Wet van 13 december 2012
gepubliceerd op 21 december 2012
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2012022458
pub.
21/12/2012
prom.
13/12/2012
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

13 DECEMBER 2012. - Wet houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Verhoging van de leeftijd van het onmiddellijk of uitgesteld pensioen

Art. 2.In artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1991 en 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden : 1° eveneens in aanmerking genomen, de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend op een vervroegd pensioen in de regeling van de werknemers of in een ander wettelijk Belgisch pensioenstelsel;2° gelijkgesteld met jaren als beroepsbrandweerman, de loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman voor zover deze vrijwillige brandweerman rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding en op rust gesteld wordt als beroepsbrandweerman.Onder « vrijwillige brandweerman » dient te worden verstaan de brandweerman die verbonden is door een dienstnemingscontract zoals bedoeld in artikel 11 of 16 van bijlage 3 « Modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst » van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten en die deel uitmaakt van een brandweerdienst of een intercommunale brandweervereniging opgericht krachtens de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en die niet de hoedanigheid bezit van lid van het gemeentepersoneel. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het begrip « vrijwillige brandweerman » wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de regelgeving betreffende de rechtspositie van de vrijwillige brandweerman. »; 2° een § 2/1 wordt ingevoegd, luidende : « § 2/1.In afwijking van §§ 1 en 2 en onverminderd § 1, eerste lid, 2°, wordt voor de personen die vóór 1 januari 1956 geboren zijn, de leeftijd op 62 jaar vastgesteld voor zover zij minstens 37 kalenderjaren tellen zoals bepaald in § 1, tweede lid, 1° ; 3° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.De in § 1, eerste lid, 1°, § 2 en § 2/1 bepaalde voorwaarde inzake duur van de diensten dient niet vervuld te worden door de persoon geboren vóór 1 januari 1953 of door de persoon die de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.

In afwijking van § 2, 2°, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2014 vastgesteld overeenkomstig § 2, 1°.

In afwijking van § 2, 3°, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2015 vastgesteld overeenkomstig § 2, 2°.

In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, en derde lid, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2016 vastgesteld overeenkomstig § 2, 3°.

De pensioenen die ingaan tijdens de maand januari van de jaren 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 of 2022, worden, voor de toepassing van § 3/1, geacht respectievelijk in te gaan in 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 of 2021. »;4° de §§ 3/1 en 3/2 worden ingevoegd, luidende : « § 3/1.Om te bepalen of het vereiste minimumaantal pensioenaanspraakverlenende dienstjaren bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en derde lid, § 2 en § 3, tweede tot vierde lid, wordt bereikt, wordt de duur van de in het tweede lid bedoelde diensten verstrekt in een ambt waaraan de wet, voor de pensioenberekening, een gunstiger tantième dan 1/60e verbindt, vermenigvuldigd met de in het vijfde lid vastgestelde coëfficiënt die overeenstemt met het aan die diensten verbonden tantième, de ingangsdatum van het pensioen en het minimumaantal vereiste dienstjaren.

De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de werkelijk gepresteerde pensioenaanspraakverlenende diensten, de verloven met behoud van bezoldiging en de situaties vermeld in de lijst bedoeld bij artikel 88, vijfde lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, die aanneembaar zijn voor de opening van het recht op pensioen, evenals de in § 1, tweede lid, 2 °, bedoelde loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman. Ook indien, voor de berekening van het pensioen, het voordeliger tantième niet behouden blijft tijdens de situaties opgesomd in de hierboven bedoelde lijst, moet de in het vijfde lid bedoelde coëfficiënt toegepast worden op deze periode op basis van het tantième dat aan deze periode zou verbonden geweest zijn indien de betrokkene werkelijke diensten was blijven presteren in de functie die hij vóór die situatie uitoefende.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op de in het tweede lid bedoelde diensten gepresteerd bij de NMBS-Holding.

Het eerste lid is niet van toepassing op de diensten gepresteerd bij instellingen waarvan het pensioenstelsel wordt geregeld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.

