Wet van 15 mei 2014
gepubliceerd op 22 mei 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2014203009
pub.
22/05/2014
prom.
15/05/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

15 MEI 2014. - Wet houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL 2. - Vermindering van de arbeidskosten en ondersteuning van de koopkracht HOOFDSTUK 1. - Vermindering van de bijdragen

Art. 2.In artikel 331 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zinnen : « Met ingang van 1 januari 2015 wordt F voor een werknemer van categorie 1 verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR.Met ingang van 1 januari 2017 wordt F voor een werknemer van categorie 1 nogmaals verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR. Met ingang van 1 januari 2019 wordt F voor een werknemer van categorie 1 nogmaals verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR. »; 2° het artikel wordt aangevuld met vijf leden, luidende : « Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder verhoging van de loongrenzen : de verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal. Vanaf het eerste kwartaal 2015 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2014.

Vanaf het eerste kwartaal 2017 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid en na toepassing van het vorige lid, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2016.

Vanaf het eerste kwartaal 2019 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid en na toepassing van de vorige twee leden, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2018.

Het resultaat van de berekeningen bedoeld in de vorige drie leden wordt telkens tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt. ».

Art. 3.In artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt een § 15 ingevoegd, luidende : « § 15. 1° Vanaf 1 januari 2015 wordt 6,65 % van de opbrengst van de roerende voorheffing vooraf genomen op deze belasting en toegewezen aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 300 miljoen euro.

Vanaf 1 januari 2017 wordt dit percentage verhoogd tot 13,3 % van de opbrengst van de roerende voorheffing.

Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 600 miljoen euro.

Vanaf 1 januari 2019 wordt dit percentage verhoogd tot 19,95 % van de opbrengst van de roerende voorheffing.

Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 900 miljoen euro. 2° Vanaf 2015 zal jaarlijks een bedrag worden ingehouden van het bedrag bedoeld in § 15, 1°, overeenkomstig het terugverdieneffect voor het scheppen van bijkomende tewerkstelling voortvloeiende uit de maatregelen zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance. De Koning bepaalt jaarlijks het in het vorige lid bedoeld bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van het Federaal Planbureau. ».

Art. 4.Artikel 66, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met de volgende leden : « Vanaf 1 januari 2014 wordt 0,35 % van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde vooraf genomen en toegewezen aan de RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Dit bedrag wordt verdeeld volgens een verdeelsleutel van 95,77 pct. voor het voormelde Globaal Beheer van de werknemers en 4,23 pct. voor het voormelde globaal financieel beheer van de zelfstandigen. Het overeenkomstig het derde lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 102,3 miljoen euro.

Vanaf 1 januari 2015 wordt dit percentage verhoogd tot 0,475 % van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde. Het overeenkomstig het derde lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 143,1 miljoen euro.

Vanaf 2014 zal jaarlijks een bedrag worden ingehouden van het bedrag bedoeld in de vorige twee leden, overeenkomstig het terugverdieneffect voortvloeiende uit de maatregel inzake de verlaging van de btw op elektriciteit krachtens het koninklijk besluit van 21 maart 2014 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde.

De Koning bepaalt jaarlijks het in het vorige lid bedoelde bedrag, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voorstel van het Federaal Planbureau. ». HOOFDSTUK 2. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht

Art. 5.A. In artikel 2755 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2009 en 7 november 2011, worden de woorden "gelijk aan 15,6 pct." vervangen door de woorden "gelijk aan 18 pct.".

B. In hetzelfde artikel worden de woorden "gelijk aan 18 pct." vervangen door de woorden "gelijk aan 20,4 pct.".

C. In hetzelfde artikel worden de woorden "gelijk aan 20,4 pct." vervangen door de woorden "gelijk aan 22,8 pct.".

Art. 6.Artikel 5.A. treedt in werking op 1 januari 2015.

Artikel 5.B. treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 5.C. treedt in werking op 1 januari 2019. HOOFDSTUK 3. - Afschaffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de federale bijdrage elektriciteit

Art. 7.In artikel 21bis, § 1, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de woorden "De federale bijdrage is aan de btw onderworpen." opgeheven.

Art. 8.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2014. HOOFDSTUK 4. - Werkbonus - Lage lonen

Art. 9.A. In artikel 289ter/1 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011 en gewijzigd bij de wetten van 17 juni 2013 en 26 december 2013, worden de woorden "130 EUR." vervangen door de woorden "200 EUR.".

B. In hetzelfde artikel worden de woorden "14,40 pct." vervangen door de woorden "20,15 pct." en worden de woorden "200 EUR." vervangen door de woorden "280 EUR.".

C. In hetzelfde artikel laatst gewijzigd bij B., worden de woorden "20,15 pct." vervangen door de woorden "25,91 pct." en worden de woorden "280 EUR." vervangen door de woorden "360 EUR.".

