niets af aan de uit deze wet voortvloeiende gedrags- en rapportagevoorschriften inzake veiligheidsonderzoeken.

Indien een derde land met een aanzienlijk belang een veiligheidsonderzoek leidt, waarbij de FOSO betrokken is, kan de FOSO beslissen om geen parallel veiligheidsonderzoek te verrichten op voorwaarde dat het door het derde land geleide veiligheidsonderzoek overeenkomstig de IMO-code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee wordt verricht.

Art. 14.Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken, wordt door de FOSO de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee gevolgd die uit hoofde van artikel 2, onder e), van de Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid is ontwikkeld. Onderzoekers van de FOSO mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is, en voor zover nodig, om de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.

Art. 15.§ 1. Met het oog op de dekking van de oprichtings-, personeels-, en werkingskosten van de FOSO is aan de FOSO een jaarlijkse bijdrage van 800.000 euro verschuldigd.

De jaarlijkse bijdrage bedoeld in het eerste lid is verschuldigd door de exploitanten en, met betrekking tot de schepen onder vreemde vlag, door de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge die door die schepen worden aangedaan. § 2. De jaarlijkse bijdrage van de exploitant bedraagt 0,0126 euro per brutotonnenmaat van de schepen waarvan hij de exploitant is op 1 januari van het jaar waarvoor de jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.

De jaarlijkse bijdrage van de exploitant bedoeld in het eerste lid wordt afgerond naar de eenheid erboven als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan vijftig eurocent is. Ze wordt naar onder afgerond als dit gedeelte minder is dan vijftig eurocent.

De jaarlijkse bijdrage van de exploitant bedraagt minimaal 25 euro en maximaal 1.500 euro per Belgisch schip waarvan hij exploitant is. § 3. De gezamenlijke jaarlijkse bijdrage van de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge is gelijk aan de jaarlijkse bijdrage bedoeld in § 1, eerste lid, verminderd met de gezamenlijke jaarlijkse bijdrage van de exploitanten van de Belgische schepen bedoeld in § 2.

De jaarlijkse bijdrage van de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge afzonderlijk wordt vastgesteld op basis van volgende formule : Het bedrag van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in § 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het getal dat bekomen wordt door respectievelijk het totaal aan brutotonnenmaat van de schepen onder vreemde vlag die respectievelijk de haven van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende of Zeebrugge hebben aangedaan te delen door de som van die totalen aan brutotonnenmaat.

Het totaal aan brutotonnenmaat van de schepen onder vreemde vlag dat betrekking heeft op het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de jaarlijkse bijdrage verschuldigd is, wordt in aanmerking genomen.

De jaarlijkse bijdrage van de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge afzonderlijk berekend volgens de formule in het tweede lid wordt afgerond naar de eenheid erboven als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan vijftig eurocent is. Het wordt naar onder afgerond als dit gedeelte minder is dan vijftig eurocent. § 4. Het jaarlijkse bijdrage bedoeld in § 1, eerste lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen op basis van de volgende formule : Het bedrag van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in § 1, eerste lid, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.

Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag van de jaarlijkse bijdrage wordt aangepast overeenkomstig het eerste lid.

Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van mei 2011. § 5. Het bedrag per brutotonnenmaat bedoeld in § 2, eerste lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen op basis van de volgende formule : Het bedrag per brutotonnenmaat bedoeld in § 2, eerste lid, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.

Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag wordt aangepast overeenkomstig het eerste lid.

Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van mei 2011. § 6. De jaarlijkse bijdrage van de exploitant bedoeld in § 2 en de jaarlijkse bijdrage van de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge afzonderlijk bedoeld in § 3, tweede lid, worden uiterlijk betaald op 1 juni van het jaar waarvoor de jaarlijkse bijdragen verschuldigd zijn.

Art. 16.§ 1. Met toepassing van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt een begrotingsfonds betreffende de werking van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen opgericht. § 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer, aangevuld als volgt : « 12 : Benaming van het organiek begrotingsfonds : Fonds betreffende de werking van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen Aard van de toegewezen ontvangsten : De jaarlijkse bijdrage die door de exploitanten van de Belgische schepen en met betrekking tot de schepen onder vreemde vlag door de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge verschuldigd is als deelneming in de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van allerhande aard van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen, zoals bedoeld in artikel 7 van de wet van 2 juni 2012 betreffende de federale instantie voor het onderzoek van scheepvaartongevallen.