De coëfficiënt of coëfficiënten bedoeld in het eerste lid worden als volgt vastgesteld :

Jaar waarin het pensioen ingaat Année de prise de cours de la pension

Tantième 1/55

Tantième 1/50 en andere gunstigere tantièmes Tantième 1/50 et autres tantièmes plus favorables

Minimumaantal vereiste dienstjaren Nombre minimal d'années de services exigé

Minimumaantal vereiste dienstjaren Nombre minimal d'années de services exigé

38 ans/jaar

39 ans/jaar

40 ans/jaar

41 ans/jaar

42 ans/jaar

38 ans/jaar

39 ans/jaar

40 ans/jaar

41 ans/jaar

42 ans/jaar

2013

1,0910

-

1,0908

-

-

1,1999

-

1,2001

-

-

2014

1,0910

1,0909

1,0908

-

-

1,1999

1,2000

1,2001

-

-

2015

-

1,0909

1,0908

1,0910

-

-

1,2000

1,2001

1,1999

-

2016

-

-

1,0908

1,0910

1,0909

-

-

1,2001

1,1999

1,2000

2017

-

-

1,0644

1,0649

1,0654

-

-

1,1706

1,1714

1,1722

2018

-

-

1,0390

1,0401

1,0500

-

-

1,1429

1,1443

1,1454

2019

-

-

1,0390

1,0401

1,0500

-

-

1,1164

1,1181

1,1200

2020

-

-

1,0390

1,0401

1,0500

-

-

1,0908

1,0933

1,0957

2021

-

-

1,0390

1,0401

1,0500

-

-

1,0667

1,0697

1,0722

Vanaf 2022 A partir de

-

1,0390

1,0401

1,0500

-

1,0436

1,0467

1,0500


Elke ononderbroken pensioenaanspraakverlenende periode, desgevallend onderverdeeld in afzonderlijke perioden naargelang het aan de diensten verbonden tantième, wordt geteld van de begin- tot en met de einddatum. De dagen die deel uitmaken van een onvolledige kalendermaand worden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat zij vertegenwoordigen in verhouding tot het aantal dagen dat werkelijk begrepen is in die volledige kalendermaand. Het resultaat van deze telling wordt, voor elke afzonderlijke periode, uitgedrukt in maanden met vier decimalen waarbij naar boven wordt afgerond indien de vijfde decimaal gelijk of groter is dan vijf. Dezelfde afronding wordt toegepast op het product dat wordt verkregen nadat de som van deze, per tantième samengetelde, afzonderlijke perioden werd vermenigvuldigd met de coëfficiënt bedoeld in het vijfde lid. De som van deze producten wordt uitgedrukt in maanden met vier decimalen.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen om de coëfficiënt 1,1200 vastgesteld in de laatste kolom van de tabel in het vijfde lid, voor de in die kolom bedoelde gevallen, te behouden voor de jaren na 2019. § 3/2. De toepassing van § 1, tweede lid, 1°, kan niet meebrengen dat voor een bepaald kalenderjaar meer dan 12 maanden in aanmerking genomen worden voor de opening van het recht op het pensioen. ».

Art. 3.In artikel 88 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede tot het vierde lid worden vervangen als volgt : « Het eerste lid doet geen afbreuk aan de voorwaarden inzake duur van de diensten en aan de preferentiële leeftijdsgrenzen van de oppensioenstelling bepaald : - voor het rijdend personeel van de NMBS-Holding; - voor de geïntegreerde politie; - voor de militairen; - voor de gewezen militairen bedoeld in artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, in artikel 5bis van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, in artikel 10 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever en in artikel 194 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.

In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op eigen aanvraag op 1 januari 2012 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van de ermee gelijkgestelde situatie. Deze datum kan evenwel niet gelegen zijn voor de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.

Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die bij hun werkgever een aanvraag om vóór 5 maart 2013 in een in datzelfde lid beoogde situatie te worden geplaatst hebben ingediend : 1° vóór 1 januari 2012;2° of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat deze aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012.». 2° de volgende leden worden toegevoegd, luidende : « De afwijkingen voorzien in het derde en vierde lid zijn niet meer van toepassing indien het personeelslid de disponibiliteit of de vergelijkbare situatie voortijdig beëindigt. Het rijdend personeel bedoeld in het tweede lid zijn de personeelsleden die behoren tot het rijdend personeel bepaald door het pensioenreglement van de NMBS Holding zoals het van kracht was op 28 december 2011. ».

Art. 4.Artikel 89 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 5.Artikel 90 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 90.Elke persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vervult die, voor de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoort, gelden om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen, behoudt het genot van dit voordeel, ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen of de personeelscategorie waartoe hij op die datum behoort. ».

Art. 6.In artikel 92 van dezelfde wet worden de woorden « en is uitsluitend van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf die datum » geschrapt. HOOFDSTUK 3. - Aanpassing van de toepasselijke tantièmes

Art. 7.In artikel 5, § 2, tweede lid, van de wet van 8 december 1976 tot regeling van het pensioen van sommige mandatarissen en van dat van hun rechtverkrijgenden, ingevoegd door de wet van 28 december 2011, worden de woorden « a x 3,75 x t / 180 x 12 » vervangen door de woorden « a x (3,75 / 180) x (t / 12) ».

Art. 8.In artikel 49, § 2, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1991 en 3 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 2°, worden de woorden « 1/12e, 1/20e, 1/25e, 1/30e, of 1/35e » vervangen door de woorden « voordeliger dan 1/50e »;2° een derde lid wordt toegevoegd, luidende : « Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de diensten gepresteerd als lid van het rijdend personeel van de NMBS-Holding.». HOOFDSTUK 4. - Beperking van de aanneembaarheid van perioden van afwezigheid, verlof en loopbaanonderbreking

Art. 9.In het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd met als opschrift « Toepassingsgebied en begrippen » dat de artikelen 1 en 1/1 bevat.

Art. 10.In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 1/1.Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° « perioden van loopbaanonderbreking » : de perioden van volledige loopbaanonderbreking door schorsing van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikelen 100 en 100bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en de perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking door vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikelen 102 en 102bis, van dezelfde herstelwet;2° « vierdagenweek » : het stelsel van de vierdagenweek bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;3° « halftijds werken » : het stelsel van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in artikel 7 van voormelde wet van 19 juli 2012. De perioden van volledige loopbaanonderbreking zijn aanneembaar voor de opening van het recht op het pensioen en voor de berekening ervan volgens de regels bepaald in dit besluit. De perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van gedeeltelijke loopbaanonderbreking, van de vierdagenweek en van halftijds werken zijn volgens de regels van dit besluit aanneembaar voor de berekening van het pensioen. ».

Art. 11.De artikelen 2 tot 2septies van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, worden vervangen als volgt : « HOOFDSTUK 2. - Loopbaanonderbreking, vierdagenweek en halftijds werken, opgenomen vanaf 1 januari 2012

Art. 2.§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking, van vierdagenweek en van halftijds werken die zich na 31 december 2011 situeren. § 2. De perioden van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking zijn gratis aanneembaar ten belope van maximum 12 maanden. Deze perioden zijn eveneens gratis aanneembaar ten belope van maximum 24 bijkomende maanden, indien tijdens die periode het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen voor een kind jonger dan 6 jaar.

In afwijking van het eerste lid is het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking voor 1/5-tijd en van vierdagenweek gratis aanneembaar ten belope van maximum 60 maanden.

Het genot van de bepalingen van het eerste en tweede lid is niet cumuleerbaar, waarbij enkel het meest voordelige lid wordt toegepast voor de vaststelling van het recht en de berekening van het pensioen.