D. In hetzelfde artikel worden de woorden "25,91 pct." vervangen door de woorden "31,66 pct." en worden de woorden "360 EUR." vervangen door de woorden "440 EUR.".

Art. 10.Artikel 9.A. treedt in werking op 1 april 2014.

Artikel 9.B. treedt in werking op 1 januari 2015.

Artikel 9.C. treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 9.D. treedt in werking op 1 januari 2019. HOOFDSTUK 5. - Welvaartsvastheid

Art. 11.Artikel 5, § 3, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, wordt als volgt vervangen : « § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 6, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt. De verhogingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in hetzelfde lid treden automatisch in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin voormelde aanpassingen automatisch in werking treden.

Wat de niet-forfaitaire uitkeringen betreft, worden de voormelde aanpassingen slechts toegepast op deze niet-forfaitaire uitkeringen die voor de eerste maal vóór 1 januari van het lopende jaar zijn toegekend.

De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 6, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van de vorige leden en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing. Bij gebrek aan een advies binnen de maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ».

Art. 12.Artikel 72, § 3, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 73, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt. De verhogingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in hetzelfde lid treden automatisch in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin voormelde aanpassingen automatisch in werking treden.

Wat de niet-forfaitaire uitkeringen betreft, worden voormelde aanpassingen slechts toegepast op deze niet-forfaitaire uitkeringen die voor de eerste maal vóór 1 januari van het lopende jaar zijn toegekend.

De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 73, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van de vorige leden en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing.

Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van een maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ».

Art. 13.Artikel 73bis, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt : « § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 73ter, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt.

De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 73ter, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van het vorige lid en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Federale Adviescommissie Maatschappelijk Welzijn, de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en de Federale Adviesraad voor Ouderen over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing. Bij gebrek aan advies binnen een termijn van een maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ».

TITEL 3. - Ondersteuning van investeringen ENIG HOOFDSTUK. - Zones in moeilijkheden

Art. 14.Dit hoofdstuk voert een steunregeling in die voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard, die is bekend gemaakt in het Publicatieblad L 214 van 9 augustus 2008.

Art. 15.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° werknemers : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of een leerovereenkomst, arbeidsprestaties leveren onder het gezag van een andere persoon;2° werkgevers : de personen die de in 1° bedoelde werknemers tewerkstellen, voor zover zij bedoeld zijn door de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;3° onderneming : de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;4° ontslag : elke eenzijdige verbreking door de werkgever van de arbeidsovereenkomst of de leerovereenkomst die geen betrekking heeft op de persoon van de werknemer;5° collectief ontslag : een geheel van ontslagen bij toepassing van hoofdstuk VII van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, waardoor in een periode van drie jaar ten minste 500 werknemers zijn getroffen in één of meerdere vestigingen van één of meerdere ondernemingen gelegen in een ononderbroken zone van 20 km2 en binnen een cirkel met een straal van maximaal 5 km.De drempel van 500 ontslagen werknemers kan worden teruggebracht tot 250 indien de totale steunzone die het gewest voorstelt een graad van jeugdwerkloosheid kent, die geacht wordt gelijk te zijn aan het gemiddelde van de jaarlijkse graad van jeugdwerkloosheid in de gemeenten van de betrokken zone, die hoger is dan 125 pct. van het nationale gemiddelde; 6° regionale steunkaart : een kaart met steungebieden die op sociaal-economisch gebied achtergebleven zijn en beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in de door de Europese Commissie uitgevaardigde richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (Publicatieblad van 4 maart 2006, C 54 en 23 juli 2013, C 209).Deze steunkaart wordt samengesteld door de gewesten en heeft slechts uitwerking na publicatie in het Europees Publicatieblad.

Art. 16.In geval van collectief ontslag kan het gewest waarin één of meerdere getroffen vestigingen zijn gelegen, binnen een termijn van drie jaar nadat de kennisgeving, bedoeld in artikel 66, § 2, van de voornoemde wet van 13 februari 1998, is verricht, aan de minister bevoegd voor Financiën een steunzone met een toepassingsperiode van maximum zes jaar voorstellen op voorwaarde dat het betrokken gewest een samenwerkingsakkoord met de federale regering heeft gesloten waarbij nadere afspraken worden gemaakt omtrent de mogelijkheid tot cumulatie van deze maatregel met andere steunmaatregelen, het respecteren van de steunintensiteit overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 14, de evaluatie en opvolging van deze maatregel en de termijn binnen dewelke de Koning de door dat gewest voorgestelde steunzones afbakent. Een samenwerkingsakkoord gesloten tussen een gewest en de federale regering kan in geen geval afwijken van de voorwaarden bepaald door de Verordening bedoeld in artikel 14 van deze wet.

Het gewest verantwoordt in zijn voorstel aan de minister bevoegd voor Financiën op welke wijze de voorgestelde steunzone bijdraagt aan de reconversie van de door het collectief ontslag getroffen regio op basis van objectieve en pertinente gegevens.

