Wet van 10 januari 2010
gepubliceerd op 12 februari 2010
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel

bron
ministerie van landsverdediging
numac
2010007051
pub.
12/02/2010
prom.
10/01/2010
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 JANUARI 2010. - Wet tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Art. 2.Artikel 62 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 29 april 1996 en gewijzigd bij de wetten van 3 juli 2005, 20 juli 2005, 27 december 2005 en 25 april 2007, wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende : « § 8. Voor de toepassing van deze wetten wordt het verrichten van een vrijwillige militaire inzet in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, tot de eerste dag van de zesde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke de militair de in artikel 21, tweede lid, van voormelde wet bedoelde dienstneming aangaat, niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De voordelen bedoeld in artikel 50, tweede lid, van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering. » HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag

Art. 3.In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, bij het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983 en bij de wetten van 20 juli 1991, 29 april 1996, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 12 augustus 2000, 24 december 2002, 27 december 2004, 3 juli 2005, 25 april 2007, 27 april 2007 en 8 juni 2008, wordt het derde lid vervangen als volgt : « Het kind blijft ten laste wanneer het een vrijwillige militaire inzet vervult, tot de eerste dag van de zesde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke de militair de dienstneming aangaat bedoeld in artikel 21, tweede lid,van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel.

Hetzelfde geldt wanneer hij een dienst van collectief nut uitoefent, krachtens de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut. » HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader

Art. 4.In artikel 10, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, vervangen bij de wet van 20 mei 1994 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « De militair die een vrijwillige militaire inzet heeft vervuld en de militair korte termijn, die nadien werden opgenomen als aanvullingsmilitair, kunnen evenwel niet worden aanvaard als kandidaat, bedoeld in het eerste lid, 3°, zolang ze niet de minimum dienstanciënniteit bezitten die vereist is van een kandidaat van zijn personeelscategorie, bedoeld in het eerste lid, 3°, die geen vrijwillige militaire inzet heeft vervuld en niet de hoedanigheid van militair korte termijn heeft gehad. »

Art. 5.Artikel 26bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1994 en vervangen bij de wet van 16 maart 2000, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen

Art. 6.Artikel 10bis, § 3, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, wordt aangevuld met de bepaling onder 7°, luidende : « 7° voor de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, die een soldij ontvangt, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, voor de opgelopen kosten in het kader van de ten laste neming door de Staat van de kosten verbonden aan het woonwerkverkeer. »

Art. 7.Het opschrift van hoofdstuk V van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK V. - Bijzondere stelsels ».

Art. 8.In hoofdstuk V van dezelfde wet wordt een artikel 13bis ingevoegd, luidende : «

Artikel 13bis.Genieten per dag werkelijke dienst, een soldij waarvan de bedragen en de toekenningsmodaliteiten bepaald worden door de Koning : 1° de niet-militaire leerling in vorming in een school of in periode van schoolvorming, die dient aan de hand van een dienstneming of wederdienstneming;2° de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, gedurende de periode die begint op de dag waarop hij een dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag van de vijfde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke hij deze dienstneming heeft aangegaan. Het dagbedrag van de soldij mag 5 euro niet overschrijden. De Koning kan dit bedrag koppelen aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten. »

Art. 9.Artikel 18 van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen van de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden

Art. 10.In artikel 3, § 2, van de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden, gewijzigd bij de wet van 26 april 2009, wordt het tweede lid vervangen als volgt : « Voor de beroeps- of aanvullingsofficier die met succes de vorming van piloot of van luchtverkeersleider heeft gevolgd, wordt de rendementsperiode evenwel verhoogd met drie jaar. »

Art. 11.In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 28/2002 van het Grondwettelijk Hof, en gewijzigd bij de wet van 26 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid : a) de woorden « of na een vorming bedoeld in artikel 3, § 1, 6°, te hebben gevolgd, » worden opgeheven;b) de woorden « tabellen B, C en E » worden vervangen door de woorden « tabellen B en C »;2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende : « De beroeps- of aanvullingsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen of die op pensioen wordt gesteld in toepassing van de artikelen 3, A, en 3, B, van de bij het koninklijk besluit nr.16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, of van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode na een vorming bedoeld in artikel 3, § 1, 6°, te hebben gevolgd, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van zijn vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel E van de bijlage bij deze wet.

