Wet van 10 april 2003
gepubliceerd op 07 mei 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd

bron
ministerie van landsverdediging en federale overheidsdienst justitie
numac
2003009370
pub.
07/05/2003
prom.
10/04/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 APRIL 2003. - Wet tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

TITEL II Organisatie van de militaire rechtscolleges in oorlogstijd HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 2.De oorlogstijd wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.

Art. 3.In oorlogstijd bestaan er bestendige militaire rechtbanken en een Militair Gerechtshof waarvan de zetel en het rechtsgebied door de Koning worden bepaald. De bestendige militaire rechtbanken en het Militair Gerechtshof worden geïnstalleerd op de bij koninklijk besluit bepaalde dag voor de mobilisatie van het leger. Indien nodig kan de Koning de zetel en het rechtsgebied van deze gerechten wijzigen.

De Koning kan daarenboven militaire rechtbanken te velde oprichten die de door Hem bepaalde legeronderdelen vergezellen. Buitengewone militaire rechtbanken te velde kunnen ook ingericht worden in de gevallen en op de wijze bedoeld in artikel 17.

Art. 4.§ 1. Geen magistraat van de zetel kan worden aangewezen tot voorzitter van het Militair Gerechtshof of een militaire rechtbank, kamervoorzitter of plaatsvervangend kamervoorzitter van een militaire rechtbank of het Militair Gerechtshof, onderzoeksrechter of plaatsvervangend onderzoeksrechter indien hij voordien niet als reservemagistraat in oorlogstijd werd aangewezen.

Geen magistraat van het openbaar ministerie kan worden aangewezen als lid of als plaatsvervangend lid van het openbaar ministerie bij het Militair Gerechtshof of bij een militaire rechtbank indien hij voordien niet als reservemagistraat in oorlogstijd werd aangewezen.

De Koning wijst de reservemagistraten voor een hernieuwbare periode van negen jaar aan onder de burgerlijke magistraten.

Aanwijzingen die in oorlogstijd verstrijken, worden ambtshalve verlengd. § 2. Een magistraat kan niet als reservemagistraat worden aangewezen indien hij geen houder is van een brevet inzake militaire technieken dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt. Het brevet inzake militaire technieken bewijst dat de magistraat een militaire basisopleiding heeft gevolgd, op de wijze bepaald door de Minister van Landsverdediging.

Het brevet inzake militaire technieken blijft geldig zolang de houder een attest kan voorleggen, uitgereikt door het Ministerie van Landsverdediging aan diegenen die bijscholingscursussen hebben gevolgd welke om de vijf jaar worden georganiseerd. § 3. Daarenboven wijst de Koning doctoren of licentiaten in de rechten aan die kunnen worden opgeroepen om het ambt, door deze wet toegekend aan de magistraten, uit te oefenen, voor zover zij een juridische nuttige ervaring van ten minste 3 jaar hebben en op voorwaarde dat ze houder zijn van een brevet inzake militaire technieken of het attest bedoeld in § 2, tweede lid, dat minder dan vijf jaar geleden door het ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

Men kan alleen een beroep doen op doctoren en licentiaten in de rechten indien het wegens uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is een reservemagistraat aan te wijzen. § 4. Gelijktijdig met de afkondiging van het koninklijk besluit bepaald voor de mobilisatie van het leger wijst de minister van Justitie, naargelang de behoeften, de reservemagistraten en de reservedoctoren of licentiaten in de rechten aan die respectievelijk hun ambt zullen uitoefenen in de militaire rechtbanken of in het Militair Gerechtshof. De loting, georganiseerd door de Minister van Justitie, bepaalt welke reservemagistraten als vast lid en welke magistraten als plaatsvervangend lid zullen optreden.

Indien nodig kunnen de aanwijzingen gebeuren na de aanneming van het koninklijk besluit dat de mobilisatie van het leger vaststelt. Voor de magistraten van het openbaar ministerie kan worden overgegaan tot een ambtshalve aanwijzing.

De Minister van Justitie stelt een einde aan de aanwijzingen naargelang de vermindering van de activiteiten van de militaire gerechten. § 5. De auditeur-generaal kan, indien nodig, onder het reservekader van magistraten van het openbaar ministerie magistraten aanwijzen om de troepen naar het buitenland te vergezellen.

Art. 5.Niemand kan worden aangewezen om een ambt als lid of als plaatsvervangend lid van de griffie van het Militair Gerechtshof of van de griffie van een militaire rechtbank uit te oefenen indien hij voordien niet als lid van een reservegriffie in oorlogstijd werd aangewezen.

De Koning wijst de leden van een reservegriffie in oorlogstijd aan onder de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de adjunct-griffiers, de opstellers en de griffiebeambten, zulks voor een verlengbare termijn van negen jaar.

Aanwijzingen die in oorlogstijd verstrijken, worden ambtshalve verlengd.

Gelijktijdig met de afkondiging van het koninklijk besluit voor de mobilisatie van het leger wijst de Minister van Justitie, naargelang de behoeften, de leden van de reservegriffie aan die respectievelijk het ambt van griffier of van een personeelslid van de griffie van een militaire rechtbank of van het Militair Gerechtshof, zullen uitoefenen. De loting, georganiseerd door de Minister van Justitie, bepaalt welke leden van de reservegriffie zullen optreden als vast lid en welke zullen optreden als plaatsvervangend lid.

Indien nodig kunnen de aanwijzingen ambtshalve gebeuren of na de aanneming van het koninklijk besluit dat de mobilisatie van het leger vaststelt. Niemand kan als lid van een reservegriffie worden aangewezen indien hij geen houder is van een brevet inzake militaire technieken of het attest bedoeld in artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

De Minister van Justitie stelt een einde aan de aanwijzingen naargelang de vermindering van de activiteiten van de militaire gerechten.

Art. 6.Niemand kan worden aangewezen om een ambt als lid of als plaatsvervangend lid van het parketsecretariaat van het auditoraat bij een militaire rechtbank of van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof uit te oefenen indien hij voordien niet als lid van een reserveparketsecretariaat in oorlogstijd werd aangewezen.

De Koning wijst de leden van de reserveparketsecretariaten in oorlogstijd aan onder de hoofdsecretarissen, de secretarissen-hoofden van dienst, de secretarissen, de adjunct-secretarissen, de vertalers, de opstellers en de beambten, zulks voor een hernieuwbare termijn van negen jaar. Aanwijzingen die in oorlogstijd verstrijken, worden ambtshalve verlengd.

Gelijktijdig met de afkondiging van het koninklijk besluit voor de mobilisatie van het leger wijst de Minister van Justitie, naargelang de behoeften, de leden van het reserveparketsecretariaat aan die respectievelijk een ambt in het parketsecretariaat van het auditoraat bij een militaire rechtbank of in het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof, zullen uitoefenen.

De loting, georganiseerd door de Minister van Justitie, bepaalt welke leden van het reserveparketsecretariaat als vast lid en welke als plaatsvervangend lid zullen optreden.

Indien nodig kunnen de aanwijzingen ambtshalve gebeuren of na de aanneming van het koninklijk besluit dat de mobilisatie van het leger vaststelt. Niemand kan als lid van een reserveparketsecretariaat worden aangewezen indien hij geen houder is van een brevet inzake militaire technieken of het attest bedoeld in het artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

De Minister van Justitie stelt een einde aan de aanwijzingen naargelang de vermindering van de activiteiten van de militaire gerechten.

Art. 7.Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van deze wet, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het statuut van magistraten, griffiers, secretarissen en van het personeel van griffies en parketsecretariaten toepasselijk in oorlogstijd.

Reservemagistraten alsmede leden van reservegriffies en -parketsecretariaten die werkelijk een ambt uitoefenen in een militaire rechtbank of bij het Militair Gerechtshof, behouden hun bezoldiging.

Personen aangewezen om hogere functies uit te oefenen, krijgen de wedden en de vergoedingen verbonden aan het hoger ambt indien zij hoger zijn.

De doctoren of licentiaten in de rechten aangewezen om het ambt van magistraat te vervullen ontvangen de basiswedde zoals bepaald in artikel 355 van het Gerechtelijk Wetboek van de magistraat van de zetel of van het openbaar ministerie wiens ambt zij uitoefenen.

