Wet van 18 maart 2016
gepubliceerd op 30 maart 2016
Justitie digitaliseren: Call to Contribution

Wet tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2016022135
pub.
30/03/2016
prom.
18/03/2016
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2016022135

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID


18 MAART 2016. - Wet tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepaling en definities

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° het koninklijk besluit nr.50 : het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; 2° het koninklijk besluit nr.72 : het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen; 3° de wet van 12 januari 2006 : de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de "Pensioendienst voor de Overheidssector";4° de Dienst : de Federale Pensioendienst bedoeld in artikel 40 van het koninklijk besluit nr.50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; 5° de PDOS : de Pensioendienst voor de Overheidssector opgericht door de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de "Pensioendienst voor de Overheidssector";6° de DIBISS : de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels bedoeld in artikel 3 van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels;7° HR Rail : de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail bedoeld in artikel 22 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen;8° het RSVZ : het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; 9° de minister : de minister die de pensioenen van de werknemers en de overheidssector onder zijn bevoegdheid heeft;10° de pensioenen van de overheidssector : a) de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Staatskas;b) de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;c) de rust- en overlevingspensioenen en de als zodanig geldende voordelen toegekend aan de personeelsleden evenals aan de door de Koning of door de met benoemingsbevoegdheid beklede vergadering benoemde leden van de beheers-, bestuurs- en directieorganen : - van de provincies, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de gemeenschapscommissies, de OCMW's en de OCMW-verenigingen, evenals van de publieke instellingen die afhangen van één van deze overheden; - van de geïntegreerde politie; - de hulpverleningszones opgericht op basis van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid; - van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is; - van de instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, van toepassing is; - van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is; - van de hiervoor niet bedoelde autonome overheidsbedrijven; - van de andere instellingen waarin de openbare machten een doorslaggevende rol spelen, ongeacht de juridische vorm waarin zij werden opgericht; - van de hiervoor niet bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen of de gewesten; d) de rust- en overlevingspensioenen toegekend aan de leden van de bestendige deputatie, aan de burgemeesters en schepenen, evenals aan de mandatarissen van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten, van de verenigingen van gemeenten, van de gemeenschapscommissies, van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de andere instellingen waarin de openbare machten een doorslaggevende rol spelen, ongeacht de juridische vorm waarin zij werden opgericht. Worden eveneens beschouwd als pensioenen van de overheidssector, alle bijkomende voordelen van de in a) tot en met d) bedoelde pensioenen; 11° vergoedingspensioenen en oorlogsrenten : a) de vergoedingspensioenen toegekend aan de militaire en ermee gelijkgestelde oorlogsslachtoffers evenals de vergoedingspensioenen van vredestijd;b) de frontstrepen- en gevangenschapsstrepenrenten van de oorlog 1914-1918, de strijders- en gevangenschapsrenten, de mobilisatierenten en de renten voor de verplicht ingelijfden bij het Duitse leger;c) de renten verbonden aan de nationale ordes;d) de pensioenen en de renten toegekend aan de rechthebbenden van de begunstigden van een in a) en b) bedoeld pensioen of rente. TITEL 2. - Naamswijziging van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst

Art. 3.De Rijksdienst voor Pensioenen opgericht door artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 50 heeft voortaan de benaming "Federale Pensioendienst", verkort de FPD. TITEL 3. - Opdrachten van de Dienst HOOFDSTUK 1. - Opdrachten behorend tot de Rijksdienst voor Pensioenen die de Federale Pensioendienst is geworden Afdeling 1. - Toekenningsopdrachten

Art. 4.De Dienst is belast met de toekenning van het recht : 1° op het rustpensioen van de werknemers;2° op het overlevingspensioen van de werknemers;3° op de overgangsuitkering van de werknemers;4° op de inkomensgarantie voor ouderen;5° op de bijkomende voordelen bij de uitkeringen bedoeld in 1° tot en met 4°. Afdeling 2. - Betalingsopdrachten

Art. 5.De Dienst is belast met de betaling : 1° van het rustpensioen, het overlevingspensioen en de overgangsuitkering van de werknemers;2° van het voorwaardelijk en onvoorwaardelijk rustpensioen, het voorwaardelijk en onvoorwaardelijk overlevingspensioen en de overgangsuitkering van de zelfstandigen;3° van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de inkomensgarantie voor ouderen;4° van de aanvullende tegemoetkoming, de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de bijhorende tegemoetkoming voor hulp van derden in het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;5° van de ouderdomsrente en de weduwerente;6° van de bijkomende voordelen bij de uitkeringen bedoeld in 1° tot en met 3°. Afdeling 3. - Inningsopdracht

Art. 6.De Dienst is belast met de inning en het beheer van de opbrengst van de inhouding bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. Afdeling 4. - Conceptie-, studie- en informatieopdrachten

Art. 7.De Dienst heeft tot opdracht : 1° het uitbrengen van adviezen en het uitvoeren van juridische, statistische, actuariële, budgettaire, technische en informaticastudies die betrekking hebben op de reglementering inzake de toekenning van de werknemerspensioenen en van de inkomensgarantie voor ouderen, op vraag van de minister, op vraag van het Beheerscomité van de Dienst, bedoeld in artikel 34, op vraag van het Kenniscentrum opgericht door de wet van 21 mei 2015 tot oprichting van een Nationaal Pensioencomité, een Kenniscentrum en een Academische Raad of uit eigen initiatief;2° het uitbrengen van adviezen en het uitvoeren van juridische, statistische, budgettaire, technische en informaticastudies die betrekking hebben op het beheer van de betaling van de uitkeringen bedoeld in artikel 5, op vraag van de minister, op vraag van het Beheerscomité van de Dienst, bedoeld in artikel 34, op vraag van het Algemeen beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, op vraag van het Kenniscentrum opgericht door de voormelde wet van 21 mei 2015, op vraag van het RSVZ, of uit eigen initiatief;3° het opstellen van voorontwerpen van wet en van ontwerpen van koninklijk besluit en van ministerieel besluit, met inbegrip van het omzetten van de internationale reglementering in Belgisch recht, op vraag van de minister of uit eigen initiatief;4° het uitvoeren van elke taak die hem wordt toevertrouwd door de minister.

Art. 8.De Dienst informeert, uit eigen initiatief of op vraag, de burgers en de betrokken socio-economische en professionele middens, naargelang het geval : 1° over hun (toekomstige) rechten op de uitkeringen bedoeld in artikel 4;2° over de betaling van de uitkeringen bedoeld in artikel 5;3° over de inhoud van de reglementering inzake de uitkeringen bedoeld in artikel 4;4° over de statistische en actuariële gegevens inzake werknemerspensioenen. Afdeling 5. - Opdrachten betreffende de aanvullende pensioenen van

werknemers

Art. 9.De Dienst heeft tot opdracht de opbouw en het beheer van de buitenwettelijke voordelen overeenkomstig artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden. HOOFDSTUK 2. - Opdrachten behorend tot de Pensioendienst voor de Overheidssector en overgedragen aan de Federale Pensioendienst Afdeling 1. - Overdracht van opdrachten

Art. 10.De opdrachten toevertrouwd aan de PDOS krachtens de wet van 12 januari 2006 en opgesomd in de artikelen 11 tot en met 16 worden overgedragen aan de Dienst. Afdeling 2

Opdrachten inzake de pensioenen van de overheidssector Onderafdeling 1. - Conceptie- en studieopdrachten

Art. 11.De Dienst heeft tot opdracht : 1° de conceptie, de voorbereiding en de ondersteuning van het beleid. Wat betreft de pensioenen toegekend aan de gewezen personeelsleden evenals aan de gewezen leden van de beheers-, bestuurs- en directieorganen van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen of de gewesten, is deze opdracht evenwel beperkt tot de materies die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid.

De Dienst kan, op vraag van de minister, op vraag van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, op vraag van het Kenniscentrum opgericht door de voormelde wet van 21 mei 2015, of uit eigen initiatief, juridische, statistische, actuariële, budgettaire, technische en informaticastudies uitvoeren die betrekking hebben op de wetgeving en de reglementering inzake de pensioenen van de overheidssector.

De Dienst kan, op vraag van de minister, op vraag van het Beheerscomité van de Dienst, bedoeld in artikel 34, op vraag van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de voormelde wet van 19 december 1974, op vraag van het Kenniscentrum opgericht door de voormelde wet van 21 mei 2015, of uit eigen initiatief, juridische, statistische, actuariële, budgettaire, technische en informaticastudies uitvoeren die betrekking hebben op het beheer van de betaling van de prestaties bedoeld in artikel 13, 1° en 5° ; 2° het opstellen van voorontwerpen van wet of van ontwerpen van koninklijk besluit en de reglementering met inbegrip van de omzetting van de internationale reglementering in het Belgisch recht;3° elke opdracht uit te voeren die hem wordt toevertrouwd door de minister, meer bepaald om de naleving en de eenvormige toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de pensioenen van de overheidssector te verzekeren.Te dien einde kan de Dienst meer bepaald gemachtigd worden de wettigheid en het bedrag van de pensioenen van de overheidssector te controleren die toegekend worden door andere pensioenbeheersinstellingen dan hem; 4° adviezen uit te brengen over elke vraag met betrekking tot de pensioenen van de overheidssector of een categorie ervan. Onderafdeling 2. - Financiële opdrachten

Art. 12.De Dienst heeft tot opdracht : 1° de ontvangsten verbonden aan zijn opdrachten te innen;2° voor elke sociaal verzekerde de in zijn naam gestorte bijdragen individueel te controleren. Onderafdeling 3. - Uitvoerende opdrachten

Art. 13.De Dienst heeft tot opdracht : 1° het recht vast te stellen op : a) de rust- en overlevingspensioenen, de renten en de vergoedingen ten laste van de Staatskas;b) de rust- en overlevingspensioenen : - ten laste van het pensioenstelsel ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden; - ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen bedoeld in artikel 3, 5), van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen; - ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie; - ten laste van de openbare machten of instellingen die, bij overeenkomst, het beheer van hun pensioenen aan de Dienst toevertrouwd hebben en ten laste van de openbare machten of instellingen die een overeenkomst inzake hun pensioenplan afgesloten hebben met een voorzorgsinstelling die het beheer van deze pensioenen in onderaanneming toevertrouwd heeft aan de Dienst. De Dienst legt de ontwerpbeslissing betreffende de toekenning van deze voordelen ter goedkeuring voor aan de betrokken openbare macht of instelling. 2° het bedrag te bepalen van de in 1° bedoelde pensioenen, renten en vergoedingen;3° het beheer en de opvolging te verzekeren van de in 1° bedoelde pensioenen, renten en vergoedingen;4° de in 1° bedoelde prestaties uitbetalen, wanneer de voorwaarden vervuld zijn waaraan de betaling van deze prestaties onderworpen is;5° de renten toegekend tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten ten laste van de Staatskas, uitbetalen;6° voor rekening van de federale overheid de vorderingen tot indeplaatsstelling of inzake burgerlijke aansprakelijkheid te voeren tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor het ongeval of de beroepsziekte, indien het renten ten laste van de Staatskas betreft, toegekend aan personeelsleden waarvan de bezoldiging niet ten laste is van de Staatskas, of aan hun rechthebbenden. Afdeling 3. - Opdrachten inzake de vergoedingspensioenen en de

oorlogsrenten Onderafdeling 1. - Conceptie- en studieopdrachten

Art. 14.De Dienst heeft tot opdracht : 1° de conceptie, de voorbereiding en de ondersteuning van het beleid. De Dienst kan, op verzoek van de minister of uit eigen initiatief, juridische, statistische, actuariële, budgettaire, technische en informaticastudies uitvoeren die betrekking hebben op de wetgeving en de reglementering inzake de vergoedingspensioenen en de oorlogsrenten.