De beroeps- of aanvullingsmilitair die zijn professionele vorming voor het behalen van het brevet ATC heeft aangevangen en die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode, om de redenen bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, en § 2, tweede lid, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van deze professionele vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabellen F1 en F2 van de bijlage bij deze wet. »

Art. 12.In artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 2001 en 26 april 2009, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende : « De hulpofficier luchtverkeersleider die de verbreking van zijn dienstneming verkrijgt of waarvan de dienstneming wordt verbroken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid, voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode, om de redenen bedoeld in artikel 3, § 1, 4°, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van de professionele vorming voor het behalen van het brevet ATC, terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel F2 van de bijlage bij deze wet. »

Art. 13.Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 7.Is er toe gehouden om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen, elke kandidaat wiens dienstneming of wederdienstneming verbroken wordt wegens een andere reden dan wegens medische ongeschiktheid, die ophoudt kandidaat-militair van het actief kader te zijn en die : 1° hetzij, in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier, ten minste 60 studiepunten heeft behaald in de Koninklijk Militaire School of in een andere instelling van het hoger onderwijs;2° hetzij, in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier, het diploma van secundair onderwijs of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift heeft behaald in de Koninklijke School voor Onderofficieren. De bepaling bedoeld in het eerste lid is niet toepasselijk : 1° op de militair heropgenomen in zijn oorspronkelijk kader, tenzij hij de hoedanigheid van militair van het actief kader verliest binnen een periode die op de datum van zijn heropneming begint en gelijk is aan anderhalve maal de duur van de vorming gevolgd in de hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°;2° op de kandidaat-militair, die geen achttien jaar oud is, die de hoedanigheid van kandidaat verliest ingevolge de verklaring van de periode van oorlog.» De vergoeding bedraagt 73 % van de netto uitbetaalde wedden tijdens de vorming in de hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°. De terugbetaling bedoeld in het tweede lid 2, 1°, wordt evenwel berekend volgens de bepaling bedoeld in artikel 4, eerste lid. »

Art. 14.Artikel 7bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 maart 2006, wordt vervangen als volgt : « Art.7bis. De kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider wiens dienstneming verbroken wordt, wegens elke andere reden dan wegens medische ongeschiktheid, en die ophoudt militair van het actief kader te zijn, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van de professionele vorming voor het behalen van het brevet ATC, terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel F1 van de bijlage bij deze wet.

De kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider, bedoeld in het eerste lid, is er eveneens toe gehouden om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De vergoeding bedraagt 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende deze vorming.

De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing op de kandidaat-militair die deze hoedanigheid verliest en die tot deze vorming werd toegelaten, nadat zijn dienstneming als kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider werd verbroken onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid. »

Art. 15.In de bijlage van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de tabel A wordt vervangen door de tabel A, die als bijlage 1 is gevoegd bij deze wet;2° de bijlage wordt aangevuld met de tabellen F1 en F2, die als bijlage 2 zijn gevoegd bij deze wet. HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 25 mei 2000 betreffende de personeelsenveloppe van militairen

Art. 16.In artikel 1, § 2, tweede lid, van de wet van 25 mei 2000 betreffende de personeelsenveloppe van militairen, gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt : « 4° militairen van het actief kader : a) de beroepsmilitairen;b) de aanvullingsmilitairen;c) de hulpofficieren;d) de militairen korte termijn;e) de kandidaat-officieren en de kandidaat-onderofficieren van het actief kader, respectievelijk aangesteld in de graad van onderluitenant of sergeant en die zich reeds bevinden in hun eenheid van definitieve eerste aanwijzing;f) de kandidaat-vrijwilligers van het actief kader;g) de militaire muzikanten;h) de kandidaat-officieren kapelmeesters en de kandidaat-onderofficieren muzikanten aangesteld in de graad van onderluitenant, respectievelijk sergeant, die zich reeds bevinden in hun eenheid van definitieve eerste aanwijzing;i) de militairen die een vrijwillige militaire inzet vervullen, wanneer ze geen soldij meer ontvangen.» HOOFDSTUK 8. - Wijziging van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht

Art. 17.Artikel 10, 2°, van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 30 december 2008, wordt aangevuld met de bepaling onder e), luidende : « e) de officieren EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel. »

Art. 18.Artikel 11, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 30 december 2008, wordt aangevuld met de bepaling onder d), luidende : « d) de onderofficieren EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel. ».

Art. 19.Artikel 12, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 2008, wordt aangevuld met de bepaling onder c), luidende : « c) de vrijwilligers EVMI bedoeld in artikel 48 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel. » HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I)

Art. 20.Artikel 37, § 5, van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) wordt aangevuld met drie leden, luidende : « Als voor de datum bedoeld in, naargelang het geval, het eerste of het tweede lid een procedure is opgestart voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform, wordt de datum van uitwerking van de vrijwillige opschorting van de prestaties opgeschort tot op de eerste dag van de maand volgend op, naargelang het geval : 1° de datum waarop geen beroep meer mogelijk is tegen de beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform dat de militair medisch geschikt verklaart, zelfs voor halftijdse arbeid;2° de datum van de beslissing van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform dat de militair medisch geschikt verklaart, zelfs voor halftijdse arbeid. De datum van uitwerking van de vrijwillige opschorting van de prestaties bedoeld in het derde lid kan evenwel niet vroeger zijn dan de datum bedoeld in, naargelang het geval, het eerste of het tweede lid.

Een militair die tijdelijk of definitief medisch ongeschikt is, kan niet in vrijwillige opschorting van de prestaties vertrekken. » HOOFDSTUK 1 0. - De vrijwillige militaire inzet Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 21.Dit hoofdstuk richt een vrijwillige militaire inzet op, hierna genoemd « EVMI » en bepaalt het statuut van de militairen die deze dienst vervullen.

Deze militairen dienen in het actief kader onder een stelsel van dienstneming en opeenvolgende wederdienstnemingen. De totale duur van de diensten in de EVMI mag : 1° vier jaar niet overschrijden, voor de officier en de onderofficier EVMI;2° drie jaar niet overschrijden, voor de vrijwilliger EVMI.

Art. 22.De militairen EVMI zijn : 1° de officieren en kandidaat-officieren EVMI;2° de onderofficieren en kandidaat-onderofficieren EVMI;3° de vrijwilligers en kandidaat-vrijwilligers EVMI.

Art. 23.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° « de militair EVMI » : de militair die een EVMI vervult;2° « de Minister » : de Minister van Landsverdediging;3° « de sollicitant » : de persoon, tussen het ogenblik waarop hij zich inschrijft voor een wervingssessie en het ogenblik waarop hij, naargelang het geval, de hoedanigheid van kandidaat-militair of van aspirant-militair verwerft, of desgevallend waarop er een einde gesteld wordt aan het wervingsproces voor deze inschrijving;4° « de sollicitant EVMI » : de persoon, tussen het ogenblik waarop hij zich inschrijft voor een wervingssessie EVMI en het ogenblik waarop hij de hoedanigheid van militair EVMI verwerft, of in voorkomend geval, waarop er een einde wordt gesteld aan het wervingsproces voor deze inschrijving;5° « de kandidaat-EVMI » : de militair EVMI tijdens zijn vorming;6° « de werkdag » : de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een feestdag is.

Art. 24.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, telkens als een graad wordt vermeld, de gelijkwaardige graad ook in aanmerking genomen.

Art. 25.Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de militairen van het actief kader van toepassing op de militairen EVMI, naargelang de personeelscategorie waartoe ze behoren.

Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut, naargelang het geval, van de sollicitanten, van de kandidaat-militairen of van de aspirant-militairen van toepassing op de sollicitanten EVMI of de kandidaten-EVMI, naargelang de personeelscategorie waartoe ze behoren. Afdeling 2. - De werving

Art. 26.Per wervingssessie van militairen EVMI bepaalt de minister het aantal vacatures voor operationele functies of steunfuncties aan operaties.

Hij specificeert bij de bekendmaking de bijzonderheden van de functies die een gevolg hebben op de selectie van de sollicitant EVMI.

Art. 27.Om de hoedanigheid van militair EVMI te kunnen verwerven moet de sollicitant EVMI voldoen aan dezelfde voorwaarden als de sollicitant, behoudens volgende bepalingen : 1° hij moet niet geclassificeerd zijn maar moet batig gerangschikt zijn rekening houdende met : a) de chronologische volgorde van het indienen van de inschrijvingen;b) de uitgedrukte voorkeur voor de verschillende wervingsfuncties;2° indien hij sollicitant officier EVMI is : a) mag hij op 31 december van het jaar van zijn inlijving de leeftijd van zevenentwintig jaar niet bereikt hebben;b) moet hij houder zijn van een bachelor of van een door een instelling van universitair of gelijkwaardig niveau uitgereikte kandidaatsdiploma;c) mag hij de hoedanigheid van militair of kandidaat-militair in dezelfde of een lager personeelscategorie niet hebben verloren wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden;3° indien hij sollicitant onderofficier EVMI is : a) mag hij op 31 december van het jaar van zijn inlijving de leeftijd van vijfentwintig jaar niet bereikt hebben;b) moet hij houder zijn van het diploma van secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;c) mag hij de hoedanigheid van militair of kandidaat-militair in dezelfde of een andere personeelscategorie niet hebben verloren wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden;4° indien hij sollicitant vrijwilliger EVMI is : a) mag hij op 31 december van het jaar van zijn inlijving de leeftijd van vijfentwintig jaar niet bereikt hebben;b) moet hij aan geen enkele studievoorwaarde voldoen;c) mag hij de hoedanigheid van militair of kandidaat-militair in dezelfde personeelscategorie niet hebben verloren wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden. De Koning bepaalt de nadere regels volgens dewelke de sollicitant EVMI beoordeeld wordt tijdens de selectieproeven. Hij kan bovendien de selectieproeven bepalen die de sollicitant EVMI niet moet afleggen of bijkomende proeven bepalen voor sommige wervingsfuncties. Afdeling 3. - De dienstneming en de wederdienstneming

Art. 28.Het verwerven van de hoedanigheid van militair EVMI wordt bekrachtigd door de ondertekening van een dienstnemingsakte, waarvan de minister het model bepaalt. Een exemplaar van de ingevulde dienstnemingsakte wordt overhandigd aan de betrokken militair EVMI. De dienstneming als militair EVMI heeft van rechtswege en op de datum ervan, naargelang het geval, het ontslag uit het ambt of de verbreking van elke vroegere dienstneming of wederdienstneming tot gevolg van de persoon die reeds de hoedanigheid heeft van militair.

Art. 29.De dienstneming bedoeld in artikel 21, tweede lid, wordt aangegaan voor een duur : 1° van vierentwintig tot achtenveertig maanden, voor de officier en de onderofficier EVMI;2° van vierentwintig tot zesendertig maanden, voor de vrijwilliger EVMI. De Koning bepaalt de concrete duur van de dienstneming per personeelscategorie.

De wederdienstnemingen bedoeld in artikel 21, tweede lid, worden aangegaan voor een duur van zes maanden.

De gecumuleerde duur van de dienstneming en van alle wederdienstnemingen mag de totale duur bedoeld in artikel 21, tweede lid, niet overschrijden.

Een wederdienstneming gaat in bij het verstrijken van de dienstneming of de vorige wederdienstneming.

De korpscommandant van de militair EVMI is de overheid gemachtigd om de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren.

Een beroep tegen een beslissing betreffende een weigering tot wederdienstneming kan bij de directeur-generaal human resources worden ingediend.