Voor de toepassing van het maximum van 24 maanden bedoeld in het eerste lid, worden de perioden van loopbaanonderbreking genomen vóór 1 januari 2012 en die gratis in aanmerking werden genomen omdat het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag ontving voor een kind jonger dan 6 jaar, gelijkgesteld met perioden van loopbaanonderbreking genomen vanaf 1 januari 2012. § 3. Onverminderd de toepassing van § 2, zijn de perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar bijkomend aanneembaar overeenkomstig de volgende regels : - maximum 84 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/2; - maximum 96 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/3; - maximum 108 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/4.

De perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking bedoeld in het eerste lid zijn gratis aanneembaar ten belope van maximum 12 maanden.

De andere maanden zijn aanneembaar mits de storting van een persoonlijke bijdrage van 7,5 % vastgesteld op basis van de regels voorzien in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de perioden van halftijds werken opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar gelijkgesteld met perioden van halftijdse loopbaanonderbreking.

Onverminderd de toepassing van § 2 en in afwijking van het eerste en het tweede lid, is het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking voor 1/5-tijd en van vierdagenweek, opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar, gratis aanneembaar ten belope van een bijkomende periode van maximum 180 maanden.

Wanneer een personeelslid vanaf de leeftijd van 50 jaar perioden van de in deze paragraaf bedoelde gedeeltelijke loopbaanonderbreking heeft opgenomen volgens verschillende afwezigheidsbreuken en/of perioden van halftijds werken en/of perioden van vierdagenweek, wordt de duur van elke voormelde periode respectievelijk vermenigvuldigd met de hierna vastgestelde coëfficiënt eigen aan elke afwezigheidsbreuk : Afwezigheidsbreuk - coëfficiënt 1/5 1,0000 1/4 1,6666 1/3 1,8750 1/2 2,1428.

Het totaal van de op deze wijze berekende gewogen perioden mag het maximum van 180 maanden niet overschrijden.

Indien dit maximum wordt overschreden, wordt de vermindering van de gewogen perioden bij voorrang uitgevoerd op de periode of perioden gedurende dewelke de vermindering van de prestaties het minst belangrijk is, tot het totaal van de gewogen perioden gelijk is aan 180 maanden. Vervolgens wordt dit totaal van gewogen perioden, door deze laatste te delen door de in het vijfde lid bepaalde coëfficiënten, omgezet in aanneembare perioden.

Art. 2/1.De perioden van loopbaanonderbreking teneinde palliatieve zorg te verstrekken, voor ouderschapsverlof en voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte, vallen niet onder de toepassing van de artikelen 2, 2/3, § 1, 2/4 en 2/7. HOOFDSTUK 3. - Loopbaanonderbrekingen voorafgaand aan 1 januari 2012

Art. 2/2.§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking die zich situeren vóór 1 januari 2012. § 2. De perioden van loopbaanonderbreking zijn aanneembaar overeenkomstig de hierna bepaalde regels : - 1° voor de eerste twaalf maanden : de duur die in aanmerking zou zijn genomen indien de loopbaanonderbreking zich niet had voorgedaan; - 2° voor de volgende 48 maanden : de perioden tijdens dewelke het personeelslid een persoonlijke bijdrage van 7,5 % heeft gestort vastgesteld volgens de regels voorzien in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6 van dit besluit. § 3. Paragraaf 2 is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking opgenomen door een vast benoemd personeelslid of door een contractueel personeelslid van de overheidssector vóór zijn vaste benoeming. HOOFDSTUK 4. - Overgangsmaatregelen