Elk gewest kan slechts voor een maximaal aantal gevallen van "collectieve ontslagen" zoals bepaald in artikel 15, 5°, steunzones voorstellen. Elke steunzone moet zich binnen een maximale straal van 40 km van de getroffen vestigingen bevinden. Binnen die straal kan de steunzone bestaan uit onderbroken zones. De getroffen vestigingen dienen in de steunzone opgenomen te zijn. De steunzone mag in totaal een maximale oppervlakte, in km2 uitgedrukt, beslaan en moet een maximaal bevolkingsaantal omvatten. Het aantal collectieve ontslagen, de oppervlakte en het bevolkingsaantal worden door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twee jaar na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.

De door de gewesten voorgestelde steunzones worden opgenomen in een door de Koning genomen uitvoeringsbesluit en verdeeld in twee groepen, namelijk een A groep en een B groep. De A groep bevat steunzones of delen van steunzones die binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen op de regionale steunkaart. De B groep daarentegen bevat de steunzones of delen van steunzones die niet binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen op de regionale steunkaart.

De gewesten kunnen steeds aan de minister bevoegd voor Financiën voorstellen om een steunzone vroegtijdig stop te zetten.

Art. 17.Artikel 16 is van toepassing op de kennisgevingen, bedoeld in artikel 66, § 2, van de voornoemde wet van 13 februari 1998, die hebben plaatsgevonden na 1 juli 2012.

Art. 18.Artikel 2758 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgeheven bij de wet van 22 december 2008, wordt hersteld als volgt : «

Art. 2758.§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld een bepaald percentage van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

Dit percentage wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twee jaar na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.

Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt toegepast.

De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het derde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat deze tewerkstelling ten minste gedurende drie jaar behouden is gebleven. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.

Indien de werkgever bij het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de voorgeschreven termijn behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de genoemde termijn is verstreken.

De vrijstelling van doorstorting is per werkgever en binnen een periode van 36 maanden beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro. § 2. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast door een werkgever die voor het laatst of het voorlaatst afgesloten belastbaar tijdperk en gedurende ten minste twee opeenvolgende belastbare tijdperken een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst heeft van minder dan 250 personen en waarvan : - de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen EUR niet overschrijdt, of - het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

Voor de berekening van de in het eerste lid vermelde criteria zijn de bepalingen uit artikel 15, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van vennootschappen van toepassing.

Indien de werkgever verbonden is in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle van de criteria inzake jaaromzet en balanstotaal verricht op geconsolideerde basis. Wat het personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

Indien de werkgever een geassocieerde vennootschap is in de zin van artikel 12 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle op de criteria bedoeld in het eerste lid uitgevoerd door de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van deze vennootschap te verhogen met de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de geassocieerde vennootschap vermenigvuldigd met het hoogste percentage van de volgende twee percentages : - hetzij het percentage van de stemrechten verbonden aan de deelneming; - hetzij het percentage van het kapitaal dat de deelneming vertegenwoordigt.

Bovendien kan de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast door een werkgever waarvan de controle over het kapitaal of de stemrechten, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor minder dan 25 pct. uitgeoefend worden door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever : - waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet; - waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen; - die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt; - waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal en waarbij het geleden verlies in de laatste twaalf maanden vóór de investering bedoeld in § 1 meer dan een kwart bedraagt van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal. § 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre voor die investering een gewestelijke steun is verleend. Het betreft een investering in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met : - hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting; - hetzij, de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande inrichting; - hetzij, de diversificatie van de productie van een inrichting naar producten die voordien niet in de inrichting werden vervaardigd; - hetzij, een fundamentele verandering in het totale productieproces van een bestaande inrichting.

De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa van : - hetzij, een inrichting waarvan de derde-werkgever krachtens de procedure voorzien in artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd of - hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart, zoals bedoeld in artikel 59 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen of - hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.

De derde-werkgever en de onderneming bedoeld in het vorige lid mogen niet op de wijze die is bedoeld in de artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen verbonden of geassocieerd zijn met de werkgever die de investering verricht.

Dit artikel is niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de volgende sectoren : - de ijzer- en staalindustrie zoals gedefinieerd in artikel 2, paragraaf 29, van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; - de synthetischevezelindustrie zoals gedefinieerd in artikel 2, paragraaf 30, van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; - de visserij en aquacultuur, in de mate dat de activiteit is begrepen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur; - de land- en bosbouwsector waarin ook zijn begrepen de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - de sector van het passagiers- en transportvervoer, zowel via de lucht, zee, over de weg, per spoor of over binnenwateren, voor zover het een investering in vervoersmiddelen of vervoersuitrusting betreft; - de sector van de luchtvaartmaatschappijen zoals bedoeld in de mededeling betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag en van artikel 61 van de EER-Overeenkomst op steunmaatregelen van de staten in de luchtvaartsector (PB C 350 van 10.12.1994, blz. 5) en van de uitbating van luchthavens zoals bedoeld in de communautaire richtsnoeren voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (PB C 312 van 9.12.2005, blz. 1); - de energiesector. § 4. De door de werkgever uitbetaalde bezoldigingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, moeten betrekking hebben op de in § 3 vermelde investering. Enkel een ten gevolge van deze investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die wordt ingevuld binnen de termijn van 36 maanden na voltooiing van de investering die is uiteengezet in het in § 5 vermelde formulier, komt in aanmerking voor deze maatregel.