Art. 30.In geval van mobilisatie, in oorlogstijd, in periode van oorlog en, in voorkomend geval, in periode van crisis, worden de lopende dienstnemingen en wederdienstnemingen als militair EVMI van rechtswege verlengd tot de dag door de minister vastgesteld en uiterlijk tot de dag bepaald voor het op vredesvoet brengen van het leger.

De dienstneming of de wederdienstneming van de militair EVMI die verstrijkt terwijl betrokkene deelneemt aan een operatie of aan een zending, wordt van rechtswege verlengd, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tot het einde van zijn deelname aan deze operatie of zending en voor een duur van maximaal zes maanden.

Art. 31.De Koning bepaalt : 1° de procedure betreffende de wederdienstnemingen;2° de procedure betreffende het indienen van het beroep bedoeld in artikel 29, zevende lid. Afdeling 4. - De vorming

Art. 32.De duur van de vorming bedraagt maximaal vierentwintig maanden voor elke kandidaat-EVMI. De vormingscyclus bestaat uit de volgende vormingsperiodes, die op hun beurt onderverdeeld kunnen worden in fases en modules : 1° een periode van opleiding, bestaande uit : a) een militaire basisvorming;b) een gespecialiseerde professionele vorming;2° een stageperiode, waarvan de duur niet korter mag zijn dan drie maanden. De duur en de inhoud van de periode van opleiding van de kandidaat-EVMI zijn identiek aan deze van de periode van opleiding van de kandidaat- of aspirant-militairen die werden aangeworven om dezelfde functie uit te oefenen.

Art. 33.De Koning bepaalt de beoordelingsmomenten van de professionele hoedanigheden van de kandidaat-EVMI.

Art. 34.§ 1. Elke kandidaat-EVMI is bekleed met de graad van soldaat, zodra zijn dienstneming een aanvang neemt. § 2. Aangesteld kan worden gedurende de vorming : 1° de kandidaat-officier EVMI : in de graad van korporaal, sergeant, adjudant en onderluitenant;2° de kandidaat-onderofficier EVMI : in de graad van korporaal en sergeant;3° de kandidaat-vrijwilliger EVMI : in de graad van eerste soldaat. De Koning bepaalt de ogenblikken voor het verlenen van de aanstellingen. § 3. In afwijking van artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, wordt het slagen voor het examen over de wezenlijke kennis van de taal van het andere taalstelsel dan dat waartoe de officier EVMI behoort, enkel geëist wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om benoemd te kunnen worden in de graad van onderluitenant overeenkomstig artikel 47, § 1, eerste of tweede lid.

In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet, wordt het slagen voor het examen over de werkelijke kennis van de taal van het taalstelsel gekozen door de onderofficier EVMI bij zijn werving, enkel geëist wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om benoemd te kunnen worden in de graad, naargelang het geval van sergeant of eerste sergeant overeenkomstig artikel 47, § 1, eerste of derde lid.

Art. 35.De vorming eindigt in de volgende gevallen : 1° door het slagen in de vormingscyclus;2° door het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-EVMI. In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, verliest de kandidaat-EVMI de graad waarin hij is aangesteld.

Art. 36.De hoedanigheid van kandidaat-EVMI verliest : 1° degene die een onvoldoende beoordeling krijgt van : a) hetzij de professionele hoedanigheden;b) hetzij de karakteriële hoedanigheden;c) hetzij de fysieke hoedanigheden inzake de fysieke conditie;2° degene wiens morele hoedanigheden niet meer voldoen aan de regels die de Koning bepaalt;3° degene wiens dienstneming verbroken wordt van ambtswege of overeenkomstig de artikelen 42, eerste lid, 1° tot 5°, en 43. De Koning wijst de overheid aan die bevoegd is om het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-EVMI uit te spreken.

Art. 37.Zijn niet van toepassing op de kandidaat-EVMI, de wettelijke en reglementaire bepalingen van het statuut, naar gelang het geval, van kandidaat-militair of van aspirant-militair met betrekking tot : 1° het uitstel;2° de reclassering;3° de voortzetting van de vorming.