Aard van de toegestane uitgaven : de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van allerhande aard met betrekking tot de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen, zoals bedoeld in artikel 7 van de wet van 2 juni 2012 betreffende de federale instantie voor het onderzoek van scheepvaartongevallen. » § 3. Het beschikbaar saldo van het Fonds betreffende de werking van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen op 31 december van elk begrotingsjaar zal worden gedesaffecteerd op 1 juli van het begrotingsjaar dat erop volgt. Het bedrag van de desaffectatie voor de vastleggingen en de vereffeningen zal worden berekend op basis van het beschikbaar saldo aan vastleggingen.

Art. 17.Uiterlijk op 30 september van elk jaar dient de FOSO bij de minister, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de parlementen van de Gewesten een jaarverslag in waarin verantwoording wordt afgelegd over de werking van de FOSO en over de veiligheidsonderzoeken die het voorafgaande jaar zijn verricht door de FOSO, de veiligheidsaanbevelingen die werden gedaan en de herstelmaatregelen die werden genomen naar aanleiding van eerdere veiligheidsaanbevelingen.

De FOSO maakt dit jaarverslag op elektronische wijze beschikbaar voor het publiek.

Art. 18.§ 1. Het MIK, iedere overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een scheepvaartongeval of incident, meldt dit onverwijld aan de FOSO en geeft aan de FOSO alle relevante informatie en bezorgt haar, in voorkomend geval, een kopie van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.

In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch schip betrokken is, meldt de kapitein, de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van dit schip dit dadelijk aan de FOSO en bezorgt aan de FOSO alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een kopie van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten. § 2. In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch schip en andere schepen betrokken zijn, meldt de FOSO dit onverwijld aan de vlaggenstaat van het andere bij het scheepvaartongeval betrokken schip. § 3. Indien de FOSO een veiligheidsonderzoek verricht naar een scheepvaartongeval of incident meldt de FOSO dit onverwijld aan de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben.

Art. 19.Indien de FOSO overeenkomstig artikel 11 de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk bevoegde onderzoeksinstantie is, kan de FOSO toestaan dat op verzoek van een bevoegde onderzoeksinstantie van een Staat die een aanzienlijk belang heeft één of meer vertegenwoordigers van deze bevoegde onderzoeksinstantie aan het veiligheidsonderzoek deelnemen. De FOSO kan een dergelijk verzoek richten tot de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstanties, indien België een Staat is die een aanzienlijk belang heeft.

De vertegenwoordigers bedoeld in het eerste lid, kunnen zich door deskundigen laten bijstaan.

De vertegenwoordigers en deskundigen bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben toegang tot de tijdens het veiligheidsonderzoek vergaarde gegevens en informatie, mits zij zich tot geheimhouding verplichten en zij in de Staten of landen die zij vertegenwoordigen, niet aan een ruimere openbaarheid van gegevens zijn gehouden dan die waarin deze wet voorziet. Zij geven aan de FOSO alle relevante informatie die zij ter beschikking hebben.

Art. 20.De FOSO mag aan een veiligheidsonderzoek buiten België, dat door een bevoegde onderzoeksinstantie wordt ingesteld, deelnemen.

Art. 21.De FOSO bepaalt, in voorkomend geval in overleg met de aangezochte onderzoeksrechter, de nadere regels voor : 1° het al dan niet ter beschikking stellen en houden van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken door de FOSO voor de duur van het veiligheidsonderzoek of voor een duur die zo lang of zo kort is als de directeur van de FOSO bedoeld in artikel 8, § 2, nodig oordeelt;2° het bewaren van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;3° de teruggave van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;4° het vernietigen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen om redenen van veiligheid of volksgezondheid;5° het opnieuw ter beschikking krijgen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken voor bijkomend onderzoek door de FOSO. Het is verboden de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken te contamineren, beschadigen, vernietigen, verwijderen, zonder toestemming van de FOSO te verplaatsen of op enige wijze aan het veiligheidsonderzoek door de FOSO te onttrekken.

Art. 22.De FOSO start het veiligheidsonderzoek zo spoedig mogelijk, en in ieder geval uiterlijk binnen twee maanden, nadat het scheepvaartongeval of incident plaatsvond.

Art. 23.De Koning bepaalt de vorm en inhoud van de legitimatiekaart van de onderzoekers van de FOSO.