Een arbeidsplaats is slechts nieuw indien deze in de betrokken vestiging het totaal aantal werknemers doet verhogen ten opzichte van het gemiddelde aantal werknemers over de twaalf maanden voorafgaand aan de voltooiing van de investering, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen.

In geval van een overname van in § 3, tweede lid, bedoelde materiële of immateriële vaste activa worden alle arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.

Uitsluitend de bezoldigingen die ten gevolge van de invulling van deze nieuwe arbeidsplaats binnen de twee jaar vanaf het ogenblik van invulling worden uitbetaald, komen in aanmerking voor deze maatregel.

Om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs leveren dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in deze paragraaf en het ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs. § 5. Alvorens de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling van doorstorting te kunnen verkrijgen, moet de werkgever uiterlijk bij aanvang van de investering een door de Koning opgesteld formulier overleggen waarin de nodige gegevens met betrekking tot de opzet en financiering van de investering, de verwachte voltooiing van de investering en ook het aantal verwachte bijkomende banen wordt uiteengezet.

De vrijstelling van doorstorting wordt niet verleend indien de periode tussen de indiening van het in het eerste lid bedoelde formulier en de verwachte voltooiing van de investering met meer dan de helft overschreden wordt, of indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering. ».

Art. 19.In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2759 ingevoegd, luidende : «

Art. 2759.§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting, gelegen in een steunzone die is opgenomen in de A groep van het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen worden ervan tijdelijk vrijgesteld een bepaald percentage van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Dit percentage wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twee jaar na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.

Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt toegepast.

De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het vijfde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat de tewerkstelling ten minste gedurende vijf jaar behouden is gebleven. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.

Indien de werkgever bij het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de voorgeschreven termijn behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de genoemde termijn is verstreken.

De vrijstelling van doorstorting is beperkt per werkgever en binnen een periode van 36 maanden tot een maximum van 7,5 miljoen euro. § 2. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast door een werkgever die niet voldoet aan de criteria van artikel 2758, § 2, eerste en vijfde lid.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel 2758, § 2, zesde lid. § 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre voor die investering een gewestelijke steun is verleend. Het betreft een investering in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met : - hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting; - hetzij, de diversificatie van de activiteit van een inrichting, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die inrichting werd uitgeoefend.

De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa zoals bedoeld in artikel 2758, § 3, tweede en derde lid.

Dit artikel is evenwel niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de sectoren bedoeld in artikel 2758, § 3, vierde lid. ».

TITEL 4. - Investering in vorming en innovatie Alternerend leren HOOFDSTUK 1. - Vorming en innovatie

Art. 20.In het tweejaarlijks interprofessioneel akkoord van de sociale gesprekspartners wordt ruime aandacht besteed aan opleiding en andere structurele elementen van competitiviteit, waaronder innovatie.

Art. 21.In artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2007 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste paragraaf worden de woorden "voor de financiering van het educatief verlof" vervangen door de woorden "voor de financiering van de inspanning ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen bedoeld in artikel 189 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I),";2° de eerste paragraaf wordt aangevuld met twee leden, luidende : "Deze verhoging van de werkgeversbijdrage voor de financiering van de inspanning ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen bedoeld in artikel 189 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) wordt gestort aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdrage. De opbrengst van de verhoging van de werkgeversbijdrage wordt toegevoegd aan het bedrag aan middelen dat door de Koning op basis van artikel 191, § 3, van voormelde wet van 27 december 2006 kan besteed worden aan bijkomende projecten voor risicogroepen."; 3° § 2bis wordt vervangen als volgt : « Onverminderd gunstigere bepalingen en onverminderd § 1, voorzien de collectieve arbeidsovereenkomsten zoals bedoeld in § 2 in ieder geval minimaal in het equivalent van één dag voortgezette beroepsopleiding per werknemer per jaar. De Koning bepaalt de nadere uitvoeringsregels van deze paragraaf. ».

Art. 22.§ 1. Op sectoraal niveau worden voor 30 september van het eerste jaar van de duur van het interprofessioneel akkoord collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten betreffende innovatie.

Deze collectieve arbeidsovereenkomsten bevatten enerzijds een rapportering inzake innovatie bij de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité of paritair subcomité en anderzijds engagementen inzake de verbetering van de innovatie voor de duur van het interprofessioneel akkoord. § 2. Deze rapportering wordt verwezenlijkt op basis van een boordtabel die door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ter beschikking wordt gesteld.