Artikel 365, § 1, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is op hen van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK II. - Militaire rechtbanken Afdeling 1. - Zetel

Onderafdeling 1. - Bestendige militaire rechtbanken

Art. 8.De bestendige militaire rechtbanken bestaan uit een Nederlandse kamer, een Franse kamer, een Duitse kamer en een raadkamer.

Met uitzondering van de raadkamer bestaan de kamers uit : 1° een rechter of, in het geval bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, een niet militaire reservedoctor of -licentiaat in de rechten die de kamer voorzit;2° een hoofdofficier als assessor;3° een lagere officier als assessor die ten minste de graad van kapitein bezit.

Art. 9.De raadkamer bestaat uit een enkele rechter of, in het geval bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, een reservedoctor of -licentiaat in de rechten die de taal van de verdachte kent.

Art. 10.De Koning wijst voor elke militaire rechtbank onder de reserverechters of, in het geval bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, onder de reservedoctoren of -licentiaten in de rechten, een onderzoeksrechter aan.

Art. 11.De militaire rechtbanken worden voorgezeten door een rechter die aangewezen wordt uit de reservemagistraten.

Art. 12.§ 1. De reservemagistraten aangewezen als vast lid van een militaire rechtbank, zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere rechterlijke ambten en van alle andere militaire verplichtingen bij het leger dan de gerechtelijke indien zij in werkelijkheid een ambt moeten uitoefenen bij een militaire rechtbank. § 2. Wanneer een voorzitter van een kamer of een onderzoeksrechter verhinderd is, wijst de voorzitter van de rechtbank de plaatsvervanger aan onder de reserve plaatsvervangende magistraten die zijn aangewezen om te zetelen in die rechtbank en die het bewijs leveren van de kennis van dezelfde taal overeenkomstig de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De plaatsvervanger wordt onmiddellijk vrijgesteld van zijn andere rechterlijke ambten en van alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke.

Verhinderde voorzitters van een militaire rechtbank worden vervangen door de voorzitter van een kamer die zij aanwijzen.

Wanneer hij geen opvolger kan aanwijzen wordt de voorzitter vervangen door de reservemagistraat van de zetel, aangewezen om in die rechtbank te zetelen, die de hoogste dienstanciënniteit heeft. § 3. Magistraten die lid zijn van militaire rechtbanken en hun plaatsvervangers hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor hoofdofficieren.

Art. 13.§ 1. Elke assessor bij een militaire rechtbank heeft twee plaatsvervangers.

Assessoren en hun plaatsvervangers worden voor een termijn van drie maanden bij loting aangewezen onder de officieren met ten minste de graad van kapitein die in dienst zijn in het legeronderdeel of op het grondgebied waarvoor de militaire rechtbank is ingesteld. § 2. Bij aanvang van elke driemaandelijkse periode bezorgt de minister van Landsverdediging aan de voorzitter van de militaire rechtbank de lijsten van de officieren in actieve dienst met ten minste de graad van kapitein in het legeronderdeel of op het grondgebied waarvoor de militaire rechtbank is ingesteld.

Op de lijsten wordt de taalrol van elke officier vermeld, alsook of hij overeenkomstig artikel 49, §§ 6 en 8, van de wet van 15 juin 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, het bewijs levert de Duitse taal te kennen. § 3. Op de eerste terechtzitting van elke zittijd wijst de voorzitter van de militaire rechtbank de assessoren en hun plaatsvervangers aan bij loting. § 4. Elke assessor legt op verzoek van de militaire auditeur de volgende eed af bij de aanvang van de eerste terechtzitting waarop hij zitting heeft : « Ik zweer mijn ambt als assessor eerlijk te vervullen, de beraadslagingen geheim te houden en de voor ons terechtstaande personen zonder haat, zonder vrees, zonder inschikkelijkheid te berechten, alleen met de wil om de wet uit te voeren. » § 5. Elk vonnis van de militaire rechtbank maakt melding van het proces-verbaal van de loting. § 6. Wanneer de betichte een officier is, mag jegens hem geen enkel rechterlijk ambt worden waargenomen door een officier die lager in graad is of, met dezelfde graad maar met een geringere anciënniteit in die graad.

Art. 14.Een verhinderde assessor wordt vervangen door een plaatsvervanger of bij gebrek aan een plaatsvervanger, door de officier die na hem op de algemene lijst voorkomt.

Art. 15.Telkens als de verplaatsingen van de troepenmacht van het garnizoen zulks rechtvaardigen, kan de commandant van de zetel van een militaire rechtbank bevelen de assessoren ervan te vernieuwen.

Onderafdeling 2. - Militaire rechtbanken te velde

Art. 16.§ 1. De militaire rechtbanken te velde zijn op dezelfde wijze samengesteld als de bestendige militaire rechtbanken tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een noodtoestand doen ontstaan. § 2. Indien door uitzonderlijke omstandigheden die een noodtoestand doen onstaan geen reservemagistraten of geen reservedoctoren of licentiaten in de rechten kunnen worden aangewezen of indien zij verhinderd zijn, wijst de commandant van het legeronderdeel of van het grondgebied waarvoor de militaire rechtbank te velde is ingesteld, voor een termijn van ten hoogste drie maanden doctoren of licentiaten in de rechten, of bij gebreke hoofdofficieren aan om het ambt van rechter uit te oefenen. § 3. Indien door uitzonderlijke omstandigheden die een noodtoestand doen ontstaan, geen onderzoeksrechter kan worden aangewezen, kan het ambt van onderzoeksrechter worden uitgeoefend door een magistraat van het Openbaar Ministerie bij de militaire rechtbank te velde die achteraf niet meer als magistraat van het openbaar ministerie kan optreden in deze procedure. Bij gebreke aan een magistraat van het Openbaar Ministerie, kan het ambt van onderzoeksrechter worden uitgeoefend door een doctor of een licentiaat in de rechten of door een officier. Deze officier mag het ambt van onderzoeksrechter en assessor in het kader van eenzelfde procedure niet cumuleren. § 4. Bij verhindering van de assessoren en van hun plaatsvervangers wijst de commandant van het legeronderdeel of van het grondgebied waarvoor de militaire rechtbank te velde is ingesteld, officieren aan om hun ambt uit te oefenen voor een termijn van ten hoogste drie maanden. § 5. Wanneer de betichte een officier is, mag jegens hem geen enkel rechterlijk ambt worden waargenomen door een officier die lager in graad is of, met dezelfde graad maar met een geringere anciënniteit in die graad.

Onderafdeling 3 Buitengewone militaire rechtbanken te velde

Art. 17.§ 1. Wanneer een plaats is ingesloten of de omstandigheden er van zodanige aard zijn dat zij zich in staat van beleg bevindt overeenkomstig de besluitwet van 11 oktober 1916 betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg, kan de commandant een buitengewone militaire rechtbank te velde instellen.

In die omstandigheden bestaat de militaire rechtbank te velde uit een correctionele kamer en een raadkamer.

Elke militaire rechtbank te velde wordt voorgezeten door een hoofdofficier die overeenkomstig artikel 49 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs levert van de kennis van de taal van de vervolgde persoon. § 2. Het ambt van onderzoeksrechter kan worden uitgeoefend door de officier aangewezen om het ambt van magistraat van het Openbaar Ministerie uit te oefenen. Deze officier mag het ambt van onderzoeksrechter en assessor in het kader van eenzelfde procedure niet cumuleren. § 3. De commandant wijst een hoofdofficier met de hoogste rang aan om te zetelen in de raadkamer. § 4. Naast de officieren aangewezen om het ambt van rechter uit te oefenen wijst de commandant twee assessoren en twee plaatsvervangende assessoren aan om zitting te hebben in de correctionele kamer, waarbij de regels betreffende de samenstelling van militaire rechtbanken zoveel mogelijk in acht worden genomen.

Bij verhindering van de assessoren en hun plaatsvervangers wijst de commandant van het legeronderdeel of van het grondgebied waarvoor een buitengewone militaire rechtbank te velde is ingesteld, voor een termijn van ten hoogste drie maanden, officieren aan om hun ambt uit te oefenen. § 5. De commandant wijst bij de samenstelling van de kamers de officieren aan die overeenkomstig artikel 49 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs leveren van de kennis van de taal van de beklaagde. § 6. Wanneer de betichte een officier is, mag jegens hem geen enkel rechterlijk ambt worden waargenomen door een officier die lager in graad is of, met dezelfde graad maar met een geringere anciënniteit in die graad.