Art. 38.De wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek zijn niet van toepassing op de kandidaat-EVMI. Afdeling 5. - De tijdelijke ambtsontheffing en de verbreking van de

dienstneming of van de wederdienstneming

Art. 39.De tijdelijke ambtsontheffing heeft alleen plaats in de volgende gevallen : 1° op verzoek van de militair EVMI;2° om gezondheidsredenen;3° bij tuchtmaatregel.

Art. 40.§ 1. Op zijn verzoek kan de militair EVMI tijdelijk wegens persoonlijke aangelegenheden van zijn ambt ontheven worden mits : 1° hij zijn vormingscyclus beëindigd heeft;2° de aanvraag gemotiveerd is door uitzonderlijke sociale redenen die door de directeur-generaal human resources moeten worden beoordeeld. Deze tijdelijke ambtsontheffing duurt drie maanden en kan slechts één keer worden toegekend. § 2. In periode van oorlog kan de militair EVMI geen tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen. Hetzelfde geldt voor degene die in operationele inzet in periode van vrede is of die daarvoor op preadvies wordt gesteld.

De tijdelijke ambtsontheffingen die op verzoek van de belanghebbende zijn toegekend, vervallen van rechtswege in periode van oorlog.

Art. 41.De dienstneming of de wederdienstneming eindigt : 1° door het verstrijken van de dienstneming of van de wederdienstneming, voor zover deze niet wordt gevolgd door een wederdienstneming in dezelfde hoedanigheid of voor zover deze niet wordt van rechtswege verlengd overeenkomstig artikel 30, tweede lid;2° door verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming. De militair EVMI waarvan de dienstneming of wederdienstneming eindigt, kan in geen enkel geval als militair EVMI worden heropgenomen. De militair EVMI waarvan de dienstneming of wederdienstneming echter op basis van artikel 42, eerste lid, 2°, a), van rechtswege werd verbroken om een vorming te volgen van kandidaat- of aspirant-militair van het actief kader in een hogere personeelscategorie, kan worden heropgenomen onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Art. 42.De dienstneming of de wederdienstneming wordt van rechtswege verbroken wanneer de kandidaat-EVMI of de militair EVMI : 1° geen onderdaan meer is van een lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, of, in toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied, terugwijzing, of uitzetting;2° een dienstnemingsakte ondertekent : a) als kandidaat- of aspirant-militair van het actief kader van de Krijgsmacht;b) als kandidaat-hulpofficier;3° definitief op pensioen wordt gesteld;4° zonder uitstel levenslang of tijdelijk wordt ontzet uit één van de rechten opgesomd in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek;5° niet ten minste het medisch profiel behoudt dat overeenstemt met zijn personeelscategorie, die de Koning bepaalt;6° de hoedanigheid van kandidaat-EVMI verliest overeenkomstig artikel 36, eerste lid, 1° en 2°. De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming van rechtswege heeft uitwerking van zodra de toestand zich voordoet die ertoe aanleiding geeft.

Art. 43.De kandidaat-EVMI of de militair EVMI bekomt van zijn korpscommandant de verbreking van zijn dienstneming of van zijn wederdienstneming indien hij daartoe een schriftelijke aanvraag indient.

Wanneer de aanvraag wordt ingediend tijdens de periode waarin de kandidaat-EVMI een soldij ontvangt, heeft de verbreking van de dienstneming uitwerking ten laatste drie werkdagen na de datum van indienen van de aanvraag.

Wanneer de aanvraag wordt ingediend na de periode bedoeld in het tweede lid, heeft de verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming uitwerking, naargelang het geval : 1° indien hij officier of onderofficier EVMI is, ten laatste een maand na de datum van indienen van de aanvraag;2° indien hij vrijwilliger EVMI is, ten laatste tien werkdagen na de datum van indienen van de aanvraag. De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming op verzoek van de militair EVMI die deelneemt aan een operatie of aan een zending zoals bedoeld in artikel 30, tweede lid, of die daarvoor op preadvies wordt gesteld, heeft evenwel uitwerking ten vroegste op het einde van zijn deelname aan deze operatie of zending.