Art. 2/3.§ 1. De perioden van loopbaanonderbreking die uiterlijk op 2 april 2012 ingaan en waarvoor een aanvraag bij de werkgever is aangekomen vóór 28 november 2011 en tevens ontvangen werd door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vóór 1 maart 2012, worden geacht zich te situeren vóór 1 januari 2012 indien de in het hoofdstuk 3 voorziene regeling voordeliger is. Hetzelfde geldt voor de perioden van loopbaanonderbreking die onmiddellijk aansluiten op een periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof die uiterlijk ingaat op 2 april 2012, wanneer de aanvraag voor dit verlof is aangekomen bij de werkgever vóór 28 november 2011 en door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd ontvangen vóór 1 maart 2012. § 2. De perioden van loopbaanonderbreking genomen vóór 1 januari 2011 die konden gevalideerd worden door de storting van de persoonlijke bijdrage van 7,5 % vóór 1 januari 2012 maar die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van deze validatie, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van het aantal aanneembare dienstjaren bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en derde lid, § 2 en § 2/1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking voor militairen Art 2/4. De perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking ingevoerd bij de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, worden in aanmerking genomen voor het recht op en de berekening van het militair rustpensioen en overlevingspensioen overeenkomstig de hierna bepaalde regels : - 1° de eerste twaalf maanden tellen voor gans de duur ervan; - 2° de volgende 48 maanden : enkel de perioden waarvoor de militair een persoonlijke bijdrage van 7,5 % heeft gestort, zoals vastgesteld volgens de regels bepaald in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6, tellen. HOOFDSTUK 6. - Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 1. - Storting van de persoonlijke bijdrage

Art. 2/5.§ 1. De in de artikelen 2, § 3, tweede lid, 2/2, § 2, 2°, en 2/4, 2° bedoelde persoonlijke bijdrage wordt gestort aan de macht of de instelling die het stelsel van de overlevingspensioenen van de betrokken persoon beheert en wordt gebruikt om deze pensioenen te financieren.

Het bedrag van de persoonlijke bijdrage van 7,5 % wordt vastgesteld, naargelang het geval, op basis van de wedde waarvan de persoon het genot zou hebben gehad indien hij in dienst was gebleven of op basis van het verschil tussen deze wedde en de wedde die hij werkelijk ontvangt.

De persoon die de in de artikelen 2, § 3, 2/2, § 2, 2/3, § 1 en 2/4 voorziene perioden wenst te valideren, is verplicht om bij de overheid waarvan hij afhangt of bij de overheid aangewezen door de minister onder wiens bevoegdheid hij valt, de verbintenis aan te gaan de vereiste stortingen uit te voeren.

Deze overheid vult de verbintenis aan met de vermelding van de wedde die de belanghebbende zou genoten hebben indien hij zijn functies niet had stopgezet of verminderd en van de wedde die hem eventueel nog toegekend wordt, en maakt deze verbintenis over aan de in het eerste lid bedoelde macht of instelling. Zij is ertoe gehouden aan deze laatste de weddewijzigingen te melden die gedurende de door de verbintenis gedekte periode zouden voorkomen ten gevolge van de toekenning van tussentijdse verhogingen of van promoties.

Enkel de perioden of gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking worden gevalideerd waarvoor de bijdragen aangekomen zijn bij de in het eerste lid bedoelde macht of instelling vóór de datum waarop het pensioen ingaat en ten laatste op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de periode of het gedeelte van de periode die het personeelslid wenst te valideren, zich situeert.

De stortingen moeten verricht worden volgens de modaliteiten vastgesteld door de in het eerste lid bedoelde macht of instelling. § 2. In afwijking van § 1, stort het contractueel personeelslid van de overheidssector dat de in de artikelen 2, § 3, 2/2, § 2, en 2/3, § 1 bedoelde perioden wenst te valideren die het genomen heeft vóór zijn vaste benoeming een persoonlijke bijdrage van 7,5 % bestemd voor de sector van de rust- en overlevingspensioen in het pensioenstelsel van de werknemers. Afdeling 2. - Uitzondering op de storting van de persoonlijke bijdrage

Art. 2/6.De storting van de persoonlijke bijdrage bedoeld in de artikelen 2, § 3, tweede lid, 2/2, § 2, 2° en 2/4, 2° is niet vereist gedurende maximum 24 maanden van het geheel van de loopbaan, voor de perioden waarin het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen voor een kind jonger dan 6 jaar. Afdeling 3. - Beperking van de aanneembaarheid van de perioden van

loopbaanonderbreking en van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking voor militairen

Art. 2/7.Voor het geheel van de loopbaan mag het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking die overeenkomstig de artikelen 2, § 2, 2/2 en 2/3 aanneembaar zijn, alsook van de perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking die overeenkomstig artikel 2/4 in aanmerking genomen worden voor het recht op en de berekening van het pensioen, in geen enkel geval noch de duur van de effectieve prestaties noch 60 maanden overschrijden. ».