De Dienst kan, op vraag van de minister, op vraag van het Beheerscomité van de Dienst, bedoeld in artikel 34, of uit eigen initiatief, juridische, statistische, actuariële, budgettaire, technische en informaticastudies uitvoeren die betrekking hebben op het beheer van de betaling van de prestaties bedoeld in artikel 15, 1° ; 2° het opstellen van voorontwerpen van wet of van ontwerpen van koninklijk besluit en de reglementering;3° advies uit te brengen over elke vraag met betrekking tot de vergoedingspensioenen en de oorlogsrenten. Onderafdeling 2. - Uitvoerende opdrachten

Art. 15.De Dienst heeft tot opdracht : 1° het recht vast te stellen op de vergoedingspensioenen en de oorlogsrenten;2° het bedrag vast te stellen van de in 1° bedoelde pensioenen en renten;3° het beheer en de opvolging te verzekeren van de in 1° bedoelde pensioenen en renten;4° de in 1° bedoelde prestaties uitbetalen, wanneer de voorwaarden vervuld zijn waaraan de betaling van deze prestaties onderworpen is. Afdeling 4. - Informatieopdrachten

Art. 16.De Dienst informeert het publiek en geïnteresseerde socio-economische en professionele middens over, naargelang het geval : 1° over hun (toekomstige) rechten op de uitkeringen inzake de pensioenen van de overheidssector en de vergoedingspensioenen en de oorlogsrenten;2° de inhoud van de wetgeving en de reglementering inzake de pensioenen van de overheidssector;3° de inhoud van de wetgeving en de reglementering inzake de vergoedingspensioenen en de oorlogsrenten;4° de statistische en actuariële gegevens inzake de pensioenen van de overheidssector, meer bepaald via een jaarverslag. HOOFDSTUK 3. - Opdrachten behorend tot de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels en overgedragen aan de Federale Pensioendienst Afdeling 1. - Overdracht van opdrachten

Art. 17.De opdrachten inzake pensioenen toevertrouwd aan de DIBISS krachtens de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels en opgesomd in de artikelen 18 tot en met 26, worden overgedragen aan de Dienst. Afdeling 2. - Opdrachten inzake de pensioenen van de statutaire

personeelsleden

Art. 18.De Dienst wordt belast met de toepassing van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, met uitzondering van de taken van de inning en invordering bedoeld in de artikelen 5/1, 12° en 5/2, § 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Afdeling 3. - Gemeenschappelijke sociale dienst van de provinciale en

lokale besturen

Art. 19.§ 1. De provinciale en plaatselijke besturen kunnen zich vrijwillig bij de Gemeenschappelijke sociale dienst van de provinciale en plaatselijke besturen aansluiten.

De modaliteiten voor de indiening van de aanvraag worden vastgesteld door het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst bedoeld in artikel 51. De aanvraag moet vergezeld zijn van een beraadslaging van de bevoegde overheden die door de toezichthoudende overheid goedgekeurd werd.

De aansluiting vat aan op de eerste dag van het kwartaal volgend op de maand waarin de aanvraag tot aansluiting werd ingediend.

Op het einde van ieder jaar kunnen de aangesloten besturen een einde stellen aan hun vrijwillige aansluiting. De aanvraag tot de beëindiging van de aansluiting, die enkel via elektronische weg kan worden ingediend, heeft uitwerking met ingang van 31 december van het kalenderjaar op voorwaarde dat deze uiterlijk op 30 september werd ingediend. Indien dit niet het geval is, dan heeft de beëindiging van de aansluiting pas uitwerking met ingang van 31 december van het volgende jaar. § 2. Het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst kan toestemming verlenen aan bepaalde publieke werkgevers die niet de hoedanigheid van provinciaal of plaatselijk bestuur hebben, om zich bij de Gemeenschappelijke sociale dienst aan te sluiten.

De modaliteiten van de aansluiting en van de beëindiging ervan door de besturen bedoeld in het eerste lid, evenals de wijze waarop de verschuldigde bijdrage dient te worden gestort, worden vastgesteld door het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst. § 3. De besturen die op 31 december 2016 aangesloten zijn bij de Gemeenschappelijke sociale dienst van de DIBISS, zijn, van rechtswege, aangesloten bij de Gemeenschappelijke sociale dienst van de provinciale en plaatselijke besturen vanaf 1 januari 2017. Hetzelfde geldt voor de besturen die een aanvraag hadden ingediend met het oog op een aansluiting bij de Gemeenschappelijke sociale dienst van de DIBISS op 1 januari 2017.

Art. 20.§ 1. Ingevolge de aansluiting bedoeld in artikel 19 worden de personen die in aanmerking komen om tegemoetkomingen van de Gemeenschappelijke sociale dienst te genieten, onderverdeeld in rechtstreekse en onrechtstreekse begunstigden. § 2. De rechtstreekse begunstigden zijn : 1° de vastbenoemde personeelsleden en de stagiairs evenals de contractuele personeelsleden voor dewelke het aangesloten bestuur de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 23 betaalt;2° de personeelsleden bedoeld in 1° na hun oppensioenstelling;3° de contractuele personeelsleden bedoeld in 1° na hun oppensioenstelling. § 3. De onrechtstreekse begunstigden zijn : 1° de echtgenoot, de partner, de kinderen en de andere gezinsleden van een rechtstreekse begunstigde bedoeld in paragraaf 2 die onder hetzelfde dak wonen als deze laatste en die worden beschouwd als personen ten laste volgens de voorwaarden vastgesteld door het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst;2° de niet-hertrouwde overlevende echtgenoot van een persoon die op het moment van zijn overlijden een rechtstreekse begunstigde was op voorwaarde dat zijn inkomen niet hoger is dan een bedrag vastgesteld door het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst;3° de wezen van een persoon die op het moment van zijn overlijden een rechtstreekse begunstigde was, zolang zij kinderbijslag ontvangen;4° de ascendenten van een persoon die op het moment van zijn overlijden een rechtstreekse begunstigde was en die beantwoordt aan de voorwaarden vastgesteld door het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst;5° indien de aanvraag tot aansluiting dit vermeldt, kan de hoedanigheid van begunstigde, mits het met redenen omkleed akkoord van het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst, onder bepaalde voorwaarden worden toegekend aan personeelsleden van een bestuur waarvan sprake in artikel 19 die reeds gepensioneerd zijn op de datum waarop dit bestuur zich aansluit. § 4. De rechtstreekse begunstigden bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° en alle onrechtstreekse begunstigden bedoeld in paragraaf 3 die zich in het buitenland vestigen, verliezen het voordeel van de tegemoetkomingen van de Gemeenschappelijke sociale dienst.

Bij hun definitieve terugkeer naar België kunnen de begunstigden die het voordeel van de tegemoetkomingen van de Gemeenschappelijke sociale dienst verloren waren met toepassing van het eerste lid, opnieuw aanspraak maken op deze tegemoetkomingen.

Art. 21.De gemeenschappelijke diensten die door de Gemeenschappelijke sociale dienst worden aangeboden, bestaan uit : 1° algemene of gepersonaliseerde informatie inzake diverse sociale aangelegenheden die ter beschikking wordt gesteld van de aangesloten besturen en de begunstigden;2° advies aan of begeleiding van de begunstigden bij bepaalde stappen in hun professionele of hun privéleven;3° bepaalde premies ter gelegenheid van gebeurtenissen in het professionele of het privéleven;4° bepaalde tegemoetkomingen en voordelen voor de begunstigden in geval van ziekte, tegenspoed, familiale tegenslag of andere uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden;5° de toegang tot de collectieve hospitalisatieverzekeringsovereenkomst van de provinciale en plaatselijke besturen;6° de toegang tot vakantieverblijven.

Art. 22.Het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst bepaalt de premies, tegemoetkomingen en voordelen die aan de begunstigden kunnen worden toegekend krachtens artikel 21, 3° en 4°, evenals de modaliteiten voor de indiening van aanvragen.

Het legt de regels vast waarvan de toekenning van de premies, tegemoetkomingen en voordelen afhankelijk is. Het reglement dat deze regels bevat wordt goedgekeurd door de minister.

Hij kan : 1° de toekenning van tegemoetkomingen en voordelen afhankelijk maken van een voorafgaand sociaal onderzoek of van een inkomensvoorwaarde.2° de duur van de toekenning van de tegemoetkoming of het voordeel beperken in de tijd.3° de categorieën van begunstigden uitbreiden. De steun van de Gemeenschappelijke sociale dienst mag niet de steun vervangen die onder de wettelijke bevoegdheid van andere instellingen valt. Zijn steun is steeds aanvullend en suppletoir.

Art. 23.De werkgevers die zich bij de Gemeenschappelijke sociale dienst aansluiten, dienen een werkgeversbijdrage te betalen voor alle vastbenoemde personeelsleden en stagiairs, alsook voor de personeelsleden die zijn aangeworven in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitzondering van studentenovereenkomsten, die een activiteitswedde of wachtvergoeding ten laste van de aangesloten werkgever genieten, met uitzondering van het onderwijzend personeel met een weddetoelage.

De werkgeversbijdrage is verschuldigd vanaf de dag waarop de aansluiting bij de Gemeenschappelijke sociale dienst een aanvang neemt tot de dag waarop het eventuele ontslag uitwerking heeft.

