Wet van 05 mei 2014
gepubliceerd op 09 mei 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2014022177
pub.
09/05/2014
prom.
05/05/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

5 MEI 2014. - Wet tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II. - Overlevingspensioen en overgangsuitkering HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

Art. 2.In artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 5 juni 1970, 15 mei 1984 en 25 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, wordt de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid" vervangen door de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid."; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : "Het gaat evenwel ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens welke de langstlevende echtgenoot de leeftijd bereikt van : 1° 45 jaar, als de echtgenoot ten laatste op 31 december 2015 overlijdt;2° 45 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2016 en ten laatste op 31 december 2016 overlijdt;3° 46 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 31 december 2017 overlijdt;4° 46 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2018 overlijdt;5° 47 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2019 en ten laatste op 31 december 2019 overlijdt;6° 47 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2020 en ten laatste op 31 december 2020 overlijdt;7° 48 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2021 en ten laatste op 31 december 2021 overlijdt;8° 48 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2022 en ten laatste op 31 december 2022 overlijdt;9° 49 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2023 en ten laatste op 31 december 2023 overlijdt;10° 49 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2024 en ten laatste op 31 december 2024 overlijdt; 11° 50 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2025 overlijdt.". 3° het wordt aangevuld met een lid, luidende : "De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, de langstlevende echtgenoot die de in het tweede lid bedoelde leeftijd bereikt, toelaten te kiezen voor het voordeel van de bepalingen van hoofdstuk 4 inzake de overgangsuitkering.".

Art. 3.In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 5 juni 1970 en 15 mei 1984, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, wordt tussen de eerste en de tweede zin een zin ingevoegd, luidende : "Hetzelfde geldt eveneens voor de echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd geweest is met de overleden werknemer, met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt."; 2° in hetzelfde lid, in de tweede zin, die de derde zin wordt, worden de woorden "Het huwelijk dient nochtans niet één jaar te duren" vervangen door de woorden "De duur van één jaar is evenwel niet vereist"; 3° in hetzelfde lid, in de tweede zin, die de derde zin wordt, wordt het eerste streepje aangevuld met de woorden "of uit de wettelijke samenwoning;"; 4° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende : "Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".

Art. 4.Artikel 19 van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 15 mei 1984, wordt vervangen als volgt : "

Art. 19.§ 1. Het genot van het overlevingspensioen wordt geschorst wanneer de langstlevende echtgenoot hertrouwt. § 2. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op het voordeel van dit hoofdstuk indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn echtgenoot onwaardig is om te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3°, van het Burgerlijk Wetboek.".

Art. 5.Het opschrift van hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit nr. 32 van 30 maart 1982, wordt hersteld als volgt : "De overgangsuitkering".

Art. 6.Artikel 21 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 32 van 30 maart 1982 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984 en bij het koninklijk besluit van 30 april 1997, wordt vervangen als volgt : "

Art. 21.§ 1. Onder voorbehoud van de bepaling van paragraaf 2 en voor zover de aanvraag voor een overgangsuitkering ingediend wordt binnen de twaalf maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat de overgangsuitkering in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is zo hij bij zijn overlijden nog geen pensioen ontving, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een pensioen ontving bij zijn overlijden. In de overige gevallen gaat het ten vroegste in de eerste dag van de maand welke op die aanvraag volgt. De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek geldt als bewijs van het overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid. § 2. Het recht op de overgangsuitkering wordt ambtshalve onderzocht in de door de Koning bepaalde gevallen. Hij stelt tevens de ingangsdatum van de overgangsuitkering voor elk van deze gevallen vast. § 3. De aanvraag voor een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers geldt ook als aanvraag voor een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor zelfstandigen en in de pensioenregeling van de openbare sector.".

Art. 7.In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit wordt een artikel 21bis ingevoegd luidende : "

Art. 21bis.Een overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die, bij het overlijden van zijn echtgenoot of echtgenote, de in artikel 16, § 1, tweede lid bedoelde leeftijd niet bereikt heeft, voor zover de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was. Dit geldt eveneens voor de echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd geweest is met de overleden werknemer met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. De duur van één jaar is evenwel niet vereist indien één van de volgende voorwaarden vervuld is : - er is een kind geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning; - op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving; - het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.