Art. 18.Bij het koninklijk besluit tot instelling van de buitengewone militaire rechtbank te velde kan aan de Minister van Landsverdediging worden opgedragen een opperofficier of een hoofdofficier aan te wijzen teneinde het ambt van de commandant van het legeronderdeel of van het grondgebied uit te oefenen. Afdeling 2. - Openbaar Ministerie

Onderafdeling 1. - Magistraten van het Openbaar Ministerie

Art. 19.Een militair auditeur oefent het ambt van Openbaar Ministerie uit bij de bestendige militaire rechtbank onder het toezicht en de leiding van de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof.

Art. 20.De militaire auditeur wordt bijgestaan door een of meer eerste substituten of substituten van de militaire auditeur of reservedoctoren of -licentiaten in de rechten die onder zijn toezicht en onmiddellijke leiding staan.

Art. 21.De reservemagistraten aangewezen als vaste militaire auditeurs, eerste substituten en substituten van de militaire auditeur zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere rechterlijke ambten en alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke, indien zij in werkelijkheid een ambt moeten uitoefenen bij een militaire rechtbank of bij een militaire rechtbank te velde.

Art. 22.De militaire auditeur houdt een register van vonnissen bij, waarin de namen van alle personen berecht door de militaire rechtbank worden ingeschreven, alsook de omschrijving van de misdrijven, de beslissing, de datums van hoger beroep of van voorziening in cassatie, de genomen beslissingen, de aanvangs- en einddatums van de tenuitvoerlegging van de uitgesproken straffen, de plaats waar die straffen worden ondergaan en de door de Koning toegekende kwijtschelding of vermindering van straffen.

Art. 23.De militaire auditeur, de eerste substituten en substituten van de militaire auditeur hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor hoofdofficieren.

Art. 24.De militaire auditeur maakt bij zijn ambtsaanvaarding een inventaris op van de archieven en voorwerpen waarvoor hij verantwoordelijk is. Hij bezorgt een afschrift ervan aan de auditeur-generaal. Op de dag door de Koning bepaald voor het terugbrengen van het leger op vredesvoet zendt hij het geheel van de archieven over aan de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Onderafdeling 2. - Niet-magistraten

Art. 25.Wanneer uitzonderlijke omstandigheden de aanwijzing van een professionele reservemagistraat verhinderen, wordt er een beroep gedaan op een reservedoctor of -licentiaat in de rechten.

Indien door omstandigheden noch een reservemagistraat noch een reservedoctor of -licentiaat in de rechten kunnen worden aangewezen of indien zij verhinderd zijn, wijst de commandant van het legeronderdeel of van het grondgebied waarvoor de militaire rechtbank te velde is ingesteld, een doctor of licentiaat in de rechten of, bij gebreke daar aan, een hoofdofficier aan om het ambt van magistraat van het openbaar ministerie uit te oefenen. De aangewezen persoon moet de taal van de beklaagde kennen. Hij legt de eed af zoals bepaald in artikel 13, § 4.

Art. 26.Wanneer een plaats is ingesloten of de omstandigheden er van zodanige aard zijn dat zij zich in staat van beleg bevindt in de zin van de besluitwet van 11 oktober 1916 betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg, wijst de commandant een hoofdofficier aan om het ambt van magistraat van het Openbaar Ministerie uit te oefenen.De officier legt de eed af zoals bepaald in artikel 13, § 4. Afdeling 3. - Griffie

Art. 27.Elke militaire rechtbank heeft een griffie. De griffie bestaat uit een hoofdgriffier, griffiers-hoofden van dienst, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers en beambten.

Art. 28.Personen die worden aangewezen als lid van een reservegriffie zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere ambten in een griffie en van alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke, indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen bij een griffie.

Art. 29.Verhinderde leden en personeelsleden van de griffie worden vervangen door een plaatsvervanger, die wordt aangewezen door de voorzitter van de rechtbank onder de plaatsvervangers van de reservegriffie. De plaatsvervanger wordt onmiddellijk vrijgesteld van zijn andere ambten en van alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke.

Art. 30.Indien de personeelsbezetting van de griffie moet worden aangevuld met het oog op de behoorlijke werking van de militaire rechtbanken, verleent de minister van Justitie op gelijkluidend advies van de procureur des Konings een gelijk of hoger ambt aan griffiers, adjunct-griffiers, opstellers of beambten van burgerlijke griffies, houders van een brevet inzake militaire technieken of het attest bepaald in artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

Art. 31.Indien nodig kan de Minister van Landsverdediging militairen aanwijzen om in de griffie een ambt uit te oefenen.

Wanneer het bovendien niet mogelijk is om een beroep te doen op een lid van de reservegriffie of op een door de Minister van Landsverdediging aangewezen militair, kan de commandant één of meer militairen aanwijzen om het ambt in de griffie uit te oefenen.

Art. 32.De hoofdgriffier en zijn plaatsvervanger hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor lagere officieren. Afdeling 4. - Secretariaat

Art. 33.Elke militaire rechtbank heeft een parketsecretariaat van het militair auditoraat, samengesteld uit een hoofdsecretaris, secretarissen-hoofd van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, vertalers, opstellers en beambten, van wie het aantal door de Koning wordt bepaald.

Art. 34.Personen die worden aangewezen als vast lid van een reserveparketsecretariaat zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere ambten in een parketsecretariaat en alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke, indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen bij een parketsecretariaat.

Art. 35.Verhinderde personeelsleden van het parketsecretariaat worden vervangen door een plaatsvervanger die wordt aangewezen door de voorzitter van de rechtbank onder de plaatsvervangers van het reserveparketsecretariaat. De plaatsvervanger wordt onmiddellijk vrijgesteld van zijn andere ambten en van alle andere militaire verplichtingen dan de gerechtelijke.

Art. 36.Indien de personeelsbezetting van het parketsecretariaat moet worden aangevuld met het oog op de behoorlijke werking van de parketsecretariaten bij de militaire rechtbanken, verleent de Minister van Justitie op gelijkluidend advies van de procureur-generaal of van de procureur des Konings een gelijk of hoger ambt aan secretarissen, adjunct-secretarissen, vertalers, opstellers en beambten, houders van een brevet inzake de militaire technieken of van het attest, bedoeld in artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

Art. 37.Desnoods kan de Minister van Landsverdediging militairen aanwijzen om in het parketsecretariaat een ambt uit te oefenen.

Bovendien, wanneer het niet mogelijk is om een beroep te doen op een lid van het reserveparketsecretariaat of op een door de Minister van Landsverdediging aangewezen militair, kan de commandant één of meer militairen aanwijzen om het ambt in het parketsecretariaat uit te oefenen.

Art. 38.De hoofdsecretaris en zijn plaatsvervanger hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor lagere officieren. HOOFDSTUK III. - Militair Gerechtshof Afdeling I. - Zetel

Art. 39.Het Militair Gerechtshof bestaat uit een Nederlandse kamer, een Franse kamer, een Duitse kamer en een kamer van inbeschuldigingstelling.

Art. 40.Met uitzondering van de kamer van inbeschuldiging-stelling bestaan de kamers uit : 1° een raadsheer bij het hof van beroep of in het geval bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, een niet-militaire reservedoctor of -licentiaat in de rechten die de kamer voorzit;2° een kolonel of een luitenant-kolonel als assessor;3° een majoor als assessor.

Art. 41.De kamer van inbeschuldigingstelling bestaat uit een reservemagistraat of, in het geval bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, uit een reservedoctor of -licentiaat in de rechten.

Art. 42.De voorzitter van het Militair Gerechtshof is een raadsheer bij het hof van beroep aangewezen onder de reservemagistraten.

Art. 43.§ 1. Reservemagistraten die worden aangewezen als vast voorzitter of als vast voorzitter van een kamer van het Militair Gerechtshof zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere rechterlijke ambten en alle andere militaire verplichtingen, dan de gerechtelijke indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen bij het Militair Gerechtshof. § 2. Wanneer de voorzitter van een kamer is verhinderd, wordt hij vervangen door een plaatsvervanger die door hem wordt aangewezen.