Art. 24.§ 1. Het speciaal reservefonds van de Gemeenschappelijke sociale dienst bedoeld in artikel 4bis van het koninklijk besluit van 25 mei 1972 tot oprichting van een gemeenschappelijke sociale dienst ten behoeve van het personeel van de gemeenten, de openbare instellingen die er van afhangen en de verenigingen van gemeenten wordt gestijfd met : 1° het eventuele overschot van de werkgeversbijdragen;2° de bijdrageverhogingen en de verwijlinteresten die eventueel op deze bijdragen worden toegepast;3° de interesten opgebracht door dit reservefonds en door de werkgeversbijdragen. § 2. Het speciaal reservefonds van de Gemeenschappelijke sociale dienst wordt aangewend voor de uitkering van tegemoetkomingen : 1° bij wijze van voorschot, in afwachting dat de bijdragen worden geïnd;2° wanneer het bedrag van de bij de afsluiting van het boekjaar ontvangen werkgeversbijdragen ontoereikend is.

Art. 25.Het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst kan op met redenen omkleed voorstel beslissen om een beroep te doen op het speciaal reservefonds om uitzonderlijke noden van de Gemeenschappelijke sociale dienst te financieren.

Art. 26.Elk kwartaal wordt een verslag betreffende het dagelijks beheer van de Gemeenschappelijke sociale dienst aan het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst voorgelegd. Dit verslag wordt opgesteld door de persoon die belast is met het dagelijks beheer van de Dienst, zijn adjunct of zijn vertegenwoordiger. Afdeling 4. - Overdracht van bepaalde fondsen

Art. 27.De hierna vermelde fondsen worden omgezet in de fondsen van de Dienst en behouden hun bestemming. Hun actief op 31 december 2016 wordt overgedragen aan de Dienst : 1° het reservefonds van het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden bedoeld in artikel 4, § 2, van de voormelde wet van 24 oktober 2011;2° het fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten bedoeld in artikel 4, § 3 van de voormelde wet van 24 oktober 2011;3° het speciaal reservefonds bedoeld in artikel 4bis van het voormeld koninklijk besluit van 25 mei 1972. HOOFDSTUK 4. - Opdrachten behorend tot HR Rail en overgedragen aan de Federale Pensioendienst

Art. 28.De opdrachten toevertrouwd aan HR Rail krachtens artikel 23, § 1, 5° en artikel 81, 8° van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen en opgesomd in artikel 29 worden overgedragen aan de Dienst.

Art. 29.De Dienst is belast met de toekenning, de betaling en het beheer van de statutaire pensioenen op basis van artikel 159 van de programmawet van 27 december 2005 en overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de N.M.B.S. Holding door de Belgische Staat en zijn uitvoeringsbesluiten.

Art. 30.HR Rail verricht in de hoedanigheid van mandataris van de Dienst de betaling van de rust- en overlevingspensioenen toegekend aan de gewezen statutaire personeelsleden van de NMBS-Holding of HR Rail en aan hun rechthebbenden. Daartoe wordt een overeenkomst afgesloten tussen de Dienst en HR Rail, die alle juridische en praktische modaliteiten vastlegt volgens dewelke de betaling gebeurt. HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepaling

Art. 31.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, elke andere opdracht inzake de pensioenen en de prestaties bedoeld in de hoofdstukken 1 tot 4 aan de Dienst toevertrouwen.

TITEL 4. - Overdracht van de personeelsleden van de PDOS aan de Federale Pensioendienst

Art. 32.§ 1. Alle personen die, op 1 april 2016, hun werkzaamheden uitoefenen binnen de PDOS worden met ingang van die datum ambtshalve overgedragen aan de Dienst.

Hetzelfde geldt voor de personeelsleden van de PDOS die op 1 april 2016 tijdelijk afwezig zijn alsook voor wie vóór die laatste datum aangeworven werd met het oog op een indiensttreding vanaf dezelfde datum.

De Koning stelt een nominatieve lijst op van de in toepassing van de in het eerste en tweede lid aan de Dienst overgedragen personen. Deze lijst wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De in deze paragraaf bedoelde overdrachten vormen geen nieuwe benoemingen. § 2. De overgedragen personeelsleden behouden de hoedanigheid van stagedoend personeelslid, vastbenoemd personeelslid of contractueel personeelslid die zij hadden de dag vóór hun overdracht. Zij behouden tevens hun graad of hun klasse.

Het stagedoend personeelslid wordt geacht titularis te zijn van de graad of van de klasse waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. § 3. De overgedragen personeelsleden behouden hun niveau-, graad-, dienst-, klassen- en schaalanciënniteit. § 4. De overgedragen personeelsleden behouden hun evaluaties verkregen met toepassing van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Deze evaluaties blijven geldig tot aan de toekenning van een nieuwe evaluatie binnen de Dienst. § 5. De personeelsleden die geslaagd zijn voor een examen of een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau of voor een examen of een selectie voor verhoging in graad of voor een gedeelte van deze examens of selecties, georganiseerd binnen de PDOS, behouden de voordelen verbonden aan dit slagen. § 6. Tot op het ogenblik waarop in de Dienst nieuwe bepalingen van kracht worden, blijven de personeelsleden van de PDOS onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren inzake toelagen, premies, vergoedingen en andere voordelen binnen de PDOS. Zij behouden deze voordelen slechts voor zover deze voordelen regelmatig werden toegekend en de voorwaarden waaronder ze werden toegekend in hoofde van de begunstigden zijn blijven bestaan. § 7. Alle personeelsleden van de PDOS worden overgedragen met behoud van hun weddeschaal en van de geldelijke anciënniteit die zij de dag vóór hun overdracht verworven hadden krachtens de reglementaire bepalingen die op die datum op hen toepasselijk waren. In elk geval moeten zij dezelfde bezoldiging blijven genieten die zij zouden genoten hebben indien zij hun loopbaan zouden hebben kunnen verderzetten bij de PDOS. § 8. De personeelsleden in dienst bij de PDOS in het kader van een arbeidsovereenkomst genieten, door de eenvoudige ondertekening van een bijvoegsel bij hun arbeidsovereenkomst, dezelfde overeenkomst bij de Dienst.

Art. 33.§ 1. Alle op 1 april 2016 lopende rustpensioenen ten laste van de Staatskas toegekend aan de gewezen personeelsleden van de PDOS of van de Administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën, worden, vanaf diezelfde datum, definitief overgenomen door het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden. § 2. Het equivalent van de met toepassing van paragraaf 1 overgenomen pensioenlast wordt gestort aan de Dienst en wordt jaarlijks bij de dotatie gevoegd die dient tot dekking van de beheerskosten bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°. § 3. Voor de toepassing van artikel 13 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, worden de diensten verstrekt bij de PDOS of bij de Administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën beschouwd als diensten gepresteerd bij de Dienst.

TITEL 5. - Administratieve inrichting van de Federale Pensioendienst HOOFDSTUK 1. - Het Beheerscomité van de Federale Pensioendienst

Art. 34.De Dienst wordt beheerd door een Beheerscomité, hierna het Beheerscomité van de Dienst genoemd, dat over alle bevoegdheden beschikt, welke tot het beheer van de instelling nodig zijn.

Het Beheerscomité van de Dienst wordt belast met het beheer van de financiële middelen bedoeld in de afdelingen 1 en 3 van hoofdstuk 2 van titel 6.

De Koning stelt de regels vast betreffende het beleggen van de beschikbare gelden van de Dienst betreffende de in het tweede lid bedoelde financiële middelen.

Art. 35.Het Beheerscomité van de Dienst kan op eigen initiatief aan de minister voorstellen doen tot wijziging van de wetten en besluiten betreffende het pensioen van de werknemers. Indien een voorstel niet eenparig is, zet het verslag aan de minister de verschillende uitgebrachte adviezen uiteen.

Het Beheerscomité van de Dienst kan ook aan de minister adviezen doen toekomen over alle wetsvoorstellen of amendementen betreffende de wetgeving van het pensioen van de werknemers en die bij het Parlement aanhangig zijn.

Art. 36.Behoudens in dringende gevallen onderwerpt de minister aan het advies, hetzij van de Nationale Arbeidsraad, hetzij van het Beheerscomité van de Dienst, elk voorontwerp van wet of ontwerp van organiek besluit of verordening tot wijziging van de wetgeving of reglementering in verband met het pensioen van de werknemers of betreffende het personeelskader en de structuur van de Dienst.

Het Beheerscomité van de Dienst geeft binnen de termijn van één maand zijn advies. Op verzoek van de minister kan deze termijn tot tien kalenderdagen verminderd worden.

Indien de minister de dringendheid inroept, brengt hij de voorzitter van het Beheerscomité van de Dienst hiervan op de hoogte.

Art. 37.Het Beheerscomité van de Dienst is gehouden aan de minister de budgettaire impact te geven van elke voorgestelde wijziging aan de bestaande wetgeving aan te brengen.

Art. 38.Al het personeel van de Dienst wordt door het Beheerscomité van de Dienst benoemd, bevorderd en afgezet, overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met uitzondering van de personeelsleden die houder zijn van een managementfunctie.

De houders van de management-, directie- en staffuncties worden aangeduid overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 2003 betreffende de aanduiding, de uitoefening en de weging van de managementfuncties alsook de aanduiding en de uitoefening van staffuncties en directiefuncties in de openbare instellingen van sociale zekerheid.

Art. 39.§ 1. Het Beheerscomité van de Dienst is samengesteld uit : 1° een voorzitter;2° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, die alleen stemgerechtigd zijn. Het aantal effectieve en plaatsvervangende leden van het Beheerscomité van de Dienst wordt door de Koning vastgesteld na raadpleging van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die gevraagd worden om kandidaten voor te dragen. § 2. De Koning benoemt de leden van het Beheerscomité van de Dienst op lijsten van twee kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties bedoelde in paragraaf 1.

Om lid te zijn moet men Belg en ten minste 21 jaar oud zijn. § 3. De Koning benoemt de voorzitter. Deze moet : 1° Belg zijn;2° ten minste 30 jaar oud zijn;3° onafhankelijk staan tegenover de organisaties die in het Beheerscomité van de Dienst vertegenwoordigd zijn;4° niet onder het hiërarchisch gezag van een minister staan. § 4. Het mandaat van de voorzitter en van de leden van het Beheerscomité van de Dienst duurt zes jaar. Het kan hernieuwd worden.

Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van elk lid, dat opgehouden heeft van het Beheerscomité van de Dienst deel uit te maken vóór de normale beëindigingsdatum van zijn mandaat.

In dat geval voltooit het nieuwe lid het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 40.§ 1. De Koning kan, op advies van het Beheerscomité van de Dienst, in de Dienst één of meer technische comités oprichten waarvan Hij de bevoegdheden bepaalt. Deze technische comités hebben tot opdracht het Beheerscomité van de Dienst in zijn taak voor te lichten.

Zij zijn samengesteld uit personen voorgedragen door de organisaties welke betrokken zijn bij de toepassing van de wetten en besluiten waarvan de Dienst de toepassing verzekert of uit personen die gekozen zijn wegens hun bijzondere bevoegdheid.