Art. 12.In hetzelfde, koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 7 ingevoegd met als opschrift « Beperking van de aanneembaarheid van bepaalde perioden van afwezigheid of van verlof », dat artikel 3 bevat.

Art. 13.In artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 betreffende de pensioenen van de openbare sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt : « 1° de perioden van loopbaanonderbreking aanneembaar met toepassing van de artikelen 2, 2/2 en 2/3, § 1 alsook de perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van de regeling van halftijds werken of van de vierdagenweek aanneembaar met toepassing van artikel 2 »;2° in § 1, 2°, worden de woorden « 2bis » vervangen door de woorden « 2/4 »;3° in § 3, derde lid, worden de woorden « artikel 2quinquies » vervangen door de woorden « artikel 2/6 »;4° in § 3, vierde lid, worden de woorden « artikel 2quinquies » vervangen door de woorden « artikel 2/6 »;5° in § 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt : « Indien het personeelslid vóór de leeftijd van 60 jaar gepensioneerd wordt wegens lichamelijke ongeschiktheid, worden de perioden van loopbaanonderbreking alsook de perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, waarvoor de in dit besluit bedoelde stortingen van persoonlijke bijdragen werden verricht, niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de §§ 2 en 3.Hetzelfde geldt voor het overlevingspensioen van de rechthebbende van een personeelslid overleden in dienstactiviteit. »; 6° § 5 wordt vervangen als volgt : « § 5.De perioden van loopbaanonderbreking waarvoor, vóór 1 juli 1991, de in artikel 2/2, § 2, 2°, bedoelde stortingen zijn gedaan, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de §§ 2 en 3. »; 7° in § 7, 9°, worden de woorden « of vermindering van de arbeidsprestaties » opgeheven.

Art. 14.In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 8 ingevoegd met als opschrift « Vaststelling van de referentiewedde ».

Dit hoofdstuk 8 bevat artikel 4 dat vervangen wordt als volgt : «

Art. 4.De bepalingen van dit besluit doen wat betreft de niet vergoede perioden van afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld zijn, geen afbreuk aan de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de wedden die als grondslag dienen voor de berekening van het rustpensioen.

Indien een periode van loopbaanonderbreking deel uitmaakt van de periode die in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de wedden die als grondslag dienen voor de berekening van het rustpensioen, dan wordt rekening gehouden met de wedde en de weddebijslagen die het personeelslid genoten zou hebben indien het in dienst was gebleven. »

Art. 15.In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 9 ingevoegd met als opschrift « Inwerkingtreding » dat het artikel 6 bevat. HOOFDSTUK 5. - Berekening van het pensioen op de laatste tien loopbaanjaren

Art. 16.In artikel 105 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen worden het tweede, derde en vierde lid vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid wordt een in dat lid bedoeld pensioen met ingang van 1 januari 2012 berekend op basis van een referentiewedde die gelijk is aan de gemiddelde wedde van de laatste vier loopbaanjaren of van de volledige duur van de loopbaan als die minder dan vier jaar bedraagt, indien het pensioen krachtens de bepalingen die van toepassing waren op 31 december 2011, berekend zou geworden zijn op basis van de laatste activiteitswedde of van een referentiewedde die betrekking heeft op een kortere periode dan vijf jaar.

De Koning wordt belast met het aanpassen van de verschillende wettelijke bepalingen om hen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het eerste lid.