In geval van postume geboorte van een kind binnen de driehonderd dagen na het overlijden gaat de overgangsuitkering, voor zover de aanvraag binnen de twaalf maanden na de geboorte is ingediend, in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij bij zijn overlijden nog geen pensioen ontving, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een pensioen ontving bij zijn overlijden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".

Art. 8.In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit wordt een artikel 21ter ingevoegd luidende : "

Art. 21ter.§ 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor een periode van : 1° 12 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden geen kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;2° 24 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving of in geval van postume geboorte van een kind binnen de driehonderd dagen na het overlijden. De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, bewezen wordt. § 2. De langstlevende echtgenoot verliest het genot van de overgangsuitkering wanneer hij hertrouwt. § 3. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op het voordeel van dit hoofdstuk indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn echtgenoot onwaardig is om te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3°, van het Burgerlijk Wetboek.".

Art. 9.In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit wordt een artikel 21quater ingevoegd luidende : "

Art. 21quater.De langstlevende echtgenoot, die de bepalingen van dit hoofdstuk heeft genoten, kan aanspraak maken op de bepalingen van hoofdstuk 3 inzake het overlevingspensioen wanneer hij de in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bedoelde wettelijke pensioenleeftijd bereikt of voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voorzien in artikel 4, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 of wanneer hij een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector geniet, op voorwaarde dat hij niet hertrouwd is op de ingangsdatum van het overlevingspensioen.

Dit overlevingspensioen gaat in : 1° op de ingangsdatum van zijn Belgisch rustpensioen indien de langstlevende echtgenoot het bewijs levert van een Belgische persoonlijke beroepsloopbaan of van een persoonlijke beroepsloopbaan in België en in het buitenland;2° op de ingangsdatum van zijn rustpensioen toegekend ten laste van een buitenlandse pensioenregeling indien de langstlevende echtgenoot enkel het bewijs levert van een persoonlijke beroepsloopbaan in het buitenland; 3° op de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, indien de langstlevende echtgenoot het bewijs niet levert van een persoonlijke beroepsloopbaan.".

Art. 10.In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit wordt een artikel 21quinquies ingevoegd luidende : "

Art. 21quinquies.De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, het genot van de overgangsuitkering uitbreiden naar de wettelijke samenwonenden die niet verbonden zijn door een familieband, aanverwantschap of adoptie die een huwelijksverbod voorzien door het Burgerlijk Wetboek inhoudt.".

Art. 11.Artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 27 juli 1971 en laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2003, wordt aangevuld met een lid luidende : "De overgangsuitkering is uitbetaalbaar zelfs indien de langstlevende echtgenoot een beroepsactiviteit uitoefent of recht heeft op een vergoeding wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid, op een uitkering wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of wegens het verminderen van de arbeidsprestaties of op een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector of op een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel op grond van de activiteit van dezelfde overleden echtgenoot bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid.".

Art. 12.In hetzelfde besluit wordt een artikel 25bis ingevoegd luidende : "

Art. 25bis.Uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald, zijn het rustpensioen, het overlevingspensioen en de overgangsuitkering slechts uitbetaalbaar indien vaststaat dat de gerechtigde nog in leven is en, in het geval van een rustpensioen berekend aan 75 % van de werkelijke, fictieve, en forfaitaire brutolonen, indien vaststaat dat ook de echtgenoot van de gerechtigde nog in leven is.".

Art. 13.In artikel 29bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 27 februari 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 16 van 29 november 1978, worden de woorden "van de overgangsuitkering," ingevoegd tussen de woorden "van de rust- en overlevingspensioenen," en de woorden "van het aanvullend pensioen". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels

Art. 14.In titel 1, hoofdstuk 3, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "De overgangsuitkering".

Art. 15.In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 14, wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende : "

Art. 7bis.§ 1. Voor elk bewezen kalenderjaar van tewerkstelling in hoofde van de overleden werknemer, tot en met het jaar van zijn overlijden zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving of het jaar waarin zijn rustpensioen ingaat zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden, wordt het recht op de overgangsuitkering verkregen ten belope van een breuk van het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen van de overleden werknemer bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50, aangepast overeenkomstig artikel 29bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 en verkregen door de werknemer tot de laatste dag van de maand voorafgaand ofwel aan zijn overlijden ofwel aan de maand van de ingang van zijn rustpensioen. Dit recht op de overgangsuitkering wordt berekend aan het percentage voorzien in artikel 5, § 1, eerste lid, b), van dit besluit.