De betrekkingen tussen het Beheerscomité van de Dienst en de technische comités worden door het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van de Dienst nader bepaald. § 2. De Koning wijst, op advies van het Beheerscomité van de Dienst, de organisaties aan, welke gemachtigd zijn om in de technische comités vertegenwoordigd te worden.

De vertegenwoordigers van deze organisaties worden door de Koning benoemd op lijsten van twee kandidaten welke door deze organisaties worden voorgedragen.

De Koning benoemt ook de personen die in de technische comités zullen zetelen wegens hun bijzondere bevoegdheid.

Art. 41.Het Beheerscomité van de Dienst stelt zijn huishoudelijk reglement op dat meer bepaald voorziet in : 1° de regels in verband met de bijeenroeping van het Beheerscomité van de Dienst op verzoek van de minister of van zijn vertegenwoordiger, van de voorzitter, van de persoon belast met het dagelijks beheer of van twee leden;2° de regels in verband met het voorzitterschap van het Beheerscomité van de Dienst, bij afwezigheid of belet van de voorzitter;3° de aanwezigheid van ten minste de helft van de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties en van de werknemersorganisaties om op geldige wijze te beraadslagen en te beslissen alsmede de wijze van stemmen in het Beheerscomité van de Dienst;4° de regels in verband met het herstel van de pariteit wanneer de leden, die respectievelijk de werkgevers- en werknemersorganisaties vertegenwoordigen, bij de stemming niet in gelijk aantal aanwezig zijn;5° de bepaling van de handelingen van dagelijks beheer;6° de betrekkingen die tussen het Beheerscomité van de Dienst en de technische comités moeten worden tot stand gebracht, onder meer de eventuele vertegenwoordiging van deze laatsten op de vergaderingen van het Beheerscomité van de Dienst, evenals de vertegenwoordiging van het Beheerscomité van de Dienst op de vergaderingen van de technische comités;7° de modaliteiten van de uitoefening van de bevoegdheden van de technische comités;8° de voorwaarden waaronder het Beheerscomité van de Dienst voor het onderzoek van speciale vraagstukken een beroep op bijzonder bevoegde personen kan doen;9° de mogelijkheid voor de leden van het Beheerscomité van de Dienst om zich te laten bijstaan door technische raadgevers en de vergoeding die aan deze personen moet betaald worden.

Art. 42.Het Beheerscomité van de Dienst wijst onder de leden van het personeel van de Dienst één of meer personen aan die zijn secretariaat waarnemen.

Het wijst eveneens één of meerdere personeelsleden aan die het secretariaat van de Raad voor uitbetaling van de voordelen, bedoeld in artikel 62, waarnemen.

Art. 43.Wanneer het Beheerscomité van de Dienst in gebreke blijft om een maatregel te treffen of een handeling te verrichten die door de wet of de verordeningen is voorgeschreven, kan de minister zich in zijn plaats stellen na het verzocht te hebben de maatregelen te nemen of de noodzakelijke handelingen te verrichten binnen de door hem gestelde tijd, die niet minder dan acht dagen mag bedragen.

Dit geldt onder meer wanneer de maatregel niet kan worden genomen of de handeling niet kan worden verricht omdat de voorzitter vaststelt dat gedurende twee vergaderingen en over hetzelfde punt bij de stemming geen meerderheid is bereikt.

De minister kan de bevoegdheden van het Beheerscomité van de Dienst uitoefenen wanneer, en voor de tijd, dit in de onmogelijkheid verkeert tot handelen : 1° door het feit dat de organisaties van werkgevers of van werknemers, regelmatig uitgenodigd om hun kandidatenlijsten voor de samenstelling van het Beheerscomité van de Dienst voor te dragen verwaarlozen het te doen binnen de voorziene termijnen;2° wanneer, niettegenstaande regelmatige samenroeping, het Beheerscomité van de Dienst in de onmogelijkheid is te handelen door de herhaalde afwezigheid van de meerderheid, hetzij van de leden die de werkgevers, hetzij van de leden die de werknemers vertegenwoordigen;3° door het feit dat de voorzitter en de leden nog niet benoemd zijn.

Art. 44.De Koning bepaalt de aan de voorzitter en de leden van het Beheerscomité van de Dienst en van de technische comités toe te kennen vergoedingen. Deze vergoedingen zijn ten laste van de Dienst. HOOFDSTUK 2. - Het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers

Art. 45.Er wordt bij de Dienst een Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers bedoeld in artikel 9 opgericht.

Art. 46.De Koning bepaalt : 1° de bevoegdheden van dit Comité;2° zijn samenstelling, die een voorzitter en een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties omvat, alsook de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal van de Dienst;3° de modaliteiten van aanstelling van zijn voorzitter, zijn leden en hun plaatsvervangers.

Art. 47.De Regeringscommissaris benoemd in de Dienst woont de vergaderingen van dit Beheerscomité bij, zonder echter het beroep bedoeld in artikel 23, § 3 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels te kunnen uitoefenen.

Art. 48.Het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers stelt zijn huishoudelijk reglement op dat meer bepaald voorziet in : 1° de regelen in verband met de bijeenroeping van het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers op verzoek van de minister of van zijn vertegenwoordiger, van de voorzitter, van de persoon belast met het dagelijks beheer of van twee leden;2° de regelen in verband met het voorzitterschap van het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers, bij afwezigheid of belet van de voorzitter;3° de bepaling van handelingen van dagelijks beheer toevertrouwd aan de administrateur-generaal.

Art. 49.Het Beheerscomité van de Dienst, aangevuld met de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal van de Dienst, kan de bevoegdheden van het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van de werknemers uitoefenen indien en zolang de voorzitter niet is benoemd en de leden niet zijn aangesteld. HOOFDSTUK 3. - De Beheerscomités bevoegd voor de personeelsleden van de provinciale en lokale besturen Afdeling 1. - Het Beheerscomité van de pensioenen van de vastbenoemde

personeelsleden van de provinciale en lokale besturen

Art. 50.§ 1. Er wordt in de Dienst een Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en plaatselijke besturen opgericht dat bevoegd is voor de aangelegenheden opgesomd in artikel 18. § 2. Dit Beheerscomité is samengesteld uit : 1° een voorzitter;2° veertien leden die alleen stemgerechtigd zijn. De voorzitter wordt benoemd op voordracht van de minister.

Zes leden vertegenwoordigen de plaatselijke besturen waarvan : 1° drie worden benoemd op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), 2° twee op voordracht van de "Union des Villes et Communes de Wallonie";3° één op voordracht van de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Eén lid vertegenwoordigt de provincies. Hij wordt opeenvolgend benoemd op voordracht van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en op voordracht van de "Association des Provinces wallonnes".

Zeven leden vertegenwoordigen de werknemers van de provinciale en de plaatselijke sector en worden benoemd op voordracht van de representatieve werknemersorganisaties die in het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de voormelde wet van 19 december 1974 zitting hebben. Afdeling 2. - Het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale

dienst

Art. 51.§ 1. Er wordt in de Dienst een Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst opgericht dat bevoegd is voor de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 19 tot en met 26. § 2. Dit Beheerscomité is samengesteld uit : 1° een voorzitter;2° zes leden die alleen stemgerechtigd zijn. De voorzitter is de voorzitter van het Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en plaatselijke besturen of zijn vertegenwoordiger.

Drie leden vertegenwoordigen de representatieve werkgeversorganisaties die in het Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en plaatselijke besturen zitting hebben.

Drie leden vertegenwoordigen de representatieve werknemersorganisaties die in het Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en plaatselijke besturen zitting hebben.

Alle leden moeten behoren tot representatieve organisaties die besturen vertegenwoordigen die bij de Gemeenschappelijke sociale dienst aangesloten zijn. Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 52.De voorzitter en de leden van de Beheerscomités bedoeld in de artikelen 50 en 51 worden door de Koning benoemd voor een duur van zes jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar.

In geval van overlijden, ontslag of afzetting van een lid bedoeld in het eerste lid zal het nieuwe lid het mandaat vervolledigen van degene die hij opvolgt.

Art. 53.De Regeringscommissaris en de Regeringscommissaris van Begroting benoemd in de Dienst zijn eveneens bevoegd voor de Beheerscomités bedoeld in de artikelen 50 en 51.

Art. 54.Elk Beheerscomité bedoeld in de artikelen 50 of 51 stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat meer bepaald voorziet in : 1° zijn werkwijze;2° de bepaling van handelingen van dagelijks beheer toevertrouwd aan de administrateur-generaal;3° de voorwaarden waaronder elk comité bepaalde van zijn bevoegdheden kan overdragen aan personeelsleden van de Dienst.

Art. 55.De vergoedingen toegekend aan de voorzitter en aan de leden van de Beheerscomités bedoeld in de artikelen 50 en 51 zijn identiek aan deze respectievelijk toegekend aan de voorzitter en aan de leden van het Beheerscomité van de Dienst. Ze zijn ten laste van de Dienst.

Art. 56.De Beheerscomités bedoeld in de artikelen 50 en 51 vergaderen op de zetel van de Dienst. In uitzonderlijke gevallen kunnen zij op een andere plaats worden samengeroepen. Het secretariaat van deze Beheerscomités wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst. HOOFDSTUK 4. - Het dagelijks beheer

Art. 57.De Koning stelt de houder van de managementfunctie van administrateur-generaal die belast is met het dagelijks beheer van de Dienst en de houder van de managementfunctie van adjunct-administrateur-generaal aan bij in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister en het Beheerscomité van de Dienst. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, hun statuut en de procedure van aanstelling.

Art. 58.De administrateur-generaal voert de beslissingen van de beheerscomités uit; hij verstrekt aan deze comités alle inlichtingen en onderwerpt het alle voorstellen die voor de werking van de Dienst nuttig zijn.

Hij woont de vergaderingen van de beheerscomités bij.

Hij leidt het personeel en zorgt, onder het gezag en de controle van het Beheerscomité van de Dienst, voor de werking van de Dienst.

Hij oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer, zoals de huishoudelijk reglementen van de beheerscomités deze bepalen.

De beheerscomités kunnen hem andere bepaalde bevoegdheden overdragen.

Voor een vlottere gang van zaken kunnen de beheerscomités, binnen de grenzen en voorwaarden die ze vaststellen, de administrateur-generaal machtigen een deel van de hem verleende bevoegdheden en het ondertekenen van sommige stukken en brieven over te dragen.

De administrateur-generaal vertegenwoordigt de Dienst in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen zoals gedefinieerd in de huishoudelijk reglementen van de beheerscomités en treedt geldig in hun naam en voor hun rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van de beheerscomités moet staven. Hij mag echter, met de instemming van de beheerscomités, zijn bevoegdheid om de Dienst te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen.

Art. 59.De administrateur-generaal voert de beslissingen van de Raad voor uitbetaling van de voordelen, bedoeld in artikel 62 uit. Hij verstrekt deze alle inlichtingen en onderwerpt hem alle nuttige voorstellen met betrekking tot de in artikel 62 voorziene materie.