De Koning bepaalt de nadere voorwaarden en regels waaraan die rapportering moet voldoen. § 3. In afwijking van § 1 dient, met betrekking tot het jaar 2014, voor 30 november, enkel een collectieve arbeidsovereenkomst te worden afgesloten met een rapportering inzake innovatie.

Art. 23.Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 21, dat in werking treedt op 1 januari 2015. HOOFDSTUK 2. - Alternerend leren Afdeling 1. - Onderwerping

Art. 24.In artikel 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het woord "leerjongens" telkens door "leerlingen" vervangen;2° § 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « De Koning bepaalt wat onder leerlingen moet worden verstaan.». Afdeling 2. - Aanpassing Dimona

Art. 25.In artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het punt c) vervangen als volgt : « c) de leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; ». Afdeling 3. - Startbanenstelsel Aanpassing van de definitie van SBO

type 3

Art. 26.In artikel 27, eerste lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : « 3° a) elke overeenkomst waarmee leerlingen, zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, verbonden zijn; b) elke andere vorm van opleidings- of inschakelingsovereenkomst die de Koning bepaalt.". Afdeling 4. - Verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en

uitkeringen - Sector uitkeringen

Art. 27.Artikel 86, § 1, 1°, a), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken beschouwd als werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering. ». Afdeling 5. - Slotbepaling

Art. 28.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2015.

De leerlingen wier lopende leer-, opleidings- of inschakelingsovereenkomst niet beantwoordt aan de criteria bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, en dit tot het einde van de looptijd van die overeenkomst.

TITEL 5. - Administratieve vereenvoudiging HOOFDSTUK 1. - Vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen

Art. 29.In artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, a), worden de woorden "artikel 56, § 2," vervangen door de woorden "artikel 56bis";2° in het vierde lid worden de woorden "56, § 2" vervangen door de woorden "56bis".

Art. 30.In artikel 39bis, eerste lid, 1° en 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 1994, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".

Art. 31.In artikel 50, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2009, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".

Art. 32.In artikel 53, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 januari 2004, worden de woorden "artikel 56, § 2," vervangen door de woorden "artikel 56bis".

Art. 33.In artikel 53bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2000, worden de woorden "56, § 2," vervangen door de woorden "56bis".

Art. 34.In artikel 53quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en vervangen bij de wet van 26 november 2009, worden de woorden "56, § 2" vervangen door de woorden "56bis".

Art. 35.In artikel 56 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en de programmawet van 27 april 2007, wordt paragraaf 2 opgeheven.

Art. 36.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 56bis ingevoegd, luidende : «

Art. 56bis.§ 1. De belastingplichtigen van wie de in België gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 15.000 euro, kunnen belastingvrijstelling genieten voor de leveringen van goederen en diensten die ze verrichten.

Wanneer de belastingplichtige bedoeld in het eerste lid, een economische activiteit aanvangt in de loop van een kalenderjaar, wordt het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid, proportioneel verminderd a rato van het aantal kalenderdagen verstreken tussen 1 januari van het betrokken kalenderjaar en de datum van aanvang van voormelde activiteit. § 2. De btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, zijn uitgesloten van de vrijstellingsregeling van belasting.

Zijn daarenboven uitgesloten, voor het geheel van hun economische activiteit, de belastingplichtigen die geregeld verrichten : 1° werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, alsook de ermee gelijkgestelde handelingen;2° leveringen van goederen en diensten waarvoor zij gehouden zijn aan de klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen;3° leveringen van oude materialen, van oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, van industrieel en niet-industrieel afval, van afval voor hergebruik, van gedeeltelijk verwerkt afval en van schroot in de zin van artikel 199, eerste lid, punt d), van de Richtlijn 2006/112/EG.De Koning stelt de lijst op van de door deze bepaling bedoelde goederen. § 3. De vrijstellingsregeling van belasting is niet van toepassing op : 1° de handelingen bedoeld in artikel 8;2° de leveringen van nieuwe vervoermiddelen verricht onder de voorwaarden van artikel 39bis;3° de leveringen van goederen en diensten verricht door een belastingplichtige die niet in België is gevestigd;4° de handelingen bedoeld in artikel 58, §§ 1 en 2;5° de handelingen verricht op verborgen wijze, met name de handelingen die niet worden aangegeven en de handelingen die ongeoorloofd zijn. § 4. De omzet die als maatstaf dient om in aanmerking te komen voor de belastingvrijstelling, wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van : 1° de belaste leveringen van goederen en diensten;2° de handelingen vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 42;3° de handelingen met betrekking tot onroerende goederen bedoeld in artikel 44, § 3, 1° en 2°, de financiële handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 5° tot 11°, en de handelingen van verzekering en herverzekering bedoeld in artikel 44, § 3, 4°, tenzij die handelingen met andere handelingen samenhangende handelingen zijn. De overdracht van lichamelijke of onlichamelijke bedrijfsmiddelen van de onderneming, de handelingen bedoeld in paragraaf 3, de handelingen verricht door landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling bedoeld in artikel 57 en de niet in België verrichte handelingen, worden evenwel niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de omzet. § 5. De belastingplichtigen die belastingvrijstelling genieten, kunnen de belasting geheven van de goederen en de diensten die ze gebruiken voor het verrichten van hun van de belasting vrijgestelde handelingen niet in aftrek brengen.