De toegekende breuk heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode die ingaat op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden werknemer en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dit van het overlijden zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving ofwel aan dit waarin zijn rustpensioen ingaat zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden.

Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat de loopbaan van de overleden werknemer bevat, hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de noemer van de breuk met 312 voltijdse dagequivalenten te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze vermenigvuldiging bekomen resultaat. De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 7, § 1, vijfde lid.

Indien de echtgenoot vóór de eerste dag van de maand die volgt op zijn twintigste verjaardag overleden is en tewerkgesteld was in de zin van het koninklijk besluit nr. 50 op het ogenblik van zijn overlijden, is het bedrag van de overgangsuitkering gelijk aan 60 % : 1° van het bedrag van de lonen van de overleden echtgenoot bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr.50 en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren; 2° van het forfaitaire loon van 17.026,70 EUR indien de berekeningswijze voorzien in de bepaling onder 1° niet kan worden toegepast of minder voordelig is.

De bepalingen van het vierde lid zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende echtgenoot van een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid geniet.

Het in het vierde lid, 2°, bedoelde bedrag van 17.026,70 EUR is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. § 2. Indien, in afwijking van paragraaf 1, eerste lid, het jaarloon, voor een loopbaanjaar van de overleden werknemer, geherwaardeerd op de ingangsdatum van de overgangsuitkering lager is dan 17.026,70 EUR (basis 1996 = 100) wordt de overgangsuitkering berekend op basis van dit bedrag voor het betrokken jaar. Dit bedrag van 17.026,70 EUR wordt geproratiseerd in functie van de bewezen duur van tewerkstelling, uitgedrukt in voltijdse dagequivalenten.

Het eerste lid is niet van toepassing op de overgangsuitkering gebaseerd op de prestaties bedoeld in artikel 3ter, zoals van kracht vóór zijn opheffing bij het koninklijk besluit van 9 juli 1997, en in artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het in het eerste lid bedoelde bedrag verhogen. § 3. Artikel 7, § 1, zevende en achtste lid, en § 5, is van toepassing op de overgangsuitkering. § 4. Zijn niet van toepassing op de overgangsuitkering : 1° artikel 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;2° artikelen 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector; 3° artikel 8.". HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen

Art. 16.In artikel 68, § 1, a), van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 december 1996, worden de woorden "of elke overgangsuitkering" ingevoegd tussen de woorden "of elk ander als zodanig geldend voordeel" en de woorden "ten laste van een Belgisch pensioenstelsel.". HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 17.In artikel 191, eerste lid, 7°, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de wet van 13 maart 2013, worden de woorden "of op de overgangsuitkeringen," ingevoegd tussen de woorden "of op elk ander als zodanig geldend voordeel," en de woorden "ten laste van een Belgisch pensioenstelsel,". HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 18.In artikel 1410, § 1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971 en 23 maart 2000, worden de woorden "overgangsuitkeringen," ingevoegd tussen de woorden "aanpassingsuitkeringen," en de woorden "renten,". HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 19.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de langstlevende echtgenoten waarvan de echtgenoot of de echtgenote ten vroegste overlijdt op 1 januari 2015.

Art. 20.Deze titel treedt in werking op 1 januari 2015, met uitzondering van artikel 3 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2000.

TITEL III. - Geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij

Art. 21.Artikel 10 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij wordt aangevuld met een lid, luidende : "Dit artikel is niet van toepassing op de aanvullende pensioenen bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid." HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid

Art. 22.In de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 1/1.Als het Fonds voor bestaanszekerheid de opdracht van inrichter heeft in de zin van artikel 3, § 1, 5°, a), van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid, dan verstaat men voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, in voorkomend geval, onder de formulering "paritaire comité" de formulering "paritaire comités.". HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

Art. 23.Artikel 45 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt aangevuld met een lid, luidende : "Dit artikel is niet van toepassing op de aanvullende pensioenen bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid." HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid

Art. 24.In artikel 3, § 1, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 27 oktober 2006 en het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 5°, a), wordt vervangen als volgt : "a) de rechtspersoon die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet : 1.als hij optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, dan heeft hij als uitsluitend doel de opbouw van aanvullende pensioenen; 2. hij is paritair samengesteld en; 3. hij is aangeduid via een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of subcomité, opgericht volgens hoofdstuk III van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, die een pensioenstelsel invoert;" 2° het wordt aangevuld met de bepalingen onder 23° en 24°, luidende : "23° werkman : de werknemer bedoeld in artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; 24° bediende : de werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten."