Hij woont de vergaderingen van deze Raad bij.

Binnen de perken die hij vaststelt kan de Raad hem de bevoegdheden, voorzien bij artikel 62 overdragen. Met de instemming van de Raad, mag de administrateur-generaal de hem verleende bevoegdheden evenwel aan een of meer leden van het personeel geheel of gedeeltelijk overdragen.

Art. 60.De adjunct-administrateur-generaal staat de administrateur-generaal bij voor de uitvoering van alle hem opgedragen taken.

Hij woont eveneens de vergaderingen van de beheerscomités en van Raad voor uitbetaling van de voordelen bij.

Indien de administrateur-generaal verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de adjunct-administrateur-generaal, en bij ontstentenis van de adjunct-administrateur-generaal, door een personeelslid van de Dienst, dat door het Beheerscomité van de Dienst wordt aangewezen.

Art. 61.Voor de andere dan in artikel 58 bedoelde gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen wordt de Dienst vertegenwoordigd door de persoon die met het dagelijks beheer belast is en door de voorzitter van het Beheerscomité van de Dienst die, gezamenlijk, rechtsgeldig in zijn naam en voor zijn rekening optreden.

De voorzitter van het Beheerscomité van de Dienst wordt, wanneer hij verhinderd is, door een lid van het Beheerscomité van de Dienst vervangen, dat door dit Comité aangewezen wordt.

Wanneer de voorzitter van het Beheerscomité van de Dienst, de administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal afwezig of verhinderd zijn, verrichten twee door het Beheerscomité van de Dienst aangewezen leden samen de handelingen. HOOFDSTUK 5. - De Raad voor uitbetaling van de voordelen

Art. 62.De Raad voor uitbetaling van de voordelen is, in afwijking van artikel 34, eerste lid van deze wet en van artikel 36, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, bevoegd om te beslissen over de verzaking aan de terugvordering van de door de Dienst onverschuldigd betaalde uitkeringen.

De Raad kan eveneens, op vraag van de pensioengerechtigde, geheel of gedeeltelijk afzien van de toepassing van de sanctie, tegen hem genomen krachtens artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 50 en artikel 30bis van het koninklijk besluit nr. 72.

Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioenen van de overheidssector die niet tot de bevoegdheden van de Dienst behoren maar door deze laatste beheerd worden ter uitvoering van een overeenkomst gesloten met een openbare macht of instelling, tenzij deze overeenkomst anders bepaalt.

Art. 63.§ 1. Deze Raad is samengesteld uit : 1° een voorzitter, benoemd door de Koning;zijn mandaat duurt zes jaar en is vernieuwbaar; 2° zes leden door de Raad van beheer van het RSVZ aangewezen;3° zes leden door het Beheerscomité van de Dienst aangewezen;4° zes leden door de minister aangewezen. Alleen de leden bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° zijn stemgerechtigd.

De Regeringscommissaris en de afgevaardigde van de minister van Financiën wonen met raadgevende stem de vergaderingen van de Raad bij. § 2. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat meer bepaald voorziet in : 1° de regelen betreffende de bijeenroeping van de Raad op verzoek van de minister of van zijn vertegenwoordiger, van de voorzitter, van de persoon belast met het dagelijks beheer of van twee leden;2° de regelen betreffende het voorzitterschap van de Raad, bij afwezigheid of belet van de voorzitter;3° de regelen betreffende het aanwezigheidsquorum;4° de perken binnen welke hij de bevoegdheid bedoeld in artikel 62 kan overdragen aan de administrateur-generaal. § 3. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van ten minste twee derde van de betrokken aanwezige leden.

In afwijking van het eerste lid worden de beslissingen betreffende de verzaking aan de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen en aan de toepassing van de sanctie tegen de pensioengerechtigde genomen bij gewone meerderheid, respectievelijk door de leden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, paragraaf 1, eerste lid, 3° of paragraaf 1, eerste lid, 4° naargelang het uitkeringen betreft ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen, ten laste van de pensioenregeling voor werknemers of ten laste van één van de pensioenregelingen van de overheidssector. § 4. De vergoedingen die aan de voorzitter en aan de leden van de Raad worden toegekend zijn gelijk aan deze die respectievelijk aan de voorzitter en aan de leden van het Beheerscomité van de Dienst worden toegewezen. Zij zijn ten laste van de Dienst.

Art. 64.Wanneer de Raad in gebreke blijft om een maatregel te treffen of een handeling te verrichten die door de wet of de verordeningen is voorgeschreven, kan de minister zich in zijn plaats stellen na hem verzocht te hebben de maatregelen te nemen of de handelingen te verrichten binnen de termijn die hij vaststelt, zonder dat deze minder dan acht dagen mag belopen.

De minister kan de bevoegdheden van de Raad uitoefenen wanneer en zolang de voorzitter niet is benoemd of de leden niet zijn aangewezen.

TITEL 6. - Begroting, financiering en verdeling van de beheerskosten HOOFDSTUK 1. - Begroting

Art. 65.De begroting van de Dienst bestaat uit een opdrachtenbegroting en een beheersbegroting, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. HOOFDSTUK 2. - Financiering van de opdrachten Afdeling 1. - Financiering van de opdrachten behorend tot de

Rijksdienst voor Pensioenen die de Federale Pensioendienst is geworden

Art. 66.De uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van bepalingen inzake de werknemerspensioenen, worden gedekt door : 1° de bijdragen bedoeld in artikel 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr.50; 2° de inhoudingen verricht in toepassing van het koninklijk besluit nr.33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op invaliditeitsuitkeringen; 3° de bijdragen bedoeld in artikel 8 en de toelage bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 27 juli 1971 tot vaststelling voor de beroepsjournalisten van de bijzondere regelen betreffende het ingaan van het recht op pensioen en van de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit nr.50, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn en van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; 4° de terugbetaling gedaan door het Rijk bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 27 december 1977 tot uitvoering van het hoofdstuk III, afdeling 5 - Bijzonder brugpensioen voor oudere werklozen - en van het hoofdstuk V, afdeling 6 - Bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden - van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978;5° de afhouding bedoeld in artikel 68, § 2, wat de werknemerspensioenen betreft en § 5, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;6° de andere wettelijke en reglementaire ontvangsten;7° het saldo, gelijk aan het verschil op thesauriebasis tussen de uitgaven en de eigen inkomsten, te financieren door de RSZ-Globaal beheer overeenkomstig artikel 24 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

Art. 67.De netto sociale uitgaven en de werkings-, betalings- en gerechtskosten voortvloeiend uit de uitvoering van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 worden gefinancierd door het globaal financieel beheer-statuut zelfstandigen.

Art. 68.De netto sociale uitgaven en de werking-, betalings- en gerechtskosten voortvloeiend uit de toepassing van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen zijn ten laste van het Rijk.

Art. 69.De netto sociale uitgaven en de werkings-, betalings- en gerechtskosten voortvloeiend uit de toepassing van de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen zijn ten laste van het Rijk. Afdeling 2. - Financiering van de opdrachten behorend tot de

aanvullende pensioenen van werknemers

Art. 70.De uitgaven van het afzonderlijk beheer van de aanvullende pensioenen van werknemers bedoeld in artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden worden uitsluitend gefinancierd door de eigen inkomsten behaald door dit aanvullend pensioenstelsel van werknemers. Afdeling 3. - Financiering van de opdrachten behorend tot de

pensioenen en renten van de overheidssector

Art. 71.Voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 11 tot en met 16 en 29, ontvangt de Dienst : 1° een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten inzake de pensioenen van de overheidssector, met uitzondering van de in 4° bedoelde pensioenen;2° een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten inzake de vergoedingspensioenen, herstelpensioenen en oorlogsrenten;3° een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten inzake de arbeidsongevallenrenten;4° een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten inzake de pensioenen van de overheidssector van de gewezen personeelsleden van de NMBS-Holding en HR Rail;5° alle andere ontvangsten die betrekking hebben op zijn opdrachten. HOOFDSTUK 3. - Verdeling van de beheerskosten

Art. 72.De beheerskosten van de Dienst worden verdeeld ten belope : 1° van 77,89 % ten laste van wat valt onder de opdrachten bedoeld in hoofdstuk 1 van titel 3;2° van 22,11 % ten laste van wat valt onder de opdrachten bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 3. De beheerskosten bedoeld in het eerste lid, 1°, na aftrek van de werkings- en gerechtskosten bedoeld in de artikelen 67 tot en met 69 en van de beheerskosten bedoeld in artikel 70, worden gefinancierd door de RSZ-Globaal beheer overeenkomstig artikel 24 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. De beheerskosten bedoeld in het eerste lid, 2° worden gedekt door een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid en door alle andere ontvangsten die betrekking hebben op het beheer van de Dienst.

De Koning wijzigt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de verdeling bedoeld in het eerste lid : 1° op 1 januari 2017;2° telkens nieuwe opdrachten worden overgedragen aan de Dienst;3° in de loop van het jaar dat volgt op dat van het vervallen van de bestuursovereenkomst van de Dienst. TITEL 7. - Diverse bepalingen

Art. 73.Alle goederen, alsook de wettelijke en contractuele rechten en plichten betreffende de door de PDOS uitgeoefende opdrachten worden ambtshalve overgedragen aan de Dienst.

De Koning stelt, op voorstel van de minister de lijst op van de goederen, rechten en verplichtingen overgedragen aan de Dienst krachtens het eerste lid.

Art. 74.§ 1. De gerechtelijke procedures waarin de PDOS partij is en die lopende zijn op 31 maart 2016, worden voortgezet door de Dienst. § 2. De gerechtelijke procedures waarin de DIBISS of HR Rail partij is en die hangende zijn op 31 december 2016, worden door de Dienst voortgezet indien zij betrekking hebben op opdrachten overgedragen aan de Dienst.

Art. 75.De personeelsleden van de Dienst aangeduid voor de taken van toezicht en onderzoek die aan deze Dienst worden opgedragen, hebben voor de vervulling van deze taken, vrije toegang tot alle lokalen en werkplaatsen van welke aard ook, behalve de woonruimte.

De Koning bepaalt welke inlichtingen de betrokken werkgevers, instellingen en besturen hun moeten geven en welke documenten zij moeten meedelen.

Art. 76.De Dienst wordt met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten en reglementering betreffende de directe belastingen geheven ten behoeve van het Rijk, alsmede de belastingen geheven ten behoeve van de provinciën en de gemeenten.

Art. 77.Telkens wanneer een wettelijke of reglementaire bepaling de Administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën, of de Pensioendienst voor de Overheidssector of de Rijksdienst voor Pensioenen vermeldt of bedoelt, moet deze worden gelezen alsof zij de Federale Pensioendienst vermeldt of bedoelt.