Op de facturen of op de als zodanig geldende stukken die deze belastingplichtigen uitreiken voor de door hen geleverde goederen of verrichte diensten mag de belasting, onder welke vorm dan ook, niet worden vermeld, maar moet de volgende vermelding worden aangebracht : "Bijzondere vrijstellingsregeling kleine ondernemingen". § 6. De belastingplichtigen die in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling, kunnen evenwel kiezen voor de toepassing van de belasting ten aanzien van de leveringen van goederen en diensten die zij verrichten, en de normale belastingregeling of de krachtens artikel 56 ingestelde bijzondere regeling toepassen. § 7. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit of van de belastingregeling. Hij bepaalt eveneens de regels voor de uitoefening van de in paragraaf 6 bedoelde keuze. ».

Art. 37.In artikel 57, § 6, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "van artikel 56, § 1 of § 2" vervangen door de woorden "van de artikelen 56 of 56bis".

Art. 38.In artikel 58, § 4, 2°, derde streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 december 1994, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".

Art. 39.De artikelen 29 tot en met 38 treden in werking op 1 april 2014. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek VI, XIV en XV van het Wetboek van economisch recht, met betrekking tot de afronding van betalingen in euro

Art. 40.Artikel VI. 2 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld als volgt : « 10° desgevallend, het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst het totaalbedrag dat door de consument dient te worden betaald, wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent indien de consument betaalt in speciën. ».

Art. 41.In artikel VI. 4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "De aangeduide prijs is" vervangen door de woorden "Onverminderd artikel VI. 7/1, is de aangeduide prijs".

Art. 42.In boek VI, titel 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt een hoofdstuk 2/1 ingevoegd luidende : « Hoofdstuk 2/1. Afronding van het te betalen bedrag ».

Art. 43.In hoofdstuk 2/1, ingevoegd bij artikel 42, wordt een artikel VI. 7/1 ingevoegd, luidende : « Art. VI. 7/1. Elke onderneming mag het totaalbedrag dat de consument dient te betalen, afronden naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent, voor zover : - het een betaling in speciën betreft, - het totaalbedrag hoger is dan 5 cent en - de onderneming de voorwaarden bepaald in artikel VI. 7/2 naleeft ».

Art. 44.In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel VI. 7/2 ingevoegd, luidende : "Art. VI. 7/2. § 1. Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 1, 2, 6 of 7 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 5 cent afgerond.

Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 3, 4, 8 of 9 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde hogere veelvoud van 5 cent afgerond. § 2. Op elk document waarop het te betalen totaalbedrag vermeld staat, vermeldt de onderneming uitdrukkelijk de toegepaste afronding. § 3. De onderneming licht de consument op een goed zichtbare manier in, door op zijn minst op de plaatsen waar de consument zijn schuld kan vereffenen, de boodschap "het te betalen totaalbedrag wordt voor betalingen in speciën afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent" aan te brengen.

De Koning kan andere wijzen bepalen waarop een boodschap in verband met de afronding wordt meegedeeld. § 4. De onderneming past de afronding ook toe op de totaalbedragen die ze aan de consument terugbetaalt in speciën. ».

Art. 45.In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel VI. 7/3 ingevoegd, luidende : « Art. VI. 7/3. De betaling van het te betalen totaalbedrag dat in overeenstemming met artikel VI. 7/2 werd afgerond, bevrijdt de consument van zijn schuld.

In afwijking van artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek kan het verschil tussen het overeenkomstig artikel VI. 7/2 afgeronde en betaalde totaalbedrag en het totaalbedrag vóór afronding niet worden teruggevorderd. ».

Art. 46.Artikel XIV. 3 van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt aangevuld als volgt : « 9° desgevallend, het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst het totaalbedrag dat door de consument dient te worden betaald, wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent indien de consument betaalt in speciën. ».

Art. 47.In artikel XIV. 5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de woorden "De aangeduide prijs is" vervangen door de woorden "Onverminderd artikel XIV. 8/1, is de aangeduide prijs.".

Art. 48.In boek XIV, titel 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een hoofdstuk 2/1. ingevoegd luidende : « Hoofdstuk 2/1. Afronding van het te betalen bedrag. ».

Art. 49.In hoofdstuk 2/1, ingevoegd bij artikel 48, wordt een artikel XIV. 8/1 ingevoegd, luidende : "Art. XIV. 8/1. Elke beoefenaar van een vrij beroep mag het totaalbedrag dat de consument dient te betalen, afronden naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent, voor zover : - het een betaling in speciën betreft; - het totaalbedrag hoger is dan 5 cent; - de betaling geen betrekking heeft op de verstrekking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bedoeld in artikel 1, a), van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en; - de beoefenaar van een vrij beroep de voorwaarden bepaald in artikel XIV. 8/2 naleeft. ».