Art. 44.De wederdienstneming van de militair EVMI kan van ambtswege worden verbroken, onder de voorwaarden en volgens de procedure bepaald door de Koning. Afdeling 6. - De opname in een andere hoedanigheid van militair van

het actief kader

Art. 45.De militair EVMI kan, op zijn verzoek, opgenomen worden in de hoedanigheid, naargelang het geval, van : 1° aanvullingsmilitair, indien hij overgeplaatst wordt vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 216 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de krijgsmacht;2° militair van het actief kader in een personeelscategorie bedoeld in artikel 25, § 1, eerste lid, 1°, 4° of 5°, van de voornoemde wet, in de andere gevallen. De militair EVMI wordt opgenomen in de personeelscategorie die overeenstemt met deze waartoe hij behoort als militair EVMI. De officier EVMI bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt opgenomen in de hoedanigheid van officier van niveau B.

Art. 46.Om zijn aanvraag tot opname te kunnen indienen, moet de militair EVMI bedoeld in artikel 45 aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° aanvaard worden door de directeur-generaal human resources;2° een positieve beoordeling van zijn korpscommandant hebben gekregen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning;3° voor de officier EVMI, geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, ten laatste op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag tot opname;4° voor de onderofficier EVMI, geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet ten laatste op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag tot opname. De militair EVMI bedoeld in het eerste lid die aan een operatie of aan een zending heeft deelgenomen zoals bedoeld in artikel 30, tweede lid, kan zijn aanvraag tot opname indienen vanaf het einde van zijn deelname aan deze operatie of zending.

In het tegenovergestelde geval mag de aanvraag tot opname ten vroegste worden ingediend na dertig maanden werkelijke dienst.

Elke aanvraag tot opname moet worden ingediend ten laatste : 1° vóór de zesenveertigste dienstmaand, voor de officier en de onderofficier EVMI;2° vóór de vierendertigste dienstmaand, voor de vrijwilliger EVMI.

Art. 47.§ 1. De militair EVMI bedoeld in artikel 45, eerste lid, 1°, wordt benoemd in de laatste graad waarin hij aangesteld werd als militair EVMI op de zevenentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij heeft voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 46.

De officier EVMI bedoeld in artikel 45, eerste lid, 2°, wordt benoemd in de graad van onderluitenant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij heeft voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 46.

De onderofficier EVMI bedoeld in artikel 45, eerste lid, 2°, wordt benoemd in de graad van eerste sergeant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij heeft voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 46.

De vrijwilliger EVMI bedoeld in artikel 45, eerste lid, 2°, wordt benoemd in de graad van eerste soldaat op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij heeft voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 46. § 2. De anciënniteit in de graad waarin de militair EVMI benoemd wordt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1, kan niet aanvangen op een vroegere datum dan deze van de militairen van de personeelscategorie waarin ze worden opgenomen.

De Koning bepaalt de nadere regels betreffende het aanvangen van deze anciënniteit. Afdeling 7. - De opname in het reservekader

Art. 48.De militair EVMI die niet opgenomen is in een andere personeelscategorie van het actief kader zoals bedoeld in afdeling 6, waarvan de dienstneming of de wederdienstneming op aanvraag werd verbroken of is verstreken en die in zijn periode van opleiding is geslaagd, wordt van rechtswege opgenomen voor een duur van tien jaar in het reservekader, in de personeelscategorie die overeenstemt met de categorie van militair EVMI waartoe hij behoorde.

Art. 49.Op de dag van zijn opname wordt de militair bedoeld in artikel 48 benoemd in de laatste graad waarin hij werd aangesteld als militair EVMI. Afdeling 8. - Geldelijke en sociale bepalingen

Art. 50.Gedurende de periode, die begint op de dag waarop de militair EVMI de in artikel 21, tweede lid, bedoelde dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag van de vijfde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke hij deze dienstneming heeft aangegaan, zijn de bezoldigingsbepalingen toepasselijk op de militairen die van een wedde genieten, niet van toepassing op de militair EVMI. Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid ontvangt de militair EVMI een soldij waarvan de Koning het bedrag, met een maximum van 5 euro per dag, en de toekenningsmodaliteiten, bepaalt. De Koning kan het bedrag van de soldij koppelen aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten. De militair EVMI geniet bovendien van voeding, logement, kledij, uitrusting en de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer, ten laste van de Staat.