Wanneer hij zijn vervanger niet kan aanwijzen, wordt de voorzitter vervangen door een raadsheer bij het hof van beroep uit het reservekader die de grootste dienstanciënniteit heeft. Die plaatsvervanger wordt onmiddellijk vrijgesteld van zijn andere rechterlijke ambten. § 3. De voorzitter, de voorzitter van een kamer van het Militair Gerechtshof alsook hun plaatsvervangers hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor opperofficieren.

Art. 44.Elke assessor van het Militair Gerechtshof heeft twee plaatsvervangers.

De assessoren en hun plaatsvervangers worden bij loting aangewezen voor een zittijd van drie maanden.

Bij aanvang van elke driemaandelijkse periode bezorgt de Minister van Landsverdediging aan de voorzitter van het gerechtshof de lijsten van de officieren in actieve dienst met een graad hoger dan die van de kapitein-commandant.

Op de lijsten wordt de taalrol van elke officier vermeld en of hij het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal overeenkomstig artikel 49, §§ 6 en 8, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Op de eerste terechtzitting van elke zittijd wijst de voorzitter van het Militair Gerechtshof de assessoren en hun plaatsvervangers aan bij loting.

Art. 45.Indien onvoldoende plaatsvervangers voorhanden zijn om het Gerechtshof te vormen wordt de samenstelling aangevuld door een bijkomende loting.

Art. 46.Wanneer de betichte officier is, mag te zijnen opzichte geen enkel rechterlijk ambt worden waargenomen door een officier die lager in graad is of, met dezelfde graad maar met een geringere anciënniteit in die graad.

Art. 47.De Minister van Justitie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ontvangen een afschrift van het proces-verbaal van de loting van de assessoren en van hun plaatsvervangers.

Art. 48.Elke assessor legt op verzoek van de auditeur-generaal de volgende eed af bij de aanvang van de eerste terechtzitting waarop hij zitting heeft : « Ik zweer mijn ambt als assessor eerlijk te vervullen, de beraadslagingen geheim te houden en de voor ons terechtstaande personen zonder haat, zonder vrees, zonder inschikkelijkheid te berechten, alleen met de wil om de wet uit te voeren. »

Art. 49.Het huishoudelijk reglement van het Militair Gerechtshof wordt op advies van het Gerechtshof opgesteld door de Koning. Afdeling II. - Openbaar ministerie

Art. 50.De auditeur-generaal oefent het ambt van Openbaar Ministerie bij het Militair Gerechtshof uit.

Hij wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en één of meer advocaten-generaal bij het Militair Gerechtshof alsmede door een of meer substituten van de auditeur-generaal of reservedoctoren of -licentiaten in de rechten, die onder zijn toezicht en onmiddellijke leiding staan.

Art. 51.De vaste reservemagistraten van het Openbaar Ministerie zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere rechterlijke ambten indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen in het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof.

Art. 52.Verhinderde leden van het Openbaar Ministerie worden vervangen door een plaatsvervangend reservemagistraat van het openbaar ministerie aangewezen door de auditeur-generaal. Die plaatsvervanger wordt onmiddellijk vrijgesteld van zijn andere rechterlijke ambten indien hij in werkelijkheid een ambt uitoefent in het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof.

Art. 53.De auditeur-generaal kan zelf alle ambten uitoefenen die tot de bevoegdheid van militaire auditeurs behoren en heeft het recht bij militaire rechtbanken het openbaar ministerie waar te nemen.

Art. 54.De auditeur-generaal oefent toezicht uit op de leden van het openbaar ministerie van de militaire rechtbank en van het Militair Gerechtshof.

Art. 55.De auditeur-generaal, de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor opperofficieren.

Substituten van de auditeur-generaal hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor hoofdofficieren. Afdeling III. - Griffie

Art. 56.Het Militair Gerechtshof heeft een griffie die bestaat uit een hoofdgriffier, griffiers-hoofden van dienst, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers en beambten van wie het aantal door de Koning wordt bepaald.

Bij de griffie van het Militair Gerechtshof kunnen militairen werken die de Minister van Landsverdediging heeft aangewezen.

Art. 57.Personen die worden aangewezen als vast lid van een reservegriffie zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere ambten in een griffie indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen bij de griffie van het Militaire Gerechtshof.

Art. 58.De Minister van Justitie kan opstellers en beambten bij een burgerlijke griffie die houder zijn van een brevet inzake militaire technieken of het attest bepaald in artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt, de opdracht geven om een ambt in een griffie te vervullen.

Art. 59.De griffier houdt de registers en geschriften bij die in het reglement van het Gerechtshof zijn bepaald of bevolen door de voorzitter of de Minister van Justitie.

Art. 60.De hoofdgriffier en zijn plaatsvervanger hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor lagere officieren. Afdeling IV. - Secretariaat

Art. 61.Het Militair Gerechtshof heeft een parketsecretariaat van het auditoraat-generaal dat bestaat uit een hoofdsecretaris, secretarissen-hoofden van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, vertalers, opstellers en beambten van wie het aantal door de Koning wordt bepaald.

Op het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof kunnen militairen werken die de Minister van Landsverdediging heeft aangewezen.

Art. 62.Personen die worden aangewezen als vast lid van een reserveparketsecretariaat zijn vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, eerste lid, automatisch vrijgesteld van hun andere ambten in een parketsecretariaat indien zij in werkelijkheid een ambt uitoefenen bij het parketsecretariaat van het Militair Gerechtshof.

Art. 63.Indien het parketsecretariaat moet worden aangevuld kan de Minister van Justitie daartoe secretarissen en personeelsleden van andere parketsecretariaten aanwijzen, houders van een brevet inzake militaire technieken of het attest bepaald in artikel 4, § 2, dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

Art. 64.De hoofdsecretaris en zijn plaatsvervanger hebben in het leger recht op de eerbewijzen voorgeschreven voor lagere officieren.

TITEL III. - Bevoegdheid van de militaire rechtscolleges HOOFDSTUK I. - Bevoegdheden van de militaire rechtscolleges en van de rechtscolleges van gemeen recht Afdeling I. - Na afkondiging van de oorlogstijd

Art. 65.De strafgerechten van gemeen recht blijven in oorlogstijd bevoegd voor alle zaken waarvoor de strafvordering in vredestijd werd ingesteld.

Art. 66.Wanneer op het grondgebied van het Rijk op een plaats die door de vijand is ingesloten of die zich volgens de wet in staat van beleg bevindt, geen werkzame of geen gerechten van gemeen recht bestaan, worden alle personen die zich op het grondgebied bevinden, voor alle misdrijven berecht door de militaire gerechten.

Art. 67.Wanneer ingevolge de vijand de werking van de militaire gerechten is geschorst, zijn de gerechten van gemeen recht bevoegd om kennis te nemen van de strafbare feiten die tot de bevoegdheden van de militaire gerechten behoren en voor de berechting van de personen die aan deze gerechten zijn onderworpen. Afdeling II. - Na afkondiging van het einde van de oorlogstijd

Art. 68.§ 1. Vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat het einde van de oorlogstijd vaststelt, genomen overeenkomstig artikel 2, worden de zaken die bij de militaire gerechten aanhangig zijn, ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de gerechten van gemeen recht, te weten : 1° op de rol van de politierechtbank, alle zaken die overeenkomstig het Wetboek van strafvordering tot haar bevoegdheid behoren;2° op de rol van de correctionele rechtbank, alle zaken die overeenkomstig het Wetboek van strafvordering tot haar bevoegdheid behoren;3° op de rol van het hof van beroep, alle zaken die overeenkomstig het Wetboek van strafvordering tot haar bevoegdheid behoren. § 2. Zaken die behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen, zullen worden overgezonden aan de kamer van inbeschuldigingstelling die kan beslissen tot correctionalisatie of tot aanhangigmaking voor het hof van assisen. § 3. De territoriale bevoegdheid van de gerechten bedoeld in § 1 of van de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in § 2, wordt geregeld volgens het Wetboek van strafvordering.

Indien het echterzaken betreft die onder de bevoegdheid vallen van de militaire rechtbank te velde of een buitengewone militaire rechtbank te velde, zijn de gerechten te Brussel bevoegd.

Art. 69.Hoger beroep of verzet tegen beslissingen van een opgeheven gerecht wordt ingediend voor het gerecht dat overeenkomstig artikel 68 van dit hoger beroep of verzet kennis moet nemen.