Art. 24.De onderzoekers van de FOSO of van een andere bevoegde onderzoeksinstantie, waaraan zij de onderzoekstaak heeft gedelegeerd overeenkomstig artikel 11, § 3, hebben, waar nodig in samenwerking met de voor het gerechtelijk onderzoek verantwoordelijke autoriteiten, de hiernavolgende bevoegdheden om in bezit te worden gesteld van alle voor het verrichten van het veiligheidsonderzoek relevante informatie en zijn gemachtigd tot : 1° de vrije toegang tot de plaats van het scheepvaartongeval of incident evenals tot de inrichtingen, lokalen, vertrekken, het schip, de inhoud ervan en tot het wrak of andere constructie, met inbegrip van het woongedeelte van een schip, lading, uitrusting en wrakstukken. Een woning, al dan niet aan boord van een schip, wordt slechts betreden met toestemming van de bewoner of mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter; 2° zich zo nodig op elk ogenblik van de dag of nacht toegang te verschaffen tot de in 1° bedoelde plaatsen met bijstand van de politiediensten onder de in 1° bedoelde voorwaarden;3° het zich doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen;4° het onmiddellijk verzamelen van aanwijzingen, van wrakstukken en onderdelen voor onderzoeks- en analysedoeleinden;5° het vorderen van inlichtingen;6° het onmiddellijk opstellen van een inventaris van bewijsmateriaal en het overgaan van een gecontroleerde opsporing en verwijdering van wrakgoed, wrakstukken en andere onderdelen of materialen ten behoeve van onderzoek of analyse;7° het laten onderzoeken of analyseren van de onder 6° bedoelde voorwerpen en het vrije toegang krijgen tot de resultaten van dergelijke onderzoeken of analyses;8° het vrij inzien, kopiëren en gebruiken van alle relevante informatie en geregistreerde gegevens, met inbegrip van de gegevens van de VDR, met betrekking tot een schip, reis, lading, bemanning of andere persoon, voorwerp, toestand of omstandigheid;9° het krijgen van vrije toegang tot de resultaten van de onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters genomen van de lichamen van slachtoffers;10° het eisen van de resultaten van en de vrije toegang tot onderzoeken of analyses van monsters van degenen die bij de exploitatie van een schip zijn betrokken of van andere relevante personen;11° het horen van getuigen in afwezigheid van personen die er belang bij zouden kunnen hebben het veiligheidsonderzoek te belemmeren;12° het toegang krijgen tot archiefgegevens en tot relevante informatie waarover de Federale Staat, de vlaggenstaat, de eigenaars, de classificatiebureaus en andere betrokken partijen beschikken, voor zover deze partijen of hun vertegenwoordigers in België zijn gevestigd;13° het beroep doen op ondersteuning door de betrokken autoriteiten van de Federale Staat, waaronder scheepvaartinspecteurs van de vlaggenstaat en de havenstaat, en het MIK.

Art. 25.§ 1. Eenieder is verplicht aan een onderzoeker binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Indien de informatieverstrekker hierom verzoekt wordt de informatie niet openbaar gemaakt. § 2. De onderzoekers en externe deskundigen nemen de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuigen van een scheepvaartongeval te waarborgen indien de getuigen hierom verzoeken.

Art. 26.§ 1. Onverminderd de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zorgt de FOSO ervoor dat de volgende gegevens niet voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek beschikbaar worden gesteld, tenzij de FOSO beslist dat er met de openbaarmaking een hoger openbaar belang is gediend : 1° alle getuigenissen en andere verklaringen, verslagen en notities die door de FOSO in het kader van het veiligheidsonderzoek worden opgetekend of ontvangen;2° documenten die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;3° informatie betreffende bij het scheepvaartongeval of incident betrokken personen die bijzonder gevoelig of privé van aard is, onder meer informatie over hun gezondheid. § 2. De ontwerprapporten bedoeld in artikel 28 en de informatie verzameld ten behoeve van de veiligheidsonderzoeken door de FOSO zijn niet openbaar.

Art. 27.Het is verboden om na een scheepvaartongeval of incident informatie met betrekking hiertoe te vernietigen of te laten verdwijnen.

Art. 28.§ 1. Over een veiligheidsonderzoek dat uit hoofde van deze wet wordt verricht, wordt in de door de FOSO bepaalde vorm en overeenkomstig de door de Koning bepaald inhoud een rapport gepubliceerd dat toegankelijk is via een website voor het publiek.