Art. 51.De bepalingen van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen zijn maar van toepassing op de militairen EVMI vanaf de eerste dag van de zesde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke de militair EVMI de in artikel 21, tweede lid, bedoelde dienstneming aangaat.

Art. 52.Voor de periode vóór de eerste dag van de zesde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke de militair EVMI de in artikel 21, tweede lid, bedoelde dienstneming aangaat, is de minister gemachtigd om de risico's van inkomensverlies ten gevolge van een invaliditeit of van een overlijden te dekken door een verzekeringscontract.

Art. 53.Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bepaalt, zijn, in voorkomend geval, het verrichten van een EVMI en de toekenning van de soldij, verenigbaar met : 1° het recht op gezinsbijslag;2° het recht op gewaarborgde gezinsbijslag;3° het behoud van de hoedanigheid van werkzoekende of uitkeringsgerechtigde werkzoekende.

Art. 54.De voordelen bedoeld in artikel 50, tweede lid, worden niet beschouwd als een inkomen, een loon of een winst in de zin van de sociale wetgevingen. De soldij en de andere voordelen bedoeld in artikel 50, tweede lid, worden niet beschouwd als loon noch in de zin van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers noch in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, noch als inkomen in de zin van de artikelen 3 en 11, § 2, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

Gedurende de periode bedoeld in artikel 50, eerste lid, wordt de EVMI niet beschouwd als een winstgevende activiteit in de zin van de sociale wetgevingen.

Art. 55.De artikelen 14 tot 18 van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen zijn niet van toepassing op de militair EVMI van wie de dienstneming wordt verbroken vóór het begin van de zesde kalendermaand die volgt op de maand tijdens dewelke de militair EVMI de in artikel 21, tweede lid, bedoelde dienstneming aangaat.

Art. 56.Op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling kunnen de militairen korte termijn die voldoen aan voorwaarden bedoeld in artikel 46, eerste lid, en die ten minste zesendertig dienstmaanden hebben volbracht in hun personeelscategorie, een aanvraag indienen tot opname in de hoedanigheid van aanvullingsmilitairen.

De militairen korte termijn bedoeld in het eerste lid, worden opgenomen in de personeelscategorie die overeenstemt met deze waartoe ze behoren als militairen korte termijn en worden benoemd in de laatste graad waarin ze aangesteld werden als militairen korte termijn op de zevenentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin ze hebben voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.

De anciënniteit in de graad waarin de militairen korte termijn benoemd worden overeenkomstig het tweede lid, kan niet aanvangen op een vroegere datum dan deze van de aanvullingsmilitairen, naargelang de personeelscategorie waarin ze worden opgenomen.

De Koning bepaalt de nadere regels betreffende het aanvangen van deze anciënniteit. HOOFDSTUK 1 1. - Slotbepalingen

Art. 57.De hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 10, met uitzondering van artikel 5, van deze wet treden in werking op 31 december 2010.

De Koning kan data van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.

Art. 58.Artikel 20 van deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2010.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 10 januari 2010.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met de Maatschappelijke Integratie, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET De Minister van Pensioenen en Grote Steden, M. DAERDEN De Minister van K.M.O.'s, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK Nota (1) Zitting 2009-2010 Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 2314/1. - Amendement nr. 2314/2. - Verslag nr.2314/3. - Tekst aangenomen door de Commissie nr. 2314/4. - Tekst aangenomen door de Kamer nr. 2314/5.

Parlementaire handelingen. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering op 17 december 2009.

Senaat.

Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp overgezonden door de Kamer nr. 1563/1. - Amendement nr. 1563/2. - Verslag nr.1563/3. - Beslissing niet amenderen nr. 1563/4.

Parlementaire handelingen. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering op 9 december 2009.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^