Art. 70.De hoofdgriffier van het opgeheven militaire gerecht zendt de dossiers toe aan de hoofdgriffier van de bevoegde gerecht.

Art. 71.Zaken waarvoor er een gerechtelijk onderzoek aanhangig is, worden door de hoofdgriffier van het onderzoeksgerecht overgezonden aan de onderzoeksrechter die overeenkomstig artikel 108, § 3, van het Wetboek van strafvordering territoriaal bevoegd is.

Art. 72.Zaken waarvoor er geen gerechtelijk onderzoek aanhangig is, worden door de militaire auditeur overgezonden aan de procureur des Konings die overeenkomstig artikel 108, § 3, van het Wetboek van strafvordering territoriaal bevoegd is. HOOFDSTUK II. - Bevoegdheid van de militaire rechtbanken

Art. 73.Vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van mobilisatie van het leger, genomen overeenkomstig artikel 2, worden de personen die op het ogenblik van het plegen van het strafbaar feit overeenkomstig de artikelen 14 tot 14quater van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek onderworpen zijn aan de militaire strafwetten, berecht door de militaire rechtbanken voor alle misdrijven die zij hebben begaan tegen de gewone strafwetten of de militaire wetten.

Hetzelfde geldt voor de personen die in welke hoedanigheid ook aan het leger verbonden zijn of die gemachtigd zijn om een troepenkorps dat van dit leger deel uitmaakt, te volgen.

Art. 74.De krijgsgevangenen en de vreemdelingen worden door de militaire rechtbanken berecht voor alle misdrijven die zij hebben begaan tegen de gewone Belgische strafwetten.

Art. 75.§ 1. De krijgsgevangenen zijn bovendien onderworpen aan de Belgische militaire wetten voor de volgende misdrijven : 1° verraad en bespieding;2° deelneming aan muiterij zoals bedoeld in het Militair Strafwetboek en gepleegd door Belgen of vreemdelingen;3° deelneming aan desertie met samenspanning gepleegd door Belgische militairen;4° gewelddaden en smaad ten aanzien van een Belgische militair met een hogere graad dan die welke zijzelf bekleden in het leger van hun land of tegen een schildwacht;5° de misdrijven bedoeld in artikel 14quater van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek, jegens een overste van hun leger gepleegd;6° insubordinatie zoals bedoeld in artikel 28 van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek wanneer het bevel uitgaat van een Belgische militair met een hogere graad dan betrokkene. § 2. De vreemdelingen, zelfs vreemdelingen die geen militair zijn, die gevlucht zijn in oorlogstijd naar het Belgisch grondgebied, zijn aan de Belgische militaire wetten onderworpen voor de misdrijven bedoeld in § 1, 1°, 2° en 3°, en voor de gewelddaden en smaad tegen de militairen gelast ze te bewaken, of tegen een schildwacht.

Wanneer de strafwet wordt toegepast op een vreemdeling die militair is, wordt hij gestraft, ongeacht zijn graad, als een persoon die niet tot het leger behoort.

Art. 76.De militaire rechtbanken nemen kennis van de misdrijven bedoeld in boek II, titel I, hoofdstuk II, van het Strafwetboek.

Art. 77.Ongeacht de hoedanigheid van de persoon, blijven de rechtbanken van gemeen recht in oorlogstijd bevoegd om kennis te nemen van de misdrijven bestraft door de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

Art. 78.De militaire rechtbanken nemen kennis van de misdrijven waarvoor zij krachtens bijzondere strafwetten in oorlogstijd bevoegd zijn. HOOFDSTUK III. - Bevoegdheid van het Militair Gerechtshof

Art. 79.Het Militair Gerechtshof neemt kennis van het beroep tegen de vonnissen van de militaire rechtbank.

TITEL IV (vroeger titel III). - Rechtspleging

Art. 80.De bevoegdheden van de procureur des Konings worden in oorlogstijd uitgeoefend door de militaire auditeur, die van de onderzoeksrechter door de onderzoeksrechter bij de militaire rechtbanken en die van de procureur-generaal door de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, overeenkomstig de wet van 10 april tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd.

Art. 81.De bevoegdheid van gerechtelijke politie wordt onder het gezag van het Militair Gerechtshof uitgeoefend wanneer de feiten door de militaire gerechten kunnen worden berecht.

Art. 82.De bevoegdheden van de raadkamer en van de kamer van inbeschuldigingstelling die zijn omschreven in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis worden uitgeoefend door de raadkamer bij de militaire rechtbank en door de kamer van inbeschuldigingstelling bij het Militair Gerechtshof.

TITEL V. - Wijzigende en diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering

Art. 83.In het Wetboek van strafvordering wordt een artikel 24bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 24bis.- De magistraten die overeenkomstig artikel 309bis van het Gerechtelijk Wetboek in vredestijd gemachtigd zijn om Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen, oefenen al hun bevoegdheden ten opzichte van de personen bedoeld in artikel 10bis van de Voorafgaande titel van dit Wetboek uit op dezelfde manier als wanneer deze personen zich op het grondgebied van het Rijk zouden bevinden. »

Art. 84.Artikel 62bis van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt : « Wanneer hij in vredestijd kennis krijgt van een feit gepleegd in het buitenland dat in België vervolgd kan worden op grond van artikel 10bis van de voorafgaande titel van dit Wetboek, oefent de onderzoeksrechter al zijn bevoegdheden uit op dezelfde manier als wanneer de feiten op het grondgebied van het Rijk zouden zijn gepleegd. In dit geval, en wanneer de verdachte geen verblijfplaats heeft in België, zijn de onderzoeksrechters van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd. »

Art. 85.In artikel 216bis, § 3, van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het militair gerecht ».

Art. 86.In de artikelen 479 en 483 van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « een generaal die het bevel voert over een divisie ».

Art. 87.In artikel 527 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, worden tussen de woorden « rechtbank » en « of » de woorden « in oorlogstijd » ingevoegd en vervallen de woorden « een officier van militaire politie of ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 88.Artikel 58, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven.

Art. 89.In artikel 58bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1° vervallen de woorden « substituut-krijgsauditeur, » en « substituut-auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, »;2° in punt 2° vervallen de woorden « krijgsauditeur, », « en voorzitter van het Militair Gerechtshof, » en « auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, »;3° in punt 3° vervallen de woorden « eerste substituut-krijgsauditeur, » en « eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het Militair Gerechtshof, ».

Art. 90.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 144quinquies ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 144quinquies.- In vredestijd wordt de federale procureur ingelicht over de misdrijven die, overeenkomstig artikel 10bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering in België kunnen worden vervolgd. Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, wordt hij rechtstreeks ingelicht hetzij door de commandanten van de militaire eenheden die in het buitenland gestationeerd zijn, hetzij door de leden van de federale politie die, overeenkomstig artikel 112 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, belast zijn met de politie van de militairen.

Wanneer overeenkomstig artikel 309bis een magistraat van het openbaar ministerie aanwezig is op de plaats van de operaties, wordt de in het vorige lid bedoelde inlichting rechtstreeks aan hem gegeven.

Onverminderd artikel 144ter beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent in de gevallen bedoeld in dit artikel. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings.

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering, kunnen geen nietigheden worden opgeworpen. »

Art. 91.In artikel 259bis-1, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, vervallen de woorden « van de militaire rechtscolleges, ».

Art. 92.In artikel 259octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 vervallen de woorden « en/of van de krijgsauditeur » de woorden « , dan wel in de krijgsraad » en de woorden « of de auditeur-generaal »;2° in § 3 vervallen de woorden « en/of van de krijgsauditeur » en de woorden « of de auditeur-generaal »;3° § 7, derde lid, wordt vervangen als volgt : « De stagiair heeft, voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings of voor de duur van de stage bij het parket van de arbeidsauditeur, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, maar mag in deze hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal »;4° in § 7, vierde lid, vervallen de woorden « of door de auditeur-generaal » en de woorden « en/of van de krijgsauditeur »;5° in § 7, achtste lid, vervallen de woorden « of de auditeur-generaal ».

Art. 93.In artikel 287quater , § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997, worden de woorden « door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de eerste voorzitter van het arbeidshof of de eerste voorzitter van het Militair Gerechtshof en, wat de andere leden betreft, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof » vervangen door de woorden « de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof en, wat de andere leden betreft door de procureur-generaal bij het hof van beroep ».