De FOSO kan over een veiligheidsonderzoek dat geen betrekking heeft op een zeer ernstig, of naargelang van het geval, een ernstig scheepvaartongeval en waarvan de bevindingen niet kunnen leiden tot het voorkomen van toekomstige scheepvaartongevallen of incidenten, besluiten om een vereenvoudigd rapport te publiceren dat toegankelijk is via een website voor het publiek. § 2. De FOSO doet al het mogelijke om de in § 1 bedoelde rapporten, met inbegrip van de conclusies ervan en eventuele veiligheidsaanbevelingen, binnen twaalf maanden vanaf de dag van het scheepvaartongeval of incident voor het publiek beschikbaar te maken, en met name aan de scheepvaartsector. Indien het niet mogelijk is het rapport bedoeld in § 1 binnen die termijn te voltooien, wordt binnen twaalf maanden na de dag van het scheepvaartongeval een tussentijds rapport opgesteld dat toegankelijk is via een website voor het publiek. § 3. De FOSO zendt aan de Europese Commissie, aan de minister en aan de betrokken partijen een kopie toe van het rapport, het vereenvoudigde rapport of het tussentijdse rapport, bedoeld in §§ 1 en 2. De FOSO houdt rekening met de eventuele technische opmerkingen van de Europese Commissie over rapporten, bedoeld in § 1, los van de bevindingen ten gronde, ter verbetering van de kwaliteit van die rapporten op de wijze die het meest geschikt is om de doelstelling van de Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad te verwezenlijken.

Art. 29.De rapporten van de FOSO bedoeld in artikel 28, § 1 en § 2, en de veiligheidsaanbevelingen kunnen niet in een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt.

Een onderzoeker en een externe deskundige mogen niet als getuige of deskundige worden opgeroepen in een gerechtelijke procedure bij een scheepvaartongeval of incident waarbij de onderzoeker van de FOSO en de externe deskundige betrokken zijn of zijn geweest bij het veiligheidsonderzoek.

Art. 30.§ 1. Met de veiligheidsaanbevelingen van de FOSO wordt op passende wijze rekening gehouden door degenen aan wie zij gericht zijn die er, waar nodig, een passend gevolg aan geven overeenkomstig het vigerend Belgisch recht, het recht van de Europese Unie en het internationaal recht.

De FOSO doet, wanneer zulks noodzakelijk is, veiligheidsaanbevelingen op basis van een abstracte analyse van gegevens en de algemene resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken. § 2. In een veiligheidsaanbeveling wordt onder geen beding de aansprakelijkheid voor een scheepvaartongeval of incident bepaald of de schuldvraag beantwoord.

Art. 31.Onverminderd haar recht om een vroegtijdige waarschuwing te geven, brengt de FOSO ongeacht de fase van het veiligheidsonderzoek de Europese Commissie onverwijld op de hoogte van de noodzaak om een vroegtijdige waarschuwing te geven wanneer zij van mening is dat er op het niveau van de Europese Unie dringende maatregelen moeten worden getroffen om het risico van nieuwe scheepvaartongevallen te voorkomen.

Art. 32.De FOSO brengt de Europese Commissie op de hoogte van scheepvaartongevallen en incidenten in de door de Koning beschreven vorm. De FOSO verstrekt de Europese Commissie tevens gegevens die het veiligheidsonderzoek oplevert overeenkomstig de regeling van de EMCIP-databank.

Art. 33.Overeenkomstig de vigerende wetgeving wordt in het geval van een scheepvaartongeval of incident rekening gehouden met de relevante bepalingen van de IMO-richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee.

Art. 34.§ 1. Met gevangenisstraf van zes maand tot een jaar en met geldboete van 26 euro tot 3.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten heeft overtreden of belemmerd. § 2. Elke schending van het beroepsgeheim, bedoeld in artikel 8, § 3, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 500 euro tot 30.000 euro of met een van die straffen alleen, de persoon die de identiteit onthult van een persoon die om anonimiteit verzoekt overeenkomstig artikel 25, § 2. § 3. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, daaronder begrepen hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven omschreven in deze wet.

Art. 35.Deze wet heeft uitwerking met ingang van 17 juni 2011.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 2 juni 2012.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee, J. VANDE LANOTTE De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM De Minister van Begroting en Administratieve Vereenvoudiging, O. CHASTEL Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota (1) Zitting 2011-2012. Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken. - Wetsontwerp, nr. 53-1931/1. - Amendementen, nr. 53-1931/2. - Verslag namens de commissie, nr. 53-1931/3. - Tekst aangenomen door de commissie, nr. 53-1931/4. - Amendementen ingediend in de plenaire vergadering, nr. 53-1931/5. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 53-1931/6.

Integraal verslag. - 10 mei 2012.

Senaat.

Stukken. - Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat, nr. 5-1619/1.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^