Art. 78.De Koning kan de wettelijke en reglementaire bepalingen opheffen, wijzigen, aanvullen of vervangen om ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.

Art. 79.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle maatregelen nemen tot oplossing van eventuele moeilijkheden waaraan de toepassing van deze wet aanleiding zou geven, teneinde de continuïteit van het administratief en boekhoudkundig beheer alsook de betaling van de pensioenverplichtingen te verzekeren.

De besluiten die zijn aangenomen krachtens het eerste lid kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen. Bij ontstentenis van bekrachtiging door de wet binnen de 6 maanden na hun publicatie in het Belgisch Staatsblad, worden deze besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

TITEL 8. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 80.Artikel 38 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, laatst vervangen bij artikel 31 van de wet van 12 januari 2006, wordt opgeheven.

Art. 81.Artikel 23, § 1, 5° en artikel 81, 8°, van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen worden opgeheven.

Art. 82.In artikel 3, § 3ter, zesde lid van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd bij de wet van 30 december 1988, worden de woorden "aan de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst".

Art. 83.In artikel 4, § 3, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "aan de Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst".

Art. 84.In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 20 juli 1991 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 85.In artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 86.In artikel 13 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 87.In artikel 7, eerste lid, van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van en begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2002 en 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 88.In artikelen 14 en 18 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 89.In artikel 21, § 1, eerste lid, 2°, b) van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, vervangen bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 90.In artikel 1410, § 4, elfde lid van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 91.In de artikelen 2, 3, 36, 39, 41 en 41ter van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 92.Artikel 37 van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 april 2010, wordt opgeheven.

Art. 93.In het opschrift van afdeling 1 van het hoofdstuk X van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 maart 1990, worden de woorden "een Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "een Federale Pensioendienst".

Art. 94.In de Franse tekst van de artikelen 40 en 41 van hetzelfde koninklijk besluit, worden de woorden "Cet Office" telkens vervangen door de woorden "Ce Service".

Art. 95.In artikel 40, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 1990, worden de woorden "een Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "een Federale Pensioendienst".

Art. 96.In het hoofdstuk X van hetzelfde besluit, worden opgeheven : 1° afdeling 2, dat de artikelen 42 tot en met 47 bevat, laatst gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004;2° afdeling 3, dat de artikelen 48 tot en met 51 bevat, laatst gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009;3° afdeling 4, dat de artikelen 52 tot en met 56 bevat, laatst gewijzigd bij de wet van 8 april 2003;4° afdeling 5, dat de artikelen 57 tot en met 60 bevat, laatst gewijzigd bij de wet van 20 juli 1990;5° afdeling 5bis, dat de artikelen 60bis en 60ter bevat, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr.513 van 27 maart 1987 en laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999; 6° afdeling 6, dat de artikelen 61 tot en met 63 bevat, laatst gewijzigd bij de wet van 19 maart 1990;7° afdeling 7, dat de artikelen 64 tot en met 65bis bevat, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1995.

Art. 97.In de artikelen 30bis, 34, 36 en 37 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 98.In artikel 49 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "de Rijksdienst" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 99.In artikel 35quaterdecies, § 4, 5° van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ingevoegd bij de wet van 29 januari 2003, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 100.In artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privésector, vervangen bij de wet van 24 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, wordt het tweede lid vervangen als volgt : "Wanneer, naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde vaste benoeming, dienstprestaties die aanleiding hebben gegeven tot onderwerping aan het pensioenstelsel van de werknemers, in aanmerking komen voor de vaststelling van het recht op een rustpensioen ten laste van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, dient de informatie bedoeld in het eerste lid aan de instelling die voormeld fonds beheert, te worden meegedeeld zowel wanneer de Federale Pensioendienst instaat voor het administratief beheer van de pensioenen, als wanneer een voorzorginstelling daarvoor instaat.". 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt het stelsel van de werknemerspensioenen ontlast van elke verplichting met betrekking tot de desbetreffende dienstprestaties ten opzichte van de betrokken personen en hun rechthebbenden. De instelling die het stelsel van de werknemerspensioenen beheert, is er echter toe gehouden de persoonlijke en de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 2, 1° en § 3, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers die van toepassing zijn op de datum van iedere uitbetaling van het loon, over te maken aan de instelling die het wettelijk pensioenstelsel van de openbare sector beheert dat naar aanleiding van de vaste benoeming van toepassing wordt op het vastbenoemde personeelslid.

In het geval van de toepassing van paragraaf 1, tweede lid maakt de instelling die het stelsel van de werknemerspensioenen beheert, de bijdragen over aan de aan de instelling die het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen beheert, zowel wanneer de Federale Pensioendienst instaat voor het administratief beheer van de pensioenen, als wanneer een voorzorginstelling daarvoor instaat.

Het in het eerste lid voorziene bedrag van bijdragen wordt door de instelling die het stelsel van de werknemerspensioenen beheert aan de instelling die het wettelijk pensioenstelsel van de openbare sector beheert of aan de instelling die het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen beheert, overgemaakt uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de in het paragraaf 1, eerste lid bedoelde mededeling heeft plaatsgevonden. De sancties, verhogingen en verwijlinteresten die zijn voorzien door het rustpensioenstelsel dat van toepassing wordt naar aanleiding van de vaste benoeming van een personeelslid, worden in geval van laattijdige betaling van de bijdragen op dit vastbenoemde personeelslid van toepassing.".

Art. 101.In de artikelen 1, 12, 14, 16, 20bis en 21 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen", de woorden "van bovenbedoelde Rijksdienst" en de woorden "van de Rijksdienst voor pensioenen" respectievelijk vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst", de woorden "van de Dienst" en de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 102.In artikel 17, eerste lid van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 februari 1990, worden de woorden "door de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "door de Federale Pensioendienst".

Art. 103.Artikel 19, eerste lid van dezelfde wet, vervangen door de wet van 22 december 1977 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 februari 1990, wordt opgeheven.

Art. 104.Artikel 17 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt : "

Art. 17.De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen gegevens worden voor advies voorgelegd aan het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.".

Art. 105.In artikel 44bis, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden "op gemotiveerd advies van het Technisch Comité voor de pensioenen van de overheidssector bedoeld in artikel 15 van de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de Pensioendienst voor de Overheidssector" vervangen door de woorden "op gemotiveerd advies van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel".

Art. 106.In artikel 10 van de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten, vernummerd bij de wet van 1 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1996 en de wetten van 12 januari 2006 en 13 december 2010, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 107.In artikel 39quater, § 2, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 17 september 2005 en gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 108.In artikel 59, eerste lid, a) van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, worden de woorden "met uitzondering van de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding of van HR Rail" opgeheven.

Art. 109.In artikel 61 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 110.In artikel 61bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 mei 1991 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 111.In de artikelen 132 en 152 van dezelfde wet, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 112.In artikel 28, vierde lid van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, vervangen bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 113.In artikel 11, § 1 van het koninklijk besluit nr. 513 van 27 maart 1987 tot afschaffing van de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen en tot reorganisatie van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen, worden de woorden "van de Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 114.In artikel 9bis, § 4, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, ingevoegd bij de wet van 29 april 1996 en gewijzigd bij de wet van 13 maart 2013, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 115.In artikel 4, § 3, vierde lid van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 116.In artikel 176, § 2, 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 december 2004 en de wet van 12 januari 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt : "2° "de Pensioendienst" : "de Federale Pensioendienst"."; 2° in paragraaf 5, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 117.In artikel 1, 3° van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vervangen bij de wet programmawet (I) van 24 december 2002 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" worden vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst";2° de woorden "de Pensioendienst voor de overheidssector" worden opgeheven.

Art. 118.In artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, vervangen door het koninklijk besluit van 16 december 1996 en laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder j) vervangen als volgt : "j) onder "Dienst" : de Federale Pensioendienst";2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder k) opgeheven;3° in paragraaf 1, l), worden de woorden "de Rijksdienst, de Administratie" vervangen door de woorden "de Dienst";4° in paragraaf 5, vierde lid, worden de woorden "aan de Rijksdienst" vervangen door de woorden "aan de Dienst";5° in paragraaf 5, vijfde lid, worden de woorden "de Rijksdienst" telkens vervangen door de woorden "de Dienst"; 6° in paragraaf 6, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : 3° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van een pensioenstelsel van de publieke sector beheerd door de Dienst;"; 7° in paragraaf 6, eerste lid, wordt de bepaling onder 4° opgeheven; 8° in paragraaf 6, eerste lid wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt : "6° de rust- en overlevingspensioenen toegekend krachtens de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd en de wet van 17 juli betreffende de overzeese sociale zekerheid;"

Art. 119.In het artikel 68bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en gewijzigd bij de wetten van 9 juli 2004 en 13 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, worden de woorden "aan de Rijksdienst" telkens vervangen door de woorden "aan de Dienst";2° in paragraaf 2, worden de woorden "bij de Rijksdienst" vervangen door de woorden "bij de Dienst";3° in paragraaf 3, worden de woorden "aan de Rijksdienst" vervangen door de woorden "aan de Dienst".

Art. 120.In het artikel 68ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en laatst gewijzigd bij de wet van 13 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid opgeheven;2° in paragraaf 1, tweede lid, dat het eerste lid is geworden, worden de woorden "de Rijksdienst" telkens vervangen door de woorden "de Dienst" en worden de woorden "op het wettelijk pensioen" vervangen door de woorden "op de wettelijke pensioenen";3° in paragraaf 1, derde lid, dat het tweede lid is geworden, worden de woorden "de Rijksdienst" telkens vervangen door de woorden "de Dienst";4° in paragraaf 1, vierde lid, dat het derde lid is geworden, worden de woorden "van de Rijksdienst" vervangen door de woorden "van de Dienst";5° in paragraaf 1, vijfde lid, dat het vierde lid is geworden, worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Dienst";6° in paragraaf 1 wordt het zesde lid opgeheven;7° paragraaf 2 wordt opgeheven;8° paragraaf 2bis wordt vervangen als volgt : " § 2bis.Indien een wettelijk pensioen wordt uitgekeerd door meerdere instellingen, andere dan de Dienst, handelt de Dienst overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1, eerste en tweede lid, en de instelling overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1, derde en vierde lid."; 9° in de paragrafen 3 en 4, worden de woorden "de Rijksdienst of de Administratie" telkens vervangen door de woorden "de Dienst";10° in paragraaf 4 worden de woorden "overeenkomstig de bepalingen van § 1, vierde lid" vervangen door de woorden "overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1, derde lid"; 11° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen als volgt : "De instellingen storten maandelijks de opbrengst van de afhouding aan de Dienst."; 12° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "bij deze Pensioendienst" vervangen door de woorden "bij de Dienst";13° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "deze Pensioendienst" en de woorden "de administratie der Pensioenen" vervangen door de woorden "de Dienst"; 14° in paragraaf 5 wordt het vierde lid vervangen als volgt : "De opbrengst van de afhouding, die verricht wordt op de pensioenen bedoeld in artikel 68, § 6, 3° en 5° tot 10°, wordt door de Dienst aangewend voor de financiering van de pensioenen ten laste van de Staatskas."; 15° in paragraaf 6, worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Dienst".