Art. 94.In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 309 een hoofdstuk V ingevoegd, luidend als volgt : « HOOFDSTUK V. - Magistraten gemachtigd om Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen

Art. 309bis.- In vredestijd kunnen magistraten van het openbaar ministerie de Belgische troepen vergezellen bij militaire operaties in het buitenland, als de Ministers van Justitie en van Landsverdediging hiertoe in gemeenschappelijk overleg beslissen, na een gemotiveerd verslag van de militaire overheden dat bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen.

Daartoe wordt door de Koning, na advies van de korpschef en op voordracht van het College van procureurs-generaal, een lijst van magistraten van het openbaar ministerie vastgesteld. Ze worden aangewezen onder de sedert ten minste een jaar benoemde magistraten van het openbaar ministerie die op de oproep tot kandidaten reageren.

De aanwijzing van de magistraten die op die lijst voorkomen, geldt voor een hernieuwbare periode van drie jaar.

Wanneer het zenden van een magistraat om de troepen te vergezellen gerechtvaardigd wordt overeenkomstig het eerste lid, dan wordt deze magistraat door de federale procureur gekozen ofwel uit de federale magistraten ofwel uit de magistraten die voorkomen op de door de Koning vastgestelde lijst. In dit laatste geval wordt aan de magistraat van rechtswege gedurende deze periode een opdracht bij het federaal parket gegeven.

De magistraat vervult die opdracht onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur.

De magistraat die de troepen vergezelt moet houder zijn van een brevet inzake militaire technieken dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.

Het brevet inzake militaire technieken bewijst dat de magistraat die de troepen vergezelt, een militaire basisopleiding heeft gevolgd, op de wijze bepaald door de Minister van Landsverdediging.

Het brevet inzake militaire technieken blijft geldig zolang de houder een attest kan voorleggen, uitgereikt door het Ministerie van Landsverdediging aan diegenen die de bijscholingscursussen hebben gevolgd die om de vijf jaar worden georganiseerd.

De opdracht troepen te vergezellen mag geen negatieve gevolgen hebben op de verloning van de magistraat en heeft, in voorkomend geval, geen weerslag op het mandaat, vermeld in artikel 58bis, dat de betrokkene uitoefent. »

Art. 95.Artikel 315 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, wordt aangevuld met het volgende lid : « Het tweede en het vierde lid gelden niet voor de magistraten van de tijdelijke personeelsformatie van het Militair Gerechtshof, voor de griffiers en het griffiepersoneel van de tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij de krijgsraad of van het Militair Gerechtshof, voor de secretarissen en het personeel van de tijdelijke personeelsformatie van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof. »

Art. 96.In artikel 327 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 juli 1974 en gewijzigd bij de wetten van 1 december 1994, 22 december 1998 en 17 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt opgeheven;2° het vroegere tweede lid, dat het eerste lid wordt, wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de toepassing van artikel 326 kan de Minister van Justitie, op gelijkluidend advies van de procureur-generaal onder wie de magistraat ressorteert, aan magistraten van een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur een opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten of bij regeringscommissies, -instellingen of -diensten »;3° het vroegere derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt : « De Minister van Justitie kan eveneens, op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van het parket bij een gerecht van hoger beroep opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten »;4° in het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden « tweede en derde » vervangen door de woorden « eerste en tweede »;5° het vroegere vijfde lid wordt het vierde lid.

Art. 97.Artikel 327bis, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 1998 en 17 juli 2000 wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de toepassing van artikel 327, kan de Minister van Justitie op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van een parket opdracht geven om bij de Federale Overheidsdienst Justitie en bij de Cel voor financiële informatieverwerking een specifieke opdracht te vervullen, omschreven in een wets- of verordeningsbepaling. »

Art. 98.In artikel 330 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 februari 1997, 20 mei 1997 en 24 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329 kan de Minister van Justitie aan referendarissen, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers en beambten bij een hof of een rechtbank een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere griffie, in federale overheidsdiensten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten.Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast. »; 2° in het tweede lid worden de woorden « in ministeriële departementen of kabinetten » vervangen door de woorden « in federale overheidsdiensten ».

Art. 99.Artikel 330bis, eerste lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 februari 1997, 20 mei 1997, 24 maart 1999 en 12 april 1999, wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de toepassing van artikel 329bis kan de Minister van Justitie aan de parketjuristen, hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, vertalers, opstellers en beambten bij het parket, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in het federaal parket, in een ander parket, in federale overheidsdiensten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast. » HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

Art. 100.In artikel 18 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « In oorlogstijd wordt voor de militaire rechtbanken de rechtspleging gevoerd in het Nederlands, in het Frans of in het Duits, naar keus van de beklaagde. »; 2° het woord « krijgsraad » wordt vervangen door de woorden « militaire rechtbank », de woorden « de voorzitter van de rechterlijke commissie » worden vervangen door de woorden « de onderzoeksrechter of de raadkamer ».

Art. 101.In artikel 22, vierde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, wordt het woord « krijgsraad » vervangen door de woorden « militaire rechtbank ».

Art. 102.Artikel 25, vierde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 september 1985, wordt vervangen als volgt : « In oorlogstijd wordt voor het Militair Gerechtshof, rechtsprekende in eerste en laatste aanleg, alsmede voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij dit Hof, de taal van de rechtspleging bepaald overeenkomstig artikel 18. »

Art. 103.In artikel 49 van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 23 september 1985 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Er is slechts een Duitstalige kamer bij het Militair Gerechtshof en bij de militaire rechtbank ingeval de procedure overeenkomstig de artikelen 18 en 25, vierde lid, in het Duits wordt gevoerd. »; 2° in § 2, tweede lid, vervallen de woorden « en van het krijgsauditoraat »;3° § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : « De militaire auditeur en de voorzitter van de militaire rechtbank moeten het bewijs leveren van de kennis van de in de kamers van de militaire rechtbank gebruikte taal of talen.Ingeval een militaire rechtbank evenwel is samengesteld uit een Nederlandstalige, Franstalige en Duitstalige kamer, moeten zij het bewijs leveren van de kennis van twee talen en hun plaatsvervanger moet het bewijs leveren van de kennis van ten minste de derde taal. »; 4° § 2, vierde lid, wordt vervangen door het volgende lid : « De raadsheer bij het Militair Gerechtshof moet naargelang hij de Nederlandse, de Franse kamer of de Duitse kamer voorzit, het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse, van de Franse of van de Duitse taal.» 5° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « De rechter bij de militaire rechtbank moet naargelang hij de Nederlandse, de Franse kamer of de Duitse kamer voorzit, het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse, van de Franse of van de Duitse taal.»; 6° in § 5 worden de woorden « alsmede de voorzitter en de militaire leden van een krijgsraad » vervangen door de woorden « en de militaire leden van een militaire rechtbank »;7° in § 6 worden de woorden « of van een krijgsraad » vervangen door de woorden « van een militaire rechtbank »;8° § 7 wordt opgeheven;9° in § 9 worden de woorden « krijgsraad » vervangen door de woorden « militaire rechtbank ».

Art. 104.In artikel 53 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 februari 1961, 9 augustus 1963, 23 september 1985, 11 juli en 21 december 1994 en 27 april 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « In oorlogstijd moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Nederlandse kamer van een militaire rechtbank het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse taal en moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Duitse kamer van een militaire rechtbank het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal.» 2° § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Evenwel moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Franse kamer van het hof van beroep te Gent, het bewijs leveren van de kennis van de Franse taal.In oorlogstijd moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Franse kamer van een militaire rechtbank, het bewijs leveren van de kennis van de Franse taal en moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Duitse kamer van een militaire rechtbank, het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal. »; 3° in § 3, eerste lid, worden de woorden « en de krijgsraad » vervangen door de woorden « en, in oorlogstijd, een militaire rechtbank ».4° in § 4 worden de woorden « bij een vredegerecht of bij een politierechtbank » vervangen door de woorden « bij een vredegerecht, bij een politierechtbank of, in oorlogstijd, bij een militaire rechtbank ».