Het eerste tot derde lid zijn niet van toepassing op het gewaarborgd minimumbedrag bedoeld in artikel 121 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.

Indien het bedrag van het pensioen berekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste tien loopbaanjaren of van de volledige duur als die meer dan vijf maar minder dan tien jaar bedraagt, lager is dan het gewaarborgd minimumbedrag voor een alleenstaande gepensioneerde bepaald in artikel 120 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt het pensioen herberekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf loopbaanjaren, zonder dat het nieuwe pensioenbedrag meer mag bedragen dan voornoemd gewaarborgd minimumbedrag. »

Art. 17.In artikel 127, § 1, van dezelfde wet worden de woorden « 89, 91, tweede lid, 103, 105, vierde lid, » vervangen door de woorden « 91, tweede lid, 103, ». HOOFDSTUK 6. - Diverse wijzigingen

Art. 18.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, elke maatregel nemen teneinde de titularissen van de laagste pensioenen een pensioenbedrag te garanderen dat niet lager mag zijn dan een bedrag door Hem bepaald.

Art. 19.In artikel 139, 6° van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) worden de woorden « artikel 137 » vervangen door de woorden « artikel 143 ».

Art. 20.In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 4, onderafdeling 2 van dezelfde wet wordt een artikel 145/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 145/1.De in artikel 143 bedoelde werkgever is gehouden voor elk personeelslid in dienst op 1 januari 2011 waarvoor hij de PDOS vraagt de datum van vervroegde oppensioenstelling te bepalen, een elektronisch attest « historische gegevens » aan te geven en te valideren binnen de termijn van een maand na het versturen van zijn vraag aan de PDOS, tenzij een elektronisch attest werd aangegeven overeenkomstig artikel 143. »

Art. 21.In dezelfde wet wordt artikel 162 vervangen als volgt : «

Art. 162.Indien een pensioeninstelling van de overheidssector een te hoog pensioenbedrag uitbetaalt omdat de werkgever bij het vervullen van de in dit hoofdstuk voorgeschreven verplichtingen de pensioenwetgeving of de in de gebruikte toepassingen weergegeven instructies en glossaria niet heeft nageleefd, vordert hij het gedeelte van de schuld dat hij niet van de sociaal verzekerde kan terugvorderen, terug van de werkgever. »

Art. 22.In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 7, van dezelfde wet, wordt een artikel 162/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 162/1.Indien een persoon door zijn werkgever in disponibiliteit of verlof voorafgaand aan de oppensioenstelling is geplaatst op basis van een beslissing van de PDOS waarin de datum wordt bepaald vanaf welke deze persoon de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten zal vervullen om op pensioen gesteld te worden overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, kan het pensioen, in ieder geval, ingaan vanaf die datum.

Indien bij het verstrijken van de periode van disponibiliteit of verlof voorafgaand aan de oppensioenstelling blijkt dat de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten niet vervuld zijn, vallen de pensioenbedragen ten laste van de Staatskas tot op het ogenblik waarop deze voorwaarden vervuld zijn. Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing gebaseerd was op onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt door de werkgever, vordert de PDOS die pensioenbedragen terug van de werkgever. » HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding

Art. 23.Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2012.

In afwijking van het eerste lid : 1° heeft artikel 19 uitwerking met ingang van 1 januari 2011;2° heeft artikel 17 uitwerking met ingang van 9 januari 2012;3° treedt hoofdstuk 2 in werking op 1 januari 2013;4° treden de artikelen 8, 18, 21 en 22 in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 13 december 2012.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, A. DE CROO Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53-2405 -2011/2012 : Nr. 1 : Wetsontwerp.

Nr. 2 : Erratum. 53-2405 -2012/2013 : Nr. 3 : Amendementen.

Nr. 4 : Verslag.

Nr. 5 : Tekst aangenomen door de commissie.

Nr. 6 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal Verslag : 28 en 29 november 2012.

Stukken van de Senaat : 5-1868 -2012/2013 : Nr. 1 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^