Art. 25.In dezelfde wet wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 7/1.Onverminderd de vermeldingen waarvan de opname wordt opgelegd door andere wettelijke of reglementaire bepalingen, moeten de statuten van de in artikel 3, § 1, 5°, a), bedoelde inrichter of de akte waarmee de inrichter werd opgericht, minstens vermelden : 1° de benaming en het adres van de zetel van de inrichter;2° als de inrichter optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, de paritaire comités en/of paritaire subcomités waarvoor hij optreedt;3° het doel waarvoor hij ingesteld is;4° de personen die kunnen genieten van het aanvullend pensioen tot de opbouw waarvan de inrichter zich verbonden heeft, alsook de modaliteiten van toekenning en van uitkering hiervan;5° de categorieën van werkgevers die de bijdragen bestemd voor de financiering van het aanvullend pensioen moeten betalen;6° het bedrag of de wijze van vaststelling van deze bijdragen en hun inningswijze;7° of er solidariteit bestaat tussen werkgevers en de omvang van deze solidariteit;8° de wijze van benoeming en de bevoegdheden van de leden van het beheersorgaan;9° de wijze van besluitvorming van het beheersorgaan;10° de wijze en het tijdstip waarop het beheersorgaan van de inrichter aan het paritair comité en/of de paritaire comités of aan het paritair subcomité en/of de paritaire subcomités verslag doet over het vervullen van zijn opdracht;11° de wijze van ontbinding, vereffening en aanwending van het vermogen van de inrichter; 12° als de inrichter optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, de wijze van aanwending van het vermogen van de inrichter, met inbegrip van de situatie waarin hij niet meer optreedt voor een van deze paritaire comités of paritaire subcomités."

Art. 26.In dezelfde wet wordt een artikel 7/2 ingevoegd, luidende : "

Art. 7/2.De inhoud van de statuten van de inrichter of van de akte die deze opricht, moet in identieke bewoordingen hernomen worden in alle collectieve arbeidsovereenkomsten die de tussenkomst van de inrichter voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités regelen."

Art. 27.In artikel 8, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "en uiterlijk één jaar na de datum van sluiting ervan" opgeheven.

Art. 28.In dezelfde wet wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 8/1.De Koning kan op voorstel van de Minister tot wiens bevoegheid Werk behoort, de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in verschillende paritaire comités en/of paritaire subcomités waarmee deze paritaire comités en/of paritaire subcomités dezelfde inrichter oprichten en/of aanduiden alsook de bijhorende collectieve arbeidsovereenkomsten die verband houden met het pensioenstelsel algemeen verbindend verklaren."

Art. 29.In artikel 14, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende : "Het verschil in behandeling tussen de werknemers die in toepassing van de artikelen 15 en 16 aangesloten zijn bij verschillende pensioentoezeggingen, maakt geen verboden discriminatie uit." 2° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt het woord "tweede" vervangen door het woord "derde".

Art. 30.In dezelfde wet wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 14/1.Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes die gesitueerd zijn voor 1 januari 2015."

Art. 31.In dezelfde wet wordt een artikel 14/2 ingevoegd, luidende : "

Art. 14/2.§ 1. Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, is voor werklieden en bedienden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden een discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, voor tewerkstellingsperiodes vanaf 1 januari 2025. § 2. In afwijking van paragraaf 1 maakt een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, geen discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, uit, wanneer het voortkomt uit het feit dat een of meerdere werknemers overeenkomstig artikel 16, § 3, geweigerd hebben deel te nemen aan een gewijzigd pensioenstelsel of aan een nieuw pensioenstelsel waarbij het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden wordt opgeheven. § 3. In afwijking van paragraaf 1 maakt een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden geen discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, uit, wanneer het krachtens artikel 16, § 3, nog blijft voortbestaan in het pensioenstelsel of de pensioenstelsels die door een overnemer overgenomen worden in het kader van een conventionale overdracht of fusie."

Art. 32.In dezelfde wet wordt een artikel 14/3 ingevoegd, luidende : "

Art. 14/3.§ 1. Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025, indien het verschil in behandeling in een pensioenstelsel ingevoerd is geweest voor 1 januari 2015.