Art. 50.In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel XIV. 8/2 ingevoegd, luidende : « Art. XIV. 8/2. § 1. Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 1, 2, 6 of 7 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 5 cent afgerond.

Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 3, 4, 8 of 9 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde hogere veelvoud van 5 cent afgerond. § 2. Op elk document waarop het te betalen totaalbedrag vermeld staat, vermeldt de beoefenaar van een vrij beroep uitdrukkelijk de toegepaste afronding. § 3. De beoefenaar van een vrij beroep licht de consument op een goed zichtbare manier in, door op zijn minst op de plaatsen waar de consument zijn schuld kan vereffenen, de boodschap "het te betalen totaalbedrag wordt voor betalingen in speciën afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent" aan te brengen.

De Koning kan andere wijzen bepalen waarop een boodschap in verband met de afronding wordt meegedeeld. § 4. De beoefenaar van een vrij beroep past de afronding ook toe op de totaalbedragen die hij aan de consument terugbetaalt in speciën. ».

Art. 51.In artikel XV. 83 van boek XV van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de bepalingen onder 1°/1 ingevoegd, luidende : « 1°/1. van de artikelen VI. 7/1 en VI. 7/2 en van de besluiten tot uitvoering van artikel VI. 7/2; ».

Art. 52.In artikel XV. 124 van boek XV van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de bepalingen onder 1°/1 ingevoegd, luidende : « 1°/1. van de artikelen XIV. 8/1 en XIV. 8/2 en van de besluiten tot uitvoering van artikel XIV. 8/2; ».

Art. 53.De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en van elke bepaling ingevoegd door dit hoofdstuk in het Wetboek van economisch recht.

TITEL 6. - Bekrachtiging van een koninklijk besluit

Art. 54.Het koninklijk besluit van 15 december 2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing wordt bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.

TITEL 7. - Arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen

Art. 55.In artikel 28 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt : « 3° "reder" : eigenaar van het schip of elke andere instelling of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de uitbating van het schip heeft toevertrouwd en die, bij het opnemen van die verantwoordelijkheid, aanvaard heeft om de taken en verplichtingen die krachtens het Verdrag betreffende maritieme arbeid aan de reders zijn opgelegd, op zich te nemen, los van het feit dat andere instellingen of personen zich in zijn naam van sommige van die taken of verantwoordelijkheden kwijten;»; 2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende : « 6° "werkgever" : de onderneming of de persoon die het loon betaalt;7° "het Verdrag betreffende maritieme arbeid" : het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, goedgekeurd door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie op 23 februari 2006.».

Art. 56.In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "de werkgever" worden ingevoegd tussen de woorden "zich tegenover" en de woorden "de reder";2° het wordt aangevuld met een lid, luidende : « Het bestaan van deze overeenkomst wordt afdoende bewezen door de bepalingen opgenomen in de individuele overeenkomst samen met de toepasbare collectieve arbeidsovereenkomsten.».

Art. 57.Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 30.§ 1. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst aan boord van Belgische zeeschepen, ongeacht de plaats van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst en ongeacht de nationaliteit van de werkgever, de reder of de zeeman. § 2. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn eveneens van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst gesloten tussen een Belgische werkgever of een Belgische reder en een zeeman die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, aan boord van schepen die een andere vlag voeren dan de Belgische vlag. § 3. Door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst op grond van deze wet wordt, voor de zeelieden waarvan de reder of de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de koopvaardij, het Belgisch sociale zekerheidsstelsel, zoals vastgesteld bij de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij van rechtswege, van toepassing.

Onder voorbehoud van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst op grond van deze wet wordt, voor de zeelieden in dienst op schepen waarvan de reder of de werkgever ressorteert onder het paritair comité van het bouwbedrijf, het Belgisch socialezekerheidsstelsel zoals ingesteld door de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van rechtswege van toepassing. ».

Art. 58.In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.De zeeman wordt aangeworven door de werkgever, de reder of zijn gemachtigde of door de kapitein van het betrokken zeeschip. In de twee laatste gevallen moet de gemachtigde of de kapitein in de arbeidsovereenkomst duidelijk melding maken van deze hoedanigheid. »; 2° in paragraaf 2 wordt de zin "Zij is niet geldig wanneer zij door een tussenpersoon met de reder of zijn gemachtigde wordt aangegaan." vervangen als volgt : « Zij is niet geldig wanneer zij door een tussenpersoon namens de zeeman wordt aangegaan. »; 3° in paragraaf 2 wordt de zin "De zeeman dient zelf de arbeidsovereenkomst te ondertekenen." vervangen als volgt : « De zeeman en de werkgever, de reder of zijn gemachtigde dienen persoonlijk de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. ».