Art. 105.In artikel 54 van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 20 december 1957, 23 september 1985, en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, eerste lid, eerste zin, wordt vervangen als volgt :« In oorlogstijd moeten de hoofdgriffier en twee griffiers bij het Militair Gerechtshof het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en van de Franse taal.»; 2° § 2, tweede lid, eerste zin, wordt vervangen als volgt : « In oorlogstijd moet de hoofdgriffier van de militaire rechtbank te Brussel het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal »;3° § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : « In oorlogstijd moeten de griffiers bij de Duitse kamer van het Militair Gerechtshof en de griffiers bij de Duitse kamers van de militaire rechtbanken het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal op de wijze bedoeld in het eerste lid.» HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht

Art. 106.Artikel 9 van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht wordt opgeheven. HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 18 maart 1998 tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling

Art. 107.In artikel 13 van de wet van 18 maart 1998 tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden de woorden « of de krijgsauditeur » geschrapt. HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen

Art. 108.Worden opgeheven : - het Wetboek voor de rechtspleging bij de landmacht van 20 juli 1814; - het besluit van de soevereine Vorst van 20 juli 1814 waarbij de maritieme wetboeken, het Wetboek van de rechtspleging bij de landmacht, en de Provisionele Instructie voor het Hoog Militair Gerechtshof in werking treden; - de wet van 20 juli 1814 houdende de Provisionele Instructie voor het Hoog Militair Gerechtshof; - het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk ten lande van 15 maart 1815; - het besluit van de Soevereine vorst (Willem van Oranje-Nassau) van 15 maart 1815 waarbij het Militair Strafwetboek en het tuchtreglement in Holland uitvoerbaar wordt verklaard; - het besluit van het Voorlopig Bewind van 9 november 1830 betreffende de openbaar making van alle zaken die bij de krijgsraden worden aangebracht; - de wet van 29 januari 1849 houdende instelling van een Krijgshof; - de wetten van 15 juni 1899 houdende eerste en tweede titel van het Wetboek van strafrechtpleging voor het leger; - het koninklijk besluit van 18 augustus 1914 houdende samenstelling van het Krijgsgerechtshof; - de besluitwet van 28 december 1915 met betrekking tot het beroep tegen de vonnissen van de krijgsraden ten velde; - de besluitwet van 5 januari 1916 met betrekking tot de nationale militie; - de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen; - de besluitwet van 16 juni 1916 met betrekking tot de bevoegdheid van de krijgsraden ten velde; - de artikelen 7 en 8 van de besluitwet van 14 september 1918 betreffende de wetgeving in strafzaken - Wijzigingen; - het koninklijk besluit van 18 november 1918 betreffende het rechtsgebied van de bestendige krijgsraden; - de wet van 25 juni 1921 betreffende de rechtspleging bij verstek voor de militaire rechtsmacht; - de besluitwet van 18 september 1944 betreffende de bestendige krijgsraden; - de wet van 1 juni 1949 waarbij sommige wettelijke bepalingen gehandhaafd worden niettegenstaande het terugbrengen van het leger op vredesvoet; - de wet van 30 mei 1951 waarbij de Koning ertoe gemachtigd wordt sommige in oorlogs-of mobilisatietijd toepasselijke beschikkingen eveneens van toepassing te verklaren op de leden van de Belgische strijdmachten belast met de uitvoering van door de Veiligheidsraad der Verenigde Naties getroffen maatregelen; - de wet van 9 maart 1954 tot regeling van de uitoefening der voorziening in verbreking tegen de arresten en vonnissen van de militaire rechtscolleges; - het koninklijk besluit van 14 januari 1957 tot vaststelling van de bevoegdheden van de kamers in de bestendige krijgsraden en tot oprichting aldaar van tijdelijke kamers; - het koninklijk besluit van 14 juli 1971 inzake het taalgebruik voor militaire gerechten. HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen

Art. 109.De magistraten benoemd bij het Militair Gerechtshof, bij het auditoraat-generaal van het Militair Gerechtshof en bij de Krijgsraad worden opgenomen in een tijdelijke afbouwformatie.

De griffiers en het griffiepersoneel benoemd bij het Militair Gerechtshof en bij de Krijgsraad worden opgenomen in een tijdelijke afbouwformatie.

De secretarissen en het parketsecretariaatspersoneel benoemd bij het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof worden opgenomen in een tijdelijke afbouwformatie.

In de tijdelijke afbouwformatie kan slechts eenmaal in elke betrekking worden voorzien.

De betrekkingen waaruit die formatie bestaat, worden afgeschaft naarmate de betrokkenen ze niet langer bekleden, tengevolge van een benoeming in andere ambten, pensionering, ontslag, ontzetting uit het ambt of afzetting, ontslag van ambtswege of overlijden.

Art. 110.§ 1. De tijdelijke personeelsformatie van het Militair Gerechtshof is als volgt samengesteld : Voorzitter van het Militair Gerechtshof : 1 § 2. De tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij het Militair Gerechtshof is als volgt samengesteld : Auditeur-generaal : 1 Eerste advocaat-generaal : 1 Advocaat-generaal : 1 Substituut van de auditeur-generaal : 1 § 3. De tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij de Krijgsraad is als volgt samengesteld : Militair auditeur : 1 Eerste substituten van de militaire auditeur : 9 Substituten van de militaire auditeur : 12

Art. 111.§ 1. De tijdelijke personeelsformatie van de griffie van het Militair Gerechtshof is als volgt samengesteld : Griffier-hoofd van dienst : 1 Griffiers : 2 Opsteller : 1 Beambten : 2 § 2. De tijdelijke personeelsformatie van de griffie van de Krijgsraad is als volgt samengesteld : Hoofdgriffier : 1 Griffiers-hoofd van dienst : 1 Griffiers : 21 Adjunct griffier : 1 Opstellers : 6 Beambten : 6 § 3. De tijdelijke personeelsformatie van de secretarissen en van het parketsecretariaatspersoneel van het auditioraat-generaal bij het Militair Gerechtshof is als volgt samengesteld : Hoofdsecretaris : 1 Secretaris-hoofd van dienst : 1 Secretarissen : 3 Opstellers : 2 Beambten : 4.

Art. 112.Aan magistraten van het Openbaar Ministerie bij de krijgsraad en de magistraten van het openbaar ministerie bij het Militair Gerechtshof, behorend tot de tijdelijke personeelsformatie wordt door de minister van Justitie een opdracht gegeven bij het openbaar ministerie van een burgerlijk rechtscollege. De opdrachten worden gegeven op advies van de bevoegde procureur-generaal, waarbij het advies van de auditeur-generaal wordt gevoegd voor de eerste opdracht.

Zij kunnen eveneens genieten van de toepassing van artikelen 308, 327, tweede en derde lid, en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek.

Buiten het advies van de procureur-generaal, worden de eerste opdrachten gegeven op advies van de auditeur-generaal.

Art. 113.Aan de griffiers en de personeelsleden van de griffie van het Militair Gerechtshof en van de krijgsraad die behoren tot de tijdelijke personeelsformatie wordt door de minister van Justitie de opdracht gegeven om hun ambt te vervullen in een griffie in de graad van hun benoeming of aanwijzing.

De griffiers en de personeelsleden van de griffie van de krijgsraad kunnen ook een opdracht krijgen in een secretariaat van een parket in een gelijkwaardige graad.

Diegenen die voornoemde opdracht vervullen kunnen vervolgens genieten van de toepassing van artikel 330 of voor diegenen bedoeld in het tweede lid, van artikel 330bis van het Gerechtelijk Wetboek. In voornoemd geval blijft de opdracht bedoeld in het eerste en tweede lid evenwel behouden.

Art. 114.De secretarissen en de personeelsleden van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof die behoren tot de tijdelijke personeelsformatie krijgen door de minister van Justitie in hun graad van benoeming of aanwijziging een opdracht in een parketsecretariaat.

Diegenen die voornoemde opdracht vervullen kunnen vervolgens genieten van de toepassing van artikel 330bis van het Gerechtelijk Wetboek. In voornoemd geval blijft de eerste opdracht evenwel behouden.

Art. 115.De griffiers en het personeel van de griffie bij het Militair Gerechtshof, behorend tot de tijdelijke personeelsformatie, die een opdracht krijgen in de graad waarin ze zijn benoemd om een ambt te vervullen in een griffie van een hof van beroep, worden daar met hun instemming benoemd zodra een betrekking vacant wordt en op voorwaarde dat zij de beoordeling « zeer goed » hebben gekregen.

Overigens kan die benoeming alleen plaatsvinden indien daarbij de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht wordt genomen.