Het in het eerste lid bedoelde verschil in behandeling maakt voor tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025 geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit op voorwaarde dat de werkgever zich inschrijft in een traject om de verschillen in behandeling tegen ten laatste 1 januari 2025 te beëindigen, rekening houdende met wat zich op dit vlak voordoet in het paritaire comité en/of de paritaire comités en/of in het paritaire subcomité en/of de paritaire subcomités waar hij onder valt. § 2. Pensioenstelsels die voor het eerst ingevoerd worden vanaf 1 januari 2015, mogen geen verschil in behandeling maken dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.

In afwijking van het vorige lid kan een pensioenstelsel dat voor het eerst ingevoerd wordt vanaf 1 januari 2015 een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, op voorwaarde dat dit verschil in behandeling erop gericht is om een verschil in behandeling op te heffen dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden en dat op 1 januari 2015 in een pensioenstelsel bestaat.

In afwijking van het eerste lid kan een pensioenstelsel dat of kunnen pensioenstelsels die door de overnemer overgenomen wordt/worden in het kader van een conventionele overdracht of een fusie, een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op voorwaarde dat dit verschil in behandeling voor 1 januari 2015 in het pensioenstelsel of de pensioenstelsels bestond. § 3. Pensioenstelsels die bestaan op 1 januari 2015, mogen na deze datum geen nieuw verschil in behandeling invoeren dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.

In afwijking van het vorige lid kunnen nieuwe verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden na 1 januari 2015 worden ingevoerd in een pensioenstelsel dat bestaat op 1 januari 2015, op voorwaarde dat ze erop gericht zijn om een verschil in behandeling op te heffen dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden en dat op 1 januari 2015 in het pensioenstelsel bestaat."

Art. 33.In dezelfde wet wordt een artikel 14/4 ingevoegd, luidende : "

Art. 14/4.§ 1. De paritaire comités en/of de paritaire subcomités die, ongeacht hun uitsluitende bevoegdheid voor werklieden of bedienden, overeenkomstig de koninklijke besluiten tot oprichting van deze organen hetzij op expliciete, hetzij op residuaire wijze bevoegd zijn voor dezelfde beroepscategorieën of voor dezelfde ondernemingsactiviteiten, nemen de noodzakelijke maatregelen om het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, te beëindigen. Zij houden daarbij rekening met de hierna bepaalde modaliteiten.

De paritaire comités en/of de paritaire subcomités starten met dat doel zonder vertraging onderhandelingen op om protocolakkoorden te sluiten.

Deze protocolakkoorden bepalen de wijze waarop de paritaire comités en/of de paritaire subcomités het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden moeten beëindigen.

Het sluiten van deze protocolakkoorden moet leiden tot het sluiten van een of meerdere sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten die tegen ten laatste 1 januari 2023 neergelegd wordt/worden bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en waarvan het doel is om tegen ten laatste 1 januari 2025 een einde te stellen aan het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.

De protocolakkoorden worden binnen twee maanden na het sluiten ervan neergelegd bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die ze onverwijld overmaakt aan het secretariaat van de Nationale Arbeidsraad.

Overeenkomstig artikel 9 kan/kunnen de in het vierde lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst(en) aan de werkgever de mogelijkheid bieden om de uitvoering van het pensioenstelsel voor alle of een deel van zijn werknemers geheel of gedeeltelijk zelf te organiseren in een pensioenstelsel op het niveau van de onderneming. Overeenkomstig artikel 14/3, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, kan/kunnen de in het vierde lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst(en) een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op het vlak van de omschrijving van de categorie van werknemers waarvoor de werkgever de mogelijkheid heeft om zelf het pensioenstelsel te organiseren. Overeenkomstig artikel 14/3, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, kan het overeenkomstig artikel 9 op het niveau van de onderneming georganiseerde pensioenstelsel zelf eveneens een verschil in behandeling bevatten dat berust op het verschil tussen werklieden en bedienden. § 2. De in § 1, eerste lid, bedoelde paritaire comités en/of paritaire subcomités maken respectievelijk tegen 1 januari 2016, 1 januari 2018, 1 januari 2020 en 1 januari 2022 aan de Nationale Arbeidsraad een verslag over waarin ze een overzicht geven van de werkzaamheden die verricht werden om het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden te beëindigen.