Art. 59.Artikel 33 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende : « Voor de dienst aan boord van baggerschepen kan de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst gesloten worden voor onbepaalde duur.

Onder voorbehoud van de specifieke bepalingen bepaald bij deze titel, zijn de op de overeenkomsten voor onbepaalde duur toepasselijke bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst gesloten voor onbepaalde duur. ».

Art. 60.In artikel 34, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een lid, luidende : « Indien de reder niet de werkgever is : de naam, voornaam en woonplaats van de werkgever;indien de werkgever een rechtspersoon is, de maatschappelijke naam en de maatschappelijke zetel; »; 2° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt : « 6° de functie waarin de zeeman wordt aangesteld;»; 3° in de bepaling onder 7° worden de woorden "en desgevallend de wijze van betaling ervan" vervangen door de woorden "of de eventuele formule ter berekening ervan";4° de bepaling onder 8° wordt aangevuld met een lid, luidende : « indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de voorwaarden waaronder elke partij bevoegd is de overeenkomst te beëindigen, alsmede de vereiste opzegtermijn, die voor de werkgever en de reder niet korter mag zijn dan voor de zeeman;»; 5° de bepaling onder 9° wordt ingevoegd, luidende : « 9° het recht op repatriëring.».

Art. 61.In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden "de reder of zijn gemachtigde," vervangen door de woorden "de werkgever".

Art. 62.In artikel 44 van dezelfde wet worden de woorden "De reder" vervangen door de woorden "De werkgever, de reder".

Art. 63.In artikel 46 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "medezeelieden, van" en de woorden "de reder".

Art. 64.In artikel 47 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "voorafgaandelijk door" en de woorden "de reder";2° in de paragrafen 2 en 3 wordt het woord" reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".

Art. 65.In artikel 49 van dezelfde wet wordt het woord "reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".

Art. 66.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 3 vervangen als volgt : « Afdeling 3. - Rechten en plichten van de werkgever/reder »

Art. 67.In artikel 50 van dezelfde wet worden de woorden "De reder" vervangen door de woorden "De werkgever/reder".

Art. 68.In dezelfde wet wordt een artikel 50/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 50/1.De reder kan zich van zijn verantwoordelijkheid niet bevrijden door de uitvoering van de taken en verplichtingen die op hem rusten krachtens het Verdrag betreffende maritieme arbeid geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan een derde natuurlijke persoon of rechtspersoon.

In geval van tekortkoming van de werkgever neemt de reder zijn plaats in voor de uitvoering van alle voornoemde taken en verplichtingen. ».

Art. 69.In artikel 52 van dezelfde wet wordt het woord "reder" vervangen door het woord "werkgever".

Art. 70.In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "(vroeger art.51)." worden opgeheven; 2° het woord "reder" wordt vervangen door het woord "werkgever".

Art. 71.In artikel 57 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "welke door" en de woorden "de reder".

Art. 72.In de artikelen 58, 60, 61, 64, 66, 67 en 68 van dezelfde wet, wordt het woord "reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".

Art. 73.In dezelfde wet wordt een artikel 69/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 69/1.Een kopie van alle bepalingen van toepassing op de repatriëring dient, in het Engels, aan boord van de schepen bijgehouden te worden en ter beschikking van de zeelieden gehouden te worden.

Er dient geen kopie in het Engels ter beschikking te worden gehouden op passagiersschepen die bestemd zijn om uitsluitend te worden gebruikt voor binnenlandse zeereizen en waarvan de werktaal aan boord het Nederlands of het Frans is. ».

Art. 74.In artikel 72 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de bepaling onder 7° worden de worden "reder of zijn gevolmachtigde" vervangen door het woord "werkgever";2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 9° en 10°, luidende : « 9° onderling akkoord;10° voor de arbeidsovereenkomsten gesloten voor onbepaalde duur, door de wil van een der partijen, tegen een opzeg met een termijn die minstens zeven dagen bedraagt.De zeeman kan een kortere opzeg dan de minimale opzeg geven zonder bestraft te worden wanneer hij ertoe gebracht wordt omwille van humanitaire redenen, noodtoestand of andere omstandigheden die de Koning mag bepalen als grond voor een beëindiging van de arbeidsbetrekking met een kortere opzegtermijn of zelfs zonder opzeg. ».

Art. 75.In artikel 73 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "samenwerking tussen" en de woorden "de reder of".

Art. 76.In artikel 74 van dezelfde wet wordt het woord "reder" vervangen door het woord "werkgever".

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 15 mei 2014.

FILIP Van Koningswege : De Eerste Minister, E. DI RUPO De Minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET De Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK De Minister van Financiën, K. GEENS De Staatssecretaris voor Energie, M. WATHELET De Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Ph. COURARD Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 53 3479 Integraal verslag : 22 april 2014.

Senaat (www.senate.be) Stukken : 5-2865 Handelingen van de Senaat : 24 april 2014.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^