Art. 121.Artikel 68quater van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 13 maart 2013, wordt opgeheven.

Art. 122.In artikel 68quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en laatst gewijzigd bij de wet van 13 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid worden de woorden "aan de Rijksdienst" vervangen door de woorden "aan de Dienst";2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt : "De uitbetalingsinstelling die een kapitaal betaalt na 28 februari 1997 en die de bij artikel 68, § 5, vierde lid opgelegde verplichtingen niet nakomt, is een toeslag van 10 pct.verschuldigd op de laattijdig gestorte bijdragen, alsmede een verwijlinterest van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn voorzien in artikel 68, § 5, vierde lid tot op de dag van betaling."; 3° in paragraaf 3, eerste lid worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Dienst";4° in paragraaf 4 worden de woorden "De Rijksdienst en de Administratie duiden" vervangen door de woorden "De Dienst duidt";5° in paragraaf 5 worden de woorden "zijn ten laste van het in artikel 68ter, § 5 bedoelde Fonds" vervangen door de woorden "worden aangerekend op de opbrengst van de afhouding, die verricht wordt op de pensioenen bedoeld in artikel 68, § 6, 3° en 5° tot 10°."; 6° in paragraaf 6 worden de woorden "tussen de Rijksdienst, de Administratie en de andere instellingen van sociale zekerheid" vervangen door de woorden "tussen de Dienst en de andere instellingen van sociale zekerheid".

Art. 123.In dezelfde wet wordt een artikel 68sexies ingevoegd, luidende : "

Art. 68sexies.De schuldvorderingen van de Dienst op de inhouding bedoeld in de artikelen 68 tot en met 68quinquies verjaren na drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de betaling van het pensioen of het aanvullend pensioen.

De vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde inhoudingen ingesteld tegen de Dienst door de begunstigden en door de uitbetalingsinstellingen verjaren na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de inhouding is overgemaakt aan de Dienst.

De verjaring van de vorderingen, bedoeld in het tweede lid, wordt onderbroken : 1° op de wijze zoals voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; 2° met een aangetekende brief die door de Dienst aan de begunstigde of de uitbetalingsinstelling is gericht of met een aangetekende brief die door de begunstigde of de uitbetalingsinstelling aan de Dienst is gericht.".

Art. 124.In artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2013, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 125.In artikel 1 van de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : "3° Federale Pensioendienst : De Federale Pensioendienst, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;".

Art. 126.In artikel 13bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst" en worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst";2° in paragraaf 2, worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 127.In artikel 20 van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, gewijzigd bij de wetten van 3 december 1997 en 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 128.In artikel 8 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 2015, worden de woorden "van de Rijksdienst voor pensioenen" telkens vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 129.In artikel 2, 11° van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 130.In artikel 3, § 2, eerste lid van hetzelfde besluit, worden de woorden "Rijksdienst voor Pensioenen", ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 april 2002, vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 131.In artikel 32, § 2, 2° van de wet van 22 maart 1999 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 132.In de artikelen 5, 13 en 14 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 133.In artikel 13, § 2, derde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2009 en 27 december 2012, worden de woorden "van de Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 134.Artikel 19 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 135.In artikel 187 van de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 136.In artikel 188, tweede lid van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "aan de Rijksdienst voor pensioenen" worden vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst";2° de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" worden vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 137.In artikel 2 van de wet van 10 februari 2003 tot regeling van de overdracht van pensioenrechten tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiek recht, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt : "4° onder "administratie" : de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen";2° de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt : "5° onder "Dienst" : de Federale Pensioendienst".

Art. 138.In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : "3° een rustpensioen ten laste van de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels, toegekend met toepassing van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid;"; 2° in de Franse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "à l'Office" vervangen door de woorden "au Service".

Art. 139.In artikel 5 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst van paragraaf 3, worden de woorden "à l'Office" vervangen door de woorden "au Service";2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : " § 4.Voor de ambtenaar die die of het tijdelijk personeelslid dat, vóór zijn indiensttreding bij een instelling, onderworpen is geweest aan een van de pensioenregelingen bedoeld in artikel 3, § 1, 3° of 4°, zendt de Dienst de aanvraag en het document dat het akkoord van de instelling bevat, over aan de betrokken administratie. Deze overzending dient te gebeuren binnen de maand volgend op de datum waarop de in paragraaf 3 bedoelde aanvraag is toegekomen bij de Dienst.

Voor de ambtenaar die of het tijdelijk personeelslid dat, vóór zijn indiensttreding bij een instelling, onderworpen is geweest aan een pensioenstelsel bedoeld in artikel 3, § 1, 1° en dat niet wordt beheerd door de Dienst, zendt deze laatste de aanvraag en het document dat het akkoord van de instelling bevat, over aan elk van de openbare besturen of openbare instellingen in wier pensioenregeling het personeelslid rechten op een dergelijk pensioen heeft opgebouwd. Deze overdracht dient te worden uitgevoerd in de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag bedoeld in paragraaf 3 is aangekomen bij de Dienst."

Art. 140.Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 6.In geval van toepassing van artikel 5, § 4 berekent elk van de administraties of elk van de openbare besturen of openbare instellingen waaraan de aanvraag tot overdracht door de Dienst werd overgezonden, het bedrag dat, wat haar betreft, dient te worden overgezonden aan de instelling.".

Art. 141.In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden "Elke andere administratie dan de Dienst deelt aan deze laatste" vervangen door de woorden "Elke administratie deelt aan de Dienst";2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Elk openbaar bestuur of elke openbare instelling waaraan de aanvraag, met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, door de Dienst werd overgezonden, deelt aan deze laatste de in paragraaf 1 bedoelde elementen mee."; 3° in de Franse tekst van paragraaf 3 worden de woorden "l'Office" vervangen door de woorden "le Service" en worden de woorden "à l'Office" vervangen door de woorden "au Service";4° in de Franse tekst van paragraaf 4 worden de woorden "à l'Office" telkens vervangen door de woorden "au Service";5° in de Franse tekst van paragraaf 5, eerste lid worden de woorden "de l'Office" vervangen door de woorden "du Service" en worden de woorden "l'Office" vervangen door de woorden "le Service";6° in de Franse tekst van paragraaf 6 worden de woorden "L'Office" vervangen door de woorden "Le Service".

Art. 142.In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst worden de woorden "l'Office" telkens vervangen door de woorden "le Service";2° in paragraaf 2 worden de woorden "waaraan de aanvraag, met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, door de Administratie der Pensioenen werd overgezonden" vervangen door de woorden "waaraan hij de aanvraag, met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, heeft overgezonden".

Art. 143.Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 10.Elke andere administratie alsook elk van de openbare besturen of openbare instellingen waaraan de aanvraag, met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, door de Dienst werd overgezonden, stort de overeenkomstig artikel 7 vastgestelde bedragen aan deze laatste.".

Art. 144.In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : " § 1.De in artikel 10 bepaalde stortingen dienen bij de Dienst toe te komen uiterlijk de laatste dag van de vierde maand volgend op de datum waarop de administraties of de openbare besturen en openbare instellingen waaraan de aanvraag, met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, door de Dienst werd overgezonden, door de deze laatste op de hoogte werden gebracht van het feit dat de aanvraag tot overdracht met toepassing van artikel 9, § 1 onherroepelijk is geworden."; 2° in de Franse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "L'Office" vervangen door de woorden "Le Service".

Art. 145.In artikel 15 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt de zin "Deze aanvraag dient ingediend te worden bij de administratie die de pensioenregeling beheert waarin de gewezen ambtenaar of het gewezen tijdelijk personeelslid pensioenrechten opbouwt." vervangen door de zin "Deze aanvraag dient ingediend te worden bij de Dienst of de administratie naargelang de pensioenregeling waarin de gewezen ambtenaar of het gewezen tijdelijk personeelslid pensioenrechten opbouwt."; 2° in het tweede lid worden de woorden "de Administratie der Pensioenen" vervangen door de woorden "de Dienst".

Art. 146.In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden "hetzij door de Dienst" ingevoegd tussen de woorden "na haar ontvangst" en de woorden "hetzij door de administratie".

Art. 147.In artikel 18 van dezelfde wet, wordt de zin "De instelling berekent het bedrag dat met toepassing van artikel 14 wordt overgedragen aan de administratie of aan het openbaar bestuur of de openbare instelling bedoeld in artikel 15, tweede lid." vervangen door de zin "De instelling berekent het bedrag dat met toepassing van artikel 14 wordt overgedragen aan de Dienst, aan de administratie of aan het openbaar bestuur of de openbare instelling bedoeld in artikel 15, tweede lid.".

Art. 148.Artikel 19 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 19.De instelling deelt het uit de toepassing van artikel 18 voortkomende bedrag mee hetzij aan de Dienst, hetzij aan de administratie, hetzij aan het openbaar bestuur of de openbare instelling bedoeld in artikel 15, tweede lid.".

Art. 149.In de Franse tekst van artikel 21 van dezelfde wet worden de woorden "à l'Office" vervangen door de woorden "au Service".

Art. 150.In artikel 24 van dezelfde wet worden de woorden "Hetzij de administratie" vervangen door de woorden "Hetzij de Dienst, hetzij de administratie".

Art. 151.Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 26.De aanvraag tot overdracht wordt onherroepelijk op de datum waarop de instelling hetzij van de Dienst, hetzij van de administratie, hetzij van het openbaar bestuur of van de openbare instelling bedoeld in artikel 15, tweede lid, de definitieve bevestiging ontvangt van de aanvraag tot overdracht ingediend door de gewezen ambtenaar of het gewezen tijdelijk personeelslid nadat deze laatste zijn akkoord heeft gegeven over de gegevens die hem overeenkomstig artikel 24 werden meegedeeld."

Art. 152.Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 27.De inaanmerkingneming van de jaren dienst waarvoor de overdracht wordt gevraagd met toepassing van artikel 14 in een in artikel 3, § 1, 1° tot en met 4° bedoelde pensioenregeling wordt afhankelijk gesteld van de werkelijke overdracht door de instelling van het met toepassing van artikel 19 meegedeelde bedrag hetzij aan de Dienst, hetzij aan de administratie, hetzij aan het openbaar bestuur of de openbare instelling bedoeld in artikel 15, tweede lid."