Tegen respectievelijk 1 juli 2016, 1 juli 2018 en 1 juli 2020 maakt de Nationale Arbeidsraad aan de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren en aan de minister tot wiens bevoegdheid Werk behoort, een evaluatie over, gebaseerd op de verslagen die hem krachtens het vorige lid overgemaakt werden, over de vooruitgang die op sectoraal niveau geboekt werd in de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden. Bij deze evaluatie wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de kost van de opheffing van het verschil in behandeling.

Tegen 1 juli 2022 maakt de Nationale Arbeidsraad aan de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren en aan de minister tot wiens bevoegdheid Werk behoort, een bijkomende evaluatie over waarin de paritaire comités en/of de paritaire subcomités geïdentificeerd worden die geen protocolakkoord hebben neergelegd of die, indien ze er een hebben neergelegd, sinds de neerlegging geen bijkomende vooruitgang geboekt hebben op het vlak van de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden. § 3. Als de in § 1, eerste lid, bedoelde paritaire comités en/of paritaire subcomités tegen 1 januari 2023 bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg niet een of meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten neergelegd hebben die het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden tegen ten laatste 1 januari 2025 beëindigt/beëindigen, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit genomen na advies van de Nationale Arbeidsraad maatregelen nemen om een einde te stellen aan het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden. Hij houdt daarbij rekening met de bijzonderheden van de betrokken paritaire comités en/of paritaire subcomités.

De Koning kiest de maatregelen die hij overeenkomstig het eerste lid oplegt, uit de maatregelen die bepaald worden in een in Ministerraad overlegd besluit genomen na advies van de Nationale Arbeidsraad."

Art. 34.Artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 oktober 2006, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende : " § 3. Wanneer een bestaand pensioenstelsel voor 1 januari 2025 wordt gewijzigd of door een nieuw pensioenstelsel wordt vervangen om een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op te heffen, kunnen de werknemers die bij het bestaande pensioenstelsel waren aangesloten weigeren deel te nemen aan het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel, tenzij een collectieve arbeidsovereenkomst de aansluiting bij het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel verplicht stelt. De weigering om deel te nemen aan het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel moet ten laatste geuit worden bij de inwerkingtreding van respectievelijk de oprichting of de wijziging ervan.

Onder een in het vorig lid bedoeld bestaand pensioenstelsel wordt verstaan een pensioenstelsel dat reeds in voege was op 1 januari 2015 waarin een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, wordt gemaakt.

De inrichter is verplicht om de pensioentoezegging van werknemers die weigeren deel te nemen aan het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel verder te zetten.

Aan de in het eerste lid bedoelde werknemers wordt steeds de mogelijkheid geboden om toe te treden tot het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel, wanneer het bestaande pensioenstelsel of het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel achteraf wordt gewijzigd.

De in het eerste lid bedoelde werknemers kunnen eveneens toetreden tot ieder ander pensioenstelsel of tot ieder nieuw pensioenstelsel dat door de inrichter zou worden ingesteld.

De periode binnen dewelke de in het eerste lid bedoelde werknemers kunnen toetreden tot één van de in het vierde of vijfde lid bedoelde pensioenstelsels, is beperkt in de tijd en wordt in elk concreet geval aan hen meegedeeld.

De inrichter en, in geval de inrichter een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), is, ook de werkgever worden ten aanzien van de werknemer die overeenkomstig deze paragraaf deelname tot een pensioenstelsel weigert, ontslagen van alle verplichtingen die voortvloeien uit de pensioenstelsels waaraan deelname rechtsgeldig werd geweigerd.

Uiterlijk op 1 januari 2032 evalueert de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de toepassing van deze paragraaf teneinde na te gaan wat de gevolgen ervan zijn op de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden."

Art. 35.In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 63/1.De in artikel 3, § 1, 5°, a), 1, bedoelde voorwaarde is niet toepasselijk op rechtspersonen die op de datum van inwerkingtreding van dit artikel optreden voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités." HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling

Art. 36.De aanpassing van de statuten of de akte van oprichting van de in artikel 3, § 1, 5°, a), van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid bedoelde inrichter ten gevolge van artikel 25, alsook de aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten ten gevolge van artikel 26 worden uiterlijk op 1 juli 2017 tot stand gebracht.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 5 mei 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, A. DE CROO De Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota (1) Nota : Kamer van volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) : Stukken : 53-3399 Integraal Verslag : 26 en 27 maart 2014.

Senaat (www.senaat.be) : Stukken : 5-2804 Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat : 3 april 2014.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^