Indien meerdere personen, die komen van de griffie van het Militair Gerechtshof en die de opdracht krijgen om een ambt te vervullen in dezelfde griffie, in de voorwaarden zijn, zoals bepaald in het eerste lid, komt de benoeming toe aan degene met de grootste graadanciënniteit. Bij gelijke graadanciënniteit komt de benoeming toe aan degene met grootste dienstanciënniteit. Bij gelijke dienstanciënniteit komt de benoeming toe aan de oudste.

Deze bepaling geldt niet voor de hoofdgriffier.

Art. 116.De secretarissen en het personeel van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof, behorend tot de tijdelijke personeelsformatie, die een opdracht krijgen in de graad waarin ze zijn benoemd om een ambt te vervullen in een parket van de procureur-generaal of in het parket van de federale procureur, worden daar met hun instemming benoemd zodra een betrekking vacant wordt en op voorwaarde dat zij de beoordeling « zeer goed » hebben gekregen.

Indien meerdere personen, die komen van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof en die de opdracht krijgen om een ambt te vervullen in hetzelfde parketsecretariaat, in de voorwaarden zijn, zoals bepaald in het eerste lid, komt de benoeming toe aan degene met de grootste graadanciënniteit. Bij gelijke graadanciënniteit komt de benoeming toe aan degene met de grootste dienstanciënniteit. Bij gelijke dienstanciënniteit komt de benoeming toe aan de oudste.

Deze bepaling geldt niet voor de hoofdsecretaris.

Art. 117.De griffiers en het personeel van de griffie van de krijgsraad, behorend tot de tijdelijke personeelsformatie, die een opdracht krijgen in de graad waarin ze zijn benoemd om een ambt te vervullen in een griffie of een parket van een rechtbank van eerste aanleg of van een politierechtbank, worden daar met hun instemming benoemd zodra een betrekking vacant wordt en op voorwaarde dat zij de beoordeling « zeer goed » hebben gekregen. Overigens kan die benoeming alleen plaatsvinden indien daarbij de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht wordt genomen.

Indien meerdere personen, die komen van de griffie van de krijgsraad en die de opdracht krijgen om een ambt te vervullen in dezelfde griffie of parketsecretariaat, in de voorwaarden zijn, zoals bepaald in het eerste lid, komt de benoeming toe aan degene met de grootste graadanciënniteit. Bij gelijke graadanciënniteit komt de benoeming toe aan degene met de grootste dienstanciënniteit. Bij gelijke dienstanciënniteit komt de benoeming toe aan de oudste.

Deze bepaling geldt niet voor de hoofdgriffier.

Art. 118.De griffiers-hoofden van dienst behorend tot de afbouwformatie die tot griffier zijn benoemd in een griffie van een hof van beroep, van een rechtbank van eerste aanleg of van een politierechtbank of in een parketsecretariaat behouden persoonlijk hun mandaat van hoofd van dienst. De verlenging van het mandaat is onderworpen aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 119.De secretaris-hoofd van dienst in de afbouwformatie die tot secretaris is benoemd bij een parket van de procureur des Konings, bij een parket-generaal of het federaal parket behoudt persoonlijk zijn mandaat van hoofd van dienst. De verlenging van het mandaat is onderworpen aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 120.De bepalingen van deel II, boek II, van het Gerechtelijk Wetboek gelden voor de magistraten, de griffiers en secretarissen alsook het personeel van de griffies en parketten behorend tot de afbouwformatie.

Bovendien gelden de bepalingen van deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk Vquinquies van het Gerechtelijk Wetboek voor de magistraten.

Magistraten, griffiers, secretarissen en het personeel van de griffies en van het parketsecretariaat van de tijdelijke personeelsformatie, die een opdracht hebben gekregen in een gerecht, een parket, een griffie of een parketsecretariaat worden voor wat betreft de evaluatie en de tucht, geacht daar te zijn benoemd in de graad in dewelke zij de opdracht hebben gekregen.

Art. 121.De benoemingen bedoeld in de artikelen 115, 116 en 117 vinden plaats zonder toepassing van de artikelen 262, 273, 287 en 287bis van het Gerechtelijk Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.

Art. 122.De voorzitter van het Militair Gerechtshof ontvangt ten persoonlijke titel de wedde en de overeenkomstige weddeverhogingen tot op de dag van zijn pensionering, zijn ontslag, zijn ontslag van ambtswege, zijn ontzetting uit het ambt of zijn overlijden. Hij behoudt die voordelen eveneens indien hij met zijn instemming wordt benoemd of aangewezen om een ambt uit te oefenen waaraan een lagere wedde is verbonden.

Art. 123.De auditeur-generaal en de krijgsauditeur blijven ten persoonlijke titel de hieraan verbonden wedde en weddeverhogingen ontvangen tot op de dag van hun inrustestelling, hun ontslag, hun ontslag van ambtswege, hun afzetting, hun overlijden of totdat zij met hun instemming worden benoemd in of aangewezen voor een ander, beter bezoldigd ambt.

Art. 124.De eerste advocaat-generaal, de advocaat-generaal bij het Militair Gerechtshof en de eerste substituten van de militaire auditeur behouden hun mandaat ten persoonlijke titel. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende adjunct-mandaten alsmede artikel 102, § 2, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, zijn evenwel op hen van toepassing.

Art. 125.De toepassing van deze wet mag geen afbreuk doen aan de wedden, weddeverhogingen, weddebijslagen en pensioenen van de magistraten, de griffiers, de secretarissen en de personeelsleden van de griffies en het parketsecretariaat, die behoren tot de tijdelijke personeelsformaties die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet bestaan.

Art. 126.Wanneer een magistraat, griffier, secretaris of personeelslid behorend tot de tijdelijke personeelsformatie wordt benoemd of aangewezen in een burgerlijk rechtscollege, neemt hij rang op de datum van zijn benoeming of aanwijzing in die hoedanigheid bij het militair rechtscollege.

Art. 127.Een ambt uitgeoefend bij de griffie van het Militair Gerechtshof wordt gelijkgesteld met een ambt uitgeoefend bij de griffie van een hof van beroep.

Art. 128.Een ambt uitgeoefend in het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof wordt gelijkgesteld met een ambt uitgeoefend bij het parket van een hof van beroep.

Art. 129.Een ambt uitgeoefend bij de griffie van de krijgsraad wordt gelijkgesteld met een ambt uitgeoefend bij een griffie of een parket van eerste aanleg.

Art. 130.In toepassing van artikel 309bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 94 van deze wet, wordt een eerste lijst vastgesteld binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet.

De magistraten, de leden en het personeel van de griffie van het Militair Gerechtshof en van de Krijgsraad, de leden en het personeel van het secretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een ambt uitoefenen of uitgeoefend hebben bij een militair gerecht, worden vrijgesteld van het brevet inzake militaire technieken.

De officieren, evenals de gewezen officieren van de actieve of reservekaders van de strijdkrachten zijn vrijgesteld van het brevet inzake militaire technieken.

Art. 131.De Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging zijn samen, vanaf de afkondiging van de oorlogstijd, belast om onmiddellijk alle maatregelen te nemen, nodig om de bepalingen van deze wet toe te passen. Ze stellen eveneens de noodzakelijke personele en materiële middelen ter beschikking voor de missies die in vredestijd buiten het Belgisch grondgebied plaatsvinden.

Art. 132.De Koning bepaalt de definitieve bestemming van de archieven gevormd en ontvangen door de opgeheven gerechten. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling

Art. 133.Deze wet treedt in werking op de dag bepaald door de Koning.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 10 april 2003.

ALBERT Par le Roi : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN De Minister van Landsverdediging A. FLAHAUT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota (1) Gewone zitting 2002-2003 Kamer van volksvertegenwoordigers Parlementaire stukken 50-2108 001 : Wetsontwerp 002 : Amendement 003 : Amendementen 004 : Amendementen 005 : Amendementen 006 : Amendement 007 : Verslag namens de commissie 008 : Tekst aangenomen door de commissie 009 : Tekst aangenomen door de commissie 010 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat Senaat Parlementaire stukken 50-1535 001 : Ontwerp overgezonden door de Kamer 003 : Verslag namens de commissie 004 : Tekst verbeterd door de commissie 005 : Amendementen opnieuw ingediend na de goedkeuring van het verslag

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^