Art. 153.In artikel 10 van de wet van 11 december 2003 houdende overname door de Belgische Staat van de wettelijke pensioenverplichtingen van de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus ten opzichte van haar statutair personeel, gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 154.In artikel 2 van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst, ingevoegd bij de wet van 12 januari 2006, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt : "5° op de personen die ten gevolge van hun aanstelling om een managementfunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° bij de Pensioendienst voor de overheidssector vóór haar ontbinding, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers.".

Art. 155.In de artikelen 4, 5, 6, 9 en 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 156.In artikel 55, tweede lid en artikel 56, § 2, derde lid, van de programmawet van 11 juli 2005, gewijzigd bij de wet van 12 januari 2006, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 157.In de artikelen 7 en 7bis van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, worden de woorden "van de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 158.In artikel 27 van de programmawet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst van het eerste lid worden de woorden "à l'Office national des Pensions" vervangen door de woorden "au Service fédéral des Pensions";2° in het eerste lid worden de woorden "Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst";3° in het zesde lid worden de woorden "de Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 159.Artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat, bekrachtigd bij artikel 70 van de programmawet van 20 juli 2006, wordt opgeheven.

Art. 160.HOOFDSTUK IV, dat de artikelen 9 en 10 bevat, van hetzelfde besluit, wordt opgeheven.

Art. 161.In artikel 55 van de programmawet van 20 juli 2006, gewijzigd bij de wetten van 29 december 2010, 19 maart 2013 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "bij de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "bij de Federale Pensioendienst";2° in het tweede, derde, zesde en zevende lid worden de woorden "naar de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "naar de Federale Pensioendienst";3° in het vijfde lid worden de woorden "van de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 162.De wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de "Pensioendienst voor de Overheidssector", gewijzigd bij de wetten van 28 april 2010 en 5 mei 2014, wordt opgeheven.

Art. 163.In artikel 135 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid worden de woorden "aan de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst";2° in paragraaf 2 worden de woorden "bij de voormelde Rijksdienst" vervangen door de woorden "bij de Federale Pensioendienst";3° in paragraaf 3 worden de woorden "van de voormelde Rijksdienst" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 164.In artikel 139 van de dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : "De schuldvorderingen van de Federale Pensioendienst verjaren na drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de betaling van de sociale uitkering.De tegen de Federale Pensioendienst ingestelde vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigde inhoudingen verjaren drie jaar na de datum waarop de inhouding hem werd gestort."; 2° in paragraaf 2 worden de woorden "de voormelde Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst";3° in paragraaf 3 worden de woorden "Voornoemde Rijksdienst" vervangen door de woorden "De Federale Pensioendienst".

Art. 165.In de artikelen 144/3 en 148 van dezelfde wet, worden de woorden "aan de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst".

Art. 166.In artikel 296, § 2, 1° van de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst" en worden de woorden "de Pensioendienst voor de overheidssector" opgeheven.

Art. 167.In artikel 301 van dezelfde wet worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst, voor het pensioenstelsel van de werknemers" en de woorden "de Pensioendienst voor de overheidssector" worden vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst, voor het pensioenstelsel van de publieke sector".

Art. 168.In de artikelen 2 en 8 van de wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gecoördineerd op 29 juni 2007, worden de woorden "de Rijksdienst voor pensioenen" telkens vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 169.Artikel 140 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen wordt opgeheven.

Art. 170.In artikel 139, 8° van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I), worden de woorden "de Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 171.In artikel 3 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, wordt de bepaling onder 6) vervangen als volgt : "6) "de FPD" : "de Federale Pensioendienst"."

Art. 172.In artikelen 5, 7, 9 en 20/2 van dezelfde wet, worden de woorden "PDOS" telkens vervangen door de woorden "FPD".

Art. 173.In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst";2° in de Franse tekst van paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "SdPSP" vervangen door het woord "SFP";3° in de Nederlandse tekst van paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de pensioenen aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen" vervangen door de woorden "de pensioenen hetzij aan de FPD, hetzij aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen";4° in paragrafen 2 en 3 worden de woorden "PDOS" telkens vervangen door de woorden "FPD".

Art. 174.In artikelen 30, 39 en 55 van dezelfde wet, worden de woorden "Pensioendienst voor de overheidssector" telkens vervangen door de woorden "Federale Pensioendienst".

Art. 175.In artikel 119/1 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, ingevoegd door de wet van 20 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst";2° in het tweede lid worden de woorden, "van de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 176.In artikel 123, 2° van dezelfde wet, worden de woorden "aan de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst".

Art. 177.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 2012 tot uitvoering van artikel 123 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, bekrachtigd door de wet van 27 december 2012, worden de woorden "aan de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "aan de Federale Pensioendienst.

Art. 178.In artikel 4 van de wet van 13 maart 2013 tot hervorming van de inhouding van 3,55 % ten gunste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en de solidariteitsbijdrage verricht op de pensioenen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "De Rijksdienst voor Pensioenen" worden vervangen door de woorden "De Federale Pensioendienst";2° de woorden "aan de Rijksdienst" worden telkens vervangen door de woorden "aan de Dienst";3° in de Franse tekst, worden de woorden "de l'Office" telkens vervangen door de woorden "du Service".4° de woorden "de Rijksdienst" worden telkens vervangen door de woorden "de Dienst".

Art. 179.In artikel 5 van dezelfde wet worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst" en worden de woorden "voormelde Rijksdienst" vervangen door de woorden "de Dienst".

Art. 180.In artikel 76, 11°, van de programmawet van 28 juni 2013, worden de woorden "de Pensioendienst voor de overheidssector" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 181.In artikel 93 van dezelfde wet, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt : " § 2. De verklaringen van uitoefening, van herneming of van stopzetting van een beroepsactiviteit of van genot van een vervangingsinkomen, afgelegd in het pensioenstelsel van de werknemers en in dit van de zelfstandigen, gelden als verklaring in het pensioenstelsel van de publieke sector.".

Art. 182.In artikel 99, 5° van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, worden de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "de Federale Pensioendienst".

Art. 183.In artikel 3 van de wet van 21 mei 2015 tot oprichting van een Nationaal Pensioencomité, een Kenniscentrum en een Academische Raad, worden de woorden "van de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst".

Art. 184.In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de bepaling onder 2° worden de woorden "van de Rijksdienst voor Pensioenen" vervangen door de woorden "van de Federale Pensioendienst"; 2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt : "3° de administrateur-generaal van de Pensioendienst voor de Overheidssector, die de adjunct-administrateur-generaal is geworden van de Federale Pensioendienst;".

Art. 185.In de artikelen 19 en 20 van de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen en tot wijziging van de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd van het overlevingspensioen worden de woorden "verschaffen de werknemers de Rijksdienst voor Pensioenen" telkens vervangen door de woorden "verschaffen de werknemers aan de Federale Pensioendienst".

TITEL 9. - Overgangsbepalingen, slotbepalingen en inwerkingtreding HOOFDSTUK 1. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 186.In afwijking van artikel 57 van deze wet en van artikel 11, § 1, 1° van het koninklijk besluit van 30 november 2003 betreffende de aanduiding, de uitoefening en de weging van de managementfuncties alsook de aanduiding en de uitoefening van staffuncties en directiefuncties in de openbare instellingen van sociale zekerheid, zet de persoon die, op 31 maart 2016, is aangesteld voor het uitoefenen van de functie van Administrateur-generaal van de Pensioendienst voor de Overheidssector zijn mandaat voort vanaf 1 april 2016 in de hoedanigheid van adjunct-Administrateur-generaal van de Dienst, op welke het koninklijk besluit van 30 november 2003 van toepassing is gemaakt.

Art. 187.De personen die op 31 maart 2016 aangesteld zijn voor het uitoefenen van de functie van Regeringscommissaris en Regeringscommissaris van Begroting bij de Rijksdienst voor Pensioenen blijven hun functie bij de Dienst uitoefenen tot de aanstelling van de nieuwe Regeringscommissarissen door de Koning krachtens artikel 23 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

Art. 188.De koninklijke besluiten, de ministeriele besluiten en de beslissingen, genomen in uitvoering van artikelen 42 tot en met 60ter van het koninklijk besluit nr. 50, blijven van toepassing zolang ze niet uitdrukkelijk worden gewijzigd, vervangen of opgeheven.

Art. 189.De aan de administrateur-generaal overgedragen bevoegdheden krachtens artikelen 49 en 49bis van het koninklijk besluit nr. 50 blijven van toepassing.

Art. 190.Zolang ze niet uitdrukkelijk worden gewijzigd, vervangen of opgeheven, blijven de koninklijke besluiten en de ministeriele besluiten, genomen in uitvoering van de wet van 12 januari 2006, van toepassing, met uitzondering van het ministerieel besluit van 23 februari 2009Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 23/02/2009 pub. 16/03/2009 numac 2009022086 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Ministerieel besluit dat delegaties van bevoegdheden en handtekeningen toekent binnen de Pensioendienst voor de Overheidssector sluiten dat delegaties van bevoegdheden en handtekeningen toekent binnen de Pensioendienst voor de Overheidssector.

Art. 191.Het Beheerscomité van de Dienst, aangevuld met de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal van de Dienst, blijft bevoegd voor de aanvullende pensioenen van werknemers bedoeld in artikel 9 zolang dat het Beheerscomité van de aanvullende pensioenen van werknemers bedoeld in artikel 45, niet in staat is om daadwerkelijk te werken.

Art. 192.De Raad voor uitbetaling van voordelen, bedoeld in artikel 62, blijft beslissen, op basis van haar huishoudelijk reglement dat momenteel van kracht is, over de verzaking aan de terugvordering van de uitkeringen bedoeld in artikel 5 en door de Dienst onverschuldigd betaald, tot de aanduiding van de leden bedoeld in artikel 63, § 1, 4°.

Art. 193.De PDOS wordt vereffend en ontbonden.

Art. 194.Deze wet wordt verkort "Wet betreffende de Federale Pensioendienst" genoemd. HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtredingen

Art. 195.Deze wet treedt in werking op 1 april 2016, met uitzondering : 1° van titel 2, die in werking treedt op 31 maart 2016;2° van de artikelen 162 en 193, die in werking treden op 2 april 2016;3° van hoofdstukken 3 en 4 van titel 3, hoofdstuk 3 van titel 5, artikel 71, 4°, artikel 74, § 2, artikel 81, artikel 108, artikel 118, 7°, artikel 121, artikel 159 en artikel 160, die in werking treden op 1 januari 2017. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `sLlands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 18 maart 2016.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, D. BACQUELAINE De Minister van Zelfstandigen, W. BORSUS De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE BLOCK De Minister van Ambtenarenzaken, S. VANDEPUT De Minister van Mobiliteit, J. GALANT Met `s Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 0101 - 54-1651 Integraal verslag : 10 maart 2016


begin


Publicatie : 2016-03-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^